Pagina wordt geladen, één ogenblikje alstublieft...

Wanneer dit blauwe vlak niet verdwijnt na maximaal dertig seconden -met adsl of cable-, dan staan uw veiligheidsinstellingen te hoog.

Deze site maakt intensief gebruik van Javascript, zoals de meeste websites. Deze scriptingtaal is volkomen veilig en u dient 'scripting' aan te zetten in uw instellingen, daar anders deze site een mysterie voor u zal blijven.

Jan ter Haak

 
   
   
 
 
Naast mijn autobiografie 'Zonde van de eerste steen'...
 
is nu ook Anouk uit in 'Oddball and the Killa Gal'
Lees eerst mijn autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

U weet waarschijnlijk veel van de Siciliaanse Maffia. U hebt wellicht ook wel eens iets vernomen van de Napolitaanse Camorra. De NCO? De Calabrese nDrangheta klinkt mogelijk vaag bekend, maar eigenlijk weet u er misschien toch niet al te veel van. Van de Sacra Corona Unita en de Stidda heeft u nimmer gehoord. Zoals menig Nederlander met u.

Er is een Nederlander die er nagenoeg alles van weet. Die heeft met deze organisaties gewerkt en zelfs strijd gevoerd. Nu na twintig jaar kunt u zijn ervaringen en vele andere belevenissen lezen in zijn autobiografie. Die Nederlander ben ik:

Jan ter Haak
(ex-crimineel), aangenaam!

 
 

Belangrijke Mededeling !!

Deze website is bijzonder inter-actief en maakt intensief gebruik van Javascript. Deze scriptingtaal is volslagen veilig en wordt door nagenoeg iedere website gebruikt.

Wanneer u de link om door te gaan geklikt heeft en de website ziet er naar uw idee vreemd uit en/of functioneert niet, dan staan uw veiligheidsinstellingen veel te hoog.

Om van deze site optimaal gebruik te maken, dient u uw veiligheidsinstel-lingen naar een normaal niveau te brengen, daar anders deze website net zo opwindend wordt als uw leven, dat beheerst wordt door veiligheids-instellingen. Nauwelijks!

Javascript dient dus aan te staan en
Cookies moeten geaccepteerd worden.

 

 

De celdeuren worden geopend en op de gang hoor ik een vrouwelijke cipier zeggen: “...en dekens wegbrengen”.

‘Ja hoor,’ denk ik, ‘maar het zal vandaag toch niet wezen, want ik wilde wel blijven liggen.’ Ik ben het dus aan mijn bedrust verplicht de listenlijst weer te raadplegen. Wanneer krijgt men verplichte bedrust? Wanneer men ziek is! Ik besluit weer voor de hersenschudding te gaan. Mijn celdeur wordt geopend en de agente zegt in het voorbijgaan: “Ja, wassen, en dan je matras en dekens brengen.”

Ik negeer haar bevel en blijf liggen totdat ze opnieuw verschijnt.

“Heb jij mij niet gehoord?”

“Jawel mevrouw, maar ik ben niet erg goed. Vannacht toen ik naar het toilet moest, heb ik weer een aanval gehad en ben bewusteloos geraakt. Toen ik weer bijkwam had ik vreselijke hoofdpijn en nu moet ik steeds braken.”

"Niets mee te maken, je moet eruit."

"Nou draag me dan maar, want ik kan niet lopen."

Het politiepaard taxeert mijn honderdentwaalf kilo, denkt even na en zegt dan: “Blijf maar even liggen, dan ga ik de brigadier halen.”

Kort daarna verschijnt ze weer ten tonele met de topdog. Ik vertel mijn verhaal opnieuw en de brigadier is duidelijk meer ontvankelijk voor mijn klaagzang. De brigges zegt: “Blijf maar liggen. Ik zal onmiddellijk een arts bellen en we brengen je straks naar een andere cel. We willen echter wel je toestemming daarvoor hebben. Het is namelijk een observatiecel, waar een camera is geïnstalleerd. Mocht er dan iets met je zijn, dan hoef je maar te zwaaien.”

Ik bedank hem met trillende stem en begin voor de show te braken. Kort daarop komen er twee agenten die mij verzoeken mee te willen komen naar de observatiecel. Ik stap dapper van mijn sponde en val subiet op de grond.

“Rustig aan toch, jongen, we dragen je wel!”

Nou dat zullen zij dan aan de weet komen, want ik weeg nog steeds honderd-entwaalf kilo. De eerlijkheid gebiedt mij echter te vermelden, dat er geen klacht over hun lippen komt, terwijl ze me meezeulen. Ik knor van tevredenheid wanneer ik zorgvuldig op een opgemaakt bed word gedeponeerd. ‘Die is rond,’ denk ik, en hoor dat de celdeur gesloten wordt. Op de gang hoor ik toch een dissonant: “Jezus Christus, wat zal dat klere kreng wel niet wegen?”

Daar ik mij nu in soort tv-studio bevind, besluit ik dat ik toch ook wel een beetje moet blijven acteren. Ik buig me dus over de rand van mijn krib en begin braakgeluiden te produceren.

 

“Gaat het?” klinkt ‘His Masters Voice’ uit de intercom, “de arts is gebeld en onderweg.”

Met zichtbare inspanning richt ik me op en zeg zwakjes: “Dank u wel mijnheer, ik ben alleen zo misselijk.”

“Rustig aan jongen, zwaai maar als het niet meer gaat.”

Nu moet ik toch echt aan de verleiding weerstand bieden om niet even te zwaaien, gedeeltelijk uit triomf, maar tevens om ‘de Voice’ voor zijn bezorgdheid te belonen.

Het is een vreemd gevoel om je in een ruimte te bevinden in de wetenschap dat je er voortdurend gade wordt geslagen. Ik kan het dan ook niet nalaten om af en toe steels uit mijn ooghoeken naar de camera te kijken, totdat de deur weer open gaat en de arts binnentreedt.

“Goedemorgen, ik ben de dokter, wat zijn de klachten?”

Ik vertel hem dat ik aan hyperventilatie lijd en vannacht hoogstwaarschijnlijk bezwijmd ben toen ik naar het toilet wilde gaan, en dat ik vervolgens bijkwam op de vloer. Tevens klaag ik over hevige hoofdpijn en misselijkheid. De arts onderzoekt mij en stelt dat ik vermoedelijk ben flauwgevallen ten gevolge van de hyperventilatie en daarbij mijn hoofd gestoten heb. Hij geeft me een analgeticum tegen de hoofdpijn. Ik verzoek hem mij een plastic zakje in mijn cel toe te staan om de gesimuleerde hyperventilatie zo realistisch mogelijk te laten lijken. Na overleg met de brigadier wordt mij dat toegestaan. Daarna ben ik weer alleen.

Om de tijd te doden begin ik de stenen in het plafond te tellen. Ik kom tot vierhonderd en elf. In elke steen zitten acht gaatjes, dus moeten er drieduizend tweehonderd en achtentachtig gaatjes in het plafond zitten. Dat klopt echter weer niet helemaal, want de cel loopt enigszins taps toe, zodat er minder gaatjes zijn dan ik berekend had. Wil ik dus precies weten hoeveel gaatjes er zijn, zal ik ze moeten tellen. Ik kom op een aantal van drieduizend honderd en vierennegentig uit, maar omdat ik nooit over een nacht ijs ga, tel ik ze nog maar een keer.

Nu zijn er het er opeens drieduizend honderd en zevenennegentig, zodat ik het aan mijn perfectionisme verplicht ben de gaatjes voor de derde keer te tellen. Ik geloof dat ik bij gaatje elfhonderd in slaap ben gevallen. Niet slecht overigens, als u bedenkt dat ik de gewoonte had om na het eerste gaatje al in slaap te vallen.

 

Wanneer ik weer wakker word, zie ik dat de celdeur open staat en dat er twee telgen van het politieras, vermomd als burgermensen, in de deuropening staan.

“Komt U even met ons mee,” zo beveelt de oudste van de twee. Hij kijkt of hij alles in zijn leven al gezien heeft. Hij zal later ‘de lieve rechercheur’ blijken te zijn, u kent het vaderlijke type wel. Ik sta op van het bed, doe twee onzekere schreden en zoek dan wankelend steun tegen de muur. Zo vervolg ik mijn weg tot ik in hun kantoor ben aanbeland. Ze zeggen me naar een bepaalde deur te kijken. Dat kost me niet veel moeite, want ik doe de hele dag niet anders. Aan mijn rol als zieke ben ik verplicht een beetje te wankelen, om me vervolgens te laten ondersteunen door de punt van een schrijfbureau. De mij aangewezen deur is voorzien van een - voor mij - ondoorzichtige ruit die als confrontatiespiegel moet dienen. Blijkbaar is het budget hier zo beperkt dat er voor een mooie glimmende spiegel in een kader van geanodiseerd aluminium geen geld is. Het had mij van best wat professioneler gemogen, maar ik ben bang dat ik het er maar mee moet doen. Ik kan me levendig indenken wie er aan de andere kant van de ruit staat, en ik krijg de neiging mijn wijsvinger als een denkbeeldig pistool op hem te richten, om hem daarna mijn gestrekte middelvinger te tonen. Ik laat die neiging echter voor wat zij is. Dit zijn nu niet precies de gebaren die je van een zieke en onschuldige verdachte verwacht. Na de gevraagde kwartpirouette word ik door Starsky en Hutch - in Hoofddorps bloembollenformaat - weer naar mijn stulpje teruggebracht. Hoewel ik persisteer in mijn onzekere zwaaiende gang, geloof ik niet dat dit tweetal er echt van onder de indruk is.

Ongeveer een halfuur na het middagmaal, dat volgens mij regelrecht uit een varkenstrog is geschept en derhalve door mij ongenuttigd blijft, word ik weer opgehaald door de landelijke verbalisanten. De confrontatieprocedure herhaalt zich. In tegenstelling tot de eerste keer ben ik nu wel benieuwd wie mij moet identificeren. ‘Zou er dan toch een tweede getuige zijn?’ vraag ik mij af. Maar ik besef dat het ook een clevere truc van het vindingrijke duo kan zijn om mij te laten geloven dat er een tweede getuige tegen mij bestaat. Verder ontkennen zou dan immers nutteloos zijn. Nou ja, we zien het wel.

Terug in mijn cel dood ik de tijd weer met gaatjes tellen. Tevens begin ik een redelijke verklaring te bedenken voor de aanwezigheid van kruitsporen in de Porsche. ‘Had ik maar... Maar ja, had is hebben te laat en na mij de zondvloed.’ Ik breek een slaappil in tweeën, slik hem door met een beetje water en nestel mij in de armen van Morpheus. Terwijl ik in diepe slaap ben, breekt de avond aan.

 

Als ik wakker word, staat er opnieuw een agente in de deuropening.

“Er is eten voor je gebracht,” zegt ze, en deponeert twee grote dozen op de tafel. Ik vraag me af hoe het toch komt dat er hier zo’n overvloed aan vrouwelijke agenten werkt. De enig zinnige verklaring die ik ervoor kan bedenken, is dat de mannen in

 

deze regio het land aan het bewerken zijn. Deze zijn dus al in vooropleiding voor de Hermandad. Aan de opdruk van de dozen zie ik dat deze afkomstig zijn uit mijn favoriete restaurant in Haarlem, de Napoli. Ik besef dan dat mijn vrouw en vrienden ondertussen bezig zijn voor mij te zorgen. Een warm gevoel van dankbaarheid vervult me. Ik open de dozen en ontwaar een weldaad aan voedsel: een heerlijk ogende cocktail van verse krab, pollo alla diavola met gebakken krieltjes, en verse groenten als gezelschap. Een gezellig versierde fruitmix fungeert als dessert.

“Komen jullie maar bij Ome Toon,” zo nodig ik het banket uit en begin te schransen in de zalige wetenschap dat deze culinaire salto mortale een half weekloon vertegenwoordigt van die nakketikkers die mij hier vasthouden. De ontbrekende Pouilly Fuissé en de Louis Latour verzin ik er maar bij, dan kunnen die nog wat rijpen op vat.

 

Later op de avond komt hulpofficier De Druijf weer aan mijn deur en vraagt schrapend of ik de reclassering wil ontvangen. Ik zeg hem dat ik niets verkeerd heb gedaan en dus ook niet gereclasseerd hoef te worden, waarna de Pet zichzelf weer in de garderobe hangt. Zij geven echt niet gauw op, hier.

Ik lig aan thuis en aan mijn katten te denken, terwijl de avond langzaam door de nacht wordt leeggezogen.

“Klote voor Lin, zij is nog zo jong en heeft dit ook nog nooit meegemaakt. Wat ben ik toch een egoïstische slijmjurk. Waar heeft zij dit nu aan verdiend?” lig ik te lamenteren en ik voel me knap belazerd.

 

Het zal vroeg in de ochtend zijn wanneer ik wakker word. Alweer mijn tweede nacht in het politiebureau. Aangezien ik in een observatiecel lig, blijft het licht ook ‘s nachts branden, wat meer nadelen dan voordelen heeft. Wil ik de volgende drie dagen van bedrust verzekerd blijven, dan zal ik toch nog eens de kunstenkist moeten openmaken. Een voorgewend zelfmoordpoginkje is één van de opties. Dat heeft in het verleden ook prima gewerkt, herinner ik me.

Heel penages, maar toch zo dat het in het observatorium wel op zal vallen, begin ik aan het ritueel: ik steek mijn hoofd door de halsopening van mijn shirt, steek mijn pols door het armsgat en begin dan draaiende bewegingen met mijn arm te maken. Het shirt komt goed strak om mijn keel te zitten en ik begin het waarachtig echt benauwd te krijgen. Ik wacht ongeduldig op het geluid van snelle voetstappen, een alarmsirene of, voor mijn part, het angelus domini, maar er gebeurt helemaal niets.

 

Ik vrees dat de waarnemer voor zijn monitor in slaap is gevallen. Leuk verhaal is dat. Ik had verdomme wel dood kunnen gaan. Dan maar wachten tot de celdeuren weer opengaan.

 

Zo breng ik een paar uur wakend door, nadat ik het shirt wel weer wat losser heb gemaakt. Eindelijk hoor ik het geluid van sleutels voor mijn deur. Ik draai mijn geïmproviseerde strop weer aan en wacht tot mijn deur opengaat en het vertrouwde: “Wassen, matras en dekens wegbrengen,” in mijn bonzende oren klinkt. Natuurlijk geef ik geen respons

“Hallo!” blèrt een agent, “wakker worden. Je bent niet thuis.”

Wanneer ook dat niets uithaalt, loopt hij naar mijn sponde en begint aan mijn schouder te schudden. Hij ziet mijn nektourniquet en begint te schreeuwen, terwijl hij verwoede pogingen doet om het shirt te verwijderen, wat hem uiteindelijk ook lukt. Het werd trouwens tijd ook, want mijn ogen barsten zowat uit hun kassen. Op het geschreeuw van de agent zijn er een paar collegae binnen komen rennen. Ik breng intussen mijn ademhaling terug tot een frequentie van twee respiraties per minuut, span mijn duimspieren en draai mijn ogen omlaag onder hun leden. De al verwachte hand pakt mijn pols en test mijn polsslag, die moeilijk te constateren moet zijn, want een andere hand trekt een ooglid omhoog. Mooi wit oogballetje. Op dit moment krijg ik de aandrang om te lachen, want een soortgelijke ‘fake’ van zes jaar terug komt me helder voor de geest. Omdat breeduit lachen nu niet erg verstandig is, produceer ik maar een beetje gekreun om mijn schik te camoufleren.

“Allemaal komedie, niks aan de hand,” hoor ik een stem zeggen, “hij denkt zeker in het ziekenhuis te kunnen komen.”

Ik doe of ik bij mijn positieven begin te komen en begin stuipachtige bewegingen te maken, waarbij ik verward om me heen probeer te kijken en mijn toch wel pijnlijke keel tracht te masseren.

“Jij denkt zeker in het ziekenhuis te komen hè? Nou, je komt hier echt niet weg.”

“Wie wil er nou naar een ziekenhuis?” kreun ik.

Blijkbaar weten zij toch niet goed waar ze met me aan toe zijn, want op mijn onderbroek na nemen ze voor de zekerheid al mijn kleren mee.

“Als je het weer probeert, ben je je onderbroek ook kwijt.”

‘Ook vreemd,’ denk ik, ‘nog een keer zou immers fataal zijn, en een dooie heeft geen onderbroek nodig, ik tenminste niet.’

“Ik zal het echt niet meer doen, meneer,” zeg ik, nog steeds mijn keel masserend.

“Dat is je geraden ook...” (Want anders... wat?)

 

De celdeur slaat weer dicht. Het is weer gelukt, want je moet het echt wel bont maken voordat ze je in je onderbroek op je stoel laten zitten met al die vrouwelijke agenten op de loer.

Zo, daar lig ik dan in mijn pendek. Nou ja, we moeten allemaal inleveren, en ik ben nu tenminste verzekerd van mijn bedrust. Het interesseert me niet dat de brigadier kwaad op mij is. Ik kan het me ook wel voorstellen. Uiteindelijk komt er een hoop trammelant als er een dode arrestant in een cel ligt. Dat ze echter te keer gaan tegen een zieke verdachte die zojuist uit wanhoop een suïcidepoging heeft ondernomen, maakt dat ik me voel alsof ik echt op het kantje af gered ben, zo niet uit de dood herrezen. Ja, ik heb echt niet gauw medelijden met mezelf.

Na het ongenuttigde justitievoer wordt mijn deur weer geopend en verschijnt er een lange bebaarde agent in mijn cel.

“Je vrouw heeft eten voor je gebracht. Ze vroeg of ik je de groeten wilde doen, en je veel sterkte toe wil wensen. Het laatste mag ik niet, dus dat doe ik dan ook niet.”

“Te gek, wel bedankt agent. Wilt u haar de groeten terug doen en haar veel liefs toewensen? Ik bedoel van mij natuurlijk, niet van u!”

“Zeker wel.”

Later zal blijken dat hij het inderdaad heeft gedaan, en daar ben ik hem nog dankbaar voor. Mijn vrouw heeft lekkere broodjes en een paar pakken vruchtensap voor me gebracht. Ik laat me alles goed smaken. Voor een ondode heb ik eigenlijk best nog wel honger. Ik heb mijn maal nog niet op of de deur gaat nogmaals open; de twee rechercheurs staan weer voor mijn cel. Gelukkig dat ik net klaar ben, want anders hadden die twee hongernekken nog mee willen eten ook. De rechercheurs gooien mijn kleren naar binnen en ik kleed mij aan. Nou, het gaat beginnen:

“Komt u maar weer mee.”

Met mijn beproefde zwaaiende gang hobbel ik achter het swingende duo naar hun kantoor, waar ik door de vaderlijke rechercheur word verzocht om plaats te nemen. Als ik het tweetal nog eens opneem, wordt het me duidelijk dat ik hier met twee criminologische opsporingsambtenaren van wereldklasse te maken ga krijgen.

Na de lieve rechercheur goed bekeken te hebben, begrijp ik dat deze man zich op het hoogtepunt van zijn carrière moet bevinden. Hoger zal hij niet meer kunnen komen. Na jarenlang koddebeier te zijn geweest in Lullepijperswoude, waar hij na veel moeizaam speurwerk de plaatselijke kippendief wist te arresteren - om deze vervolgens met gevaar voor eigen leven achterop zijn dienstfiets af te voeren - werd deze meesterspeurder via een bliksempromotie tot inspecteur in deze rurale

 

metropool bevorderd. Ja, van inspecteur Visser zullen we in de toekomst ongetwijfeld nog gaan horen.

De stoute inspecteur Van Schoorl is daarentegen een heel ander verhaal. Al vormt hij dan het brein van dit koningsduo, op criminologisch gebied is hij een miskend genie, en derhalve gedoemd om frequent op de achtergrond te opereren. Intussen geeft hij blijk over een grote dosis scherpzinnigheid te beschikken. Eén en ander zal weldra blijken uit zijn briljante manier van verhoren. Hij zal me zelfs helpen om me feiten te herinneren die de getuige niet eens geweten kan hebben, maar daarover later meer. De miskenning van zijn niet geringe kwaliteiten heeft in elk geval duidelijke sporen nagelaten op het toch al doorgroefde gezicht van deze speurhond. De scherpe kloven rond zijn mond duiden erop dat de man een maagpatiënt is. Hij heeft dan ook vrij veel moeite met de digestie van mijn antwoorden. Van Schoorl is duidelijk het slachtoffer van zijn métier geworden.

Het verhoor neemt een aanvang.

“U bent Jan ter Haak, geboren 26 mei 1945 te Amsterdam?” aldus inspecteur Visser.

“Dat is volkomen juist.”

“Wat is uw beroep?”

“Ik ben intermediair.”

“Wat is een ‘intermeedjer’?”

“Dat ben ik, bijvoorbeeld.”

“Ja dat zei je net al, maar wat is dat voor een beroep?”

“Dat is het beroep van iemand die er zijn beroep van heeft gemaakt om te bemiddelen tussen een vragende en aanbiedende partij.”

“Je bent dus bemiddelaar van beroep.”

“Nee meneer, ik ben intermediair van beroep.”

Nu komt Van Schoorl met een vraag: “Wat doet je vrouw?”

Ai, is dat even opletten geblazen met die Van Schoorl. Ik zei toch al dat hij geen dooie was! Hij stond al in de startblokken te branden van ongeduld; hij moest deze geniale meesterzet even plaatsen. Danig aangeslagen door het vertoon van zoveel vernuft antwoord ik: “Ik zou het u niet kunnen zeggen, meneer. Ik ben namelijk al twee dagen niet thuis geweest, begrijpt u wel?”

“Dat weet ik, maar wat doet zij voor haar beroep?”

“Kunt u dat niet beter aan haar vragen?”

“Ik vraag het aan jou.”

“Wel, ik praat niet graag over andere mensen, want dat vind ik ongepast. Ik geef u

 

dus geen antwoord op uw vraag. Dat hoeft namelijk ook niet, weet u nog wel? Misschien is zij ook wel een intermediair, weet ik veel.”

Visser: “Goed, wij hebben nu uw personalia en u bent ‘intermeedjer’ van beroep. Vertelt u eens wat er gebeurd is.”

“Wanneer?”

“Op vrijdag de negenentwintigste.”

“Toen ben ik gearresteerd.”

“Voordat u gearresteerd werd”.

“Toen was ik vrij, meneer.”

De isobaren in het gezicht van Van Schoorl duiden op komend onweer, en hij besluit dan ook dat het tijd wordt om weer een duit in het zakje te doen: “Haak, wij kunnen er net zo goed mee afnokken als jij zo blijft antwoorden. Je blijft dan net zo lang vastzitten tot wij een verklaring van je hebben.”

“Van mij mag u ermee ophouden, maar wat dat vastzitten betreft, daar heeft de rechter-commissaris voorlopig het laatste woord over. U heeft precies honderdentwee uur, en daar is nu de helft van om.

Visser vraagt: “Heeft u vrijdagochtend ruzie gehad in Haarlem?”

“Ik heb een woordenwisseling gehad in Haarlem.”

“Vertelt u daar eens wat over.”

Het kan geen kwaad hem te vertellen wat er tijdens die ‘woordenwisseling’ is voorgevallen. Geloven zullen zij me toch niet, maar zo kan ik tenminste nog even een paar sigaretten roken.

“Heeft u niet gezegd dat u die kaasboer zijn kop in tweeën zou hakken?” vervolgt Visser.

“Dat heb ik inderdaad niet gezegd.”

“Hij verklaart anders dat u dat wel gezegd heeft.”

“En ik zeg u dat ik dat niet gezegd heb.”

“Goed, we laten dat dan even rusten. Toen u weer door kon rijden, wat hebt u toen gedaan?”

“Ik ben achter hem aan gereden tot de snelweg en toen ben ik hem gepasseerd.”

“Toen u hem passeerde wat deed u toen?”

“Ik deed niets, ik dacht.”

“Wat dacht u dan, mijnheer Ter Haak?”

“Krijg de tyfus maar, verrotte hork.”

“Wat zeg je, stuk secreet dat je bent?” (Het werkt ook altijd weer)

“U vroeg mij net wat ik dacht. Daar gaf ik antwoord op. U dacht toch niet dat ik het tegen u had?”

Samen met een vuile blik van Visser krijg ik toegevoegd: “Er is op die man of op zijn auto geschoten.”

“Ziet u nou dat iedereen zijn straf krijgt in het leven?”

Van Schoorl stelt briljant vast: “Dat klopt wel, want aangezien die man verklaart dat jij op hem geschoten hebt, zul je gestraft worden. En niet zo’n klein beetje ook.”

“Ik merk dat u zich nu ineens weer de functie van president van de rechtbank heeft aangemeten. Het komt mij voor dat u niet echt tevreden met uw baan bent.”

Visser waagt een poging: “Heb jij dan niet op die man geschoten?”

“Dan zou ik u dat toch eerlijk vertellen?”

“Dus je ontkent dat je geschoten hebt?”

“Ik beken dat ik niet op mijnheer Misser, noch op zijn auto geschoten heb.”

“Er is anders wel een kogel in zijn wagen aangetroffen.”

“Ik vertelde u al dat er iets niet goed met die kaasdaas zat.”

“Het gaat ons erom wie die kogel in de auto geschoten heeft.”

“Dat kan ik me levendig voorstellen.”

“Jij hebt het dus niet gedaan?”

“Daar heb ik u al op geantwoord.”

“We gaan nog even verder. Wat heeft u vervolgens gedaan, toen u de vrachtauto in kwestie gepasseerd was?”

“Toen ben ik doorgereden.”

“Waar naartoe?”

“Naar Amsterdam.”

“Hoe bent u gereden?”

“Met mijn eigen auto, en nogal hard bovendien, want ik was al te laat voor mijn afspraak.”

“Ik wil weten welke wegen u genomen heeft.”

“De snelweg naar Utrecht en vervolgens de afslag naar Amsterdam.”

“Waar bent u naartoe gereden in Amsterdam?”

“Naar de plaats waar ik een afspraak had met een kennis.”

“En waar was dat, en wie is die kennis?”

“Mag ik die vragen misschien één voor één beantwoorden?”

“Ga je gang.”

“Ten aanzien van de plaats van die afspraak, kan ik u zeggen dat het niet relevant is voor uw onderzoek. En de naam van mijn kennis vertel u ik niet.”

“Wat relevant is, bepalen wij hier wel, en die naam komen we toch wel te weten; dat is eenvoudig een kwestie van tijd.”

“Goed, dan mag ik zeker aannemen dat dit verhoor nu is afgelopen?”

Van Schoorl wordt nu venijnig: “Ook dat maken wij hier uit!”

“Dan zal het vanaf nu een monoloog gaan worden, want ik heb u niets meer te zeggen.”

Nu komt Van Schoorl pas echt goed op gang: “Als er tegen mij een valse en belastende aanklacht ingediend zou worden, dan zou ik dat beslist niet pikken.”

Handig baasje wel, die Van Schoorl, nietwaar? Chaotische wereldgek. Een valse aangifte is altijd belastend.....