De bewaarder zit op de rand van mijn bed met zijn sleutelbos te spelen; hij kijkt mij nieuwsgierig aan.
“Hoe bedoelt u dat ik mijn mond wel kan houden bewaarder?”
“Teun heeft mij verteld dat jij nooit bekent en dat je iemand zocht die een paar dingen voor je kon doen, omdat je in alle beperkingen zit.
“En u bent wel genegen om voor mij een paar dingen te doen?” vraag ik argwanend.
“Als het niet te gek is, zoals een paar brieven posten voor je, dan wel ja. Ik breng echter geen dope of wapens voor je naar binnen.”
“Heb ik geen behoefte aan, wat voor beloning zoekt u?”
“Voor het posten van een paar brieven hoef ik niets te hebben. Geef mij maar een slok of zo als ik je buiten tegenkom.”
“Dat zou toch al te gek wezen,” zeg ik meteen op mijn hoede, “Je gaat toch geen risico voor niets nemen?”
“Luister, mijn andere collega’s mogen dan wel geld voor zulke dingen vragen, maar ik zou mij er voor schamen. Zeg mij wat je wilt en als het mogelijk is, doe ik het voor je.”
“Bewaarder, ik zal je duizend gulden in de week geven voor de tijd dat ik hier zit en wanneer ik vrij ben, kan je tienduizend gulden komen halen bij me. Het geld is voor mij gelukkig geen probleem, en ik denk dat jij het wel kunt gebruiken.”
De man kijkt mij verschrikt aan en stamelt: “Wat moet ik daar in vredesnaam allemaal voor doen?”
“Niets bijzonders en je kunt stoppen wanneer je wilt,” antwoord ik, er op speculerend dat wanneer hij een paar weken duizend gulden in zijn kontzak heeft laten glijden, het hem zwaar zal vallen om zich uit de deal terug te trekken.
“Ik hoef daarvoor echt zoveel geld niet te hebben,” zegt de bewaarder angstig.
Ik begin een beetje medelijden met de man te krijgen. Ik moet er echter wel op aandringen, zodat hij zich zoveel mogelijk compromitteert. Hij zal zich dan wel twee keer bedenken voordat hij doorslaat, wanneer er onverhoopt een verschutting zou vallen.
“Pak het nou maar aan. Uiteindelijk help je mij en ik zie niet in waarom ik je daarvoor niet goed zou betalen,” dring ik aan.
“Ik kan het geld wel goed gebruiken, Jan. Okay, ik vertrouw je, zeg maar wat ik moet doen en als het je een week niet uitkomt om te betalen, dan maakt dat mij echt niets uit.”
“Jij krijgt je centen prompt bewaarder. Eén ding, jij haalt eerst geld voordat je iets
voor mij doet. Controle is geen wantrouwen, maar ik wil wel weten of je te vertrouwen bent. Ik ben te vertrouwen anders had ik geen rode kaart op mijn deur gehad. Ik ben al eens door de rijksrecherche verhoord omdat zij mij er van verdachten, een bewaarder omgekocht te hebben. Ik heb zes weken in een strafcel gelegen en zij zijn geen stap verder gekomen. Dat kan je allemaal controleren als je wilt. Ik heb nu echter genoeg narigheid, dus misschien kan je mijn voorzichtigheid begrijpen.”
“Ik denk dat je gelijk hebt. Het kan geen kwaad om voorzichtig te zijn, hoe wil je dat ik contact opneem met je vrienden of familie?”
“Ik geef je een telefoonnummer en een codewoord. Je draait dat nummer en vraagt dan naar Bullie. Wanneer je die aan de lijn hebt, geef je hem het codewoord en zegt dat ik duizend gulden nodig heb. Hij zal je een plaats van ontmoeting geven in Haarlem en je vangt van hem je eerste duizend gulden.”
“Afgesproken, en je zult zien dat je mij vertrouwen kunt,” zegt de cipier die Sjakie blijkt te heten.
Ik geef hem het telefoonnummer en het paswoord, waarna Sjakie de cel verlaat.
‘Nou op hoop van zegen dan maar,’ denk ik, ‘het lijkt haast te mooi om weer waar te zijn, maar zonder te schieten, is het altijd mis. Hoe toepasselijk, nou, we zien het morgenochtend wel.
Na een nieuwe nacht, waarin ik bijna geen oog dicht doe door het gebrek aan slaappillen en de opwinding van het mooie vooruitzicht van een platte bewaarder, dient de absente dageraad zich aan in de vorm van een lelijke, ongeschoren en stinkende bewaarder. Wanneer die mij met zijn gore handen een paar sneden brood denkt te kunnen overhandigen, zeg ik: “Ik heb geen honger bewaarder.”
Een medegevangene schenkt mijn kroes vol met thee.
“Zeker beter gewend thuis?” vraagt de bewaarder die een deuk in zijn kalende schedel blijkt te hebben.
“U zou mij niet geloven, als ik zei dat u gelijk hebt,” antwoord ik beleefd.
“Geeft niet, je went er wel aan hier.”
“Maar dat zal dan toch geen brood zijn dat uitgereikt wordt door een bewaarder, die zijn handen niet gewassen heeft.”
De bewaarder kijkt onwillekeurig naar zijn handen en wordt rood van woede.
Schaamte zal het wel niet zijn, vermoed ik.
“Wat zou je er van zeggen om door een paar vuile handen in brutale porem gestompt te worden?” vraagt de deuk terwijl zijn collegae achter zijn rug staan te lachen.
“Ik zou zeggen dat u er dan nog een deuk in uw hoofd bij krijgt. Mijn handen zijn echter gewassen, dus U zult er geen infectie van overhouden.”
De bewaarder stapt naar voren om ik weet niet wat te doen, maar zijn collega doet gauw mijn celdeur dicht. Voor mijn deur ontstaat er een aardig tumult. Ik zet mijn kroes thee op tafel en ga met mijn oor aan de celdeur staan luisteren.
“Ik krijg die etterbak wel, wat verbeeldt dat secreet zich!” hoor ik de Deuk krijsen.
“Laat die mensen dan ook met rust wanneer zij geen brood willen, je maakt verdomme altijd op- en aanmerkingen tegen gedetineerden, je vraagt er toch om,” hoor ik één van zijn collega’s zeggen. Het geschreeuw gaat daarna over in gemompel.
“Mooi begin van de dag,” grom ik terwijl ik mijn mond aan de kokendhete thee verbrand. Dan verdiep ik mij in mijn krant tot de celdeur opengaat en Sjakie op het toneel verschijnt.
“Mogge Jan, had je ruzie met die pestdeuk?”
“Het begon er aardig op te lijken bewaarder, maar je maten hebben mij gered denk ik.”
“Niemand moet die kolere deuk hier. Wij noemen hem ‘Jan brandt te lang’.”
Ik schiet in de lach omdat ik dat gezegde nog niet eerder gehoord heb en vraag schaterend: “Hoe ben je gevaren bewaarder?”
“Best Jan, je gabber is een fijne knul. Hij vroeg mij niets en gaf mij meteen duizend gulden. Daarna heb ik op zijn kosten mogen eten en toen heeft hij mij in zijn Jaguar naar huis gebracht. Hier is het geld,” zegt Sjakie en hij wil mij het geld overhandigen.
“Stop maar weer weg bewaarder, ik zie dat wij nu zaken gaan doen.”
Sjakie haalt vijf pakjes Camel uit zijn zak en gooit die op mijn tafel. Zijn zakken moeten een meter diep zijn, want hij haalt er een voorwerp uit dat in zilverfolie gewikkeld is.
“Mijn vrouw heeft een cake voor je gebakken,” zegt de goede man bedrukt en vraagt dan wat ik gedaan wil hebben.
“Bewaarder, kijk toch niet zo benauwd. Ik verwacht geen achterlijke dingen van je en je kunt ieder moment, dat je wilt, van de afspraak af. Ik wil niet dat je iets tegen je zin doet, dat brengt ons alle twee maar in gevaar en daar worden we niet wijs van. Houdt het geld en zeg maar of je stoppen wilt.”
“Nooit van mijn leven, ik heb gezien dat ik je vertrouwen kan.”
“Jofel, luister dan bewaarder. Wat denk je hiervan?“
Ik leg hem uit dat ik noodzakelijk een paar dingen geregeld moet hebben om het vooronderzoek te bemoeilijken.
“Ik geef je een brief mee voor Bullie, daarin staat dat hij mij een zakformaat dictafoon met een paar minicassettes moet verzorgen. Wanneer ik dat heb, spreek ik een boodschap in op de band en Bullie kan je dan bij jullie volgende ontmoeting gelijk een band met het antwoord mee terug geven. Dat scheelt mij het schrijven van diverse brieven en verkleint de kans op ontdekking, bij een celcontrole. (Zoals gezegd waren er nog geen zaktelefoons in 1982) Tevens zal hij je een paar doosjes met slaapmiddelen meegeven, want ik heb nu al een paar nachten niet geslapen. Denk je dat dit teveel gevraagd is?”
“Hoe groot is zo’n bandrecorder?” vraagt Sjakie.
“De maat van een flink doosje sigaretten. Niet groter.”
“Dat is prima, dat doe ik voor je. Wil je anders nog iets?”
“Als het niet teveel moeite is, neem dan steeds wat sigaretten mee, die zal ik je apart betalen. Ik kan namelijk niet veel sigaretten kopen omdat ik niet werk in de gevangenis.”
“Gelijk heb je, die sigaretten krijg je van mij,” zegt Sjakie.
“Geen sprake van, die rug is schoon. Kan je straks die brief bij mij op komen halen?”
“Jazeker wel,” antwoordt Sjakie en laat mij dan weer alleen met mijn gedachten.
Na een kwartier heb ik mijn plan getrokken en begin mijn brief aan de Bul op te stellen. Ik verzoek hem de twee dictafoons te kopen met een paar minicassettes en vijf dozen..................
|