Sjakie de bewaker is nu ongeveer drie weken bij me in dienst en hij begint net zoveel aardigheid in onze overeenkomst te krijgen als ondergetekende. Hij heeft inmiddels dan ook een speciale jas gekocht om zoveel mogelijk van het door mij verlangde in één keer naar binnen te kunnen brengen. Verlegen of gierig is hij absoluut niet, want ik heb nu ruim tien sloffen Camel in mijn stalen klerenkast liggen.
De eerste transacties zijn weliswaar met wederzijds wantrouwen, maar toch gesmeerd verlopen. De mini cassetterecorder heb ik verstopt in het batterijenvak van mijn transistorradio. De tapes kan ik natuurlijk niet in de dictafoon laten zitten; ik heb ze met cellotape op de zwarte muurplint in mijn cel geplakt. Aangezien de tapes na verwijdering van de labels even zwart zijn als de plint, kan mijn cel een redelijk grondige controle doorstaan. Vaak moet ik zelf op mijn knieën over de grond kruipen om de voor export bestemde tape terug te vinden. Tot het moment dat de tape opgehaald wordt, is het dan wel even afzien. Ik spreek de tape namelijk pas in wanneer ik zeker weet dat Sjakie dienst heeft; dit om de kans op ontdekking zoveel mogelijk te beperken. Nog lijkt het eeuwen te duren tot de band opgehaald wordt. Tijdens dat wachten, verwacht ik dan ieder moment een celcontrole.
Tot nu toe is echter alles van een leien dakje gegaan en ik wacht nu vol ongeduld op een nieuwe tape van Bullie. Deze keer zal er ook een kwartliter whisky meegebracht worden. Een ieder heeft recht op een klein verzetje, vind ik, en gelukkig is Sjakie dezelfde mening toegedaan. De nachten breng ik niet langer meer wakend door, want een ruime voorraad slaappillen houdt mijn dictafoon gezelschap. De bewaarders worden steeds soepeler en menselijker, omdat ze mijn celdeur niet steeds open en dicht hoeven te doen. Gemiddeld bel ik één keer per dag om naar het toilet te gaan. Veel last hebben zij dus niet van mij.
Wanneer een ‘rode kaart’ uit zijn cel is, heeft het bewakend personeel de opdracht om hem met arendsogen in de gaten te houden, en vooral te voorkomen dat de geïsoleerde zich ook maar met iemand onderhoudt. Ondanks het feit dat ik al vele bekenden van mij in de gevangenis heb gezien, onthoud ik me van iedere vorm van conversatie met hen. Ik ben niet afkerig van een gesprek met een bekende, maar ik ben bezig met een experiment dat later vrucht af zal moeten werpen. Ik heb nu weliswaar alle beperkingen opgelegd gekregen, maar zodra die eenmaal opgeheven zijn, wil ik een maximum aan bewegingsvrijheid kunnen genieten. Van Sjakie heb ik al vernomen dat de meeste vlakbewaarders - de Deuk natuurlijk uitgezonderd - mij geen kwaad hart toedragen. Er wordt in termen van ‘een rustige, beleefde jongen’ en ‘o, van Haak heb je weinig last’ over mij gesproken. Kleine privileges worden mij dan ook inmiddels toegestaan. Wanneer er op het vlak ‘sportevenementen’ worden gehouden, wordt meestal mijn deur opengemaakt. Dan mag ik, als toeschouwer, op mijn stoel in de deuropening gaan zitten. Dit op voorwaarde, natuurlijk, dat ik mij van iedere vorm van conversatie met medegedetineerden zal onthouden.
De kunst is om je in je cel terug te trekken voordat de humane bewaarder in kwestie naar je toe komt om je te zeggen dat je weer je cel in moet. Ik bedank die bewaarder dan zo uitbundig dat het lijkt alsof hij me net een nieuwe Ferrari cadeau heeft gedaan.
Meestal krijg ik dan als antwoord dat de bewaarders de beperkingen zelf ook onmenselijk vinden, en dat ze, als ze eens een soepele gedetineerde ontdekken, hem dan zoveel mogelijk privileges toestaan. Nu lopen de meeste bewaarders echter wel op hun tenen voor het kader en de directie, dus wanneer er een brigadier of een directeur besluit zich even op het vlak te begeven, dan duikel ik met stoel en al mijn cel in. Ik trek mijn celdeur dan snel dicht om de goedmoedige bewaarder in kwestie een berisping te besparen.
Dit was de eerste fase. De tweede was om Sjakie sigaren mee te laten nemen. Ik rook geen sigaren, maar na ieder mij toegestaan privilege, hoe triviaal ook, geef ik de betrokken bewaarder een sigaar. Dus ik mag dan sport kijken. Dat is ook een verhaal en een half. Voetballen is erg populair hier, en je ziet de beurzenknippers, tassensnijders, junkies en drugsdealers achter de bal aan rennen alsof ze zich voorbereiden op een interlandwedstrijd. De prachtigste voorzetten zie je van de junks. De ballen komen dan meestal tegen een celdeur high op de derde verdieping terecht. De gauwdieven hebben de meeste aanleg voor voetbal, want die hadden op straat al leren rennen om zich tijdig uit de voeten te kunnen maken. Denkt u nu alstublieft niet dat ik van voetbal houd, want ik haat de sport. Maar door het tonen van gefingeerde belangstelling en dankbaarheid opent er zich weer een nieuwe deur naar een volgend privilege.
Ik heb de toiletroutine in de ochtenden veranderd door de tijdstippen te verleggen. Ik bel nu een kwartier voor koffietijd om naar het toilet te mogen. De ergste stank is dan voorbij en met een beetje geluk is het hok dan schoongemaakt. Dan kan ik met mijn voeten op de toiletbril gaan zitten om tussen mijn benen door te schijten. Als het eten van de vorige dag een beetje laxerend werkt, moet ik dan wel mijn kuiten wassen. Maar het is tenminste mijn eigen stront. In het begin maakte ik de fout om de excretie van feces en urine te combineren in deze hurkende ‘Tunekaanse’ positie. Daar een man in de morgen over het algemeen uitgerust is met een ferme opsteker, kunt u zich misschien voorstellen dat het niet zelden gebeurt dat ik tegen mijn gebogen knieën aan pis. Maar al doende leert men. Na het wassen keer ik dan op de reeds eerder omschreven wijze terug naar mijn cel, onder goedkeurende blikken van de bewaarders die dan innig tevreden een sigaartje staan te roken.
De koffie is dan inmiddels uitgereikt, dus de meeste bewaarders nemen meestal niet meer de moeite om mijn deur te sluiten. Dan kan ik op mijn gemak een paar sinaasappels uitpersen en mijn ontbijt nuttigen bij het genot van een openstaande celdeur. Meestal komen er wel een paar bewaarders met me staan praten. Dat is het moment dat mijn sigaren een eigen leven gaan leiden in de handen van mijn audiëntie. Dat heeft dan weer tot gevolg dat de één voor de ander niet het spits af wil bijten om mijn deur te sluiten. Die blijft dan open tot de Deuk of één van zijn blutsbroers hun sloffende tred vervangen door een sprint. Zij kunnen de aanblik van mijn openstaande deur maar met moeite verdragen. Mijn deur gaat dan weer dicht, maar ik boek vooruitgang.
Een van de toiletreinigers is een sketjunk die ik nog van vroeger ken. Hij heeft mijn routine opgemerkt en ‘timet’ het nu zo dat hij vóór mij in de toiletruimte aanwezig is. Ik krijg dan het laatste nieuws van hem en hij van mij sigaretten. Nu zijn de bewaarders niet echt helemaal gek en dit is hun dan ook allang opgevallen. Negen van de tien maken geen bezwaar, mits wij het maar niet te bont maken. Ik vraag Ron, de reiniger, of hij mij niet iedere dag een schone handdoek kan bezorgen. Dat vormt voor Ron geen probleem. Hij heeft als reiniger toegang tot de toiletruimte van de bewaarders. Hij pakt dan een schone handdoek uit de kast en hangt mijn gebruikte handdoek weer op voor de bewaarders. Kleine geneugten veraangenamen het leven aanmerkelijk in de gevangenis. “Jan, er is gisteren een gabber van je binnengebracht,” deelt hij mij nu mede.
“O, en wie is dat dan?” vraag ik.
“Kees Stompier,” zegt hij, mij nieuwsgierig aankijkend. “Ik dacht dat je dat wel wilde weten.”
“Ja, dat is prettig om te horen, Ron. Wil je duizend gulden verdienen?”
“Ik dacht het wel hè? Vertel me maar wat ik moet doen. Maar net als jij heeft Kees ook beperkingen.”
“Kun je ervoor zorgen dat je tegelijkertijd met hem in het washok bent, Ronnie?”
“Geen probleem, maar wat moet ik doen?”
“Zijn je kopstoten nog net zo hard als vroeger?”
“Harder Jan, en voor duizend gulden wordt Kees een week met de slang gevoerd. Het enige is dat ik bij een vechtpartij mijn baantje als reiniger verlies, maar ik doe het evengoed wel voor je.”
“Wanneer je doet wat ik zeg, verlies jij je baantje niet Ron. Integendeel, ik denk dat je een compliment van de directrice krijgt. Je bent toch volkomen afgekickt, nu?”
“Helemaal Jan, ik rook af en toe alleen nog een joint. Geen horse meer voor mij,” antwoordt Ron.
“Nou, luister dan. Wanneer Kees in het washok is, spreek je hem aan en geeft hem een sigaret. Wanneer hij die in zijn mond heeft en op je vuurtje wacht, dan geef je hem een paar kopstoten. Trap hem in elkaar en duw hem met zijn kop in de wc-pot. Dan trek je door, en je doet hem de groeten van mij. Ik wilde dat ik het zelf kon doen. Daarna loop je schreeuwend het vlak op. Je doet of je volkomen de kluts kwijt bent........
|