Pagina wordt geladen, één ogenblikje alstublieft...

Wanneer dit blauwe vlak niet verdwijnt na maximaal dertig seconden -met adsl of cable-, dan staan uw veiligheidsinstellingen te hoog.

Deze site maakt intensief gebruik van Javascript, zoals de meeste websites. Deze scriptingtaal is volkomen veilig en u dient 'scripting' aan te zetten in uw instellingen, daar anders deze site een mysterie voor u zal blijven.

Jan ter Haak

 
   
   
 
 
Naast mijn autobiografie 'Zonde van de eerste steen'...
 
is nu ook Anouk uit in 'Oddball and the Killa Gal'
Lees eerst mijn autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

U weet waarschijnlijk veel van de Siciliaanse Maffia. U hebt wellicht ook wel eens iets vernomen van de Napolitaanse Camorra. De NCO? De Calabrese nDrangheta klinkt mogelijk vaag bekend, maar eigenlijk weet u er misschien toch niet al te veel van. Van de Sacra Corona Unita en de Stidda heeft u nimmer gehoord. Zoals menig Nederlander met u.

Er is een Nederlander die er nagenoeg alles van weet. Die heeft met deze organisaties gewerkt en zelfs strijd gevoerd. Nu na twintig jaar kunt u zijn ervaringen en vele andere belevenissen lezen in zijn autobiografie. Die Nederlander ben ik:

Jan ter Haak
(ex-crimineel), aangenaam!

 
 

Belangrijke Mededeling !!

Deze website is bijzonder inter-actief en maakt intensief gebruik van Javascript. Deze scriptingtaal is volslagen veilig en wordt door nagenoeg iedere website gebruikt.

Wanneer u de link om door te gaan geklikt heeft en de website ziet er naar uw idee vreemd uit en/of functioneert niet, dan staan uw veiligheidsinstellingen veel te hoog.

Om van deze site optimaal gebruik te maken, dient u uw veiligheidsinstel-lingen naar een normaal niveau te brengen, daar anders deze website net zo opwindend wordt als uw leven, dat beheerst wordt door veiligheids-instellingen. Nauwelijks!

Javascript dient dus aan te staan en
Cookies moeten geaccepteerd worden.

 

“Hé Cajun,” riep iemand achter je, terwijl jij met je gevulde ochtendspiegel over de tweede ring van het Huis van Bewaring liep. Je keek om en zag een boomlange knul op je af komen.

“Cajun leCrochet toch? Van de Nieuwmarkt, Cafe Markzicht, Rooie Simon, ja?”

“Ja, dat klopt, ik ken jou ook wel, maar je naam schiet me niet te binnen,” loog je.

“Bouke, Bouke Boomstra.”

“Dat is waar, nu herinner ik je me weer,” loog je opnieuw om de knul die alle karakteristieken van een heroïnejunk vertoonde niet voor zijn hoofd te stoten. Zou trouwens ook best moeilijk geweest zijn, want Boomstra deed zijn naam eer aan. ‘Breed skelet,’ merkte je op, ‘zal in zijn goede tijd best een beest geweest zijn. Hij ziet er nu nog niet uit om in te vuile was te zwiepen.’

“Bouke, gabber, laat mij even die pan met warme soep leeggooien en kom dan naar het washok. Ik heb alle beperkingen, en als ze me zien praten, gaat mijn deur weer dicht.”

In het toilet vertelde Bouke je dat hij gearresteerd was voor een steekpartij toen hij horse aan het scoren was. Hij was niet onvriendelijk en kende verschillende leden van de Amsterdamse penoze. Toen hij vroeg waar jij voor gearresteerd was, vertelde je hem dat je verdacht werd van amfetaminesmokkel naar Zweden.

“En je bent natuurlijk ook onschuldig, net zoals die Dennie Hokter. Die zit daar ook voor. Ook voor speed naar Zweden”

“Zit die Hokter hier ook?”

“Ja, die deelt een cel met Kerrie Foch. Die zitten de hele dag met zijn tweeën aan de Charlie.”

Je had met Dennie Hokter indertijd een uiteenzetting gehad en jullie waren nu niet bepaald goede vrienden. Ook Kerrie Foch en jij hadden elkaar niet hoog staan.

“Heb jij tabak, Cajun?”

Je besloot Bouke maar te adopteren, want het kon geen kwaad om iemand te hebben die over je schouder keek, ondanks dat je beperkingen had.

“Ja, ik laat zo wel een pak tabak door een bewaarder naar je cel brengen. Heb je geld voor de kantine?”

“Haast niets, Cajun, ik moet eerst werken.”

“Okay, ik laat wel een meier op je rekening storten, die kun je me buiten wel terugbetalen.”

Bouke wist niet hoe hij je bedanken moest, en als de situatie het ook maar even toeliet, zocht hij je op.

Op een dag passeerden Dennie Hokter en jij elkaar op de ring. Dennie schampte: “Meer in de dope te verdienen dan aan een kut hè, Cajun?”

“Niet wanneer je alles weer door je neus naar binnenduwt of van het Chinese zilverpapiertje snoept,” kaatste jij terug.

“Zal ik die Hokter even voor je met een schaar in zijn keel prikken?” vroeg Bouke.

Je sloeg het vriendelijke aanbod af, maar hield het in gedachten. Ondanks zijn driftige karakter was je Bouke in de afgelopen dagen gaan waarderen, en hij hing aan je voor raad en daad. Dat was bij de bewakers niet onopgemerkt gebleven, maar die hadden besloten de gesprekken oogluikend toe te staan, mits het maar binnen de perken bleef. Deze beslissing was niet uit humanitaire overwegingen genomen, maar uit lijfsbehoud.

Bouke kon van het ene moment op het andere volkomen achterstevoren flippen, en de eerste bewaarder die hem voor de voeten kwam, kreeg het dan in zijn nek. Met een man of vijf was Bouke geen partij voor ze, maar die moesten dan wel eerst opgetrommeld worden.

“Laat hem maar bij die Cajun, die schijnt nogal een kalmerende invloed op die gek te hebben,” adviseerde één van de bewaarders aan een andere. ‘Prima,’ dacht je, ‘daar kunnen we wel wat mee doen,’ en je legde Bouke je plan uit. Wanneer een bewaarder na een lang bezoek van Bouke kwam vertellen dat het nu te gek werd, zou Bouke doen alsof hij flipte. Met veel moeite zou je er dan in slagen om hem te kalmeren. Komedie uiteraard, maar het pakte goed uit. Je had nu aanspraak aan iemand die zich vrij door de gevangenis kon bewegen.

In de uren dat de celdeur gesloten was, werkte je aan het proces-verbaal. De avond na je verhoor door de rechter-commissaris had je het hele verhaal uitgeplozen. Je was in het bijzonder geïnteresseerd in het rapport van het observatieteam dat jou die morgen had gevolgd toen je in de Opel van de Zweden door Amsterdam reed om de handel in te laten bouwen. Je las:

 

Om zes uur ‘s morgens verliet Cajun het pand in de Lange Niezel en begaf zich naar de geparkeerde Opel. Hij bestuurde het voertuig op dusdanige wijze, dat wij de indruk kregen dat Cajun vermoedde dat hij gevolgd werd. Cajun reed de wagen met hoge snelheid naar de Wibautstraat. Hij reed daarbij éénrichtingverkeerstraten in tegengestelde rijrichting in, en dubbelde rotondes. Zoals reeds gesteld, kregen wij de indruk dat Cajun vermoedde dat hij gevolgd werd. Op de Nieuwe Herengracht parkeerde Cajun de Opel op de stoep en belde aan bij een woning die bij nader onderzoek aan zijn zuster bleek te behoren. Een man opende de deur en overhandigde Cajun drie volle vuilniszakken met goederen. Cajun stapte weer in de Opel en reed nu aanmerkelijk kalmer weg. In de Wibautstraat parkeerde Cajun de Opel en begaf zich te voet op weg.

Tot zover was Booijdonk gekomen met het voorlezen van het rapport.

Met verhoogde concentratie las je het vervolg:

 

De vuilniszakken, waarvan ons de inhoud onbekend was, waren door Cajun in de Opel achtergelaten. We besloten deze auto derhalve onder observatie te houden. Wij, verbalisanten, moesten hierop een plaats zoeken om ons voertuig parkeren....

 

..............Een paar dagen later had je kennis met Bouke gemaakt, en nu kreeg je bericht dat je het eerste bezoek van Joke kon verwachten. Weliswaar onder toezicht, maar je had haar toch niets wezenlijks mee te delen. Jullie communicatie verliep via de advocaat Luis, tegen gerede remuneratie, ofwel luizengeld.

Joke was er al toen jij de bezoekruimte binnen werd gelaten. Je nam tegenover haar aan de tafel plaats. Een bewaker ging aan het hoofdeinde zitten. Jullie hielden elkaars handen vast. Joke had tranen in haar ogen.

“Ik mis je, Cajun…”

“Ik mis jou ook, Joke, en ik kan je niet zeggen hoelang we elkaar nog zullen moeten missen. Denk erom dat je niets over mijn zaak zegt hier, want het bezoek wordt meteen afgebroken en ik zie je dan niet meer totdat ik thuis ben.”

Joke knikte dat zij het begreep, maar de bewaarder zei: “Cajun, praat over alles wat je wilt. Die beperkingen worden door de rechter-commissaris opgelegd, als pressiemiddel bij ontkennende verdachten. Het bewakende personeel heeft er een hekel aan, want het maakt ons werk veel moeilijker. De gevangenen worden vaak agressief en wij blijven met de problemen zitten. Je bent een rustige knul en doet nooit moeilijk, dus laat de rechter-commissaris het lazarus krijgen en praat wat je wilt.”

Terwijl je Joke’s mond zag openvallen, antwoordde je: “Dat is netjes van je, bewaarder. Dat waardeer ik echt, maar er is niets dat ik over de zaak kan zeggen wat mijn vrouw zou moeten weten. Zij weet er toch al niets van. Evengoed hartstikke bedankt. Als ik ooit wat voor u kan doen - u weet waar ik hier woon...”

Je blikte nadrukkelijk naar Joke alsof je wilde zeggen: “Houd in hemelsnaam je mond, Joke.”

De bewaarder glimlachte, en zei: “In jouw plaats zou ik ook niemand vertrouwen, maar misschien merk je later nog wel dat je van me op aan kunt.”

Joke en jij spraken over alledaagse dingen tot het halve uur om was, en toen namen jullie geëmotioneerd afscheid van elkaar.

 

De bewaarder die bij Joke’s bezoek aanwezig was geweest, heette ‘Drent’. Een paar dagen later kwam hij bij je langs en nam tegenover je op de celstoel plaats.

“Ik zal gelijk met de deur in huis vallen, Cajun,” zei hij, “want jij vertrouwt niemand en dat is precies wat ik zoek.”

“Werkelijk?” vroeg jij.

“Ja, je hebt een rode kaart op je deur omdat je beperkingen hebt en die heb je omdat je niet praat. Niet praten is het belangrijke gedeelte van wat ik te zeggen

 

heb,” benadrukte de bewaarder.

“Klinkt als een onmogelijkheid,” grapte jij.

Drent glimlachte.

“Hoe oud denk je dat ik ben, Cajun?” vroeg hij.

“Nou, zonder u willen vleien, zou ik u op een jaar of tweeëndertig schatten, bewaarder,” veinsde je.

“Tweeënveertig, Cajun.”

‘Zesenveertig,’ dacht jij, terwijl je verbaasd opmerkte: “Dat is niet te geloven, mijnheer Drent. Gevangenislucht is zo dus slecht nog niet.”

“Ik weet niet of het daarmee te maken heeft, maar ik heb ook tien kinderen, Cajun,” zei Drent zichtbaar verlegen.

“Wát zeg u? Tien? Hoe krijgt u dat voor elkaar?”

“Gaat vanzelf, Cajun. Ik kan niet stil blijven zitten als ik thuis ben.”

“Waarom laat u zich hier niet voor een paar jaar opsluiten? Even een pas op de plaats maken, bewaarder.”

Drent lachte weer. Omdat je al vermoedde waar hij met het gesprek heen wilde, merkte je op: “Nou, uw vrouw weet er dan alles van wanneer ze bij Albert Heijn is geweest.”

“Daar hoopte ik nu net met je over te kunnen praten, Cajun,” zei hij.

“Of ik de boodschappen voor u wil doen als ik weer buiten ben?”

“Nee, of jij zolang je hier bent voor de boodschappen zou willen betalen.”

“Waarom zou ik dat willen doen, bewaarder?” vroeg je quasi argeloos, “dan mag ik écht wel gaan inbreken...”

De bewaarder bleef stoïcijns.

“Ik had gedacht dat als ik tijdens je beperkingen ook wat boodschappen voor jou zou doen, dat jou dat misschien wel wat waard zou zijn. Denk niet dat ik iedereen hier zo benader, Cajun. Een eerste vereiste is een gedetineerde met beperkingen, want dat zijn degenen die niet praten. Niet zo snel, in ieder geval.”

Je dacht even na en vroeg: “Stel dat ik op uw voorstel in zou willen gaan, heeft u nog meer rode kaarten onder contract?”

“Niet één, Cajun. Er zijn er totaal drie in het hele Huis van Bewaring en twee daarvan zijn buitenlanders, en daar valt niets mee te beginnen. Ik begrijp dat het moeilijk is om me te vertrouwen, omdat ik je zo plompverloren op je dak kom vallen, Cajun, maar je kunt me testen hoe je wilt.”

“Als het goed is geef ik u mijn antwoord van de week, mijnheer Drent. Ik heb interesse, maar ik moet even denken hoe ik het passend ga maken.”

 

“Best Cajun, ik hoor het wel van je,” zei Drent, en reikte je de hand.

 

Een week later was je de trotse eigenaar van een levensechte bewaker. Via advocaat Luis had je instructies in een verzegelde ‘vertrouw-nimmer-een-advocaat’ envelop naar Joke laten brengen. Deze inspecteerde eerst de inhoud en na de instructies gelezen te hebben, de envelop. Na een paar dagen maakte Drent zijn opwachting bij Joke.

“Zoals afgesproken zijn hier vijfhonderd gulden, mijnheer Drent, en een extraatje van honderd gulden voor een wippie. Met de complimenten van Cajun; die zegt dat u daar echt in uitblinkt.”

“Kan ik niet…?” stamelde de Drentenaar.

“Nee, ik doe het niet met bekenden, u kunt naar mijn collegaatje hiernaast gaan, die verwacht u al en zij zal u extra verwennen voor honderd gulden.”

Drents gesprek met Joke en de ‘vrije figuren’ die hij erop liet volgen werden zowel op geluids- als filmband vastgelegd. Drent was daarmee genoeg gecompromitteerd om zich van een paar jaar gevangenis en een vermoedelijke echtscheiding te verzekeren. Gelukkig heb je nooit van het materiaal gebruik hoeven maken. De overeenkomst liep op rolletjes. Drent bleek de ideale koerier te zijn. Geen zee ging hem te hoog. Iedere keer nadat hij van Joke geld gekregen had, kwam hij breeduit lachend je cel binnen. Op een dag vroeg je hem: “Wat loop je toch steeds met de grijns van een Cheshire kat op je gezicht rond, bewaarder?”

“Ach, mijn vrouw was weer zo tevreden met het geld, Cajun, en als we naar bed gaan...”

“Kijk maar uit dat je het arme mens niet weer zwanger maakt...”

Zo tevreden als Drent met de regeling was, tegenover Joke had hij nog wel zijn teleurstelling uitgesproken dat er geen bonuswip meer in het pakket zat.

“Nee, mijnheer Drent,” had ze daarop gezegd, “gaat u nu maar thuis in de verplichte figuren, want dat is gratis.”

 

...... Je begon de feiten op een rijtje te zetten. Wat de politie feitelijk aan bewijs tegen je had, kwam op het volgende neer:

 

- Een uit Zweden gefaxte verklaring van Sven waarin hij jou van alles de schuld gaf en jou tevens als het ‘brein’ van de groep aanwees. Ook zei Sven dat jij in het bijzijn van de koerier gezegd zou hebben: ’Het zit weer in de deuren’;

 

- Een uit Zweden gefaxte verklaring van de koerier Don, waarin deze toegaf jou ontmoet te hebben, maar niets ten laste van jou kon (of: wilde) verklaren. Hij zei dat hij de indruk had dat als er iets werd georganiseerd, Sven er de planning van deed. Hij kon daarom niet verklaren of jij iets met drugs te maken had. Wat jij ten aanzien van de bergplaats van de drugs gezegd zou hebben, ontkende hij ten stelligste: ‘Ik heb leCrochet nooit zoiets horen zeggen’. Blijkbaar was de koerier slimmer dan zijn baas in zijn ontwijking van een mogelijke veroordeling als medeplichtige aan ‘internationale misdaad in vereniging’;

 

- Een beëdigde verklaring van Sven. Die was nog niet opgemaakt, maar je twijfelde er niet aan dat deze de rechtbank wel bereiken zou;

- Het rapport van het observatieteam met betrekking tot je ontmoetingen met beide Zweden, het besturen van de Zweedse Opel en het niet weg te poetsen feit dat je drie vuilniszakken met spullen bij je zwager had opgehaald;

 

- De tas met het belastende materiaal die tijdens de huiszoeking bij je zwager was aangetroffen.

 

Je besloot volledig mee te gaan met de verklaring van het observatieteam. Als je voor de rechtbank twee op ambtseed opgemaakte verklaringen zou ontkennen,

 

vroeg je eigenhandig om straf. Je eigen verklaring die je aan het opstellen was, bekrachtigde daarom het observatierapport voor de volle honderd procent. ‘Dat staat alvast netjes voor de rechtbank,’ dacht je, ‘dan ziet het befgajes dat mijn eigen verklaring volledig overeenkomt met hetgeen de politie heeft geconstateerd’. De vuilniszakken die jij die ochtend bij je zwager had opgehaald waren weliswaar gezien en in het proces-verbaal vermeld, maar niemand had kunnen constateren wat die zakken bevatten.

 ‘Drugs, edelachtbare? Ik begrijp dat dit de officier van justitie goed uit zou komen, maar er zaten beslist geen drugs in die zakken.’ De onvermijdelijke vraag zou dan luiden: ‘En wat zat er dan wel in die zakken, verdachte?’

Je antwoord daarop zou kort en krachtig zijn.

‘Pornofilms zegt u, verdachte?’

‘Jawel, edelachtbare.’

Je kon je al voorstellen hoe de rechter je over zijn brillenglazen aan zou kijken en zou sneren: ‘Wel, ik ben geen expert op het gebied van pornofilms, verdachte, maar volgens mij kómt dat soort films uit Scandinavië, en hoeft er dus niet naartoe gebracht te worden.’

Jouw antwoord zou luiden: ‘Deze films gingen terug naar Zweden of waar dan ook naartoe, want het was een partij films die kapot of in zwart-wit waren. Ik had tegen Sven gezegd dat de films die hij mij had verkocht niet goed waren, en Sven zei me dat ik ze terug kon geven.’

De officier zou hier bedenkelijk gaan kijken. Net zomin als iemand kon bewijzen dat jij die dope in die Opel had laten bouwen, kon ook hier niemand het tegendeel van aantonen. Dan zou er een verklaring van een Zweed bestaan en één van jou. Een gedeelte van jouw verklaring was al op waarheid getoetst door het observatieteam, en het kon dus niet uitgesloten worden dat ook dit deel de waarheid betrof. Maar de officier van justitie zou het natuurlijk niet zo snel opgeven: ‘Waarom moesten die films dan zo nodig in de autodeuren gebouwd worden?’

Hierop zou jij antwoorden: ‘Autodeuren, ik weet niets van autodeuren. Sven had mij gevraagd of ik die films onder de achterbank wilde stoppen, en dat heb ik gedaan.’

De officier zou hier nog een poging wagen. ‘Uw medeverdachte Sven verklaart dat u die morgen bij het Marriot Hotel gezegd zou hebben: ‘Het zit in de deuren verstopt.’

Jouw repliek zou luiden: ‘En mijn andere medeverdachte, de landgenoot en vriend van Sven, verklaart dat ik dit niet gezegd heb. Hij is daar bijzonder duidelijk over, en dat kan ook niet anders, want ik heb dat nimmer gezegd’. Er zouden dus twee verklaringen bestaan die lijnrecht tegenover die van Sven stonden, wat diens positie en geloofwaardigheid er niet beter op zouden maken.

Hierna zou de president wellicht nog even vlijmscherp uit de hoek komen: ‘Waarom heeft u zo lang gewacht met het afleggen van uw verklaring, verdachte? U had dat toch gelijk tegen de politie kunnen verklaren?’

‘Mijnheer de President, toen mij werd verteld waar ik van verdacht werd, dacht ik dat wanneer ik dat van die pornofilms zou verklaren, ik me aan een strafbaar feit schuldig zou verklaren’.

De president zou dan wellicht sneren: ‘Ach, komt u nou toch alstublieft, zo zwaar wordt er tegenwoordig toch niet meer aan het bezit van pornofilms getild...’

Aarzelend zou jij toegeven: ‘Nee, daar ben ik inmiddels ook achter, maar het smokkelen van dat soort films is hoe dan ook wel strafbaar, als ik me tenminste niet vergis’.

Hierop zou de officier mogelijk een laatste poging ondernemen, meer een noodsprong eigenlijk: ‘Dan leggen wij u toch gewoon het smokkelen van pornofilms ten laste?’

‘Voor zover mij bekend is, zijn er geen pornofilms in de Zweedse Opel aangetroffen. Misschien heeft die Sven ze in Holland al uit de auto gegooid en alleen op mijn eigen verklaring kan ik niet veroordeeld worden, geloof ik.’

De vernietigende blik van de officier zou je dan maar negeren. Niemand zou in dit verhaal geloven, maar niemand zou kunnen bewijzen dat het niet waar was. Je bevestigde er bovendien mee wat de politie en de koerier eerder hadden verklaard, en dat maakt je statement hoe dan ook een stuk aannemelijker. Aangezien er geen enkel bewijs is dat je niet de waarheid hebt verteld, weerhoud niets je ervan je aandeel in het Zweedse schouwspel nog wat verder af te zwakken door Sven voor het blok te zetten.

 

..................‘Wanneer ik weer vrij ben, wil ik met die pleurisdope niets meer te maken hebben,’ dacht je. ‘Er zijn nog wel andere manieren om geld te verdienen. Niet alleen krijg je met horken zoals Sven te maken, zonder principes of trots, bovendien is het de ellende die het aanricht niet waard. De dope gaat op de sloop. Appa, over en sluiten met die shit,’ nam je je voor. Maar het mocht dan zo zijn dat je mentaal met de drugs had afgerekend, de realiteit zou je er al snel weer mee confronteren. Veel te snel.

 

“Je vrouw belde me gisteren thuis. Ze vroeg of ik onmiddellijk een brief voor je kon komen ophalen,” zei Drent de volgende morgen. Je pakte de envelop aan en controleerde de verzegeling.

“Ik hoop niet dat het slecht nieuws is, Cajun,” zei de bewaarder en verliet je cel.

Met een gevoel van naderend onheil opende je de envelop. Zoveel spoed kon alleen maar slecht nieuws betekenen. Joke schreef dat er verschillende vrienden van je waren gearresteerd. Gedurende de dag was zij vanuit Milaan door een Italiaan gebeld. Deze had haar in gebrekkig Engels meegedeeld dat ‘Umbertino en zijn broer Lello waren gearresteerd door het Squadra Mobile’. Tevens was in Amsterdam ‘Het Oor’ gearresteerd. Hoewel deze arrestaties feitelijk niets met elkaar te maken hadden, ze hadden wel één gemeenschappelijke factor: jou. Met beide partijen had je zaken gedaan en beide partijen zouden belastende verklaringen tegen je af kunnen leggen. Zouden kunnen - maar zouden ze het ook? Als je op vrije voeten was geweest, had jij je er waarschijnlijk niet bezorgd om gemaakt; beide partijen waren altijd uiterst stabiel gebleken waar het frictie met de justitie betrof. Maar nu, opgesloten en met een drugsproces voor je deur, kreeg je verbeelding al gauw de overhand. ‘Murphy’s fucking law!’ vloekte je inwendig. ‘Wanneer die Italianen en Het Oor nu ook op mij omslaan, ben ik de eerste zes jaar nog niet thuis.’ Hoe meer je erover nadacht, des te benauwder je het kreeg. Je besloot dat je dit risico niet wilde lopen. Je moest iets drastisch ondernemen.

 

“Bouke, zou jij iets voor mij willen doen, gabber? Het is nodig en er is haast bij,” vroeg je aan je vriend, toen deze voor zijn dagelijks bezoek je cel in kwam.

“Je zegt het maar, Cajun, moet er iemand een paar trappen hebben?” informeerde de boomlange Boomstra.

“Niet precies, Bouke, maar het moet erop lijken dat het die kant opgaat. Weet je toevallig iemand op de B-vleugel waar je een hekel aan hebt?”

“Die Rotterdammer in de strijkkamer, daar heb ik een half uur geleden woorden mee gehad,” zei Bouke.

“Luister vriend, vertrouw je me?”

“Absoluut Cajun, zeg maar wat ik moet doen”.

“Ik leg het je achteraf uit, want anders ben ik bang dat je het toneelstuk niet overtuigend genoeg kan spelen. Ik zeg je nu alleen dat je die Rotterdammer onverwachts een stomp voor zijn kop moet geven. Daarna begin je te brullen dat je hem ‘ik weet niet wat’ aandoet. Veel kabaal, maar niet mishandelen, één klap, okay, maar maak het niet te gek. Veel brullen en dreigen. De reden is dat hij je uitschold voor ‘Amsterdamse teringjunk’. Jij bent geflipt, want je bent net van de methadon af. Dat weet het hele kader en de directeur ook.”

“Zal ik het dan maar gelijk gaan doen?” vroeg Bouke.

Even later klonk er een tumult van jewelste uit het strijkhok.

“Pleurislijer, Rotterdamse broodpoot, ik maak je godverdomme kapot...!”

Bewaarders kwamen van alle kanten toesnellen. Kort daarna tilde Bouke zes bewaarders uit het strijkhok.

“Rustig aan, Bouke, anders moet je op de ‘fiets’!”

“Fiets…, interesseert me niets, ik laat mij door dat Rotterdamse stuk vuil niet voor kankerjunk uitmaken!”

“Bouke!” schreeuwde jij van de tweede ring.

Bouke keek op en vroeg: “Wat is er, Cajun?”

“Zet die bewaarders even neer en kom hierheen. Is dat goed, bewaarder?” vroeg je aan de ploeg die om hem heen hing. Die waren maar al te blij dat ze hem konden laten gaan. Het was niet dat ze bang waren om een gevangene kort te slaan, maar bij Bouke was het nooit over. Vandaag kon een bewaarder hem stuk trappen, maar drie weken later groeide er een schaar uit zijn oor. ‘Onberekenbaar,’ zo luidde het oordeel van het bewakende personeel, en geen van hen wilde het spits afbijten.

Tot zover was alles goed gegaan.

 

.............."Dus in theorie pas ik er doorheen,” mompelde jij opgewekt.

Een Cajun gaat echter nooit over minder dan tien nachten ijs. Je besloot nu de hele proef op de som te nemen. Je strekte een arm naast je hoofd en stak beide zonder een probleem door de opening. Daarna strekte je twee armen naast je hoofd en wurmde je tot je schouders in de opening. ‘Piece of piss,’ dacht je tevreden. De stoel zat nu halverwege je borstkas, alsof je over de knie genomen werd. Om aan de genante houding te ontsnappen, stond je op -met de stoel als stalen behaatje. Als einde oefening trok je de stoel over je heupen naar beneden.

Althans, dat was je bedoeling, want verder dan je heupen kwam hij niet. Je trok, sjorde, sprong en danste met die kolere stoel, maar verder zakken deed hij niet. ‘Dus mijn schouders kunnen erdoor, maar mijn heupen niet, dat is een mooi verhaal.

 

Zou Schwarzenegger geen last van hebben,’ dacht je. ‘Maar ja, die had z’n kop er weer niet door gekregen. Goed, dan die stoel maar weer uit.’

De daad bij de gedachte voegend, begon je de stoel omhoog te wurmen, totdat het ding ook onder je oksels stopte. Op de overloop klonken de sloffende voetstappen van een bewaarder in aankomst. Deze stopte bij iedere cel om even door het kijkglas naar binnen te loeren. ‘Mijn God,’ paniekte je, ‘wat zeg ik als ie me zo ziet!?

“O, bewaarder, ik eh… struikelde en toen viel ik in mijn stoel”?

“De stoel viel me geheel onverwachts aan, bewaarder?”

Er was weinig tijd meer om te denken dus je deed dat wat het meest voor de hand lag: je ging moeizaam met je ijzeren maagd in bed liggen en trok de dekens over jullie heen. ‘Nou dat was nog eens een mooie tent, wat zou die bewaarder wel niet denken?’

Het kijkglaasje werd opzij geschoven en een oog loerde naar binnen. ‘Nou, wat hij ook denken mag, hij zal moeten toegeven dat ik in ieder geval probeer de lakens schoon te houden,’ dacht je. Het duurde een eeuwigheid voordat het klepje weer op zijn plaats viel. ‘Pfff… dat was kantje boord, ome Cajun.’ Je hart werd door de stoel op zijn plaats gehouden, maar wat je bloeddruk betrof had je het gevoel dat de diastolische de systolische druk had overtroffen. Je lichaam begon ondertussen ook aardig pijn te doen tengevolge van de onnatuurlijke houding. ‘Ik kan hem altijd van me afzagen als het moet, maar dan heb ik morgen een probleem. Zesenvijftig problemen om precies te zijn.’

Je besloot eerst wat te kalmeren en dan het probleem te analyseren.

‘Ik moet er op dezelfde wijze uit als ik er ingekropen ben. Dus ik moet weer over de knie.’ Om de procedure te vergemakkelijken trok je eerst met veel moeite je T-shirt uit; dat moest verschil uitmaken. Als een bidsprinkhaan nam je weer plaats voor het denkbeeldige altaar, plaatste de stoel op de grond en liet je daarna weer over de knie nemen. Langzaam wurmde je jezelf nu achteruit, maar de stoel wilde met je mee, en bleef met je mee willen.

 

Een halfuur later zat je hijgend op de rand van je bed en keek naar de meest gehate stoel in Amsterdam in 1976. Later zou je in je dromen nog herhaaldelijk door buizenframe stoelen worden achtervolgd, waarvan er één jouw T-shirt droeg. De conclusie? Je paste niet door een enkel raam en je moest dus het gietijzeren kozijn stuk zagen om vervolgens twee ruiten te verwijderen in plaats van één; een grote tegenvaller die alles veel gecompliceerder en riskanter zou maken.

 

Gianni lag in een Milanese verplettering toen je hem van de stoelendans vertelde.

“O Dio mio, weet je zeker dat er niets tussen jullie is voorgevallen is toen jullie in die innige omhelzing in bed lagen!?” gilde hij het uit.

Je lachte even met hem mee, maar de nieuwe complicaties waren bepaald niet hilarisch. Hoe dan ook, het raam en de tralies waren jouw probleem. De raamspijlen waren van gietijzer en wanneer je dat zaagt, maakt het meer lawaai dan een gewoon stuk ijzer. Je bestelde daarom bij de Drent vijf diamantkoorden om het klusje sneller en eenvoudiger te kunnen klaren. Verder vroeg je om een flesje olijfolie en wat boetseerklei om het zagen wat te kunnen smeren en zo mogelijk te dempen.

Het doorgeefluik in de celdeuren werd gesloten met een universele driekantige sleutel. De Drent had wel een celdeursleutel voor je verzorgd, maar de sleutel van het luik had hij nog niet kunnen vinden. In de toiletten ontdeed je een toiletrol houder van het stalen buisje waar normaal de rol papier over draaide. Met je celdeur forceerde je een vorm in het uiteinde van het buisje. Het hoefde niet driekantig te zijn, als de driekantige pen van het slot er maar in paste. Na een beetje duwen, passen en meten, paste het buisje over de driekantige slotpen. Je besloot het nieuwe stuk gereedschap meteen uit te testen en duwde het over de slotpen. Je verwachtte veel kracht te moeten zetten, omdat je natuurlijk weinig grip op het buisje had. Met een kabaal van jewelste kletterde het luik open tegen de celdeur, terwijl je met het stalen buisje in je hand bleef staan.

De bewakers op het vlak keken onmiddellijk omhoog.

“Wat gebeurt er, Cajun?”

“Mijn deurluik viel open bewaarder, ik schrok mij het lazarus,” antwoordde je naar waarheid.

“Kom het zo wel dichtdoen, ga je cel maar in, Cajun.”

Gianni had het tafereel vanaf het vlak gevolgd en stak een duim naar je op, ten teken dat hij het begrepen had.

 

Die avond begon je in je cel een gietijzeren raamkozijnstijl half door te zagen. Je kon natuurlijk niet verder zagen dan tot op de twee glazen raampjes, maar dat bleek evengoed nog een aardige klus. De olijfolie alléén bleek niet genoeg om het geluid te dempen, zodat je het zaagblaadje bedekt hield met een flinke homp boetseerklei. Dat dempte het zagen goed af, maar je kon dus maar zagen tot je nagenoeg tot het glas van de ruitjes was gekomen. Van tandpasta, sigarettenas en oploskoffiepoeder had je een pasta gemaakt waarmee je na iedere zaagbeurt de gleuf in de raamspijl vulde. De kleur van de pasta was zo goed dat je af en toe zelf

 

naar de gleuf moest zoeken. Gelukkig was het vinden van gleuven één van de vaardigheden, die je volkomen ‘boven de knie’ had. Het sleuteldilemma was ook opgelost, waardoor Gianni zich in theorie nu dus vanuit zijn cel naar het interieur van jouw cel kon verplaatsen.

 

..........In de nacht van de geplande ontsnapping zou Gianni op mijn signaal uit zijn walkietalkie wachten. Zodra het tijd was, zou hij voorzichtig de cellotape niet van het luik, maar van de celdeur losmaken. Al die stukken zou hij dan in zijn hand houden, zodat het luik niet met een kolere klap open kletterde, maar hij het langzaam met de cellotape teugels in zijn hand open kon laten zakken. Hij zou nu via het luik zijn celdeur van het slot af draaien en zijn cel uitstappen. De procedure die daarna zou volgen was gelijk aan die van een bewaarder, namelijk: deur op slot, luik op slot en via de trappen naar jouw cel op de tweede ring. Daar zou hij vervolgens het luik en de celdeur openen, waarna hij als het ware weer gedetineerde werd. Dan zou hij de celdeur sluiten door het luik, het luik dichttrekken met een nylon vissnoer en met cellotape vastplakken en ten slotte het vissnoer naar binnen trekken. Hierop zouden jullie de cel via het raam verlaten.

 

Een week voor de ontsnapping werden de walkietalkies door Drent bezorgd. Hij moest twee keer lopen, omdat ze zo groot waren dat hij ze niet tegelijk in zijn uniform kon verstoppen. Terwijl het al je inventiviteit had vereist om zaagbeugel, zaagjes, koord, klei, glassnijder, borstelhandvat enzovoort zo te verstoppen dat die een normale celcontrole konden doorstaan, het afdoende verbergen van de walkietalkies was regelrecht onmogelijk.

Okay, de volgende dag gaf je Gianni in het toilet zijn walkietalkie, zodat het totaalvolume met de helft werd gereduceerd. Toch bleef het een onmogelijkheid om het voorwerp te verstoppen. De beste plaats die je kon bedenken was je nachtkastje.

 

Dit ongeveer vijftig centimeter hoge kastje had één legplank in het midden. Onderin had je je nachtspiegel staan, die er na honderd jaar intensief gebruik niet bepaald appetijtelijk uitzag. Je plakte de walkietalkie met cellotape onder de achterkant van de legplank vast, zodat die boven de pispot kwam te hangen. Om hem te kunnen zien moest je echt op je knieën voor het nachtkastje gaan zitten en dan onder de plank kijken, waarbij je gezicht op gespannen voet met de pispot zou komen te staan. ‘Dat moest voldoende zijn,’ besloot je, ‘Ik kan alleen maar hopen dat we deze week geen celcontrole krijgen,’ dacht je.

 

De controle bleef uit en de dag van de voorgenomen ontsnapping brak aan. De spanning begon nu haar tol te eisen; je was inmiddels aardig gestrest geraakt. Je nam afscheid van Bouke en gaf hem een telefoonnummer dat hij moest bellen zodra hij weer op vrije voeten was. Je boomlange vriend was tot tranen geroerd en bedankte je voor alles wat je voor hem gedaan had. Je voelde je bijna schuldig om hem hier in dit rattenhol achter te laten.

“Ik ben er voor je, Bouke, geloof me,” zei je, en nam met een brok in je keel afscheid van de grote man.

Daarna sprak je nog even in het toilet met Gianni. Jullie namen de hele procedure nog eens in sneltreinvaart door en spraken af dat jij alleen verder zou gaan als hij tijdens zijn escapade betrapt zou worden. Jullie omhelsden elkaar en je liep naar je cel. Even later werd de deur in het slot gedraaid.

Om half één pakte je de walkietalkie van onder de pispotplank en trok de antenne uit. Je schakelde het apparaat in, drukte op de spreekknop en riep Johnny Pep op: “Hallo Pep, hallo Pep, over...”

Het antwoord kwam onmiddellijk: “Hallo Birdman, ik krijg je luid en duidelijk, over.”

“Zijn de spullen bezorgd? Over.”

“Alles staat op zijn plaats, Birdman. Over.”

“Dan ga ik op weg, ik meld me als ik op je stoep sta. Geef me ieder uur een paar klikken om mij te laten weten dat je er nog bent. Over en sluiten.”

“Afgesproken, Birdman. Over en sluiten.”

Je liet de walkietalkie op stand-by staan en pakte je spullen. ‘Nou, hoe vind je die gekke Pep. Die heeft te veel naar films gekeken. Birdman; hoe verzint hij het? Het is fucking Alcatraz niet,’ dacht je nerveus.

Al het zaagwerk had je ondertussen gedaan. Het was nu breken geblazen: de twee raampjes. Voor het eerst overviel je de serieuze twijfel. Zou het allemaal wel lukken?

 

“Het moet lukken! Breken nu!” sprak je jezelf moed in. Je pulkte wat cellotape los van een rol en plakte dat op de uiterste bovenkant van het te breken ruitje. Toen trok je een strook van de rol om die over de hele lengte van de ruit te plakken...............

 

.............Je schrok wakker van een deur die geopend werd. Bij het openen van de tweede deur was je weer helemaal bij de les. De directeur, een brigadier en twee bewakers kwamen de strafcel in. De bewakers keken licht geamuseerd, het gezicht van de brigadier verraadde niets, maar het was duidelijk dat de directeur ontdaan was, zo niet uitzinnig van woede. Onwillekeurig rekende je al op een schop.

“Jij vuile crimineel, jij stuk verdriet, hondsvot, jij, jij…”

“Mijnheer leCrochet,” suggereerde je behulpzaam.

De brigadier hield de directeur tegen.

 

‘God, wat is die man van streek. En hij leek nog wel zo aardig,’ dacht je.

“Jij stuk ongedierte, rapaille dat je bent. Ik heb veel meegemaakt in mijn loopbaan, we hebben zelfs eens een revolver in een cel gevonden, maar nog nooit wat jij daar allemaal… Walkietalkies! Met wie moest jij zonodig kwekken, Cajun?”

“Ik had er maar één,” verdedigde je je, en dacht: ‘gelukkig, zij hebben die van Gianni dus niet gevonden.’

De directeur raasde verder: “Waar is die tweede walkietalkie? Denk maar niet dat we dat ding niet vinden, en dat geldt ook voor degene die al die troep naar binnen heeft gebracht. Waar is dat andere ding?”

“Vraagt u me iets of vertelt u me iets?” reageerde je driftig, “doe wat u moet doen, maar sta niet als een idioot te raaskallen. Ik heb één walkietalkie, geen twee of drie en de rest is ook van mij. En nou wat?”

De directeur zag eruit alsof hij een infarct nabij was.

“Daarom moesten jij en Bouke zonodig naar afdeling A worden overgeplaatst… Daar is het makkelijker ontsnappen, hè?”

“Ik heb er niet om gevraagd om overgeplaatst te worden, dat hebt u besloten. En Bouke heeft nergens mee van doen.”

De brigadier zei: “Ik heb die overplaatsing indertijd aanbevolen. Dat was dus een fout, want jij hebt het hele verhaal kant en klaar voor ons opgediend. Allemaal komedie.”

De directeur deed weer een duit in het zakje: “We pakken Bouke ook, voor medeplichtigheid. En dat heeft hij dan aan jou te danken, schoft.”

“Vergeet het maar, conducteur,” siste je, razend van plotselinge woede.

“O, en waarom dan wel? Wat denk jij hier nog te kunnen bepalen? Je blijft hier zitten tot je ons vertelt wie jou die spullen heeft gegeven.”

Trillend van razernij antwoordde je: “Wanneer jij - want dat kan alleen jij maar zijn, haatdragend miesgassertje - wanneer jij Bouke voor iets aanpakt waar hij niets mee te maken heeft, dan ben ik hier vanmiddag nog uit, geloof me maar op mijn woord, dikke deur.”

“Zet Boomstra in de strafcel hiernaast,” sprak de directeur prompt tot de bewaarders.

“Terwijl jullie dat doen, bel dan gelijk even de Rijksrecherche dat ik een verklaring wil afleggen.”

De brigadier verbleekte en zei: “Cajun, je kunt die verklaring aan ons afleggen als je wilt.”

“Niet wanneer het een lid van het bewakende personeel betreft,” antwoordde je.

“Je kunt die naam ook aan mij geven,” zei de directeur wat kalmer, in de kennelijke veronderstelling dat het de goede kant uitging.

“Jij bent de laatste met wie ik zou willen praten.”

De brigadier verschoot nu echt en zei: “Dat kun je niet maken, Cajun. Je kunt dat nooit bewijzen. Daar krijg je pas echt gedonder mee, doe dat alsjeblieft niet…”

“Als Bouke geslachtofferd wordt, geef ik de Rijksrecherche een naam, en rara wiens naam dat zal worden,” zei je, de directeur aankijkend.

Je vervolgde: “O, bewijzen kan ik het natuurlijk niet, net zomin als het bewezen kan worden dat ik een leugen zou vertellen. Maar voorlopig gaat er hangende het onderzoek wel één de schorsing in, en die ene zal ik in elk geval niet zijn. Ja, laten we dat zo maar doen. Laat Bouke maar ophalen, doe maar even flink.”

De brigadier vroeg de directeur of ze de zaak even buiten de isolatiecel konden doornemen. Terwijl de beide kaderleden zich op de gang vervoegden, zei één van de bewakers met een ingehouden glimlach: “Nou Cajun, je hebt wel weer wat leven in de brouwerij gebracht. Je cel leek wel een ijzerwinkel en het hele HvB is in rep en roer. Niemand vertrouwt niemand meer.”

Je antwoordde quasi onverschillig: “Het is altijd al een achterdochtig zootje hier geweest, bewaarder.”

De directeur en de brigadier kwamen de cel weer in.

“Jij blijft hier in de strafcel totdat je vertelt wie jou die spullen heeft gebracht,” zei de directeur, nu zichtbaar kalmer.

“Was mijn idee niet goed dan? U hoeft slechts de Rijksrecherche te bellen.”

“Doe maar bijdehand, Cajun,” zei de brigadier, “wij hebben wel hardere noten gekraakt dan jij. Ik denk dat je na een verblijf van een week hier zachtjes door je knieën gaat. Geen boeken, niet roken, één keer in de week douchen en luchten onder Gestichtwacht bewaking. Ik kom met een week wel weer even kijken hoe het met je gaat.”

Het kader verliet de cel en de deuren werden gesloten. Je was weer alleen met je ondergekotste en bebloede reep schuimrubber.