Pagina wordt geladen, één ogenblikje alstublieft...

Wanneer dit blauwe vlak niet verdwijnt na maximaal dertig seconden -met adsl of cable-, dan staan uw veiligheidsinstellingen te hoog.

Deze site maakt intensief gebruik van Javascript, zoals de meeste websites. Deze scriptingtaal is volkomen veilig en u dient 'scripting' aan te zetten in uw instellingen, daar anders deze site een mysterie voor u zal blijven.

Jan ter Haak

 
   
   
 
 
Naast mijn autobiografie 'Zonde van de eerste steen'...
 
is nu ook Anouk uit in 'Oddball and the Killa Gal'
Lees eerst mijn autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

U weet waarschijnlijk veel van de Siciliaanse Maffia. U hebt wellicht ook wel eens iets vernomen van de Napolitaanse Camorra. De NCO? De Calabrese nDrangheta klinkt mogelijk vaag bekend, maar eigenlijk weet u er misschien toch niet al te veel van. Van de Sacra Corona Unita en de Stidda heeft u nimmer gehoord. Zoals menig Nederlander met u.

Er is een Nederlander die er nagenoeg alles van weet. Die heeft met deze organisaties gewerkt en zelfs strijd gevoerd. Nu na twintig jaar kunt u zijn ervaringen en vele andere belevenissen lezen in zijn autobiografie. Die Nederlander ben ik:

Jan ter Haak
(ex-crimineel), aangenaam!

 
 

Belangrijke Mededeling !!

Deze website is bijzonder inter-actief en maakt intensief gebruik van Javascript. Deze scriptingtaal is volslagen veilig en wordt door nagenoeg iedere website gebruikt.

Wanneer u de link om door te gaan geklikt heeft en de website ziet er naar uw idee vreemd uit en/of functioneert niet, dan staan uw veiligheidsinstellingen veel te hoog.

Om van deze site optimaal gebruik te maken, dient u uw veiligheidsinstel-lingen naar een normaal niveau te brengen, daar anders deze website net zo opwindend wordt als uw leven, dat beheerst wordt door veiligheids-instellingen. Nauwelijks!

Javascript dient dus aan te staan en
Cookies moeten geaccepteerd worden.

 

“Vijf kilo,” smakte Lino om een hap malse biefstuk heen.

Je had hem zojuist gevraagd hoeveel hij aan zijn contact in Milaan kwijt kon.

 “Vijf kilo? Die gabber van je is ook niet verlegen hè? Weet je zeker dat hij geen vijf ounce bedoelt?”

Dio Santo, Cajun, stomme Hollander dat je bent. Wij Napolitanen spreken al een tijdje dezelfde taal.”

“Dat is nu precies wat mij zo verontrust. Jullie lullen over een half miljoen gulden alsof het een pond peren is.”

“Geen peren, maar wel drie en een halve ton winst.”

“Ja dat, of vijfentwintig jaar in Italië voor schut. Hoe lang ken jij die vriend eigenlijk?” vroeg jij sceptisch.

“Het is een vriend van een vriend.”

“Dan moet het wel goed zitten,” snoof jij laatdunkend, en keek naar een paar late eters die zich luidruchtig te goed zaten te doen aan een kilo of tien spaghetti carbonara. ‘Het lijkt wel of iedereen zijn gezicht zit vol te proppen,’ dacht je. Het waren de laatste klanten in Lino’s restaurant.

 

Je had mij verteld hoe, nadat je Lino in Italië die dienst had bewezen met dat koperwerk, er zich tussen jullie een hechte vriendschap had ontwikkeld. Er was niet veel waar Lino niet in dealde of in betrokken was. Zijn onderwereldcontacten in Italië waren uitstekend gebleken. Maar iedere keer dat jullie voor ‘zaken’ in Italië vertoefden had je het gevoel dat je een rol in een gangsterfilm uit de jaren dertig speelde. Hoe zeer je de Italianen ook mocht, het bleef een operettevolk. Je besefte echter sinds paar jaar dat Italianen in crimineel opzicht de ideale partners in de misdaad waren. Wat betrouwbaarheid, zwijgplicht, eer en principes betrof, verkoos je in de jaren zeventig de Italiaanse ‘galantuomo’ boven de D.I.Y. crimineel, van welke nationaliteit dan ook. Aangeboren creativiteit, improvisatievermogen, fantasie, sluwheid en gevoel voor drama, maakten de Italiaan de perfecte vennoot voor het creëren van creatief vermogen. De Napolitanen waren de metaforische commando’s onder de Italianen, en het was met hen dat je je in de strijd wierp.

De laatste reis had Lino je voorgesteld aan zio Ciccio, ofwel Franco Coppola, de laatst overgebleven Cosa Nostra Don uit de tijd van Charlie Lucania (Luciano). Na de oorlog werd deze uit Amerika terug naar Italië verbannen. Lino vertelde de oude maffioso dat jij zijn beste vriend was. Zio Ciccio werd ondanks zijn hoge leeftijd weer eens gezocht door de Italiaanse justitie. Hij was met twee neven ondergedoken in een appartement op de zevende verdieping van een flatgebouw ergens in Rome. De twee neven zaten je wantrouwend op te nemen, terwijl de oude Don voortdurend Engels met je wilde praten .Voor hem was elke buitenlander blijkbaar een Amerikaan. Hij herleefde klaarblijkelijk zijn verleden wanneer hij Engels met iemand sprak.

 

Na een half uurtje gaf de oude man te kennen dat het onderhoud was afgelopen. Hij zei bij het afscheid dat jij nu een ‘lid van de familie’ was en kuste je op beide wangen. De tijd tussen de eerste kus op je rechterwang en de tweede op je linkerwang leek wel een eeuwigheid te duren. Ik denk dat wanneer hij je slechts op één wang gekust had, je van angst dwars door het venster van de zevende verdieping naar buiten zou zijn gesprongen. Maar gelukkig had de oude man niet het idee dat je een undercover van het ‘Amerikaanse Drugs Enforcement Agency’ was.

 Je overleefde het bezoek dus. Later was je zo trots als een aap met zeven lullen, want er waren niet veel Hollanders die konden zeggen dat ze de oude Maffia Don hadden ontmoet. Buiten gekomen vertelde Lino je dat hij voor vijf miljoen gulden valse travellercheques aan de Don had verkocht voor tien procent van de waarde. Na aftrek van de kosten voor de drukker bleven er ruim vierhonderdduizend gulden over. Lino had de winst later prompt met je gedeeld.

Je vertelde mij dat je in een paar maanden in Italië ruim zeshonderdduizend gulden met Lino had verdiend.

 

“Lino, ik weet dat je bestaande contacten goed zijn, maar voor vijf kilo heroïne snijden ze ons aan bagageriemen.”

“Is Cajun bang soms?”’ sneerde Lino, terwijl hij rest van de biefstuk naar binnen schoffelde.

“Als voorzichtig zijn automatisch ‘bang zijn’ betekent, dan ben ik inderdaad bang, ja! Ik zal je vertellen waarom, Lino. Ik weet van een insider dat er even buiten Palermo op Sicilië ongeveer vijftig ton Libanese hasj, dertig ton Marokkaanse zero zero en tweehonderd kilo Turkse horse liggen te wachten om verkocht te worden. Nou, ik kan die horse in Sicilië kopen voor vijfentwintig ruggen per ki. Daarom vind ik het een beetje vreemd dat jouw contact honderd ruggen per kilo wil betalen. Of hij weet niet veel van prijzen, en dat betekent dat hij geen insider is, en dat maakt hem gevaarlijk. Een andere mogelijkheid is dat hij op een rippartij uit is, en dat maakt het nog linker, begrijp je? En dan is er nog de niet denkbeeldige situatie van entrapment van de DEA.”

Si, lo capisco Cajun, maar mijn contact wil brown sugar, en dat is op het moment niet te koop in Italië.”

“Precies, en hij weet dat jij dat weet en dat maakt het nou juist zo gevaarlijk. Het verhaal is goed genoeg, maar als er in Holland een tekort aan een bepaald soort dope is, dan wordt er een ander soort verkocht. Het zal die junkies een pestzorg zijn wat ze spuiten of roken.”

“Italië is Holland niet. Als je er geen bestek in hebt, dan doe ik het wel alleen. Amici come prima - even goede vrienden.”

“Je weet best dat ik je niet alleen laat gaan, Lino. Niet voor de winst, maar je bent een gabber. Ik wilde alleen dat je voor de verandering eens een beetje nadacht voordat je handelt,” zei jij.

“Met denken alleen verdien je geen geld,” dolde Lino.

“Nou, daarover verschillen wij dan duidelijk ook van mening,” sneerde je, “goed, zeg dan maar hoe je het dacht te doen, ook al denk je dan niet zo vaak.”

“Wat betalen we voor vijf kilo?” vroeg Lino.

“Normaal, honderd vijftig ruggen. Maar je moet bedenken dat een kilo eigenlijk geen kilo is. Er...”

“Wat is dat nu weer voor onzin met je ‘een kilo is geen kilo’” viel Lino je in de rede, “jullie Hollanders hebben ook altijd iets bijzonders.”

“Dit is nu eens geen typisch voorbeeld van niet denken, maar van regelrechte stupiditeit,” zei jij quasi verontwaardigd, “als je mij nou even uit laat praten, zal ik het je proberen uit te leggen. Geef eens een rekenmachine, pen en papier, als je wilt.”

Lino wenkte zijn broer Lello, die verveeld over de toonbank leunde, en liet hem gevraagde brengen. Je maakte wat berekeningen en aantekeningen. Lino zat verveeld te wachten op de uitleg.

“Lino,” begon jij toen je klaar met rekenen was, “brown sugar komt uit Hong Kong en zoals je weet werken zij daar met Britse maten en gewichten. Een kilo bestaat daar niet. Zij werken met ponden.

Normaal zitten er twee pond in een kilo; niet zo met de Britse ponden echter, die zijn vierhonderd drieënvijftig en een halve gram. Twee ponden zijn dus negenhonderd en zeven gram. De conclusie is dat wij aan iedere verkochte kilo bijna tien procent te kort komen. Die moeten wij dus extra bijkopen en daar kunnen wij de klant niets voor in rekening brengen. Die koopt en verwacht een kilo. Iedere kilo gaat ons ruim tien procent extra kosten, dus de hele handel kost ons iets meer dan honderd vijfenzestig ruggen. En dan hebben we het transport nog,” besloot jij.

“Kan die vrachtwagenchauffeur van jou het niet voor ons vervoeren?” informeerde Lino.

“De man wil alles voor ons wegbrengen, behalve dope.”

“Hij hoeft het toch niet te weten?” stelde Lino voor.

“Lino, je denkt toch niet dat ik een man met een gezin een risico van tien jaar lik in Italië laat lopen zonder hem dat te zeggen. Ik dacht dat jij een uomo d'honore was?”

Lino trok een vies gezicht, en zei: “Nee, je hebt volkomen gelijk. Dat kunnen we niet doen. Weet jij iemand anders dan?”

“Misschien, ik kan het die Tony vragen. Wat willen wij kwijt voor het transport?”

 

“Zeg jij het maar,” stelde Lino voor.

“Ik denk dat tien procent van de schone winst wel redelijk is. Wat denk jij?”

“Dus wij houden dan ongeveer driehonderd ruggen schoon over?” rekende Lino.

“Wanneer alles goed gaat ja, maar als die koerier verschut gaat kunnen wij hem niet laten steunen. Wat kost een gemiddelde rechter in Italië?”

Lino dacht even na en zei toen: “Als wij het door zio Ciccio laten regelen ongeveer vijftig ruggen, maar als het goed gaat moeten wij hem dertig procent van de winst betalen.”

“Dus in het gunstigste geval houden wij de man ruim een ton over. Dat is mij goed genoeg, maar zit je dan niet in de Don zijn wijk te pieren?”

“Die ouwe vrek vind alles goed zolang hij maar verdient,” schimpte Lino.

D’accordo, inkoop en transport zijn dus in principe geregeld,” somde jij op, “wapens, hoe zit het daarmee, Lino?”

“Ik heb een partij Beretta’s 7.65 met dempers liggen. Zwaar genoeg?”

“Perfect. En de plaats van ontmoeting, hoe wilde je dat regelen?”

“Ik heb een zwager die een hotel heeft in Milaan, in de Via Boschevich. Daar kunnen wij de deal ook doen als het moet.”

 “Hoeveel zwagers heb jij eigenlijk, Lino?”

“O, ik kan nog wel een blik met zwagers opentrekken als het moet, wij hebben een grote familie. Ik had het zo gedacht, Cajun: wij rijden achter de koerier aan met mijn auto en huren een andere auto in Milaan. Ik ontmoet mijn contact op een terras. Jij blijft in de auto zitten en legt de boel af. Wanneer mijn contact en ik besloten hebben dat de deal door kan gaan dan sta ik op van mijn stoel en kijk om mij heen alsof ik iemand verwacht. Wanneer volgens jou de kust veilig is dan bel jij die bar en je vraagt mij aan de telefoon. Wanneer jij mij binnen tien minuten niet belt, dan bel ik een taxi en ontmoeten wij elkaar bij mijn zwager. Is het echter cool, dan bel ik ook een taxi en neem mijn contact mee. Jij rijdt op een afstand achter de taxi aan en kijkt of we geen staart hebben. Als ik met mijn contact in het hotel ben, dan kom jij een kwartier later met de sket.. Je hebt natuurlijk eerst mijn zwager gebeld hebt om te controleren of er geen situatie is.”

“In grote lijnen kan ik mij daar wel in vinden, maar ik ga niet met vijf kilo van die kankerzooi over straat wandelen, om te beginnen. Ik denk ook niet dat jouw contact met een half miljoen in zijn binnenzak rondloopt. Hij zal ook wel moeten bellen om de centen af te laten leveren. Dus dat ligt dus allemaal weer een beetje gevoeliger.”

“Wat had jij gedacht dan?”vroeg Lino gekwetst.

“Zoals ik al zei, in grote lijnen hetzelfde. Ik stel alleen voor om de koerier vooruit

 

te sturen naar het hotel van je zwager voordat we ook maar iets doen. Wanneer ik je niet op het terras bel omdat het volgens mij krom zit, dan vertrek jij alleen met een taxi zoals afgesproken. Ik bel dan meteen het hotel en laat de koerier met die shit verdwijnen naar een vriend van mij, even buiten Milaan. Wanneer het een fitup is en de kit je mocht volgen, dan is het hotel in ieder geval clean wanneer zij daar aankomen. Maar zit het goed, dan bel jij mij voordat jouw contact zijn bagman belt. Met een beetje geluk hebben zijn kornuiten onze gezichten dan niet gezien. We moeten namelijk ook nog weg uit dat hotel, en het liefst met de centen. Ik moet er dus zijn voordat de tegenpartij komt - al of niet met de centen. Is het eenmaal zover, dan zijn wij dus met zijn vieren in die kamer. Wanneer we het geld hebben gezien, dan blijf jij daar binnen met je contact, die de kassa bij zich houdt. Ik ga met zijn gabber naar de lege kamer van onze koerier. We zorgen ervoor dat er een jas op het bed ligt met daaronder een doorgeladen Beretta. Dat wapen moet onder de uiterste linkerkant van de jas - met de demper de kamer inkijkend - gelegd worden. Ik ben namelijk rechts en als het uit de hand loopt, wil ik niet eerst een wapen om moeten draaien en veel minder nog, het wapen eerst door te moeten laden.

Ik laat vriend klant dan de dope testen. Wanneer dat gebeurd is, bel ik jouw kamer en laat door die sampler bevestigen dat de handel goed is, en dat zijn maat het geld aan jou kan overhandigen. Jij bevestigt dan aan mij dat je de monete hebt en ik overhandig de handel. Vooraf zullen zij, net als wij, wel een codewoord ter bevestiging afgesproken hebben. Jij belt dan twee taxi’s en jullie verdwijnen in verschillende richtingen. Ik blijf in de kamer met die andere knul en wacht op je telefoontje, waarin je me zegt dat alles in orde is. Je vertelt mij dan waar je bent. Dan bel ik drie taxi’s, één voor de koerier, één voor de bagman en één voor mijzelf, en we vertrekken. De koerier gaat naar zijn auto en wacht daar op ons. Wij komen later met de centen en verstoppen die in de koerier z’n wagen.”

“En daarna vertrekken wij met de centjes weer naar Holland. Ik ben onder de indruk,” zei Lino triomfantelijk, een taartpunt van zijn kin vegend.

“Je noot een beetje gebruiken, is dan zo verkeerd nog niet, hè?”vroeg jij terwijl je het aangeboden glas grappa van Lello aannam.

Lino liep naar de telefoon en belde zijn contact in Milaan.

 

Het gesprek werd in strak Napolitaans gevoerd, waarbij de dope werd vervangen door vijfduizend flessen Lambrusco. Je hoorde Lino zeggen dat hij over twee dagen zijn contact zou bellen, nadat hij in Milaan was aangekomen. Dan belde hij af en vroeg of jij Tony, de koerier wilde bellen.

 

“Nee Lino, ik zoek hem wel op, want ik weet niet of zijn telefoon koosjer is.”

 

Anderhalve dag later bevond je je in een geparkeerde Alfa Romeo op de Viale Zara in Milaan. Je zat niet alleen het verkeer te bekijken dat voor het terras langs raasde, waar Lino met zijn nieuwe contact geparkeerd zat; je was vooral geïnteresseerd in wagens die stopten of wegreden, en in ogenschijnlijk onschuldig wandelende voetgangers. Wie had er ooit tegen je gezegd dat die Italianen weinig spraken? Dat moest Lino zijn geweest. Het leek godverdomme wel of zij aan hun stoelen vast waren gelast. Zwaaiende armen, en maar campari’s bestellen. Je zat hier al meer dan een uur, en begon je zorgen te maken over de mogelijkheid dat niet Lino, maar jij nu zelf in de gaten gehouden zou gaan worden. Tot overmaat van ramp stond je ook nog voor een bank geparkeerd. Je had het wel weer uitgezocht.

Toen Lino eindelijk van zijn stoel opstond en om zich heen keek, verliet je de auto en wandelde naar de dichtstbijzijnde koffiebar. Je bestelde snel een espresso en vroeg de eigenaar of je zijn telefoon mocht gebruiken. De man wees naar een telefoonautomaat. Natuurlijk had je er weer niet aan gedacht om munten mee te nemen. Je vroeg de bareigenaar om een paar gettoni voor de automaat. Met een verveeld gezicht telde deze op de bar vijf munten voor je uit. Je draaide je om, om naar de telefoon te lopen. Tot je verbijstering zag je evenwel een Italiaan de zaak in komen die regelrecht naar de telefoon liep en begon te bellen. Het was niet te geloven. Je ging op een meter afstand van hem staan en liet de munten bij wijze van subtiele hint in je hand rammelen. De Italiaan stoorde zich echter volstrekt niet aan je. De tien minuten waren inmiddels al voorbij.

Toen die telefoonmaniak eindelijk de hoorn op wilde hangen, rukte je die zowat uit zijn hand en uit de automaat. De Italiaan bekeek je met een vuile blik waarop jij nog vuiler terugkeek.

Stranieri di merda,” mompelde hij terwijl hij de zaak verliet.

“Jij hebt duidelijk weer eens geen haast, Cajun,” zei Lino even later aan de telefoon.

“Jij anders ook niet,” reageerde je bits.

“Wat denk je ervan?” vroeg Lino.

Je vertelde hem dat wat jou betrof de deal wel door kon gaan, omdat je niets verdachts had kunnen ontdekken. Je gaf hem het nummer van de koffiebar en hing op. Wachtend op het telefoontje vanuit het hotel hield de bareigenaar je bezig door je van alles over voetbal uit te leggen. Tegen de tijd dat je in staat was om een interlandwedstrijd te fluiten, rinkelde dan eindelijk de telefoon. De eigenaar staakte

 

zijn monoloog en liep naar het apparaat. “È per lei, signore,” zei hij, en je meldde je.

Lino zei dat alles in orde was en vroeg of je zo snel mogelijk wilde komen. Je betaalde de voetbalwaard en haastte je naar de Alfa. Het verkeer op de Via Zara stond intussen rijen dik. Het duurde dan ook een half uur om op de Corso Buenos Airos te komen. Je flikkerde de auto op een stoep en liep de Via Boschevich in.

 

“Signor Cajun?”vroeg een jonge man vanachter de balie toen je het hotel in kwam.

Si signore,” antwoordde jij.

“Ik ben de zwager van Lino, aangenaam. Kamer tien,” zei de jongeman, naar boven wijzend.

Je liep de trap en klopte op de kamerdeur. Lino opende de deur en liet je binnen. Hij stelde je voor aan zijn contact. Het was een al wat oudere en gezette man die je een hand gaf die aanvoelde als een kleffe drol.

Antonio piacere,” stelde een weke mond zich voor.

Slappe hand, weke mond en een neus die voortdurend opgehaald werd. Zwaar verkouden, een cokejunk of beide, stelde jij stilzwijgend vast. De tweede veronderstelling bleek de juiste te zijn toen de man het bekende gouden pijpje uit zijn zak haalde en vroeg of hij je van dienst kon zijn.

“Nee, dank u, ik ben niet verkouden,” reageerde jij, waarop Lino je een vernietigende blik toewierp.

In het Italiaans zei hij: “De centen kunnen nu elk moment hier zijn.”

“Het is te hopen Lino, want die vriend van je is niet echt. Dat kan een blind paard nog wel zien,” antwoordde jij in het Nederlands.

Cosa ha detto?” vroeg de Italiaanse neus wantrouwend.

“Mijn vriend zegt dat het hem een genoegen is om zaken te doen met u. Hij spreekt alleen nog niet zo goed Italiaans.”

Tevredengesteld nam de Italiaan een neusvol uit de gouden stift en bood deze zowaar opnieuw aan. Je werd niet goed van die vetbol. Er klonken voetstappen op de gang, en even later werd er op de deur geklopt. Lino stond op en liet een kopie van de neus binnen. ‘Het lijkt wel of ze uit dezelfde gietvorm zijn gerold,’ dacht jij, ‘heet zeker ook Antonio.’ Na de verplichte ceremonie en het uitwisselen van slappe handen maakte Antonio Due op verzoek van de neus een koffertje open en begon het geld uit te tellen. Vijfhonderdduizend gulden. En natuurlijk weer in lires.

“Lino, we verliezen tien procent aan het wisselen van dat monopoliegeld, heb je ze dat uitgelegd?”

 

“Ja maar zij konden op korte termijn de rest van dat geld niet meer bij elkaar krijgen en vroegen of het goed was dat zij dat de volgende reis betaalden.”

“Zo begint het altijd, de volgende keer is het weer wat anders.”

“Houd die tien procent maar van mijn portie af,” stelde Lino voor.

“Doe niet zo achterlijk. Samen uit, samen thuis. We zien het wel weer. Waar hangt onze koerier eigenlijk uit?”

“O, die zit bij mijn zwager in de kamer naar voetbal te kijken.”

“Als ik het niet dacht,” mompelde jij, en vroeg Lino in welke kamer de smack lag.

“Hiernaast op twaalf,” zei Lino in het Nederlands, waarop de twee Antonio’s jullie weer wantrouwig bekeken. ‘Ze hadden allebei een bolhoed op moeten hebben,’ dacht jij, ‘dan waren het precies Jansen en Janssen uit Kuifje geweest.’

“Zullen wij naar de handel gaan kijken?” vroeg jij Antonio Due, die gretig knikte.

Jullie liepen naar kamer twaalf, die stom genoeg niet op slot was. Er lag een lange zwarte leren jas op het bed. Gezellig ging jij er naast zitten en trok de plastic tas onder het bed vandaan. De Italiaan keek op zijn horloge. Je overhandigde hem de tas en leunde achterover tegen de muur. Antonio Due vroeg of je het niet als een belediging zou opvatten wanneer hij de handel even testte. Jij schudde je hoofd, terwijl de Italiaan uit zijn binnenzak een stuk zilverfolie haalde. Daarna maakte hij een pak open en haalde er een ouncezakje uit, opende dat en strooide een paar korrels op het zilverpapier. Met een gouden aansteker hield hij een vlam onder het zilverfolie en verhitte de korrels. Hij begon de rook die van de folie begon af te walmen met een gouden sigarettenpijpje te inhaleren. Nadat het laatste restje ‘opgejaagde draak’ in de neus was verdwenen, legde hij zijn aansteker op tafel en keek weer op zijn horloge.

‘Lekker stel,’ gruwde je in stilte, ‘de een duwt zijn neus vol met meel, terwijl de ander er bruine suiker in laat verdwijnen. Ze kunnen wel een banketbakkerij beginnen. Vergeet de gouden aansteker, coke-inhaler en sigarettenpijp maar. Dit zijn wat je noemt een paar gouden neuzen. Maar wat zit hij toch steeds op zijn ‘gouwe’ klokkie te kijken?’ De Italiaan legde het folie op de tafel en zei dat hij nu zijn maat zou bellen om te bevestigen dat de handel in orde was. Hij liet zich verbinden met kamer tien en sprak een paar woorden in de hoorn, waarna hij deze aan jou gaf.

“Is het in orde Cajun?” klonk Lino’s stem in je oor.

“Tot zover wel, maar ze hebben zeker haast, want mijn kamergenoot hier zit voortdurend op zijn klokkie te kijken. Ik denk dat er wat gaat gebeuren, Lino.”

“Vreemd, ik heb precies hetzelfde gevoel. Let je op, Cajun?” zei Lino bezorgd.

Je gaf de hoorn terug aan de Italiaan, die hem oplegde.

“Is het goed als ik het nog een keer test?” vroeg deze.

Certo,” antwoordde je.

De Italiaan strooide nog wat korrels op de folie, terwijl jij onopgemerkt je hand onder de leren jas liet glijden.

‘En nu gaat het fout,’ dacht je. Je greep de kolf en met je duim duwde je de veiligheidspal om. ‘Niemand test twee keer uit hetzelfde zakje. Dat kan ik als leek nog wel begrijpen. Ik hoop maar dat Lino bij de les blijft.’

Accendiamo,” hoorde je de Italiaan zeggen. Hij stak zijn hand in zijn binnenzak om ‘zijn aansteker’ te pakken - die nog steeds op tafel lag.

De Beretta kuchte verlegen toen je hem in zijn maag schoot. De reusachtige Luger was al halverwege de jaszak van de Italiaan..................