Mijn tevredenheid over mijn zelfverzekerde houding zal het rechtscollege tijdens de zitting niet zijn ontgaan. Het ging me erom te demonstreren dat ik niet in het minst benauwd was voor een veroordeling wegens een poging tot moord c.q. doodslag. Dit kon toch niet bewezen worden. Met mijn houding wilde ik duidelijk overbrengen dat het gekuip van de politie, de officier van justitie en de rechter-commissaris me niet was ontgaan, en dat de verschillende tegenstrijdige getuigenverklaringen ook gelezen zouden worden door de raadsheren van het Hof, die mijn hoger beroep in Amsterdam zouden behandelen.
Ik had mijn minachting voor de arrondissementsrechtbank niet onder stoelen of banken gestoken en daarbij zelfs afgezien van mijn recht om de getuigen alsnog onder ede te laten horen. Tevens deed ik dit om mijzelf te bewijzen dat het misschien goed mogelijk was in 1963 om mij –als achttienjarige- te koeioneren, wij waren nu twintig jaar verder. Ik katte en maakte het systeem van ongewassen rechercheurs tot aan de stoffige relieken van banken niet enkel belachelijk, ik liet openlijk mijn minachting voor hen blijken. Dit ook om duidelijk te maken dat ik al wist dat dit voor de rechtbank in Haarlem geen enkel verschil zou maken. De bevooroordeeldheid strekte zich uit over de hele linie van de portier in het politiebureau tot de voorzitter van de arrondissementsrechtbank in Haarlem. In mijn hoger beroep zou ik de raadsheren van het Hof er echter wel attent op maken dat ik op onbeëdigde en tegenstrijdige getuigenverklaringen was veroordeeld. Dit wist de Haarlemse rechtbank natuurlijk ook, en deze zou daar ook niet echt blij mee zijn.
Veertien dagen na de rechtszitting liepen twee parketwachten over het vlak mijn kant op, terwijl ik bij mijn cel met een bewaarder stond te praten.
“Je moet meekomen, Jan,” zei een van de parketwachten niet onvriendelijk, “de uitspraak van de rechtbank is vandaag en daar moet je bij zijn.”
Ik antwoordde: “Nergens in het hele wetboek staat dat ik daarbij aanwezig moet zijn. Omdat ik geen enkele uitspraak van deze rechtbank zal aanvaarden en onmiddellijk hoger beroep aan zal tekenen, lijkt het me dan ook tijdverspilling om hierbij aanwezig te zijn.”
De parketwacht keek onthutst want met een beslissing zoals ik die zojuist had genomen, was hij niet vertrouwd. Niemand deed zoiets, iedereen wilde weten waar hij of zij aan toe was.
“Wil je dan niet weten hoe lang je nog te gaan hebt, Jan? Wat moet ik zeggen tegen de rechtbank?”
De bewaarder naast me had het intussen echt naar zijn zin; hij kon in de kantine nu een verhaal doen van iets wat in de Koepel zelden of nooit plaatsgevonden had.
“De uitspraak hoor ik straks wel van mijn advocaat. Ik heb geen enkele behoefte om de misselijke koppen van die bloedbank weer te moeten aanschouwen. Daarbij minacht ik deze driezitsbank. De uitspraak zal slechts tijdelijk geldig zijn, en laten zij daar maar van genieten zolang het nog kan.”
De parketwacht vroeg nu: “Wil je dat ik het precies zo overbreng? Wil je dat stukje van die misselijke koppen er inlaten?”
“U zou mij er een groot plezier mee doen, parketwacht.”
“Nou, jij zult wat opschudding veroorzaken in de rechtszaal,” lachte de bewaarder, “wat zou ik daar graag een vlieg op de muur zijn. Je bent een mooie jij, Jan, maar je hebt courage.”
“Welnee bewaarder, dat lijkt maar zo. In werkelijkheid beschijt ik me van angst,” dolde ik. Maar echt relaxed voelde ik me mij toch ook niet..............
.................. Wanneer je het vonnis in hoger beroep aan wilt vechten, moet je dat doen, Jan. Ik verwacht niet dat jij je principes verkwanselt voor een beetje geld. Dan werk ik een maand of twee maanden langer. Wat kan mij dat geld verrotten, het wordt toch weer door rechters, officieren van justitie, gezagsdragers, advocaten en andere ‘nette mensen’ bij me teruggebracht. Doe het, doe het goed en doe het voor mij.”
Ik keek haar ontroerd aan en zei: “Nee Lin, ik doe het niet. Eén dag extra werken is al teveel. Jij gaat niet voor mijn verrotte principes betalen en laten wij eerlijk zijn, ik was schuldig, alleen niet op de manier zoals de overheid dat graag had gezien. Nee, laat het zo maar over zijn, mijn dappere en lieve Lin.”
De Deuk, die bezoekbewaarder was die dag, stond al op zijn horloge te kijken om me te laten weten dat wij van hem geen seconde extra bezoektijd hoefden te verwachten.
Linda was de laatste viereneenhalve maand liefdevol opgenomen door Joke. Toen Joke hoorde dat ik gearresteerd was, liep ze regelrecht naar Linda’s werk en stelde zich voor: “Jij bent Linda, de nieuwe vriendin, of liever gezegd de huidige vriendin van Jan?”
Linda had onzeker geknikt..................
...........De twee vrouwen werden de beste vriendinnen en Joke leerde Linda nu alle tricks of the trade die ze nog niet kende.
Ik besefte wat ik Joke verschuldigd was en het raakte me diep. Daar was ik, een… Ja, wat was ik eigenlijk? Een pooier, een crimineel. Maar hoeveel mooie mensen had ik niet om me heen, trouwe, loyale, lieve mensen, humane mensen, grote mensen en ze gaven allemaal veel om me. Zo slecht kon ik dan toch niet zijn? Ik voelde me op dit moment minder dan een rat, maar toch nog stukken beter dan een corrupte rechter-commissaris.
“Jan, ik heb met Joke gesproken, vandaag, of liever gezegd, Joke heeft met mij gesproken”.
Linda stopte even en jij vermoedde slecht nieuws.
“Joke heeft mij gezegd dat wanneer ik echt van jou houd, ik jou een ultimatum moet stellen. Ik heb erover nagedacht en Joke heeft gelijk. Ik ben ervan overtuigd dat zij veel om jou geeft, Jan, en ik geef jou een ultimatum. Jij hebt mij onderwezen en geholpen en ik onderwijs jou nu. Ik help jou, want jij bent niet in staat jezelf te helpen.”
“Wat heb ik verkeerd gedaan, Lin? Zeg het me en ik maak het in orde, wat het ook
is,” protesteerde jij zwak.
“Jan, je hebt vanaf je achttiende geleefd als crimineel. Dat is nu dus twintig jaar lang. Je hebt twintig jaar geluk gehad, ook nu weer. Je bent intelligent, sluw en vastbesloten, dat weet iedereen, en ik wil niet meer dat je ook nog maar iets doet waardoor je in de bak kan komen. In het kort: ik wil dat je met alles stopt. We hebben genoeg geld en er komt nog veel geld binnen, zonder risico. Wat zul je nog aanhalen? Op een dag is je geluk over, je wordt neergeschoten, je wordt doodgeschoten, je wordt voor tien jaar opgesloten of je verdwijnt net alle anderen die voor jou verdwenen zijn. Wanneer je van mij houdt, stop je met alles. Cajun wilde ook stoppen, al heeft hij Joke verlaten. Je hebt niet naar Cajun geluisterd, moet ik je zeggen wat ik doe als je niet stopt?”
Ik zat nu met tranen in mijn ogen, en zei: “Nee Lin, je hoeft me niet te dreigen. Ik houd zielsveel van je en ik wil jou ook niet meer missen. Je hebt veel geleerd in die paar jaar. Je bent een geweldige vrouw. Joke heeft gelijk, jij hebt gelijk. Cajun had gelijk, ook al heb ik dan niet echt de tijd gehad om zijn raad op te volgen. Ik stop vanaf het moment dat ik hier uitkom. Hier binnen kan er nog van alles gebeuren, want ik heb niet alleen vrienden hier.”
Linda begon weer te huilen, maar ditmaal was het van opluchting: “Ik was zo bang dat je het niet zou aanvaarden, Jan. Ik wil je niet meer missen.”
Ik greep haar handen en streelde die.
“Het spijt me oprecht u het einde van het bezoek aan te moeten kondigen,” zei de Deuk.
Ik kon zien dat het hem echt speet. Dit was de enige keer dat ik bijna de plot verloor. Ik sloeg riant op tilt en de Deuk zowat op zijn teringbek. Nauwelijks had ik Linda bezworen om straight te gaan en ik brak twee minuten later zowat mijn eed aan haar. Linda keek verbaasd en met betraande ogen naar mijn ingedeukte kwelgeest.
“Lin, laat me je even voorstellen aan de meest domme, schijnheilige, achterbakse schijtbewaarder van deze hele Koepel. Wanneer je zijn hersens op een hoop gooit, ontstaat er een gat in de grond dat zo groot als die deuk in zijn kankerkop.”
“Jan, alsjeblieft, je hebt het beloofd,” zei Linda nu bang.
Ik zag Linda vertrekken.
“Ik houd van je, Jan, wees sterk die zes weken!”
De Deuk zag mijn tranen, maar hij zag ook iets anders. Zowaar ik dit nu schrijf, de Deuk keek de dood in zijn ogen. Eén woord, één opmerking en ik had hem laten vermoorden, en de Deuk besefte dat.
|