Terug uit het waslokaal stap ik mijn cel in. Ik zie dat men mijn beker al met koffie heeft gevuld en ik neem plaats aan de tafel in afwachting van mijn ontbijt. Nog geen seconde later komt de Joegoslaaf die in de personeelskantine werkt, mijn cel in met een groot bord waarover een theedoek is gedrapeerd. Als een volleerde goochelaar trekt hij de theedoek weg en onthult het bord dat volgens afspraak drie geroosterde boterhammen en twee gekookte eitjes bevat. Aangezien ik nu door Sjakie om de paar dagen een fles Glenfiddich krijg aangereikt, en ik zelf niet meer dan twee whisky’s per dag drink, heb ik besloten de rest aan een persoon te geven die a) rustig zijn gang gaat en niet opvalt en b) mij wat diensten kan bewijzen. De Joego valt onder die categorie, en omdat hij toegang heeft tot alle levensmiddelen die de bewakers kopen, was het voor hem een fluitje van een cent om me gratis die producten te bezorgen waaraan ik behoefte heb. Het vooruitzicht van de Glenfiddich beviel hem wel en hij stemde welwillend met mijn voorstel in.
Natuurlijk ontsnapte deze routine niet aan het oog van het bewakend personeel. In de eerste weken werd de Joego dan ook op het vlak tegengehouden om de handdoek van het bord te lichten, waarop steevast drie geroosterde boterhammen lagen die hij ‘even voor me op de broodrooster’ had gelegd. Behalve de Deuk was er geen bewaarder die mij dit kleine privilege misgunde. Wanneer de Deuk op het vlak dienst had, werd hij gewoonlijk door collega’s aan de praat gehouden tot de toast - later aangevuld met de eitjes – bij me was bezorgd. Ik had me in alle beperkingen die me waren opgelegd zo’n makkelijke gedetineerde betoond, dat ik de sympathie van vrijwel alle bewaarders had. Niet van sommigen van mijn medegevangen, die mij verweten dat ik de bewaarders slijmde. Ik legde hen dan geduldig uit dat bewaarders respect hadden voor ontkennende verdachten en omslaanders minachtten. Dat deed het meestal wel. Toch had ik door mijn machinaties bij het regelen van privileges wel wat vijanden gekweekt. Terwijl ik in beperkingen zat, stel je voor. Daarvoor waren drie oorzaken aan te wijzen, namelijk: jaloezie, jaloezie en jaloezie.
Genietend van deze gedachten beboter ik de toastjes, snijd deze in reepjes en sla het topje van het eerste eitje af. Voorzichtig doop ik het eerste reepje toast in mijn onthoofde eitje en schuif het in mijn mond. Dat smaakt wel even anders dan het koude, hardgekookte vismeelei dat de gedetineerden één keer per week uitgereikt krijgen. Ik heb de BBC aan staan en onder de omstandigheden voel ik me bijna gelukkig. Laten we het maar op ‘tevreden’ houden, omdat niet lang daarna mijn celdeur, die dankzij een ander privilege op een kier mag blijven staan, geopend wordt.
Ik verwacht een bewaker die een praatje komt maken (lees: een sigaar komt halen). Het zijn echter twee bewaarders, en die kijken niet bepaald blij.
Ik even later ook niet meer. Zij negeren de eitjes – een strafcelfeit - en een van hen zegt: “Sorry Jan, we hebben opdracht om je cel te controleren. Wij zijn er ook niet blij mee, maar het schijnt dat één van je medegevangenen de directie heeft getipt dat je hier dope verkoopt.”
“Kan ik niet eerst even mijn ontbijtje nuttigen, bewaarders?”
“Nee, meekomen!” klinkt het vanachter de bewakers. Ik ontwaar twee gewa’s –gestichtwachten- en hoor: “Je wordt gevisiteerd ook, en voor zolang in een oponthoudcel geplaatst.”...........
................“Zo,” zegt Sjakie, terwijl hij mijn celdeur opent voor twee parketwachten, “en dan geven wij je nu het goede nieuws.”
Ik stap uit mijn cel en pak nieuwsgierig een officieel document van een van de parketwachten aan.
“Grote sluiting van het vooronderzoek, Jan,” zegt de parketwacht.
‘Kijk, dat is inderdaad het betere nieuws,’ denk ik, en ik draai mij naar mijn celdeur toe. Sjakie is me echter voor. Hij rukt de rode kaart van mijn celdeur en zegt: “Je beperkingen zijn opgeheven, Jannie.”
Ik bedank de parketwachten voor de moeite en orden mijn gedachten. Dat betekent dat ik de dagvaarding uiterlijk over veertien dagen betekend zal krijgen en dus binnen een maand voor de rechtbank zal moeten verschijnen. Of nog eerder.
Het nieuws dat mijn beperkingen zijn opgeheven gaat als een lopend vuurtje door de koepel, en verschillende vrienden en bekenden komen me feliciteren. Er ontstaat zelfs een hele oploop voor mijn cel. Ik voel nog steeds de virtuele leiband, maar de bewaking laat het oploopje zich spontaan oplossen. Zelfs de Deuk is niet zo dom om het op te breken. Ik heb veel vrienden en bekenden, maar in de voorbije maanden heb ik ook twee nieuwe categorieën gecreëerd: bewonderaars die mijn zwijgen respecteren, en vijanden.
Vijanden? Jazeker. Dat is het tuig van de richel, dat al jankt zodra ze door een veldwachter gearresteerd worden. Dat heeft in vrijheid de grootste mond en maakt de meeste blageur. Die nepcriminelen beseffen hoe belachelijk ze zijn omdat ze hun mond niet hebben kunnen houden, en weten zich geminacht. Daarom klieken ze ook altijd samen. Deze individuen zijn de gevaarlijksten in een gevangenis. Ze verraden, geven tips en doen zich steevast als topcriminelen voor. Van dat rifraf ken ik er ook een paar.
André is een bodybuilder die de hele dag ijzer pompt. Hij is net zo breed als dat hij lang is, dat wil zeggen: net iets groter dan een vuilnisbak. Daarmee is André dus ondermaats in de lengte en overmaats in de breedte. De beschrijving van zijn hersenen gaat aanmerkelijk sneller. Die hebben namelijk het volume van een duivenei. Ik ken André van buiten; ik heb met hem getraind toen hij nog niet zo breed was. Aangezien mijn armen en mijn benen een normale lengte hebben, kreeg hij net zoveel klappen en trappen van me als hij maar wilde. Dat heeft hem nooit lekker gezeten, maar hij kon er weinig aan veranderen. Buiten.
Binnen is het een ander verhaal, moet hij gedacht hebben, want hier heeft hij een groepje aanhangers, allemaal langer, niet één breder.
André is de breedste van de ploeg weggooiers. André was de baas.
“Wel prettig dat je uit de beperkingen bent, hè? Dan hoef je nu niemand meer te huren om een ander in elkaar te trappen, zoals je met Keessie Stompier hebt laten doen,” provoceert André .
“Dat is waar en niet waar, André , want ik hoef niemand te huren om jou in elkaar te laten trappen. Dat deed ik buiten al en ik kan het hierbinnen ook. Wil je graag partij trekken voor Kees Stompier?”
“De dingen zijn veranderd sinds buiten. Daar kon je mij hebben, maar dat zal nu iets moeilijker voor je worden,” zegt de strontton.
“Moeilijker? Misschien, maar niet onmogelijk. Je bent wat dikker geworden en een beetje vreemd uit je krachten gegroeid, maar ik sla het wit van je ogen nog steeds achter in je reet. Die afstand is bij jou trouwens maar twee decimeter. Je bent ieder moment welkom om het te komen proberen, okkedreut.”
André houdt zich met moeite in. Qua brute kracht is hij zeker mijn meerdere geworden, maar ik ben geen halter, ik kan vechten. Hij kan mij niet trekken, voorslaan of omhoog stoten. En ik kan nog iets anders wat André niet kan: bluffen. Terwijl ik André even naar het psychische achterplan verschoven heb, mengt een puisterig luitenantje van André zich in het gesprek om een duit in het zakje te kunnen doen. Ik ken dat pokdalige miesgassertje niet, noch is hij mij eerder opgevallen. De volgende dagen zou ik hem beter leren kennen. Beter gezegd: de acné-abominatie zou mij beter leren kennen.
“Je mag wel flink zijn met al je geld en je vrienden, maar je kunt mij geen klap op m’n wang verkopen zoals je dat met Kees Stompier hebt laten doen.”
Klets! Dat was een slag op zijn puisterige wang. Daarmee heb ik mijn eigen regel gebroken: eerst denken voordat je wat doet, maar ik kon me niet beheersen, zozeer ergerde het me dat die neringzieke kwallen mijn euforie over het opheffen van mijn beperkingen verstoorden. Omdat ik die dreun nu toch heb uitgedeeld, spring ik maar meteen naar voren om het karwei af te maken. Twee van mijn vrienden trekken me weg. Een van hen zegt: “Het is nu geen tijd voor de strafcel, Jan, laat dat puisterige kreng doodvallen.”
Pats! Daar valt een tweede dreun, uitgedeeld door Hansje Wever, ditmaal op de andere wang van het pokkenpuistje. Zijn hoofd staat weer recht, maar de inhoud is in de war.
“Ik krijg jou wel, Haak!” schreeuwt hij me toe. Ik trek me los, grijp het warhoofd bij zijn strottenhoofd en knijp zo hard ik kan, zonder het te breken.
“Je hebt gelijk, je hebt mij al. Nu ga ik je iets vertellen, randgek, jij krijgt precies hetzelfde wat Kees Stompier ook heeft gehad. Je ligt al in elkaar, je weet het alleen nog niet. Jij krijgt hetzelfde, zodat al je armzalige vriendjes hier weten dat ik het uit kan laten delen wanneer ik dat wil. Binnen een week wordt je kruislam getrapt, puistenbak!”
Ik laat de kotsende en naar adem snakkende karbonkel los en kijk nu naar André , die er weliswaar verbreed, maar verloren bijstaat.
“En jij, gedrocht dat je bent, ik verwacht dat je het voor je vriendje opneemt, want anders ben je toch een mooie lullenbak van een wanstaltige akela hè? Kun je het trouwens al merken, André ?”
“Wát merken?”
“Dat je er niet alleen als een overmaatse kabouter uitziet, maar dat je ook nog flink voor lul staat.”
Het bagger van André druipt langzaam af. Vrijwel onmiddellijk krijg ik aanbiedingen van gedetineerden die bereid zijn de acnédrager tegen betaling of zelfs gratis aan te pakken, omdat ze zelf ook nog wat met hem te vereffenen hebben..............
................“Klerelijer, wie denk jij...?”
Ik zie en hoor het van een afstandje gebeuren. Een mae-keri landt op de solarplexus van het slachtoffer en vouwt hem dubbel.
Een knie in het gezicht brengt het hoofd snel weer omhoog. De mond van Pokkie is net een bloeiende rode roos die twee meeldraden uitspuugt, maar het kunnen ook twee tanden zijn geweest. Een lowkick op Pokkies dijbeen brengt hem naar de grond, waar zijn hoofd nog voordat het de tegels raakt een rechtse hoek en een schop te incasseren krijgt. Dat heeft hem in een diepe slaap gebracht. Snurken doet hij echter niet. Het is zo snel verlopen, dat de meeste medegedetineerden het schouwspel hebben gemist. Dat geldt niet voor de badmeester. Wanneer Hansje door het kader over de reden voor de toetakeling wordt ondervraagd, geeft hij ten antwoord: “Pokkie stond in de doucheruimte tegen me aan te rijden, en noemde mij liefje.”
Pokkie ontkent dat natuurlijk. Dit is het eerste wat hij in zijn criminele loopbaan ontkent, dus misschien is er nog hoop voor hem. Hansje krijgt drie dagen strafcel en Pokkie twee dagen.
“Klassewerk,” zeggen mijn vrienden.
“Klassewerk,” zeggen ook sommige bewakers.
“Een luizenstreek,” zegt André tegen zijn nu rap slinkende fanbase.
“Ik hoor net van een gedetineerde dat André een scheermesje in het handvat van een tandenborstel heeft gesmolten,” vertelt Sjakie mij een paar dagen later, “hij wacht tot je alleen in het toilet bent, en wil dan je gezicht bewerken.”
Ik lach en zeg: “Ik vraag me af of hij zo hoog kan springen. Sjakie, kun je iets voor mij meenemen?”....................
.................Ik sluit me met hem op in de stinkende cabine en haal het Franse Laguiole-vouwmes uit mijn zak. Terwijl hij mijn handelingen met grote ogen volgt, sla ik het vouwmes open, dat zich nu tot zesentwintig centimeter lengte vergroot. Ik prik de punt van het mes rustig in André ’s wang. Doordat de punt zich een paar centimeter onder zijn oog bevindt en zijn andere oog dichtzit, zal het voor hem nog eens dubbel zo lang lijken. Het oog puilt dan ook zowat uit zijn kas.
“Hallo André , je stinkt als de pleuris, dus ik zal snel zijn met je. Hoe vind je mijn nieuwe mes trouwens? Kost ruim tweehonderd gulden, en is dan ook lekker scherp, voel je?” zeg ik, terwijl ik de punt iets dieper in zijn wang duw.
André kreunt en wil zijn hoofd schudden, maar bedenkt zich bijtijds.
“Nu jouw mesje, André, dat wat jij voor mij hebt gemaakt. Laat eens zien, wees wel heel voorzichtig. Eén foute beweging en ik snijd de wortels van je kiezen af, snap je?”
André kwaakt iets wat op ‘Ja’ lijkt, en hij haalt de omgewerkte tandenborstel uit zijn binnenzak.
|