De turbo giert tevreden, het wisselend aanzwellende en afnemende geronk van de motor regelmatig overstemmend. Melinda rijdt alsof ze de rally van Le Mans aan het winnen is. Zij heeft de rijcapaciteiten er wel voor, maar we zijn in Schotland op vakantie en vandaag is het mijn verjaardag. Voldaan hang ik naast Melinda in de bijrijderstoel en geniet van ieder moment, het landschap rond het Loch Tay meer en de vrijheid, maar het meest van Melinda.
“Gaat het goed, Cajun?” vraagt Melinda, snel terugschakelend voor een bocht.
“Perfect baby, zit er een blok onder dat gaspedaal of ben je van het uitzicht aan het genieten?”
“Ik geniet, Cajun, wat is het hier verschrikkelijk mooi, het is zonde om nog harder te rijden, vind je niet?”
Zonder mijn antwoord af te wachten en met een hint van jaloezie vraagt ze me: “Ben je hier ook met Suzanne ook geweest toen je je levensverhaal aan haar...”
“Stop!” schreeuw ik.
Melinda brengt de Ferrari 208 GTB Turbo met slippende banden tot stilstand.
“Wat is er?” vraagt ze verbaasd.
“Rij even terug en dan gelijk achteruit die oprit tegen de heuvel op. Je ziet daar een bord staan.”
Melinda rijdt achteruit de oprit op, tot we op de top van de heuvel, op een kleine ronde parkeerplaats komen. In het midden van de parkeerplaats is een rond grasveldje waarin een kersenboom in volle bloei staat.
“Wat doen we hier?” vraagt Melinda.
“Kijk dan naar dat huis...en naar dat uitzicht. Ik zag het in een flits langs schieten met dat bord Te koop ervoor. En omdat het mijn verjaardag, onze verjaardag is... Wat vind je? Kijk eens goed naar dat uitzicht over het meer, smerig gezicht, hè? Het lijkt wel een visueel orgasme.”
“O Cajun, het is prachtig,” zegt Melinda aangedaan.
“Zullen we hier dan maar gaan wonen?”
Ik kijk naar het huis. Het is niet het typische Schotse huis van grijze natuurstenen, maar het heeft wel het gebruikelijke leistenen dak. De witgepleisterde muren vormen er een aantrekkelijk contrast mee. De klimop en de wilde rozen die tegen de muren groeien, versterken dat effect nog eens met factor tien. De serre heeft drie boogvormige ramen, wat erg ongewoon is voor Schotland. Het huis heeft een Zuid Amerikaanse stijl, zo er al van één bepaalde stijl sprake is. Ik ga ervoor big time en zeg: “Mel, ga even naar de bewoners en leg uit dat wij het huis van de weg af zagen liggen. Als het van binnen net zo mooi is, doe dan niet te enthousiast, maar
vraag wel wat ze ervoor willen hebben. Als het minder dan zes ton is, vraag dan het adres van hun makelaar. Dat zal wel een advocaat wezen.”
“Kom jij niet mee dan?” vraagt Melinda ietwat onzeker.
“Nee, we zijn zo weinig geïnteresseerd, dat ik in de auto blijf zitten. En het wordt bovendien hoog tijd dat jij eens een huis gaat kopen.”
Melinda blijft een halfuur weg. Wanneer ze weer achter het stuur plaatsneemt, zegt ze: “Cajun, dit is voor ons. Hier wil ik wonen. Binnen is niet onze stijl, maar wat ik er van begrijp is het vrij eenvoudig aan te passen, structureel bedoel ik.”
“Nou, dan hoeven wij alleen de prijs nog maar te horen.”
“Zeven ton, is dat te duur?”
“Zeven ton, omdat ze een nieuwe Ferrari de heuvel op zagen rijden. Dat wordt wel minder, lieverd. Wil je het huis hebben of niet?”
“Ja Cajun, het is een droom, maar ik wil dat jij het ook ziet,” dringt Melinda aan.
“Bang om beslissingen te nemen?” vraag ik plagend, “we gaan nu naar die advocaat en ik bied vijf en een halve ton. Dat wordt nooit geaccepteerd, maar zodra we merken dat ze willen marchanderen, gaan wij het huis echt bekijken. Anders is het tijd verknoeien.”
Drie uur later is de zaak in principe voor zes ton gedaan. Melinda is extatisch en wil niet meer rijden, alleen nog maar tegen mij aanhangen. Ik ben opgetogen voor Melinda, ik heb nu aan haar bewezen dat ze iets van zichzelf kan maken.
“Cajun, Cajun, Cajun, mijn lieve man...” zoemt Melinda, “ik ben tweeëntwintig, ik heb een huis in Schotland, een nieuwe Ferrari en verdien een miljoen per jaar. Wat ben ik blij dat jij me gekocht hebt en wat ben ik blij dat je mij een slag op mijn wang gaf, die eerste avond.”
“Je hebt er anders hard genoeg voor gewerkt, lieverd,” zeg ik, en vervolg: “Het kopen is het makkelijke gedeelte, het houden van het huis vereist wat meer werk. Je gaat weer leren, maar eerst wil ik beloond worden. Je ziet er te smakelijk uit vandaag,” zeg ik en rijd een bosweg in.
Als wij de bosweg weer uitrijden, zien wij er allebei ietwat onappetijtelijk uit. Melinda’s haar is in de war en ik heb lipstick op mijn wangen en mascara op mijn voorhoofd. Dit moest echt even gebeuren, want waar laat je anders al dat opgekropte geluk..............?
....................“Wij stichten een Panamese Incorporation. De directeuren zijn Panamees en voeren tegen een kleine vergoeding onze opdrachten uit. De aandelen zijn aan toonder, evenals geld. Wie het heeft, is de eigenaar – een eigenaar die anoniem blijft. Dat is volkomen legaal en honderden scheepvaartmaatschappijen werken zo. Geen belasting te betalen en wij blijven de anonieme eigenaar van ons huis. Yes, Mel?”
Melinda uit gezonde twijfels: “Wat doen wij in dat huis en waar leven we dan van? Die vragen komen evengoed, denk ik, of zie ik dat verkeerd?”
“Nee, dat zie je heel goed en je begint al aardig als een belastingtype te klinken. Stel je voor, een Panamese maatschappij koopt een vakantiehuis voor haar aandeelhouders die hier bij tijd en wijlen op vakantie komen. Jij houdt het huis schoon, kookt en ik ben conciërge. Ik houd de tuin bij en haal en breng de aandeelhouders van en naar het vliegveld. Wij krijgen daarvoor gratis inwoning, ontvangen een onkostenvergoeding en een heel klein loontje, waar geen belasting over betaald hoeft te worden omdat het onder het minimumloon valt. We wonen
leuk en het enige wat we ervoor moeten doen is de boel een beetje bijhouden. Dat is weliswaar betaling in natura, maar betaling in natura van een conciërge is hier niet belastbaar. Betaling in natura van kok en hulp in de huishouding moet ik nog opzoeken.”
“Fuck Cajun, je blijft mij verbazen, en dat is allemaal zeker en legaal?”
“Luister Mel, de belasting zal er niet blij mee zijn, maar ze kunnen er weinig tegen doen. In Holland lukt het al niet meer, die etters hebben alles van Amerika geleerd, maar hier kan het nog wel. De auto’s moeten we wel aanpassen, we kunnen niet meer in Ferrari’s blijven rijden. Er passen ook maar weinig aandeelhouders in een Ferrari. Een Range Rover is logischer voor de winters hier, die is groter en geeft dat Britse hoity-toity snobcachet. Om praatjes te voorkomen ben jij modeontwerpster en ik schrijver. Ik ben een boek aan het schrijven, dus ik lieg niet.”
Advocaat Reid van Reid W.S. & Co krijgt dus zijn instructies en een half jaar later zijn we anonieme aandeelhouders van een Panamese Incorporation die de eigenaar van het huis is. Ik ben conciërge, tuinman en chauffeur en Melinda is kok en hulp in de huishouding. Alles op papier, getekend, gestempeld en gezegeld.
Omdat het huis moet worden verbouwd en de tuin opnieuw moet worden aangelegd, vlieg ik om de veertien dagen naar Schotland om de aannemer en de tuinman te instrueren en de lonen te betalen. Ik blijf er dan twee weken en logeer bij Dik Groot, een bevriende Hollandse antiekhandelaar die het kasteel Ochtertyre in Crieff bezit. Het kasteel ligt op een uur afstand van Loch Tay, het meer waar ons huis op uitkijkt. Melinda werkt ondertussen in Nederland de (onze) schatkist weer wat bij en komt daarna ook weer voor twee weken vakantie naar Schotland.
Tegen het einde van 1984 zijn het huis en de tuin helemaal klaar. Mijn Italiaanse vriend en meubelfabrikant Ermanno komt uit Italië over met een vrachtwagen vol meubelen. Het huis ziet er nu van binnen en van buiten uit alsof het zo uit een catalogus van Savills UK gevallen is. Mijn advies aan mijn alter ego Jan indachtig ga ik vast in Schotland wonen. Melinda werkt nog twee jaar door, zodat we voldoende kapitaal hebben vergaard om van de rente te kunnen gaan leven. Alles is zorgvuldig gepland en werkt zoals het moet. Voor het moment, althans. Ik ben in de gevangenis wel gewend aan eenzaamheid dus dat zal me niet zoveel problemen moeten geven, maar wanneer Melinda in Nederland is, ben ik wel alleen. Echt alleen. Ik ben van het ene uiterste in het andere gestapt, en hoe uniek ik volgens mijzelf ook ben, ik blijf maar een mens, ook al zullen sommigen van mijn lezers dat tegen willen spreken.
Overdag werk ik aan mijn boek. Suzanne heeft weliswaar alle bandopnames tot transcripten uitgetypt, maar het is nog slechts een ruwe, beknopte synopsis. Het geheel moet dus nog uitgewerkt worden. Ik ben niet bijzonder goed in typen en raak dus half gestoord van het corrigeren en het overtypen van de pagina’s. Er moet een makkelijker manier zijn. In 1978 had ik al mijn eerste computers geprogrammeerd en ik vermoed dat er nu ook wel computers zullen zijn die tekst kunnen verwerken.
Die zijn er inderdaad, en ik schaf een Apricot Dual Floppy met 10 megabyte harddisk aan. Wat een luxe! Nu gaat het schrijven pas echt goed. Ik ben zo enthousiast, dat ik mijn boek voorlopig in de kast leg en me verder in informatica bekwaam. Dit wordt al gauw mijn grootste hobby en de dagen zijn te kort. Naast programmeren in Basic, Assembler en Pascal leer ik AutoCad, MS Word, Database- en spreadsheet programmeren en Aldus PageMaker.
De tuinman heb ik aangehouden, want die krijgt zijn loon van DHSS Ik geef hem daar, buiten zijn kost en inwoning om, een klein loontje bovenop. De tuinman is van mijn leeftijd en heeft de lichtste ogen die ik ooit gezien heb. Het is net of je in twee emmers met ijswater kijkt. Een beetje griezelig is hij wel. Hij werkt goed echter en hij kan nog koken ook. De weekends gaat hij naar zijn vrouw, die in Perth woont.
In die weekends ga ik naar de plaatselijke pub om wat vloeibare versnaperingen te genieten. De pub is een omgebouwde varkensstal en de meeste klanten lijken wel omgebouwde varkens. Mijn God, wat een zootje draken! En zuipen dat die krengen doen... Ze leven voor de drank, en drank alleen. Ik denk dat die hen een tijdelijke uitweg uit de ellende van de armoede biedt. Tussen het zootje ongeregeld lopen ook wat plaatselijke schonen, die niet alleen oerlelijk, maar ook niet erg schoon lijken. Eén meisje zag er wel halfpikant uit, maar dat kan ook iets te maken hebben gehad met het feit dat honger rauwe bonen zoet doet smaken. Haar naam was Liz en ze had een middeltje dat je met twee handen kan omvatten. Voor het achterwerk zijn wat meer handen nodig. Wanneer ze zich naar me omdraait zie ik dat haar longen een normale groei hebben ondergaan, en haar gezicht is typisch Keltisch. Voor een eenzame Hollander in Schotland kan ik het slechter doen.
Het versieren duurt een hele week, zolang heb ik nog nooit hoeven wachten, maar ja, ik ga toch nergens heen. Na een week is ook dat karwei geklaard, maar nu komen de complicaties. Liz trekt bij me in als Melinda in Holland is en gaat weer naar haar vader wanneer Melinda overkomt.
Ik ben nooit een voorstander van liegen geweest, omdat het respectondermijnend is. Liever even ruzie, dan steeds te moeten liegen, dus ik vertel Melinda dat ik er een huishoudster bij heb voor wanneer ik alleen ben.
“Ze kookt en houdt het huis schoon, Melinda, en ik zit hier ook maar alleen.”
Melinda maakt echt geen salto’s van vreugde, maar neemt het verder op haar vertrouwde positieve manier op. Ik stel de beide vrouwen aan elkaar voor en de problemen lijken opgelost. De problemen zitten er echter nog aan te komen, maar dan in een andere vorm dan de lezer zal verwachten. Liz is een veel betere kok dan mijn tuinman en ze wast ook haar handen wat frequenter. Ik ben ondertussen trouwens ook iedere dag het eten van spruitjes, doperwten en gebakken aardappelen aardig zat geworden. Het laat zich begrijpen dat ik tegen de tuinman zeg dat Liz het koken van nu af aan voor haar rekening neemt.
“Dan hebt u het meteen ook wat makkelijker.”
Dat valt niet in goede teelaarde. De tuinman is jaloers op Liz haar positie, met als gevolg dat ze voortdurend ruzie maken. Totdat ik het zat ben. Ik vertel de tuinman de tuin te doen en te blijven doen, zich van commentaar en kritiek te onthouden en anders op te rotten.
Brighteyes rot dus op, maar dat is niet het einde van het verhaal. Dat is het feitelijke begin van de ellende.
Enige maanden later hoor ik van de plaatselijke aannemer - George McWilliams, met wie ik bevriend ben geraakt - dat het in Perth gonst van de geruchten.
“Ik sprak met collega’s in Perth en die wisten al alles van een Nederlander die aan Loch Tay was komen wonen. Paul Black, je ex-tuinman loopt rond te vertellen dat je in de happy-baggy stuff zit en dat hij daarom bij je is weggegaan.”
Ik haal mijn schouders op en zeg: “George, dat zijn verhaaltjes, en ik vermoed dat de autoriteiten dat nu zo ongeveer ook wel weten.”
George antwoordt: “Natuurlijk Cajun, dat begrijpt iedereen, maar met het feit dat Paul Black hier tevens loopt te vertellen: ‘Aye, I shopped that Dutch cunt to the taxman an’all, hoef je echt niet zo blij te wezen. Als dat werkelijk zo is, dan moet de HM Inland Revenu het opvolgen..........”
Er verlopen een paar weken en ik heb net Melinda van het vliegveld gehaald als Liz mij bij mijn thuiskomst een brief overhandigt. Officiële brief, slecht nieuws. Terwijl de vrouwen in de keuken gaan zitten praten, open ik met bezwaard hart de enveloppe. Het is een officieel schrijven van de Enquiry Branch van HM Inland Revenue, Lauriston Place, Edinburgh. Dit betekent zoveel als de FIOD op steroïden.
‘Dear Sir,
Wij delen u mede dat er in verband met uw belastingzaken ernstige bezwaren tegen u zijn gerezen. Vanaf het moment van dagtekening van deze brief staat u onder verdenking van dit bureau.
U wordt aangeraden het land niet te verlaten.
Getekend,
D. Williamsson
HM Inspector of Taxes’
‘Nou, is dat goed nieuws of is dat goed nieuws? Geen paniek, laten wij eerst die inspecteur maar eens bellen, misschien dat we iets wijzer kunnen worden,’ denk ik en zet de bandrecorder aan.
“Inspector Williamson…”
“Goedemiddag, mister Williamson, u spreekt met Cajun leCrochet. Ik heb net uw brief ontvangen en ik moet zeggen dat de inhoud mij een beetje bevreemdt. Kunt u mij misschien meedelen waar het over gaat? Ik heb net mijn belastingzaken geregeld met Inspector Duguid in Perth en verkeerde in de veronderstelling dat alles nu in orde is.”
“Wij hebben uw zaak doorgekregen van mister Duguid, en dit is Edinburgh. Wij hebben van Perth vernomen dat u nogal veel van het Britse belastingsysteem afweet. Beide inspecteurs, mister Hall en mister Duguid, zijn van mening dat we hier in Edinburgh beter uitgerust zijn om uw belastingzaken te inspecteren.”
“Hoe kan ik dan een bewijs hebben dat mijn belastingzaken geregeld zijn?” vraag ik.
Ik krijg te horen: “U hebt betaald voor het bedrag waarvoor u aangeslagen bent, niet voor het werkelijke bedrag dat u schuldig zou zijn. Naar onze schatting heeft u voor twee miljoen gulden aan cash het land ingebracht. Tenzij u ons bewijst dat dit geld kapitaal was, beschouwen wij het als inkomen. U bent daar belasting plus een boete over verschuldigd. In simpel Engels, mister leCrochet: we want a piece of the cake.”
“Nou, dan zult u naar een banketbakker moeten, mijnheer, want ik bak geen taarten. Ik bezit geen gulden, dus begint u maar rustig met uw onderzoek. Zelfs wanneer de HM Inland Revenue in het gelijk zou worden gesteld, kan ik niets betalen.”
Het antwoord luidde: “Dat is dan spijtig voor u, want wegens belastingfraude kunt u wel tot een gevangenisstraf veroordeeld worden.”
Ik krijg het er benauwd van, maar geef nog niet op: “Bij belastingfraude rust de bewijslast op de HM Inland Revenue, met andere woorden: u zult moeten aantonen dat ik gefraudeerd heb, en dat kan zelfs een eenvoudige inspecteur uit Edinburgh niet hard maken, om de nog eenvoudiger reden dat er geen sprake is geweest van fraude. Dat weet u net zo goed als ik. Ik ben geen achterlijke Schot die in paniek zijn platvink pakt wanneer er een ambtenaartje met dikke brillenglazen voor zijn deur staat...................”
................Een paar maanden later kan het huis op papier aan Billem Woshek worden verkocht. Totdat alle formaliteiten afgehandeld zijn, is hij een paar dagen bij me te gast. Net als ik houdt Woshek van een whisky, maar in tegenstelling met mij kan hij slecht tegen alcohol en wordt vervelend. Een hand op Liz haar kont en even wrijven, dubbelzinnige opmerkingen maken en twee ogen die er zowat uit rollen. Normaal zou ik hem mijn huis uit trappen, maar dat is nu lastig, want het is nu zijn huis. Mijn waardering voor zijn gedrag zal dus bij de eindafrekening worden gepresenteerd. Op een gegeven moment zegt hij met een dubbele tong: “Toch wel mooi hè, Cajun, dat we elkaar zo vertrouwen? Ik bedoel, stel dat ik je je huis niet meer terug zou geven, dat is toch een risico, hè?”
Ik antwoord: “Ik neem liever het risico met jou dan met de belasting, Billem.”
Ondanks zijn dronkenschap wil hij het naadje van de kous weten.
“Wat is het verschil, je zou in beide gevallen het huis kwijt zijn, nietwaar?”
Ik geef kalm toe: “Absoluut Billem, maar er is een belangrijk verschil. De HM Inland Revenu is niet getrouwd en heeft geen twee dochters. Verder kan ik bij de HM Inland Revenu niet twee Joegoslaven met machinepistolen naar binnen sturen. Bij jou ligt dat iets makkelijker, nietwaar?”
Dat is de eerste keer in mijn leven dat ik iemand op slag nuchter zie worden. Billem heeft het goed begrepen, hoewel hij van tevoren al door mijn kennissen gewaarschuwd was om geen kneifertjes met me uit te halen. ‘Billem wil het gewoon even zeker weten,’ denk ik, ‘En Billem zal er nog wel achter komen, want ik houd niet van hypothetische bedreigingen, en nog minder dat ze mijn partner aan haar kont zitten.’
Het huis is hiermee in alle opzichten veiliggesteld. Ik kan nu dus de inspecteur opbellen om een afspraak te maken.
Een week later bevind ik me in het supergrote kantoor van mister D. Williamson, Inspector of Taxes.
“Eindelijk ontmoeten we elkaar dan, mister leCrochet,” zegt de inspecteur niet onvriendelijk.
“Het genoegen is geheel aan uw kant,” antwoord ik vals.
De Inspecteur glimlacht en zegt: “Ik heb uit uw brieven al begrepen dat u geen hoge dunk van me heeft. Toch moet ik u meedelen dat ik slechts mijn werk doe.”
“Nee, u doet geen werk. U probeert mensen te intimideren en bang te maken, zodat zij hun platvink trekken en ophoesten. Dat noem ik geen werk, maar harassment, met uw welnemen. Maar wat kunt u voor me betekenen?”
“.............Okay, Cajun. Omdat je niks zegt, kan ik niet anders concluderen dan dat je liefde voor mij over is en daar moet ik mee leven. Waar ik echter niet mee wil en zal leven is het feit dat jij mij dumpt voor één of andere Schotse sloerie. Ik heb acht jaar gewerkt, ik heb acht jaar afgezien en ik heb acht jaar griezelig veel van je gehouden. Ik houd nog van je. Je hebt mij gemaakt en nu onmaak jij mij. Je hebt mij opgebouwd en nu breek je mij weer af. Ik kan dat niet accepteren, Cajun!”
Melinda opent haar handtas om weer een sigaret te pakken, maar staat op en ik kijk plotseling in de loop van mijn eigen Colt SCG 45 ACP. Het is alsof ik in de fucking Maastunnel kijk. Een tunnel die een raket lanceert, die mijn hersens over het behang zullen smeren nadat mijn hoofd eenvoudig... ontploft is!
“Mel, christenenzielen nog aan toe, waar ben je mee bezig?!!”
“Het lijkt mij duidelijk Cajun,” huilt Melinda nu, “ik schiet je dood en daarna schiet ik mijzelf dood. Ik heb niets meer om voor te leven wanneer wij uit elkaar gaan.”
“Jij wilt weg Melinda...”
“Nee ik wil niet weg bij jou, ik wil weg uit Schotland. Jij wilt niet, dus dat is het einde van ons.”
Ze meent het, ik herken de blik in haar ogen. Ze is werkelijk wanhopig en dat maakt haar levensgevaarlijk. Ik denk nu heel snel want ik heb misschien niet veel tijd meer en zonder hersens lukt het denken ook niet erg.
“Mel, je kunt niet schieten want de veiligheidspal staat nog op safe, dus ik ga het pistool afpakken.”
Melinda duwt het wapen nu tegen mijn hoofd en snottert: “Probeer het niet! Dat is typisch Cajun, altijd trucs, altijd improviseren. Niet meer nu, het is over. Voordat je binnenkwam had ik de pal van veilig afgezet. Geen trucs meer Cajun, ik ga er een eind aan maken!”.............
.............In de maanden die nu volgen, werk ik verder aan het IDIAM rapport en verwerk de laatste ontwikkelingen erin. Het rapport telt nu ruim tachtig pagina’s en ziet er, compleet met ringband, zeer professioneel uit. De inhoud is evenwel nog professioneler. Mister Williamson komt in het rapport echter als zeer onprofessioneel naar voren. Ik zie niet in hoe ik dit ooit zou kunnen verliezen zonder dat dit rapport een schandaal veroorzaakt. Kranten zoals The Daily Mail en The Sun zouden het vreten, vooral omdat het geval en de afwerking ervan als uniek zullen worden beschouwd. IDIAM International Taxcases zou wel eens het Waterloo voor Inspector D. Williamson van de Enquiry Branch kunnen worden. Kunnen worden, want noodzakelijk was het niet. Als de inspecteur maar een greintje verstand bezat.
Ik zit te werken wanneer Paul Black, de opaalogige ex-tuinadder me opbelt.
Hij klinkt erg van streek, en vertelt me dat hij een ambtshalve belastingaanslag heeft ontvangen over een inkomen van veertigduizend pond dat hij bij mij verdiend zou hebben.
“Cajun, dat heb ik nooit ontvangen, maar ik moet het nu wel aantonen. Wanneer dat me niet lukt, dan moet ik vijftienduizend pond -ruim zestigduizend gulden- belasting plus een boete betalen.”
Ik vroeg: “Waarom vertel je mij dat, Paul?”
De tipgever hijgt: “Ik dacht dat jij mij misschien een soort van loonstaat kon geven waaruit blijkt dat ik zo’n vierduizend pond heb verdiend, zoals in werkelijkheid.”
“Ja, dat is zo. Je hebt nooit meer dan dat verdiend. Hoe komen ze eigenlijk op zo’n gek bedrag?”
“Some cunt heeft verhalen over mij verteld. Ik kan er niet van slapen. Als ik niet dok, verlies ik mijn huis, Cajun.”
“Nee Paul, huizen verliezen willen wij niet. Dat is helemaal niet leuk. Je wilt dat ik een valse loonstaat opmaak om je te helpen?”
Paul jankt half: “Maar dat bedrag klopt toch, Cajun, dat is toch niet vals?”
“Nee, niet vals, maar de datum klopt niet. De loonstaat wordt teruggedateerd, besef je wel wat je mij vraagt? Je vraagt mij valsheid in geschrifte voor je te plegen,” zeg ik ontdaan.
“Cajun, je redt mijn leven. Ik ben voor jou toch ook goed geweest?”
Ik zwicht: “Okay, geef me de bedragen en alle data dan maar.”
Paul begint geestdriftig alle details door te geven, terwijl ik ondertussen rustig met mijn werk doorga. Zodra hij uitgesproken is, beloof ik hem het document gelijk op te stellen en het morgen af te leveren in zijn stamcafé in Perth. Paul bedankt me uitbundig.
De volgende dag lopen Liz en ik het bewuste café binnen en zien dat Paul al op ons wacht. Wij nemen met Griezeloogje aan een tafeltje plaats en laten ons op koffie met broodjes trakteren. Wanneer de tafel afgeruimd wordt, vraagt Paul: “Eh, Cajun… heb je nog aan het papier gedacht?”
Ik schrik op uit diepe overpeinzingen en zeg: “O, ik ben ook niet goed bij mijn hoofd, Paul! Ja, natuurlijk heb ik dat. Liz, geef mij even die bruine envelop die ik je vanmorgen gegeven heb.”
Liz opent haar tas en wil de envelop pakken. Dat blijkt echter een onmogelijkheid, want ze had de envelop op de keukentafel laten liggen.
“O, jij stomme kut die je bent!” roep ik uit, “rijden we tachtig mijl om Paul een
loonstaat te brengen, en dan laat jij die thuis liggen...!”
Liz speelt het spel mee en kijkt schuldig naar mij op. Paul mocht haar van het begin af aan al niet, maar nu begint hij haar te haten.
“Liz, het is jouw stomme schuld, en Paul heeft dat document nodig! Ga naar een boekenwinkel en koop wat velletjes A4 papier. Geen A3 en geen A5, A4! Denk je dat je dat kunt?”
Liz staat op en verlaat het café om het gevraagde te gaan halen.
“Stomme wijven,” mompel ik.
“Zeg dat wel,” reageert Paul.
Liz keert even later terug met wat blanco velletjes A4.
Ik zeg nu: “Paul, ik kan morgen of overmorgen niet naar Perth komen, maar wat we doen is het volgende: ik heb de loonstaat op de computer staan, dus ik kan die zo voor je uitdraaien. Jij tekent nu waar ongeveer jouw handtekening op het origineel komt te staan. Ik onderteken het ook en stuur het morgen per aangetekende post naar je toe.”
Ik laat hem geen tijd om te denken. Zijn opluchting en hebberigheid verbieden hem om na te denken. Ik wijs op de rechter onderkant van het A4-tje, en zeg: “Teken hier, Paul.”
‘Niemand zal toch zo dom zijn om een blanco vel papier te ondertekenen,’ denk ik nog, maar Paul Black doet het zonder ook maar een moment te aarzelen. Hij is zelfs nog dommer, want hij tekent ook een tweede vel voor het geval het eerste zou blijven steken in de printer. ‘Dat is een tuinslang om de tuin geleid,’ denk ik tevreden. Liz zit met haar hoofd in haar handen, want ze heeft opeens ‘hoofdpijn’ gekregen. Ik beloof Paul dat hij de documenten met twee dagen in huis zal hebben en we nemen afscheid.
“Mijn god nog aan toe, wat is die man dom,” zegt Liz lachend in de auto.
“Hij had niet veel keus, Liz. Hij kon moeilijk zeggen ‘Ikteken niet, want ik vertrouw het niet. Dan had hij op zeker niets gehad.”
“Nee, maar hij had wel kunnen zeggen: Stuur die originelen maar wanneer je thuis bent, dan teken ik die wel bij ontvangst,” weerlegt Liz logisch.
“Het spel heet ‘overbluffen,’ Liz. Het feit dat ik zo tegen jou tekeerging, maakte het in zijn ogen echt. Uiteindelijk haat hij je, dus was hij blij om je in moeilijkheden te zien; zo blij, dat hij de meest elementaire voorzichtigheid vergat.”
|