Wanneer ik vanuit de transportcel de trap naar de rechtszaal oploop, lijkt het net of ik vanuit een riool in een wc-pot klauter. Alles oogt oogverblindend wit en steriel, hoewel de pot wordt ontsierd door vijf donkere fecesvlekken, te weten een officier van justitie, drie rechters en een griffier. Op de plaats van de stortbak hangt het portret van de Koningin - een plek waar een afbeelding van die blinde, onevenwichtige en bevooroordeelde justitiegleuf meer tot zijn recht zou zijn gekomen. Ik vind het een verspilling van het zuiverste water om een portret van die adellijke dame boven dat kraaiennest te hangen. De bode ontbiedt me naar mijn plaats voor de rechters, met de officier op driehonderd vijftien graden noordwest.
De rechtbankpresident opent de zitting: “U bent Jan ter Haak. U bent geboren op… bla bla bla… en u staat terecht wegens... bla bla bla.”
“Dat is juist, mijnheer de Voorzitter.”
“U weet dat u niet tot antwoorden verplicht bent. Dan geef ik nu het woord aan de officier.”
De celebrant van het Openbaar Ministerie richt zich moeizaam op en leunend op zijn bureau begint hij de dagvaarding voor te lezen. Hij staat erbij als een in de lucht gescheten vraagteken, maar dat komt natuurlijk omdat hij de last van een criminele wereld op zijn toch al afhangende schouders torst. Dat valt ook niet mee voor die stakker. Hij legt mij poging tot moord c.q. doodslag en bedreiging met een tegen het leven gericht misdrijf ten laste.
De president: “Wat heeft u op de tenlastelegging door de officier te zeggen, verdachte?”
“Ik ben onschuldig aan genoemde poging tot moord en doodslag en ook aan bedreiging. De getuige, aangever Misser, kan zich namelijk niet bedreigd hebben gevoeld.”
“U zou zich misschien niet bedreigd hebben gevoeld, maar uit de stukken van het proces-verbaal blijkt dat mijnheer Misser zich wel degelijk bedreigd voelde.”
“Ja, alleen blijkt dat pas uit het proces-verbaal van aanvulling. In zijn eerste aangifte maakte hij daar geen enkele melding van, maar misschien heeft iemand hem eraan helpen herinneren dat hij zich bedreigd voelde. Misschien de politie?”.
“Goed, dan zullen wij met de bedreiging beginnen.”
De officier krikt zich weer omhoog en overhandigt de president een brief, waaruit deze voorleest dat de getuige verschoning van getuigenis verzoekt.
“Op grond waarvan dan wel?” vraag ik.
“De getuige schrijft dat hij zich nog altijd ernstig bedreigd voelt en uit angst voor een represaille niet durft te verschijnen. Dit laatste is ook niet strikt noodzakelijk, aangezien hij bij de rechter-commissaris al een verklaring onder ede heeft afgelegd.”
“Voor zover mij bekend, is die getuigenis niet onder ede door de rechter-commissaris afgenomen. De getuige schrijft dat hij zich nog steeds bedreigd voelt en dat komt de officier natuurlijk prachtig uit, temeer daar ik al van bedreiging beschuldigd word. Toch had ik mijnheer Misser hier graag aanwezig gezien om hem enkele vragen te laten stellen. De rechter-commissaris achtte dat niet relevant, dus zal het ook hier wel weer niets worden.”
De advocaat: “Mijnheer de President, uit niets blijkt dat beide getuigen door de rechter-commissaris onder ede zijn gehoord. Kijkt u maar in de stukken van verhoor.”
Vijf mollen beginnen te graven. Er ontstaat enige verwarring.
De president: “Inderdaad, meester Heukels, u hebt volkomen gelijk. De getuigen zijn niet onder ede gehoord. De verdachte heeft het recht om de getuige Misser te laten verschijnen, maar ik moet u er wel op wijzen dat wij de zaak dan voor de derde keer moeten aanhouden.”
Ik voel er alles voor om dit te laten gebeuren. In mijn ogen is dit proces toch al een farce, en hoe meer ik die klepzeikers dwars kan zitten, des te liever het me is. Ik zit toch al vier maanden verschut.
Mijn advocaat zegt zachtjes: “Doe het niet, Jan. Je krijgt ze alleen maar meer tegen je.”
Alsof dat nog niet het geval zou zijn.
Ik zeg: “Mijnheer de Voorzitter, ik vind dat een verklaring die tegen een rechercheur met opgerolde hemdsmouwen is afgelegd, toch in een iets ander licht moet worden bezien dan een hier voor de rechtbank afgelegde getuigenis onder ede. Ik zie echter van mijn recht af. Laten wij maar doorgaan. De hele zaak zit toch al krom voor mij.”
“Dan kan de verdachte nu plaatsnemen, en roep ik getuige Van Ham op.”
Vanuit de zaal komt kaasdwaas senior naar voren, terwijl ik op het verdachtenbankje plaatsneem. ‘Dat is verdomme al de tweede keer in twintig jaar,’ denk ik. De president verifieert de personalia van de getuige en vraagt hem de eed af te willen leggen.
“Zo waarlijk helpe mij...”
“Nee, mijnheer Van Ham, u moet de eed afleggen met uw rechterhand.”
“Zo waarlijk helpe mij God almachtig"............
...........“Ik heb geen wapen gezien.”
“Ik heb geen vragen meer aan getuige Van Ham.”
De president: “Heeft de verdachte nog vragen aan de getuige?”
Ik heb nog een heel repertoire van vragen, waaronder sommige zo zijn gesteld dat de getuige ter zitting onmiddellijk meineed zou plegen. Omdat het naar mijn mening de goede kant opgaat, laat ik die vragen echter voor wat ze zijn.
“Geen vragen, mijnheer de Voorzitter.”
“Heeft een van de andere rechters misschien nog vragen aan de getuige?”
De linkermol ontwaakt en vraagt: ”Mijnheer Van Ham, heeft u 's morgens tijdens het lossen van de bestelauto gezien of er een gat in de linkerzijde van dit voertuig zat?”
Ik word wild, omdat ze de getuige woorden in zijn mond willen leggen. Dat is tekenend voor hun bevooroordeeldheid, maar ik ben zo wijs niets te laten merken.
“Mij is geen gat opgevallen, en het kan best zijn dat er een gat in de auto heeft gezeten. Maar ik kan hierover geen uitlatingen doen.”
De president: “Goed, dan kan de getuige weer plaatsnemen. De verdachte mag naar voren komen.”
Wanneer ik voor het hekje sta, zegt de president: “Dan gaan we nu over op de verdenking dat u op Misser of zijn auto geschoten heeft. Kunt u de rechtbank vertellen waar u de vrachtwagen van Misser bent gepasseerd?”...................
...........“Ik had dat graag willen doen, maar ik wist niet waar hij woonde,” zei ik ‘naïef’, “en daarbij komt dat ik hem graag wat verbale uitleg had willen geven. Het leek me dat hij nogal eenzijdig door de politie was ingelicht.”
“Het komt me voor dat u zeer weinig respect, om niet te zeggen grote minachting toont voor de rechtbank, justitie en politie. Is dat juist?”
“Ik sta wel niet onder ede, maar ik zal u toch een eerlijk antwoord geven: u hebt volkomen gelijk.”
“Wilt u de rechtbank vertellen waarom?”
“Zeker wel. Om te beginnen worden beide getuigen door de politie bewerkt om een zo belastend mogelijke verklaring tegen mij af te leggen. De rechter-commissaris doet daar vervolgens nog een schepje bovenop. Ik zeg u dat dit de waarheid betreft, omdat er maar één is die echt weet wat er is gebeurd, en dat ben ik.”
“Zonder enige twijfel,” sneert de president, “maar vanwaar uw minachting voor dit rechtscollege?”
“Zoals u weet zal de voorzitter volgens artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering niets aangaande onschuld of schuld van de verdachte mogen laten blijken wanneer het onderzoek ter zitting een aanvang heeft genomen. Dit komt alleen tot uiting bij de uitspraak van het eventuele vonnis met een motivatie van dat vonnis. Nu, dat blijkt in Haarlem geheel anders te zijn. Daar komt dan nog de futiliteit bij, dat wanneer een rechter zitting heeft gehad in de raadkamer aangaande de verlenging van het voorarrest van de verdachte, hij normaliter geen deel uit zal maken van de rechtbank. Als dat wel zo is, heeft de verdachte het recht om wraking van de bewuste rechter te vragen.”
“En waarom maakt u geen gebruik van dat recht?”
“Ik zal te zijner tijd bij het Hof in Amsterdam zeker gewag maken van mijn rechten, daar al mijn rechten in Haarlem met voeten worden getreden. Het mankeert er nog maar aan dat de rechter-commissaris ook deel uitmaakt van dit rechtscollege.”
|