Thuisgekomen leek het wel of Ineke veranderd was. Je dacht eerst dat het aan jezelf lag, maar er hing onheil in de lucht. De sfeer was gedwongen. Iedereen lachte, maar niemand was blij. Ineke’s moeder zat je heimelijk op te nemen vanachter haar twaalfde kop koffie en een sigarettenrookgordijn. ‘Vuile vieze pooier, ik begrijp niet wat mijn dochter nog met hem moet,’ zal ze wel gedacht hebben. ‘Nou ja, dat moet zij dan maar lekker denken, ik ben weer vrij en ik heb jouw dochter en mijn dochter weer terug,’ gnuifde je in stilte.
Maar toch, Ineke was zwaarder opgemaakt dan vroeger en ze keek met een gezicht alsof zij wilde zeggen: “Het zijn echt niet alleen hoeren die er goed uit kunnen zien.”
‘Zal ze dan toch met een ander gozertje zijn weggeweest, terwijl ik verschut zat?’ dacht je. Het was de eerste vraag geweest die je haar had gesteld, die ene en enige keer dat ze je in de gevangenis had opgezocht.
“Wij zijn niet allemaal zoals jij,” had je toen bitsig ten antwoord gekregen.
Maar je had te lang met die angst geleefd om er, nu je weer thuis was, van overtuigd te zijn dat het maar hersenschimmen waren geweest. Je wilde Ineke niet met Jackie vergelijken, maar je vertrouwen in vrouwen had wel een gevoelige deuk opgelopen.
‘s Avonds in bed, na het herenigingritueel, vroeg je haar: “Ineke, ben je echt niet met een ander weggeweest?”
“Daar heb je hem weer. Dat heb ik je toch al in de gevangenis verteld.”
Haar aarzeling, voordat zij je antwoordde, had echter iets te lang geduurd. Het zat krom en je wist het.
“Ja, maar dat is al weer een paar weken terug. Wanneer het zo is, wil ik het weten. Ik beloof je dat ik niet kwaad op je zal zijn, maar ik voel dat het zo is.”
Ineke bleef even stil en zei toen: “Ik ben één keer met een jongen uitgeweest.”
Je hart stond eerst stil en bonsde daarna in driekwartsmaat. Je gezicht begon te gloeien.
“Ben je ook met die knakker naar het nest geweest, soms?” vroeg je met verstikte stem.
“Je had beloofd dat je niet kwaad zou wezen.”
“Ik ben ook niet kwaad,” loog je, “maar ik heb er recht op om het te weten.”
“Het spijt me, maar ik was zo dronken dat ik amper wist wat ik deed.”
“Dus het is waar?”
“Ja.”
Je wereld stortte in. Drie maanden had je met die vrees geleefd, en nu bleek dat je je niet ten onrechte zorgen had gemaakt. Je stak een sigaret op en zweeg.
“Ik wilde het je niet vertellen, maar je was er toch achtergekomen,” jankte Ineke.
“Hoe dat zo?” vroeg je met een somber voorgevoel.
“Het was een vriend van mijn broer.”
“Dat is lekker zeg, dus ik loop nu voor je hele familie met hoorns op mijn kop,” vloekte je.
“Jij hebt het toch zeker ook gedaan,” wierp Ineke tegen.
“Ja, maar niet met een vriend van je broer, en bovendien deed ik het voor het geld.”
“Daar heb ik anders weinig van gezien.”
“Je wilde het toch niet? Ach, wat kan mij het eigenlijk nog verdommen, jullie zijn toch allemaal hetzelfde,” zei je terwijl je het bed uitstapte en je aankleedde.
“Wat ga je doen?”
“Wat ga ik doen? Ik ga pleite, dat ga ik doen. Ik heb net drie maanden gezeten, daar kan jij niks aan doen, maar net nu ik een beetje lucht krijg, wordt mij de bokkenpruik opgezet. Eén torrenbak is genoeg geweest voor mij. Blijkbaar ben je geen haar beter. Je voost jezelf maar een slag in de rondte. Ik trek aan mijn stutten. De mazzel en de groeten aan je moeder,” zei je sarcastisch, en je sloeg de deur achter je dicht.
Je was niet echt kwaad toen je op straat liep. Vreemd genoeg voelde je je een beetje opgelucht. Beter er nu een punt achter gezet dan over tien jaar. ‘God mag weten waar ik voor gespaard ben gebleven. Wie van het verleden niet heeft geleerd, die heeft ook geen recht op een toekomst,’ filosofeerde je. Je besloot om maar bij je ouders te gaan wonen totdat je een kamer had gevonden. Die stonden trouwens ook niet te juichen toen je aanbelde.
“Ik zal zo snel mogelijk een kamer zien te vinden,” zei je tegen je vader, nadat die je onomwonden had verteld hoe verheugd hij was om een zoon te hebben die in de gevangenis gezeten had. Je kon hem geen ongelijk geven. Veel plezier hadden ze niet van je gehad.
De volgende dag ging je meteen op zoek naar een kamer. Dat viel niet mee. Je moest overal de huur vooruit betalen en je was ridder te voet. Je zocht een vriend op bij wie je had ingewoond toen Jackie in de gevangenis zat. Gerrie was echter niet meer thuis, vertelde zijn moeder je. Ze gaf je het adres van een café waar hij overdag vaak zat te kaarten: café Marktzicht op de Zeedijk. Je liep erheen en trof je gabber er aan, die er inderdaad interessant zat te doen achter een handvol kaarten.
“Hallo pooier,” zei hij toen je binnenkwam.
“Hallo poot,” retourneerde je zijn groet.
“Niet meer, niet meer,” mompelde hij, terwijl hij zijn kaarten aan een toeschouwer overgaf. Gerrie bood je wat te drinken aan en vroeg hoe het met je was. Je vertelde hem over je lotgevallen en vroeg hem of hij wat te verdienen voor je wist.
“Ik ga niet meer de baan op als broodpoot, want daar heb ik echt mijn zakken van vol,” zei je.
“Hoeft ook niet, hoeft ook niet mijn beste. Sinds twee maanden leef ik met een vrouwtje die in het leven zit. Geen schoonheid, echt niet, maar alleen slechte timmerlui willen een scherpe zaag. Ze verdient de kost en heeft weinig of geen pretenties. Ik heb een rustig leventje en pegels in mijn zak; wat wil ik nog meer?”
“Ik ben echt blij voor je, maar wat heb ik daaraan?” vroeg je.
“Rustig, rustig, mijn gehaaste vriend. Manja heeft een zuster van achttien lentes jong. Een plaatje, eerlijk. Het kind heet Joke en is getrouwd met een miesgasser van een broger. Die is zo verschrikkelijk jaloers, dat als ze uitgaan - wat ze trouwens zelden doen - en een man kijkt maar naar haar, dan slaat hij haar vierkant. Ze loopt constant met blauwe lampen. Ze heeft al een paar keer gezegd dat ze ook wel voor mij wil werken. Zij wil gewoon van die jaloerse gek af. Nou, ik zou er persoonlijk niets op tegen hebben, maar ik denk dat Manja mij ‘s nachts met een schroevendraaier aan het matras vaststeekt. En ik weet wat ik nu heb. Beter één kut in m’n hand dan tien aan de overkant,” lachte Gerrie.
“Je praat makkelijk, maar hoe moet ik dat wicht ontmoeten, en hoe kan ik haar aankatsen als die knul zo jaloers is?”
“Joke ruimt elke dag Manja’s huis op voordat die gaat pezen. Ze verdient daarmee een geeltje per dag, wat die slijmerd van haar daarna weer in drank omzet. Ik neem je vanavond mee, en je blijft dan bij ons slapen. Morgenochtend komt Joke opruimen en de rest mag je dan zelf doen.”
“Okay, wij kunnen het in ieder geval proberen. Niet geschoten is zeker altijd mis,” zei je gelaten.
“Dat dacht ik ook, en geloof me, als het je lukt heb je er een bestdoener aan. Trouwens, ze is nog lief ook,” verzekerde Gerrie.
“Kan ik wel gebruiken ook, ik ben de laatste tijd niet erg bemazzeld. Denk je dat, wanneer het zou lukken, haar zuster bezwaar maakt dat ze gaat werken?”
“Dat maak ik wel in orde. Manja ziet haar liever gisteren dan vandaag van dat misbaksel af gaan. Daarbij komt dat, wanneer Joke met jou zou zijn, Manja meteen weet dat ik het niet meer met haar zuster aan kan leggen. Nee, dat lukt wel.”
Gerrie betaalde de vertering en zei dat je gelijk maar mee moest komen om met Manja kennis te maken. Je wandelde met hem mee naar de Oudezijds Achterburgwal. Gerrie stapte een hoerenkast in en beduidde je om mee naar binnen te komen. Manja bleek een jaar of vierentwintig te zijn. Een dom maar lief gezicht met bijbehorend hoogblond haar, zwaar opgemaakt en een paar longen, niet te geloven. Benen tot aan haar nek. Wat een beest. Gerrie stelde je aan haar voor en zei dat je voorlopig bij hen zou komen wonen. Manja maakte geen bezwaar en zei dat je welkom was.
“Ik heb Cajun van Joke verteld, Manja, en ik weet dat als Joke m’n gabber aardig vindt, Cajun zich wel over die lamzak van een kerel ontfermt.”
Manja begon te lachen en zei: “Je bent onverbeterlijk, Gerrie, maar je weet hoe ik over die patser denk. Ik vind bijna alles goed, als Joke maar bij die strontzak weggaat. Maar als je vriend Cajun net zo blijkt te zijn als haar vent, dan kunnen jullie allebei vertrekken. Dat meen ik.”
‘Nou, zo dom is die Manja ook weer niet,’ dacht je, terwijl Gerrie het blonde beest geruststelde. Daarna verlieten jullie het bordeel.
“Denk erom dat je mij niet laat versukkelen, Cajun, want dan kunnen wij straks met zijn tweeën naar sociale zaken,” waarschuwde je vriend.
“Nee, natuurlijk niet. Ik ben veel te blij dat je mij uit de marode helpt, Ger.”
Jullie liepen terug naar Marktzicht. Er stonden nu verscheidene frisse Chevrolets en Fords voor de deur. Het bleek dat een groot deel van depenoze
Gerrie en jij werden volkomen genegeerd door de oudere bikkers, en jullie lieten je daarom maar vollopen met pils. Nadat de barkeeper de laatste ronde had aangekondigd, liepen jullie met zwaaiende gang naar de hoerenkast waar Gerrie en Manja boven woonden. Manja was nog aan het werk en zei tegen Gerrie dat zij nog een paar uur bleef zitten. Boven in de huiskamer trok Gerrie een bed uit de muur. Even later viel je als een blok in slaap en droomde van Joke die je nog nooit gezien had.
Toen je wakker werd, stond er een engel in de kamer. Je dacht even dat je dood was.
“Ik heb je toch niet wakker gemaakt, hoop ik?” vroeg het engeltje met een stofdoek in haar hand.
“Ben ik in de hemel of slaap ik nog?” vroeg je slaapdronken.
Het meisje lachte verlegen en zei: “Ik maak hier schoon voor mijn zuster.”
Gapend, zei je: “Nou, zo geweldig ben ik nog nooit wakker geworden. Ik hoop maar dat ik straks niet alsnog ontwaak.”
“Vleier… Ik heet Joke, en jij?”
Op dat moment kwam Gerrie de kamer binnen.
“Morgen kinderen, hebben jullie al kennis gemaakt? Joke, dit is Cajun. Hij komt net uit de gevangenis en blijft hier een tijdje wonen. Als hij je lastig valt zeg je het maar, dan stomp ik hem neer.”
“Stompen? Ik ben niet zo gek op stompen,” zei Joke, inmiddels haar trui optrekkend tot vlak onder haar bh.
“Begrijp je, Gerrie?” vroeg Joke, terwijl ze een bloeduitstorting ter grootte van een broccoli op haar ribben liet zien.
“Godverdomme,” vloekte Gerrie, “heeft die baggerbak van je dat weer gedaan?”
“Ja, ik stond met mijn buurman te praten, en toen ik bovenkwam trapte hij mij kort.”
“Ik snap niet waarom je niet van hem af gaat. Moet je eens kijken, Cajun,” zei Gerrie.
Je keek naar de bloeduitstorting en vroeg: “Het ziet er nogal pijnlijk uit. Gebeurt dat altijd als je staat te praten?”
“Een keer of vier in de week slaat hij me altijd wel.”
“Ga dan ook van die lamstraal af,” zei Gerrie weer.
“Je hebt eenvoudig praten, Gerrie, maar ik weet niet waar ik naartoe moet. Als ik wegloop, vermoordt hij me. Nadat hij mij gisteren zo had getrapt, zette hij een mes op mijn keel. Hij zei dat hij me aan stroken zou snijden als hij me ooit weer met een kerel zag praten. Ik weet niet meer wat ik doen moet.”
“Manja!” schreeuwde Gerrie, “kom eens even hier.”
“Je zusje wilde je iets moois laten zien,” vervolgde Gerrie toen zijn vrouw in een doorschijnende ochtendjas de kamer inkwam. Joke trok haar trui weer op en liet Manja de kneuzing zien.
“Nou, nu is het toch wel genoeg geweest met die smeerkees. We halen je spullen op en je komt hier wonen, of geil je soms op die pakken slaag?” riep Manja.
“Nee Manja, je weet dat ik het al een tijd zat ben. Ik wil graag bij hem weg, maar ik wil jullie geen last bezorgen en mijn kleren krijg ik ook nooit mee.”
Dit was dus jouw moment om een duit in het zakje te doen: “Joke, het zijn mijn zaken niet, maar ik ben Gerrie en je zuster iets schuldig. Wanneer je weg wilt, gaan we naar je huis en halen we je spullen op. Je kunt hier blijven, dus er kan weinig met je gebeuren.”
Joke keek bedenkelijk en zei aarzelend: “Dat is tof van je, maar mijn man wordt gek wanneer hij hoort dat ik bij jullie kom wonen. Hij zal net zo lang buiten blijvenwachten tot hij me te pakken heeft.”
Nu was het Gerrie’s beurt weer: “Joke, ik zou graag de hele dag bij je blijven om je
te beschermen, maar je weet dat dat niet kan. Cajun en ik gaan nu je spullen halen en als die bijgoochem moeilijk doet, zullen wij hem eens vaderlijk toespreken. Ik denk dat hij dan nog weinig trek heeft om je nog lastig te vallen. Bovendien Cajun is net vrijgekomen en heeft toch niet veel te doen. Wil je niet een beetje op mijn schoonzuster letten, Cajun?”
“Het zou me een voorrecht wezen, voorop gesteld dat Joke het er mee eens is natuurlijk,” antwoordde je galant.
Joke twijfelde nog steeds, maar Manja loste dat snel op door te zeggen: “Zusje, als je nu de knoop niet doorhakt, wil ik er nooit meer iets over horen. Je bent zo ondankbaar als de pest. Iedereen hier doet zijn best voor je. Cajun heeft nog tien maanden voorwaardelijk en als het uit de hand loopt met die gek van je, dan kan hij die nog even uit gaan zitten.”
“Dat is het niet, Man, ik wil hier graag wonen en zou het gaaf vinden als Cajun op mij wil passen. Ik wil alleen niet dat iemand narigheid om mij krijgt.”
“Dat is dan geregeld,” zei jij, “we zullen dan nu maar meteen je spullen op gaan halen. Mag ik je sleutel hebben?”
Gerrie en jij trokken de confectie aan en togen op pad.
“Wat vind je van haar?” vroeg Gerrie.
“Het is een plaatje. Het lijkt wel een Italiaanse looppop met die lange wimpers. Ik hoop echt dat ik het red met haar.”
“O, Manja rondt het wel af voor je, maak je maar niet druk! Trouwens, heb je niet gezien hoe Joke steeds naar je keek? Het leek wel of de zon uit je reet scheen,” grapte Gerrie.
“Ik ben bang dat mij dat ontgaan is, maar ik wil je graag geloven. Alleen voel ik me nu net Sint Joris met de draak: de koene ridder gaat op pad om zijn prinses te bevrijden. Ik voel mij verder nog een hypocriet ook, want ik kan er weinig van zeggen dat die Joke met blauwe plekken loopt. Uiteindelijk heb ik die Jackie ook een keer total loss geslagen.”
“Klein verschil, neem me niet kwalijk. Die Jackie deugde voor geen piek. Me dunkt dat je reden genoeg had, toen.”
“Dus je denkt dat die Joke wel goed in elkaar zit?”
“Dat kan een blind paard nog wel zien. Zeg, je bent toch niet bang van die knul van haar?”
“Dat zal ik je vertellen zodra ik hem zie,” dolde je, “nee ik heb wel wat over vooreen gemakkelijk leven. En daarbij genomen vind ik die Joke nog een schoonheid ook.”
“Je wordt toch niet alweer verliefd, hè Cajun?”
“Ik veronderstel dat het niet moeilijk is om op dat mokkeltje verliefd te worden, maar ik heb ondervonden dat van verliefdheid alleen maar narigheid komt. Ik denk niet dat ik het me nog kan permitteren om op een temeier verliefd te worden. Ik hak nog liever mijn pik af.”
Al pratend aangekomen in de Uilenburgerstraat zochten jullie het huis op waar de man van Joke woonde. Je opende de voordeur met een van de sleutels en jullie slopen de trap op. Voorzichtig maakten jullie de deur naar het woonhuis open en stapten naar binnen. De voorzorgen waren echter overbodig, want er bleek niemand thuis te zijn. Gerrie trok alle kasten open en pakte alles wat op vrouwenkleren leek in een oude koffer.
“Zonde dat die fielt niet thuis is,” morde hij terwijl jij de damesschoenen aan het inpakken was, “nu krijgen we die confrontatie alsnog, terwijl wij nu in het voordeel waren.”
“Zeker jammer,” beaamde je.
Met een volle koffer liepen jullie terug naar Gerrie’s huis. Je hoorde het schreeuwen al toen jullie de trap opliepen.
“Daar heb je hem,” zei Gerrie, terwijl hij voor je uit naar binnen stapte. Manja stond in een hoek van de kamer met een hand voor haar mond. Haar handen en ochtendjas zaten onder het bloed. Joke lag op de grond en werd getrapt door een man van een jaar of dertig met een stiletto in zijn hand.
“Over mijn lijk dat je hier blijft wonen, stinksnol,” brulde hij. Vervolgens richtte hij zich tot Gerrie: “Ik heb niets tegen jou, Gerrie, maar toen ik Joke mee wilde nemen, vloog Manja me aan en krabde me in m’n gezicht.”
Hij gaf Joke nog een trap en schreeuwde: “Is dat soms je nieuwe vriend? Ik dacht wel dat je iets zou proberen te flikken, na dat pak slaag van gisteren.”
Gerrie stapte naar voren, maar de gek stak zijn mes vooruit en dreigde: “Gewoon niet doen, Gerrie, want ik kerf je open.”
Je had zwijgend staan kijken. Toen zei je tegen de maniak: “Ik weet niet voor wie je mij aanziet, maar ik heb hier niets mee te maken. Blijkbaar is zij je vrouw, dus het gaat me weinig aan.”
“Als je dat maar door hebt,” blèrde de zot.
“Ik zal even een handdoek voor je gezicht pakken, Manja,” zei je en liep naar de keuken. Je stak het gas aan en zette een ketel water voor koffie op.
“Je bent wel flink om vrouwen te slaan en met een mes te dreigen hè?” hoorde je Gerrie schreeuwen. “Leg dat mes eens weg en wees dan nog eens zo flink, vuile tyfuslijer.”
“Daag mij uit, Gerrie, en je krijgt me met alles wat erbij hoort!”
Jij schonk water in de koffiepot, pakte een paar bekers en liep met een handdoek over je arm naar binnen.
“Hier is een handdoek voor je gezicht, Manja,” zei je.
Zij pakte de handdoek en keek je aan met een blik alsof ze je wilde vermoorden.
“Lafaard,” siste ze.
“Laten wij dit nu rustig oplossen, Gerrie,” suste je, “het is uiteindelijk zijn vrouw, dus dit gaat ons niet aan. Laten wij nou allemaal kalm aan doen, want er moet toch over gepraat kunnen worden. Ik heb koffie gezet. Ik denk niet dat die man je vrouw met opzet wilde slaan en ik zou ook niet willen dat een ander zich met mijn zaken bemoeide.”
“Krijg de tering met je koffie erbij,” vervloekte Gerrie je.
“Gelukkig iemand die hier zijn verstand gebruikt,” hoonde de wildeman terwijl hij Joke overeind trok, “jullie moeten je niet met mijn zaken bemoeien, dan is er ook niets aan de hand.”
Joke gilde: “Ik ga nooit meer met je mee terug. Ik laat me nog liever doodsteken.”
“Dat kan geregeld worden,” brieste haar man en zette het mes onder haar kin.
“Rustig! Rustig nou,” kalmeerde je de man, “zo kom je nog in de gevangenis...”
“Dat heb ik wel voor die sloerie over. Dan weet ik tenminste meteen dat ze me niet meer kan bedonderen.”
Jij zei: “Gerrie, ik stel voor dat je schoonzuster en haar man naar de slaapkamer gaan om het uit te praten. We nemen allemaal een kop koffie en laten de gemoederen wat tot rust komen. Iedereen is van slag, denk ik.”
“Je doet maar wat je wilt, fijne gabber, maar je bent met mij nog niet klaar.”
“Dat is lekker, nou ben je nog kwaad op mij ook,” reageerde je.
De maniak zei slijmend: “Je vriend heeft gelijk, Gerrie. Laten wij onder elkaar geen ruzie maken. Ik praat even alleen met mijn vrouw, en dan zal zij wel inzien dat het beste is om gewoon mee naar huis te komen.”
“Ik praat niet meer met je, steek me maar dood,” huilde Joke.
“Je komt gewoon mee,” zei haar man en sleurde haar naar de slaapkamer.
“Bedankt, wie je ook bent,” zei hij tegen jou, en duwde Joke langs je heen naar de deur.
“Vergeet je koffie alsjeblieft niet,” zei je, en gooide de kokendhete inhoud van de koffiepot in zijn snoet, waarna je de pot in zijn gezicht aan stukken sloeg. De man krijste.......
|