Je lag boven in bed naar Upstairs, downstairs te kijken toen de telefoon rinkelde. Je besloot het bellen te negeren om de aflevering van je favoriete serie te kunnen blijven volgen. De telefoon bleef echter hardnekkig doorrinkelen.
Geïrriteerd nam je ten slotte op: “Hallo?”
“Pronto, sei tu, Cajun” klonk het aan de andere kant.
“Chi parla?” informeerde je voorzichtig.
“Gianni, uit Milaan,” klonk het in je oor, “Gianni uit het Huis van Bewaring in zesenzeventig.”
Nog steeds voorzichtig informeerde je: “Wat heb jij op tijd uit je cel weten te werken?”
“De walkietalkie Cajun, mi credi ora?”
“Ja, ik geloof je nu. Gianni, hoe is het, gabber?”
Jullie wisselden wat beleefdheden en herinneringen uit. Daarna vroeg Gianni: “Kunnen wij elkaar ergens halverwege ontmoeten, Cajun? Ik heb een miljoenenzaak opgedaan.”
“Je zegt het niet,” reageerde je, “wat is halverwege voor jou?”
Gianni stelde voor: “Ik kan het vliegtuig naar Parijs nemen, dat is voor jou vier tot vijf uur rijden. We treffen elkaar op het vliegveld Charles de Gaulle, en dan vertel ik je de hele zaak. Hoe is dat?”
“Dat is prima, Gianni. Wanneer wil je dat we elkaar ontmoeten?”
Gianni zei dat hij nu meteen een vlucht ging boeken vanuit Zwitserland en dat hij je later terug zou bellen met de aankomsttijd en voorgestelde plaats van ontmoeting.
“Dat is prima, Gianni, maar geef me tenminste twee dagen vanaf nu.”
“Va bene,” zei Gianni en hing op.
Een poosje later belde hij terug met de gegevens.
De volgende dag zocht je je vriend Dolf op en vertelde hem van je telefoongesprek met Gianni. Tevens vroeg je hem of hij bestek had om mee naar Parijs te gaan en portie te houden in het nog onbekende avontuur van vijftien miljoen. Dolf hoefde over geld nooit lang na te denken.
“Kan die Italiaanse kennis van jou ook autokentekens namaken, Cajun?”
Je antwoordde dat je dat niet wist, maar dat je daar de aangewezen persoon voor had in Rome. Op de vraag wat die valse kentekens zouden moeten kosten, moest je het antwoord schuldig blijven, maar je zei dat je je vriend in Rome erover op zou bellen.
Dolf had zich gespecialiseerd in ringers. Zijn ambacht bestond uit het op de autosloop kopen van wrakken van vrij jonge total loss gereden Mercedessen, BMW’s en Jaguars. Een voorwaarde van contract was dat de kentekens er nog bij zaten. Hij kocht een wrak, maar nam alleen het kenteken mee. Daar zocht hij elders dan een rijdend voertuig bij dat aan de specificaties van het kenteken voldeed, en stal dat of liet het stelen. Het chassis- en motornummer van het kenteken werden in het nieuwe voertuig getimmerd en zo werd Dolf de eigenaar van een nieuwe Mercedes, BMW of Jaguar. Voor een pikprijs zou je kunnen zeggen. Hij reed ook altijd rond in een nieuwe, gestolen Jaguar, met een gezicht alsof hij de directeur van British Leyland was.
Dolf was ook een grifter en hield zich nog met andere illegale handel bezig. Hij droeg de zaken aan en Kale Joop, zijn geldschieter, financierde de transacties, waarna ze de winst deelden. Vanwege zijn gierigheid had je ooit een uiteenzetting met die Kale Joop gehad, nadat hij je een Mercedes Sport verkocht had met een foute motor, en je kon zijn bloed wel drinken. De wagen had je in 1978 vijftigduizend gulden gekost. Als voorwaarde van koop kon je hem in vijf maandelijkse termijnen van tienduizend gulden betalen. Je naam was goed en voor geld vertrouwde iedereen je.
Toen je Kale Joop in een kroeg aansprak over de kosten die je aan de motor zou gaan krijgen, zei Kale Joop je dat je pech had gehad.
“Ik ben geen Mercedes dealer die je garantie kan geven,” zei hij onverschillig.
Je zei hem dat je het begreep en zijn beslissing respecteerde. Twee maanden later was je in een koffiehuis in Haarlem waar het lokale rifraf elkaar trof. Je stond met Dolf aan een koffietafel, toen Kale Joop binnenkwam.
“Hallo boys,” groette hij, waarna hij wachtte totdat Dolf hem wat te drinken aanbood.
“Wat is het toch een gierige hond,” dacht je.
“Cajun,” zei Kale Joop.
“Joop,” reageerde je.
“Jij bent mij nog twintigduizend gulden schuldig, hoe zit het daarmee?”
“Dat zit gebakken Joop, geen enkel probleem.”
“Wat ik bedoel is, wanneer krijg ik die molm eindelijk?” vroeg Kale Joop nu geïrriteerd.
Je wist dat je moest oppassen, want Kale Joop was niet voor een kleintje vervaard wanneer hij driftig werd om een geldkwestie. In een direct gevecht gaf je jezelf weinig kans.
“Joop, luister, want ik zeg het je maar één keer,” begon je jezelf op te psychen, “die Mercedes had een rotte motor en jij was van mening dat ik de kosten van reparatie maar moest dragen. Dat heb ik dus gedaan. Van jouw twintigduizend gulden.”
Kale Joop verbleekte van woede en vroeg ziedend: “Conclusie?”
Je stak je hand in je jaszak, zo behoedzaam dat het wel op moest vallen, en keek de Kale Joop vriendelijk in zijn ogen.
“De conclusie is, Kale Kletskop, dat niet ik, maar jij in het pak zit voor twintig ruggen. Wat dacht je daarvan? Niet leuk hè, wanneer het jou gebeurt?”
De Kale maakte zich los van de tafel en zei ziedend: “En dat vertel je mij hier even doodleuk?”
Je ging nu ook van de tafel af staan en antwoordde: “Je hoort me toch? Als je denkt er iets aan te moeten doen, dan vind je me meer dan klaar voor je. Of dacht je misschien dat ik een klets op mijn wang van jou accepteer? Wanneer je slim bent, vraag jij je nu af waarom ik je dat zo maar even zeg. Zou het kunnen wezen dat ik wil dat jij er iets aan doet, misschien?”
De blik van Kale Joop verstrakte.
“Je hebt een revolver op zak?”
“Fout,” antwoordde je, een woedeaanval veinzend, “ik heb een pistool in mijn zak en nog een mooi pistool ook. Voor jou op maat gemaakt: Smith and Wesson 357 Magnum. Wij spreken het zo af: jij komt twee stappen deze kant op en ik probeer een scheiding in je haar te schieten. Dat lukt mij misschien niet, want je hebt geen haar. Dat is echter geen probleem want je hebt dan ook geen hoofd meer. Wat dacht je, kale schijthond, zullen we het er dan maar op wagen?”
Kale Joop verkeerde in tweestrijd, maar zijn verstand nam de overhand over zijn woede. Nu het grootste gevaar geweken was, probeerde Dolf de zaak te sussen, maar daar wilden jullie niet van weten.
“Jij hoort nog van me,” dreigde Kale Joop.
“Alleen via een overlijdensadvertentie dan. Nu ben ik kwaad genoeg om je zelf een paar bonen in je vette pens te schieten. Na vanavond staat er een contract op je. Wanneer er met mij ook maar iets gebeurt, dan betalen jouw twintigduizend guldens een mandolinespeler uit Napels.”
Kale Joop wist van jouw Italiaanse connecties en deed er het zwijgen toe.
‘Hij heeft het nooit geprobeerd,’ vertelde je me later.
Het was duidelijk dat Dolf geen aandeel in een dreigende geweldskwestie wilde hebben. Dolf probeerde altijd op zeker te gaan met alles en zocht zijn voordeel bij een ieder die goed in de markt lag. Of hij een vriend, een egoïst of gewoon een slim
koopman was, wist je toen nog niet.
“Hoe lang blijf je weg, Cajun, en neem je dat rode overhemd mee in je bagage?” vroeg Joke je toen ze je een weekendtas in zag pakken.
“Niet langer dan drie dagen. Wat is dat met een rood overhemd? Ik heb geen rode overhemden.”
“Gek, ik zou gezworen kunnen hebben dat je de laatste keer toen je een paar dagen wegging met een rood overhemd terugkwam,” zei Joke op een kalme toon.
“Weet je het zeker? Een róód overhemd?”
“O ja, ik herinner mij het weer, Cajun. Het was een wit overhemd met een rode boord.”
“Je wordt hoe langer hoe gekker, jij.”
“Moet je eens opletten hoe gek ik word wanneer je nog een keer terugkomt met een boord vol lipstick terugkomt...,” dreigde ze met een ingehouden lach.
“O, dat? Ik heb je toch verteld hoe dat gekomen was? Dat was een ongelukje...”
“Jouw hele leven bestaat uit ongelukjes, Cajun”.
“Dat is waar, op één na dan, en dat ben jij. Duim voor mij deze reis, Joke!”
De vorige dag had je Lino in Rome opgebeld en hem gevraagd wat duizend valse kentekens zouden gaan kosten. Lino vertelde je dat hij daar geen antwoord op kon geven, omdat zijn vaste drukker was gearresteerd, waardoor hij nu afhankelijk van derden was. Jullie spraken af dat Lino ook het vliegtuig naar Parijs zou nemen en dat jullie daar de zaak zouden bespreken.
“Neem wel een monster van zo’n kenteken mee, Cajun,” had hij je nog aangeraden.
Op weg naar Parijs vroeg Dolf: “Je weet dus nog niet eens waar het over gaat?”
Een uitvoegende vrachtwagen ontwijkend, antwoordde jij: “Totaal niet, Dolf, maar ik denk die Gianni goed genoeg te kennen om te weten hij ons niet voor niets naar Parijs laat komen.”
“Hoe heb je hem eigenlijk leren kennen?”
Je vertelde hem het hele verhaal van de mislukte ontsnappingspoging in 1976.
“Niet te geloven, Cajun…!” riep Dolf.
Toen je hem van de stoelendans vertelde, gierde hij het uit.
“Hebben ze die Gianni nooit gepakt met die tweede walkietalkie?”
“Nee, ik heb later gehoord dat hij dat ding achter de verwarmingsketel naast zijn cel heeft geflikkerd. Hij was de reiniger, dus ze openden gewoon zijn deur. Ik was
verraden en dus ging het om mij. Toen ze mijn walkietalkie vonden, was het te laat. Gianni had de zijne toen al weggewerkt.”
“Luister Cajun, ik ben overal in geïnteresseerd, behalve dope. Er zit geen zegen op die bloedhandel, en je krijgt alleen met gekken te maken.”
Je knikte en zei: “Ik heb de drugs ook afgezworen, wat je zegt is precies waar. Daar komt nog bij dat ik de ellende heb gezien die die troep veroorzaakt. Ik ben er een goede vriend aan verloren. Nee, voor mij ook geen dope meer.”
“Weet je wat het volgens mij ook is?”
“Nou?”
“De kit concentreert zich zo op die drugs, dat hun aandacht voor andere criminele klussen een stuk minder is geworden. Ik merk het zelf ook. Vroeger werd ik dag en nacht door de kit achterna gereden, maar nu laten ze me met rust. Omdat ze weten dat ik geen dope doe,” theoretiseerde Dolf.
Je moest drastisch snelheid minderen voor de opkomende mist. Tien minuten later reed je nog maar dertig kilometer per uur, terwijl jullie nog tweehonderd kilometer van Parijs af zaten. Bij het eerstvolgende Jaques Borel Motel besloten jullie dan ook maar te stoppen. Het voorgenomen avondje stappen in Parijs was met recht de mist ingegaan.
“Dat begint goed,” mopperde Dolf.
Op de kamer gingen jullie je opknappen.
“Waar doen wij dat eigenlijk voor? Er is hier niets waar ik netjes voor moet wezen,” lamenteerde Dolf.
“Schei toch eens uit met dat gejank, man. Houd liever het einddoel voor ogen: een kans op vijftien miljoen en een partij valse kentekens. Wij gaan eens even uitgebreid dineren.......”
“...........We moeten uitgaan van dertig procent van de officiële koers,” zei je, “alles wat het meer of minder opbrengt verrekenen we evenredig. Ik ben geen bankier, maar ik denk dat wanneer ik voor twintig miljoen aan leva’s zou moeten kopen, dat ik - lees: de bank - daar een flinke kluif van zou willen hebben. Dat moet de genoemde tien procent worden, ofwel twee miljoen dollar. Van de twintig miljoen dollar die we hopen te vangen, willen we drieëndertig procent ofwel één derde hebben. De bedragen zijn nu niet relevant, omdat we nog niet weten wat de bank zal willen geven. Maar wat die bank ook geeft, wij willen daar een derde van, met tien procent voor de bankdirecteur. Zo moet je het uitleggen, Gianni en als dat niet goed is, dan verkopen ze het zelf maar. Ik denk echter dat ze hun licht allang hebben opgestoken en het onderste uit de kan proberen te krijgen door een paar gekken te vinden die voor hen met leva’s gaan venten.”
Gianni hoefde niet lang na te denken: “Ik denk dat je gelijk hebt.”
“Ik weet dat ik gelijk heb. Je hebt niet toevallig een paar monsters van dat geld bij je, hè?”
Jij besprak het hele geval nog een keer met Dolf, maar die leek meer geïnteresseerd in zijn aandeel van anderhalf miljoen dan in de planning van het geheel. Je stelde Gianni voor: “Luister, ik heb hier nog een andere afspraak met een vriend van me die vanmiddag uit Rome komt. Jij bent dan al weer thuis en kunt je contact benaderen. Je legt hem uit wat wij besproken hebben, zodat hij dit aan zijn opdrachtgevers ter beslissing kan voorleggen. Wij overnachten dan vanavond in Parijs en ik bel je morgenochtend voor een antwoord. Wanneer het voorstel in principe wordt geaccepteerd, maken we met jou een afspraak om jouw contactman in Italië te ontmoeten. Ik meen begrepen te hebben dat dit monopoliegeld zich in Italië bevindt, nietwaar?”
Gianni bevestigde je veronderstelling, waarop je vervolgde: “wij rijden dan morgenochtend naar Italië om jouw contactman te ontmoeten. Deze neemt een paar
honderd biljetten van verschillende denominaties mee. Hieruit haal ik, laten wij zeggen, tien biljetten en betaal hem. In vierentwintig uur heb je een antwoord betreffende de echtheid van de monsters en alle financiële gegevens. Wanneer dat allemaal goed verloopt dan bespreken wij de Operatie Zestig Miljoen Leva’s. Hoe klinkt dat in een roestvrijstalen restaurant in Parijs?”
“Perfetto,” antwoordde de Italiaan.................
“...........Dag Dolf, oe gaat et met jou,” vroeg Lino aan Dolf, terwijl hij aan zijn volgende omhelzing bezig was. Dolf en hij kenden elkaar van de keren dat jullie in zijn Amsterdamse restaurant gegeten hadden.
“Nou niet weer je tong in Lino’s mond steken, Dolf…,” waarschuwde je.
“Altijd die vies mannetje, Cajun, altijd vies grapjes maken met Linootje,” griezelde Lino lachend, “ar’owe andiamo compa?”
“Naar een hotel,” antwoordde je.
Lino’s retourvlucht naar Rome stond voor de volgende ochtend geboekt. Jullie lieten je inschrijven in het Hotel Crillon op de Place de la Concorde. Drie luxe suites met ontbijt.
“Dat gaat wat kosten,” merkte Dolf op.
“Laten we het er nog maar even van nemen. Uiteindelijk gaan we een tikkie maken aan die valse autokentekens, nietwaar?” zei je, hem er fijntjes aan herinnerend dat hij zonder jou niets zou verdienen.
Geschoren en gedoucht zaten jullie die avond als drie nieuwe guldens in het Hotel Crillon restaurant. Je wist dat Lino van luxe hield, en als je je geld aan één persoon wilde spenderen, was hij het wel. ‘Het gaat toch op de onkostenrekening,’ dacht je. Lino en jij konden elkaar die avond nauwelijks loslaten. Elkaar kneepjes in de wang en schouderklopjes gevend, vertelden jullie elkaar hoe goed jullie er uitzagen, en hoe goed het was om elkaar weer te zien. Jullie hadden dan ook wel het één en ander meegemaakt, een paar jaar terug. Het was een genoegen om weer eens met Lino te kunnen praten, eten en wijn te drinken. Je genoot van ieder moment. Jij vroeg aan Dolf of hij weer eieren wilde, maar deze sloeg dat aanbod af.
“Ik zal evengoed wel met de ramen open moeten slapen vannacht,” klaagde hij.
Lino liet zich door een Italiaans sprekende ober voorlichten over de specialiteiten van de avond. Aan een ex-restauranthouder en gastronoom van het eerste uur konden jullie dat wel overlaten.
Nadat jullie smaakpapillen verschillende orgasmen hadden beleefd, veegde Lino
een halve slagroomtaart van zijn kin en vroeg: “Allora Cajun, waar gaat het nu precies om?”
“Het is het beste dat Dolf het misschien even uitlegt, Lino.”
Dolf liet Lino een autokenteken zien en zei dat wanneer de prijs goed zou zijn, dat wij er wel honderd konden gebruiken.
“Met respect, Dolf, maar honderd is een aantal dat voor een drukker niet zo interessant is. Je kunt er wel honderd kopen, maar die zijn dan net zo duur als duizend. Het zijn de drukplaten die betaald moeten worden,” legde Lino uit.
“Het papier en het watermerk?” vroeg jij nu.
“Het papier is geen enkel probleem, en het watermerk wordt er aan twee kanten opgelegd, zodat het lijkt alsof het in het papier verwerkt zit. Het verschil is bijna niet te zien, Cajun.”
“Wat zouden die duizend kenteken ons gaan kosten, Lino?” vroeg de boekhouder.
“Wij kunnen het op twee manieren gaan doen, Dolf. De eerste is: jullie kopen er duizend van mij. Die laat ik drukken en die betaal ik. Voor het risico en de investering moet ik er een winst op berekenen, en dat maakt het duurder. Wat het nog duurder maakt, is het feit dat mijn vaste drukker gearresteerd is, en ik nu dus van een ander afhankelijk ben. Ik denk dat de prijs echter niet zo belangrijk is. Zelfs al kost een kenteken duizend gulden, dan brengt het met de juiste auto erbij dertig, veertig en vijftigduizend gulden op. Of dacht je dat Lino niet wist hoe dit spelletje werkt? Maar ik heb een beter voorstel, Dolf: wat de kentekens ook gaan kosten, ik betaal en wij delen de schone winst met zijn drieën. Hoe klinkt dat?”
“Ik kan die Kale Joop nu niet miskleunen want hij weet waar ik voor weg ben”. Jij legde aan Lino uit wat het potentiële probleem betrof.
“Okay, nog beter: de winst wordt in tweeën gedeeld, en ik deel met Cajun en Dolf deelt met zijn vriend,” zei Lino.
“Het staat mij niet aan. Die Kale Knetterbol gaat mee op de vrije zoek, doet niets, riskeert niets en strijkt vijfentwintig procent winst op,” wierp jij tegen.
Je legde Lino het dilemma uit. Die dacht even na zei: “Dolf zegt dat de kentekens honderdduizend gulden gaan kosten, dus zijn vriend investeert vijftig en wij investeren zogenaamd vijftig. Vanaf de eerste winst kunnen wij meteen gaan delen, want wij hebben dus gelijke investeringen, alleen hebben wij drieën dan een mazzeltje van zestienduizend zeshonderd gulden,” lachte Lino.
“Die ik dan samen met negenduizend van mezelf aan die Kale moet gaan terugbetalen,” klaagde Dolf.
“Luister Dolf,” zei jij, “we praten hier over miljoenen winst wanneer de kentekens
goed zijn, en jij jammert over negen ruggen? Je had kruidenier moeten worden. Jij wilt die Kale erbij hebben, dus je draagt daar zelf ook maar de lasten van. Ik denk dat Lino een reëel voorstel gedaan heeft. Die zestien ruggen de man maken ons niet rijker of armer, maar het gaat om het principe. Ik heb nu het liefst dat je het niet accepteert, want dan is de deal over. Ik betaal Lino’s vliegticket en dan verdien jij niets, maar die Kale op zeker niet. Zeg het maar, Dolf, dan bel ik Johnny Pep en laat ik de auto’s door hem stelen.”
Dolf gaf morrend toe, maar je kon zien dat hij je dit niet in dank afnam. Er viel een onaangename stilte. Lino vroeg in strak Napolitaans: “Wat is het probleem, Cajun? Wanneer je hem niet vertrouwt, geef ik jou de kentekens en dan verkoop je ze aan hen voor tienduizend gulden per stuk...........”
“.........Mijn aandeel is het verzorgen en klaarmaken van ieder kenteken. Daar zit weinig risico aan. Jij neemt het grootste risico, Dolf.”
Opeens begreep je de hele opzet, al betwijfelde je of Dolf hier iets van wist. Omdat Kale Joop niets van de leva’s afwist, was de transactie waar Dolf voor weg was, die van de kentekens. Volgens Kale Joop zou het geld dus met de kentekens verdiend gaan worden. Dolf’s dilemma was dat hij die Kale niets van die leva’s zou kunnen vertellen, want anders moest hij afdelen. Er vanuit gaande dat de leva deal zou doorgaan, kon Dolf nu ook wel inzien dat het waanzin was om zoveel risico te gaan lopen, en dat nog afgezien van al het werk dat er gedaan moest worden met die autoringerij. Kale Joop zat aan de kassa waar het Dolf betrof en kon dus stoppen zodra hij voldoende winst had. En de Kale was niet zo dom om het noodlot te blijven tarten. Het feit dat Dolf de hele rit uit moest zitten deerde jou niet, maar opeens wist je hoe de zaak zich zou gaan ontwikkelen. Dolf en Kale Joop waren beiden in principe nietskunners. Zij wisten niet hoe zij het kenteken moesten invullen, want dat werd door het Rijk met de computer gedaan. Ze konden maar niet uitwerken hoe ze het computerteken voor de nul (Ø) zonder computer in een serienummer moesten krijgen. Het was het makkelijkste wat er was, maar dat vertelde je Dolf niet. Dus zou het jouw taak worden om de kentekens in te vullen, temeer daar Dolf en Kale Joop ook wel konden begrijpen dat jij de kentekens zou beheren. Thuis zou je ze niet bewaren, dus er moest een ruimte worden gehuurd om de speciale schrijfmachine en de aanverwante spullen te bewaren en de kentekens te prepareren. Men ziet hier de joker al zitten: nadat er tien of vijftien auto’s zijn verkocht, doet de politie een inval terwijl jij net een kenteken aan het prepareren bent. Wie zou de schuld van al die gestolen en verkochte auto’s krijgen? Juist! Het zou geen zin hebben om Kale Joop en Dolf aan te wijzen, want die zouden beiden toch ontkennen. Twee tegen één, geen
bewijzen tegen hen en alle bewijzen tegen jou. Perfecte opzet en grandioze wraak.
Je vroeg je af of Dolf hiervan wist. ‘Afijn, dat is voor de toekomst,’ dacht je. ‘Die horde omzeil ik met mijn ogen dicht. Eén keer in de auto van de Kale vergaderen en hij krijgt twintig kentekens tussen zijn achterbank geschoven.’
“Wat ben je opeens stil, Cajun,” zei Dolf vanachter het stuur.
“Ik zat even in gedachten, Dolf. O ja, dat wilde ik je nog vragen. Die Baas Kloes vertelde me dat jij zo’n lekker meisje had, achttien jaar of zo?”
“Ja, dat klopt, maar ik begin haar een beetje zat te worden,” deed Dolf onverschillig, “het zou wel wat voor jou wezen om te laten werken.”
Jij had er op het moment geen scharreltje bij, want je was te druk met handel bezig geweest, en zo’n vers beestje leek je wel wat, temeer omdat Baas Kloes je had bezworen: “Cajun, pak dat mokkel van die gek af, het is precies jouw type, een eerlijk en een heerlijk nieze.”
“Waarom doe je haar dan niet over, Dolf?” vroeg je.
“Ik kan toch niet tegen haar zeggen: ‘Luister Melinda, het is over tussen ons, maar Cajun heeft wel trek in je’?”
“Nee natuurlijk Dolf, zo doe je dat ook niet. Maar als je er vanaf wilt, neem ik haar wel van je over. Hoe dat dan zou moeten, zien we dan wel.”
Dolf was blijkbaar te voorbarig geweest en wilde zijn woorden terugnemen, vooral omdat hij dacht dat jij haar de hoer zou laten spelen. ‘Die gek denkt dat het zo makkelijk is. Zo van: hier is een raam, schat. Ga daar maar achter zitten en laat je maar een paar keer bewerken. En o ja, vergeet geen geld te vragen, hè?’
Je zei quasi gepikeerd: “Dolf, wat ben jij voor een gabber? Ik laat je meelopen in die leva deal, je had in nog geen duizend jaar aan die kentekens kunnen komen, en de één of andere weggooislobber gun je mij niet eens? Ben je bang je naam te verliezen omdat ik misschien beter wip dan jij?”
“Dat interesseert me niets, maar jij laat haar werken en je vult je zakken eraan. En het is wel een raspaardje.”
“Ik weet het goed gemaakt Dolf, ik betaal je nu ongezien duizend gulden voor dat ‘raspaardje’ van je, en als ze gaat werken, deel ik met je af.”
Daar had Dolf wel oren naar.
“Je betaalt mij nu duizend gulden ongezien?” vroeg hij.
“Ja, op voorwaarde dat je haar aan me overdoet op de manier die ik je zeg, zodat het haar ontgaat. Vanaf dat moment laat je haar helemaal links liggen, want ze is gek op jou en mij kent ze nog niet eens. Dus geen geintjes zoals je bij de vrouw van
je goede vriend Lange Loetje hebt geflikt, of bij de vrouw van je vriend Marcel R.”
“Cajun, hoe haal je dat nu in je hoofd, je bent mijn beste vriend, man.”
“Dat benauwt mij nogal, want dat waren Loetje en Marcel ook. Jij blinkt uit in het versieren van vrouwen van vrienden. Hier heb je duizend gulden, en de rest volgt zodra dat mokkeltje werkt.”
Je kon dat makkelijk beloven, want je was helemaal niet van plan om dat meisje te laten werken, maar dat hoefde Dolf niet te weten. Jullie schudden elkaar de hand op de overeenkomst.
“Maar wel één ding, Dolf: wanneer je mij een kunstje flikt door eerst die rug aan te pakken en haar daarna terug te versieren, is het beter dat je alvast op je handen leert lopen. Dan laat ik je voeten namelijk bij je enkels afzagen.”
Dolf schudde zijn hoofd. “Cajun, je bent veel te kwaaddenkend. Je kwetst me met je achterdocht........”
“.............Wanneer ik jou nu vijftienhonderd gulden teruggeef, laat je het dan overgaan, Cajun?” vroeg hij.
“Denk je dat je in staat bent haar achter het raam te krijgen? En, nog belangrijker, wie gaat haar het vak leren? Je vrouw?”
Je bekeek Melinda ongegeneerd van alle kanten. Het was een plaatje, lang en slank, met een paar stevige borsten en een passend achterwerk. Lange, slanke, maar toch goed gevormde benen die kuis door een minirok werden bedekt die even langer was
dan een broekriem breed. Ze liep als de gazelle, waar ook de ogen bij hoorden. Grote bruine ogen waar je normaal niet zo van hield; om de een of andere reden viel je niet zo op Hollandse vrouwen met bruine ogen. Verder een waterval van grote donkerblonde krullen. Een mooie, maar geen sensuele mond, eerder kinderlijk. Ze was mooi en wist het ook. Toen ze Dolf gedag kwam zeggen, stelde hij jullie aan elkaar voor.
“Hebben jullie iets kunnen vinden waar je trek in zou hebben?” vroeg Melinda dubbelzinnig.
Je maakte haar niet het compliment dat ze wellicht verwachtte.
“Nee, eigenlijk niet. Denk je dat jij ons iets zou kunnen aanbevelen?”
“Ik werk hier nog maar kort,” antwoordde Melinda, met haar stem je oren liefkozend.
“Zullen we dan maar een tongetje nemen?” vroeg Dolf.
“Zolang het maar niet de jouwe is,” grapte jij.
Melinda schoot in de lach en zei: “Zo erg is die van hem niet, hoor.”
“Een kindermond is gauw gevuld,” veegde de lach van haar gezicht.
“Maar goed, een tong, daar heb ik nu ook wel trek in na een week vlees,” vervolgde je.
Melinda nam jullie bestelling van een vis hors d’oeuvre en een Sole Meuniere op.
“Wat willen jullie drinken?”
Dolf knipoogde naar jou en zei: “Melinda, die speciale wijn, die je mij van de week hebt laten drinken, heb je die nog?”
Melinda blikte even op naar het muurhoge wijnrek en antwoordde: “Ja, ik geloof het wel, ik zal even een trappetje pakken.”
“Let op,” zei Dolf.
Melinda zette het trappetje tegen het wijnrek en klom zowat tot het plafond omhoog. Je kon het niet laten om omhoog te kijken en als ze geen minislip gedragen had, zou je zo tegen haar g-spot hebben aangekeken. Voordat ze zich omdraaide, keek je weer quasi ongeïnteresseerd voor je uit.
“Was het deze wijn, Dolf?” vroeg ze, in de stellige verwachting daar twee gapertjes te zien.
Ze kwam bedrogen uit want zij zag er maar één. Prompt probeerde ze het nog een keer: “Deze wijn is ook lekker, zeggen ze.”
Dolf knikte.
“Cajun, is deze wijn voor jou ook goed?”
Je wuifde met je hand, terwijl de hond van een dinerende familie je volle aandacht opeiste: “Bijna alles wat Dolf lekker vind, smaakt mij ook.”
Jouw ogenschijnlijke desinteresse leek Melinda te verwarren. Je vroeg je intussen af waarom ze zich zo openlijk exposeerde. Je kon je niet voorstellen dat ze interesse in jou zou hebben, want Dolf zag er gewoon stukken beter uit. ‘Het duidt er niet op dat zij veel respect voor Dolf heeft door haar zootje zo uit te stallen. Toch bevalt het haar ook niet dat ik me niet aan haar vergaap. Waarschijnlijk is ze net zo’n selfkicker als Dolf; een narciste, een oppervlakkige bimbo,’ dacht je.
Die inschatting zou grotendeels juist blijken te zijn, maar met betrekking tot die oppervlakkigheid had je het niet méér mis kunnen hebben.
“Was je verlegen om te kijken Cajun?” vroeg Dolf.
Je was niet van plan om je strategie te onthullen om die later door Dolf weer te laten doorkruisen.
“Ach, ik vond het een beetje gênant...”
“En dat is nou een Amsterdamse pooier?” lachte Dolf.
“Wie is een Amsterdamse pooier?” vroeg Melinda die bij het langslopen een flard van het gesprek opving.
“Een vriend waar we vanmiddag zijn geweest, nieuwsgierige Aag,” reageerde Dolf.
“Vind je het echt wat, Cajun?” vroeg Dolf even later, met volle mond.
“Het is een spetter, maar ze weet dat ook, want ze loopt voortdurend in de spiegels te kijken. Maar laten we een plan de campagne trekken om de overstap te bewerkstelligen. Nu ik haar heb gezien, weet ik wel hoe we de grootste kans van slagen maken.”
“Wist je dat zij een atheneumdiploma in haar zak heeft?” zei Dolf.
“Je meent het... Weet je zeker dat je niet Athenaeus bedoelt?”
“Wat is Athenaeus dan?”
“Die schreef het ‘Gastmaal der Geleerden’. Ik dacht dat omdat ze in een restaurant werkt. Heb je volgens mij geen atheneumdiploma voor nodig.”
“Ik weet het ook niet,” zei Dolf schouderophalend.
Melinda was weer bij jullie tafel aanbeland en fluisterde wat in Dolf’s oor, die prompt in een lach schoot.
“Melinda vraagt of jij homofiel bent, Cajun, wat zal ik zeggen?”
“Waarom denk je dat, Melinda?” vroeg je, in het besef dat ze die veronderstelling niet zou kunnen toelichten zonder zich in de kaart te laten kijken.
“Zie ik er dan uit als een type dat van mannen houdt?” informeerde je.
Dolf deed nu een duit in het zakje. Een nogal foute duit: “Cajun zei net dat hij wel
een keer met je uit zou willen.”
“Werkelijk?” vroeg Melinda, “is dat zo Cajun?”
“Wanneer ik Dolf er een plezier mee kan doen, waarom niet?” zei je.
“Wil je van mij af dan, Dolf?” vroeg Melinda opeens als de vrouw die je dacht dat zij niet was.
“Natuurlijk niet, schat, het was maar een dolletje. Je weet toch dat ik gek op je ben?”
Melinda leek weer tevreden toen zij naar de keuken liep.
“Nou dat was klasse beleid van je, Dolf. Slechter dan dat was niet mogelijk. Je deed het toch niet met opzet, hoop ik?”
Dolf haalde zijn schouders op en zei: “Ik dacht er goed aan te doen zo, Cajun.”
“Laat het denken liever aan mij over. Vooral wanneer je een rug van mij in je zak hebt. Uiteindelijk moet ík het waarmaken, en dat gaat niet wanneer jij gaat improviseren. Je mag dan wel iets van auto’s afweten en ook wel ‘s een keer een bekoorlijk nieze hebben versierd, maar ik vermoed dat je daar niet veel moeite voor hebt hoeven doen.”
Dolf keek verbaasd en vroeg: “Hoe weet je dat nu weer?...........”
|