Als het niet kan zoals het moet, moet het maar zoals het kan.
Een wonder rond de vijftig
In Nederland zou mijn verhaal nu eigenlijk afgelopen moeten zijn. Het lag niet de lijn der verwachtingen dat ik nog criminele hoogstandjes zou gaan produceren. Uiteindelijk had ik in Schotland twintig jaar een vrij rustig en monogaam leven geleid, en met zevenenvijftig jaar staan de jonge beren ook niet meer voor je in de rij. Ik was me er dus goed van bewust dat ik geen komma meer achter iets kon plaatsen waar ik twintig jaar geleden een punt had gezet. Ook had ik die behoefte niet. Ik wilde rustig mijn leven uitleven achter de computer. Ik wilde mijn boek afschrijven en dat proberen uit te laten geven, en als me dat niet lukte, zou ik het als e-book op het internet zetten. De lezer ziet dat ik al weer met mijn toekomst bezig was, of liever gezegd wat daar nog van over was.
Waar dus ook niet op gerekend zou hoeven worden, was de mogelijkheid dat je op je zevenvijftigste verliefd wordt op een meisje van negenentwintig dat toevallig je pad kruiste, zoals het nog onwaarschijnlijker geacht zou moeten worden dat zo’n meisje ontzettend veel van je zou gaan houden. ‘A moneything’, hoor ik de lezer schimpen. We zullen zien. Ook zullen we zien dat me door een vriend wordt aangeboden om een laag stuk vreten uit de weg te laten ruimen. Dat zou het gemakkelijkst en verstandigst geweest zijn. Het had mischien een hoop ellende kunnen voorkomen, maar ik wilde de strijd zelf aan gaan. Met zevenenvijftig jaar, genoeg kennis en een leven van criminele expertise, voelde ik me nog wel in staat om dit karwei zelf te klaren, en ik heb het karwei geklaard. Behalve met twee karateleraren - tweede en zesde Dan – bond ik de strijd met half Noord Italië aan. Ik ben verhoord door de Polizia di Stato en ontweek behendig een aanklacht wegens smaad, bedreiging (alweer?) en chantage met geweld. Dat deed ik dus weer goed, nietwaar? Niet waar! Doordat ik blasé was geworden door al mijn overwinningen, maakte ik de tweede grote fout van mijn leven: mijn nieuwe vriendin dreigde de gevangenis in te gaan wegens ‘feiten’ waar ik zelf aan heb kunnen ontkomen. Als dat was gebeurd, zou ik eerst twee moorden gepleegd hebben, en daarna mezelf van het leven hebben beroofd. Ik heb het echter weten om te werken, zij het net aan!
Ik zou mijn verhaal het liefst aan Suzanne verteld hebben, maar haar moeder vertelde mij dat zij in scheiding lag. De echtgenoot, een advocaat –hoe kon het ook anders- was vastbesloten om Suzanne een zo groot mogelijke raggeling te geven bij de ontbinding van het huwelijk. Ik vroeg aan de oude vrouw of Suzanne nog steeds op hetzelfde adres in de P.C Hooftstraat woonde. De oude vrouw keek mij niet begrijpend aan en corrigeerde mij. Zij vertelde mij het juiste adres, dat ik noooit geweten heb. Tot nu dan! Ik vroeg haar of zij haar dochter wilde vragen, mij te bellen wanneer de scheiding achter de rug was. Gewapend met het adres zocht ik mijn oude vriend Arie K. op en betaalde hem tienduizend euro om een advocaat kort te laten trappen. Ik vroeg Arie om het telefoonnummer te tracen en Suzanne eerst een maand lastig te laten vallen met telefoontjes van ‘de jaloerse man van een voosnieze van de advocaat’. Dit zou voor Suzanne volkomen logisch en aanvaardbaar zijn, zodat de link naar mij niet gelegd zou worden. Het was het minste dat ik voor haar kon doen. Voor het moment echter heb ik dus geen andere keus dan het verhaal nu aan u, mijn lezers, te vertellen. In Noord Italië weten ze immers al dat ik even langs ben geweest.
Voor mijn van relaas moet ik de lezer mee terug nemen naar het mislukte ICT avontuur in Italie in 1999. Wanneer ik alleen ben, kook ik gewoonlijk zelf en houd ook zelf mijn huis schoon. Dit bleek in Italië onmogelijk, want ik was veel te druk met het werk bezig. Vrienden recommandeerden een hulp in de huishouding aan, en de volgende dag ontmoette ik mijn nieuwe assistente voor mijn eenmansgezin. Irene heette ze, en ze was vijfentwintig. We kwamen overeen dat ze het huis zou schoonhouden en mijn wasgoed zou strijken.
Irene vertelde me tijdens één van de weinige gesprekken die wij destijds hadden dat ze zwarte band karate was. Mogelijk heeft dat er wel wat toe bijgedragen dat ik me als een gentleman tegenover haar gedroeg. Het schenken van een kop koffie was het meest intieme gebaar in onze relatie. Verder was ik twee keer haar leeftijd en uit respect voor mijn vrienden wilde ik niets aanhalen. Ik ben niet knap, maar wel overtuigend. Als me het woord gegeven wordt, is er niet veel dat ik niet voor elkaar krijg bij de dames. En dat woord klonk bovendien ook nog aardig Italiaans, want ik spreek de taal vrij goed.
Op een dag kwam ik wat vroeger thuis dan normaal en trof Irene aan het werk. Ik was net naar een delicatessenwinkel geweest en vroeg haar of ze zin had met me mee te eten.
“No, mangio per vivere, non vivo per mangiare”, was haar antwoord, ofwel: ze at om te leven en leefde niet om te eten.
‘Die is gek’, dacht ik, ‘in de dojo zeker een ushiro giri tegen haar voorhoofd gehad.’ Tot zover dus de relatie van Irene en Jan in 1999. ‘Dat is dan niet veel’, hoor ik u denken. De multimedia-venture was, zoals reeds meegedeeld nog veel minder. Ik keerde dus naar Schotland terug.
In 2002 liep mijn relatie met mijn Schotse partner voorgoed op de scherpe Schotse klippen, waarop ik besloot voorgoed naar Nederland terug te keren. Ik huurde een huis in Noord Holland en kocht een GSM prepaid simkaart. Ik moest natuurlijk mijn gehele internationale kennissenkring van mijn mobiele Nederlandse nummer op de hoogte stellen. Dat kon mooi terwijl ik mij zat te vervelen in een hotelkamer. Ik stelde hiervoor een sms in drie talen op: Nederlands, Italiaans en Engels. Op mijn PDA (handcomputertje) deed ik een selectieve mailing. Alle Nederlandse contacten kregen de boodschap in het Nederlands, de Italiaanse in het Italiaans, enzovoort. Tevreden met het resultaat ging ik op bed tv liggen kijken.
Mijn rust werd prompt verstoord door een ringtone melodietje. Ik was toen al technisch genoeg om te begrijpen dat ik een sms had ontvangen – op mijn gloednieuwe nummer nog wel.
“Ciao Jan, sei di nuovo in Italia?”
De afzender had uit mijn rondschrijven begrepen dat ik weer in Italië was. Ik sms-te terug dat dit niet het geval was. ‘Maar naar wie moet die tekst eigenlijk heen?’ vroeg ik me af.
Er zat niets anders op dan alle Italiaanse nummers te doorlopen om de naam van de afzender te vinden.
“Leuk karweitje,” mopperde ik, maar mijn nieuwsgierigheid won het algauw. ‘Irene?’ vroeg ik mezelf vijf minuten later af. Ik wist niet eens dat ik haar nummer nog in mijn PDA had. Ik sms-te haar terug en verontschuldigde me na haar de situatie uitgelegd te hebben. Irene liet me daarop weten dat dat geen probleem was. Of ik haar wilde bellen als ik weer eens in Italië zou zijn. Ik heb deze keer maar niet gevraagd waarvoor, om een snedig antwoord te vermijden.
Een week later was ik ingeburgerd in mijn nieuwe Nederlandse onderkomen. Ik had Linguini al salmone gemaakt en liet die vergezeld gaan van een uitstekende Pinot Grigio. ‘Het leven is weer goed’, dacht ik tevreden. Nieuw huis, lekker eten, perfecte wijn, ik heb alles. Ik ben gelukkig!
“How about a woman?” vroeg een Engels stemmetje in mij.
Nee verrek, ik heb geen vrouw, wat dom nou zeg. Daar heb ik helemaal nog niet aan gedacht. Hoe kom ik aan een vrouw? De Pinot Grigio verschafte me de inspiratie die ik nodig had. ‘Irene is een vrouw - nou ja, bijna dan. Die kan ik echter alleen bellen als ik weer eens in Italië ben, al weet ik niet waarom. Maar ze heeft me niet gezegd dat ik haar niet vanuit Holland kon sms-en,’ concludeerde ik briljant. Dus stelde ik een sms-je samen: “Dag Irene, sorry als ik je lastig val, maar ik kom binnenkort weer in Italië wonen. Weet jij misschien een leuk appartement te koop of te huur?”
Het antwoord liet niet lang op zich wachten en het contact was gelegd. De volgende morgen vroeg ik mezelf af of ik wel goed bij mijn hoofd was. Ze was de helft van mijn leeftijd en de laatste keer dat ik haar uitnodigde om mee te eten, kreeg ik een bitsig ‘nee’ als antwoord.
Anyway, sommige mensen leren het nooit, dus ik onderhield gedurende een week sms-contact met een jonge vrouw die er, naar ik me herinnerde, toch wel plezierig uitzag. Wie schetst mijn verbazing toen ik een sms van haar ontving waarin ze me vroeg om haar te e-mailen? Ze kon de computer van haar broer gebruiken.
“Ziet zeker toch wel iets in mij dan”, sprak ik mijzelf moed in. Nou, schrijven compenseerde mijn gebrek aan mannelijke schoonheid, Irene wist niet wat haar te wachten stond. Ik trouwens ook niet. Ik had snel door dat ze een probleem had, en behalve in het uitlokken en creëren van problemen ben ik ook erg goed in het begeleiden en oplossen ervan, al zeg ik het zelf. Ik schreef haar als het ware de verkering in. Ik zal u de details besparen, maar na twee weken schreven wij elkaar als gelijken, terwijl ik angstvallig het onderwerp seks vermeed en vooral op haar problemen inspeelde.
Emotioneel begon ze zich te binden aan het beeld dat ze van mij creëerde, ondanks het feit dat ze zich me fysiek moest kunnen herinneren. In 1999 toen wij elkaar ontmoetten, zag ik er niet alleen uit als een trekhond, maar ik was ook nog eens 130 kilo licht. Daar was inmiddels wel verandering in gekomen, want zoals eerder al beschreven was ik in de laatste twee jaar veertig kilo afgevallen en had mezelf bovendien genezen van diabetes Type II.
‘Irene zal wel verbaasd staan kijken als ze nog maar de helft van me ziet. Nou ja, dat past dan mooi bij haar leeftijd, want die is ook de helft van de mijne’, mijmerde ik. Ik had altijd het gezelschap van jongere vrouwen genoten, maar dat werd de laatste jaren lastiger. Lastiger, maar niet onmogelijk. Op het virtuele papier klopte het dus allemaal mooi. Irene hing aan mijn digitale lippen en werd steeds vriendelijker tegen me. Het werd dus stilaan tijd om haar te gaan opzoeken. Daar moest ik dan wel voor naar Italië, twaalfhonderd kilometer verderop. Of niet gaan, natuurlijk.
‘That's no fucking choice’, dacht ik, dus ik e-mailde Irene, dat ik voor zaken naar Italië kwam. Mocht ik haar misschien uitnodigen voor een dineetje, voor alle vriendelijkheid die ze me betoond had? Waar het antwoord op een uitnodiging de laatste keer een dikke vette ‘No’ was geweest, deze keer was het een simpel Si. Zij schreef dat ze er echt naar uitkeek. Ze was niet de enige.
Ik was onderweg en trapte het gaspedaal zowat door de vloer van de auto. ‘Ik lijk wel een verliefde puber’, dacht ik, ‘terwijl ik zowat gepensioneerd ben.’ Ik nam prompt wat gas terug. Die Irene heeft zich een ideaalbeeld gevormd rond onze communicatie. In haar verbeelding is Brad Pitt nu onderweg, maar straks staat de kerstman voor de deur, niet met de cadeautjes, maar wel met de leeftijd. Naarmate Italië naderde, werd ik steeds mismoediger en begon steeds meer aan het succes van de onderneming te twijfelen. In Holland, met een fles wijn erbij, klopte het nog allemaal precies. Het kon niet mis, maar nu op een uur afstand van de Italiaanse grens ebte mijn vertrouwen in een goede afloop langzaam maar zeker weg.
“O, wat ben ik een kamerbreedgek”, gromde ik, terwijl ik mijn mobieltje pakte. Er kwam een sms binnen. Van Irene.
‘Jan, waar ben je ongeveer? Ik zie naar onze ontmoeting uit. Heb je drie jaar niet gezien. Ik overlaad je met zoenen zodra ik je zie. Bel me zodra je er bent. Ciao, Irene.’
Kijk dat was nog eens een leuke sms en ik ging weer rechtop in mijn stoel zitten. Over intimiteiten was nog helemaal niet gesproken, maar dat zoenen kon wat mij betrof wel op de agenda bijgeschreven worden. Irene…Irene…Irene…Irene… fluisterden mijn banden, terwijl ik over de Zwitserse autobaan zoefde. Net zoals Irene mij had geïdealiseerd, was ik in mijn verbeelding onderweg naar Claudia Schiffer.
Een vriend van me was zo vriendelijk geweest om me zijn vakantievilla aan het Gardameer ter beschikking te stellen. Zodra ik in Italië aankwam, zou ik hem bellen zodat wij elkaar bij de villa konden treffen. Hij zou mij mij dan de sleutels van het huis geven.
“Ciao, Stefano,” begroette ik de zoon van mijn vriend, die me bij de villa stond op te wachten.
“Ciao Jan, mijn vader kon niet komen, maar ik laat je alles zien wat je moet weten,” zei Stefano nadat wij elkaar omhelsd hadden. “Ik heb de verwarming al aangezet, maar die heeft een paar uur nodig om op temperatuur te komen. Het is nu nog een beetje kil binnen.”
Het was november en het was bijzonder koud binnen. ‘Fucking freezing is more like it’, dacht ik. Nadat Stefano me het een en ander had uitgelegd, vertrok hij weer, gehaast als alle knappe Italianen die een afspraak met een nieuwe vlam hebben. ‘Nou ja, wat moet hij ook met een ouwe schijtkast zoals ik?’ dacht ik, de televisie aanzettend. Ik zakte onderuit op de divan, die als een ijszak aanvoelde.
“Het mag van mij wel snel warm worden, het lijkt wel of ik in een slagersvitrine logeer”, mopperde ik, terwijl ik de verwarming ging controleren. Ik draaide aan wat knoppen, gaf een trap tegen de ketel en ging toen maar een kop koffie zetten om de kou uit mijn lichaam te verdrijven. Als het nog lang duurt, ga ik in mijn auto zitten. Er is verdomme ook altijd wat. Ik snapte ook niet dat Irene nog niet gebeld had. Zij werkte tot twee uur in een verpleeginrichting voor ouden van dagen en ik wilde haar daar niet bellen, omdat ze misschien wel moest overwerken. Ze had me verteld, dat ze hun mobieltjes onder geen beding mochten gebruiken of zelfs maar dragen tijdens werkuren.
Om zeven uur ‘s avonds had ik nog niets gehoord. Ondertussen was ik maar naar bed gegaan, want het was altijd niet te harden van de kou.
“Nou, dat is dan een leuk verhaal… Heeft die etterbak me voor niets naar Italië laten komen”, zanikte ik, gemakshalve maar vergetend dat ik zelf tegen Irene had gezegd dat ik voor zaken kwam. Nou, ze bekijkt het maar. Ik ben moe, ik ben koud en ik ga slapen.
Ooit wel eens geprobeerd om te slapen in een steenkoude kamer met een nog kouder bed? Zolang ik nog niet van hypothermie in coma raakte, maakte ik weinig kans om in slaap te vallen. Het bed had eigenlijk nu wel in vuur en vlam staan, na de constante stroom van vloeken en beledigingen die ik er op losgelaten had.
Negen uur. Mijn god, wat was het koud, dit was... Tring, tring. Telefoon!
Nee, geen telefoon. Een sms. Irene. ‘Ciao Jan, dove sei?’
“Nou, die zal ik eens een Hollandse oorwassing geven”, raasde ik terwijl ik met bevroren handen het antwoord invingerde.
‘Ciao Irene, waar ik ben? Wel, ik wist dat mijn Italiaans geen honderd procent was, maar ik wist niet dat ik in het Chinees met je had ge-smst. Ik heb je toch verteld dat ik naar het Gardameer moest?’
Tring, tring... Nu was het wel de telefoon, en ook Irene.
“Wat bezielt jou in hemelsnaam? Ik wist dat je naar het Gardameer moest, maar dat is veertig kilometer lang. Dat Chinees sms-en komt me voor als een belediging.”
“Doe ermee wat je wilt, ik lig hier in een ijskoud bed in een ijskoud huis, ik ben moe en ik kan niet slapen. En dan zit ik pas vanaf twee uur vanmiddag op je telefoontje te wachten. Vind je het gek dat ik geïrriteerd ben?”
“Jij zou mij toch bellen, Jan?”
“Zou ik?” vroeg ik, terwijl ik mijn eerdere smsjes nakeek.
“Je hebt gelijk, Irene. Sorry.”
“Zien we elkaar straks dan?” vroeg ze.
Dat was een vraag waarvan ik intussen had gehoopt dat die niet zou komen. Het laatste waar ik nu zin in had, was mijn bed weer uit te moeten, veertig kilometer naar Sarazzo te rijden en daarna met Irene in een disco te moeten rondhangen. En vervolgens zou ik dan weer veertig kilometer terug moeten rijden naar een ijskoud huis. Alleen. De laatste uren had ik opnieuw sterke twijfels gekregen over het slagen van deze onderneming. Bijna dertig jaar leeftijdsverschil... Eerlijk gezegd had ik ook de moed niet meer. De laatste twintig jaar was ik nogal monogaam geweest en ik was bang dat mijn versiertoeren en chat-up lines de tand des tijds niet hadden doorstaan. Opa was benauwd en dan was er ook nog de trivialiteit dat de enige stimulans die me mogelijk nog tot een tachtig kilometer lange reis had kunnen bewegen door de kou zo klein was geworden, dat ik dacht dat ik een gat in mijn buik had.
“Ik ben bang van niet, Irene, zoals gezegd ik ben moe van de reis, ik lig hier te verstenen en ben in een teringhumeur. Weet je wat? Als je mij wilt zien, je hebt een auto dus dan kom jij toch naar mij toe?” stelde ik voor.
Ik was mij er terdege van bewust dat geen enkele Italiaanse op zo'n voorstel in zou gaan. Naar een man die zij amper kon, in een huis waar ze nog nooit geweest was. Zo, daar ben ik voor vanavond vanaf, dacht ik. Maar ik vergiste me.
“Dat is goed, geef mij het adres maar en zeg me hoe ik rijden moet vanaf Salò.”
“Hoe laat denk je hier te zijn?”
“Ik ga mij even douchen en opknappen en dan kom ik naar je toe, ik denk met anderhalf uur of zo.”
‘Just like that’, dacht ik. Dat wordt dus minstens elf uur voordat ze hier is. Wat heb ik weer aangehaald? Je kunt zien dat ik oud word. Nu lag ik in mijn bed niet alleen van de kou te klappertanden, maar ook van de opwinding. De klok begon vanaf dat moment wel heel erg langzaam te lopen.
Ik schrok wakker van een claxon. Het was half twaalf en Irene stond aan de poort. Ik schoot wat kleren en een jas aan, blies in mijn hand om te controleren of ik het uit het spraakgat stonk en liep naar de voordeur. Toen de poort open was, zag ik het bekende zwarte Golfje de parkeerplaats oprijden. Er was iets niet goed met mijn knieën, want die trilden als asfalthamers.
“Ciao Jan, mincchia, sei calato tu, non ti conosco più...”
Zo elegant gekleed dat ik haar bijna niet herkende, stapte ze uit haar auto en gaf mij een hand en drie wangetjes. ‘Zeker vergeten, dat overladen met zoenen?’ vroeg ik me af. Misschien komt dat straks nog. Irene zag er bijzonder goed uit, behalve dan dat ze haar kapsel had veranderd: haar haar was overal een centimeter lang. Maar het misstond niet. Er was nog iets veranderd aan haar. Wat dat was, werd me niet onmiddellijk duidelijk.
“Zie je niets bijzonders aan mij?” vroeg mijn ex-hulp in de huishouding.
“Je haar?” probeerde ik.
“Nee, iets anders.”
“Je hebt je borsten laten verkleinen, of lijkt dat maar zo?”
“Waarom zou ik dat laten doen? Nee, ik vertel je het zo wel wanneer je het zelf niet ziet.”
“Ik zou mijn jasje maar aanhouden als ik jou was, het is niet bepaald warm hier. Wil je koffie?”
Ik draaide alle gaspitten open, stak de oven aan en liet de ovendeur open om een beetje warmte te creëren. We gingen aan de keukentafel zitten wachten totdat we er iets van merkten. Romantischer kon het bijna niet.
“Cazzo Jan, wat ben je afgevallen, ik herkende je niet meer. Ik dacht: dat is niet mijn Jan toen ik je zag staan. Hoe en waarom heb je dat gedaan?”
Ik deed haar mijn relaas.
“Knap hoor”, zei ze, nippend van haar koffie.
In de uren die volgden wisselden we wederwaardigheden uit. Ik liet vooral haar het woord voeren. Wat een mooie ogen heeft ze, dacht ik ondfertussen. Alleen dat haar, het is verdomme net of ik hier met een gozertje zit te praten. Dat zal toch niet zo wezen? Net wat ik net nog nodig heb, peinsde ik, haar met aandacht aanhorend.
“Ik heb op mijn werk gezegd dat ik een paar dagen vrij neem, zodat ik wat bij je kan zijn als je dat fijn vindt.”
“Natuurlijk vind ik dat fijn. Kunnen we tenminste eindelijk ’s uit eten gaan. Of eet je nog steeds alleen om te leven?”
“Wat was ik gek hè, Jan? Het erge was dat ik graag met je wilde gaan eten, maar ik wilde dat niet toegeven. Ik ben niet goed met mannen. Ik heb er later nog vaak aan gedacht.”
“Irene, je hebt dus tijd voor mij vrijgenomen?”
“Ja, hoezo?”
“Ik moet je iets vertellen. Jij bent altijd eerlijk geweest en ik wil dus ook eerlijk tegen jou zijn. Totdat ik mijzelf weg pensioneerde naar Scotland heb ik een nogal onorthodox leven geleid. Veel mensen in Sarezzo kennen me nog uit die periode, en er kunnen verhalen de ronde gaan doen als zij ons samen zien. Ik wil niet dat jij daardoor in verlegenheid gebracht zou worden, of thuis problemen zou krijgen.”
“Onorthodox als in malavità?” vroeg ze, de spijker op de kop slaand.
Ik knikte aarzelend.
“Dat wist ik al in 1999,” vervolgde ze alsof het de gewoonste zaak in de wereld was. “Toen de vrouw van jouw vriend Franco me aan jou had voorgesteld, vertelde ze me dat je bekend was in Sarezzo door het oplossen van bepaalde problemen voor fabrikanten. Klopt dat?”
“Ja,” bevestigde ik.
“Donatella zei dat je erg gezien was en het respect van velen had, behalve van de politie en de carabinieri.”
“Dat is juist.”
“Dan zullen we het daar maar bij laten. Wat je gedaan hebt, gaat mij niets aan. Ik was nog niet eens geboren toen dat speelde en ik ken je zoals ik je nu ken. Als je wilt, gaan wij gewoon door, maar evengoed bedankt dat je het voor me hebt bevestigd. Ik had mij al afgevraagd of je er ooit over zou beginnen.”
“Graag, dank je,” zei ik.
Hoewel er voldoende reden leek te zijn om te veronderstellen dat er meer speelde dan emailsentimenten alleen, besloot me voorlopig neutraal op te stellen. Ik wilde het moment niet verknoeien door naar dingen te vragen of te suggereren. Ik was weer de perfecte gentleman. Er waren ook andere redenen voor en één daarvan lanceerde ik nu: “Irene, wat is zo verschrikkelijk in jouw leven geweest?”
Zij keek me verstoord aan. Daarna zag ik tranen in haar ogen komen.
“Waarom vraag je dat?” vroeg ze met een dreigend kalme stem.
“Ik merk het aan je, Irene. Ik had het al gemerkt tijdens onze correspondentie. Je hebt een muur om jezelf heen gebouwd in de vorm van een koepel met allemaal tunneltjes eraan. Je komt door een tunnel naar buiten, steekt je hoofd om de hoek en trekt je dan weer in de koepel terug om later door een andere tunnel weer te voorschijn te komen. Ik heb geen recht om je zoiets te vragen, maar ik doe het met de beste bedoelingen. Misschien kan ik je helpen. Echt, Irene, wees niet kwaad, ik heb je altijd graag gemogen en als ik wat doen kan...” pleitte ik.
“Ik heb jou ook altijd graag gemogen, Jan, maar ik wilde je dat niet laten merken om je geen verkeerde indruk te geven. Ik mag je ontzettend graag en tijdens onze correspondentie zijn er gevoelens ontstaan die me een beetje bang maken. Je begrijpt me beter dan ik mezelf begrijp, en je weet steeds de juiste snaar te raken. Maar als ik het eerlijk moet zeggen, ben je uiterlijk mijn type niet, en daarnaast bent je veel te oud voor me.”
Later zal blijken dat Irene nooit een leugen vertelde, en dat die liberale omgang met de waarheid niet altijd even goed voor haar zou zijn.
Geraakt trok ik me achter mijn pokerface in mijn eigen koepeltje terug. Irene sprak verder.
“Toen ik dertien was, begon ik karate te leren. Er was een jongen van ongeveer vijftien met een bruine band, die altijd vriendelijk tegen me deed. Veel mensen hadden een hekel aan me, omdat ik vaak driftig ben. Maar die jongen, Stefano, lachte af en toe naar me en streelde me een keer over mijn hoofd. Ik vond hem leuk, maar hij had al een meisje, dus het is nooit iets geworden. Misschien had het ooit iets kunnen worden, maar de tijd was te kort.”
“Wat bedoel je, ‘de tijd was te kort’?”
“Stefano hielp zijn vader, die concierge op een school was. Op een dag stak Stefano voor zijn vader de boiler aan. Die ontplofte en Stefano ontplofte mee. Hij heeft er meer dan een maand over gedaan om te sterven”, antwoordde ze zichtbaar aangedaan.
“Oh Dio mio, mi dispiace Irene, het spijt me werkelijk”, reageerde ik geschokt, terwijl ik de aanvechting voelde om een arm om haar schouders te slaan. Het was lang geleden dat ik mezelf zo minderwaardig had gevoeld. Irene was negenentwintig, en terwijl ze er gewoonlijk uitzag als een achttienjarige, leek ze nu wel kind van twaalf, dat onbedaarlijk huilde.
“Is dat erg genoeg, Jan?” vroeg ze mij later.
“Vergeef me, Irene, maar ik voelde je droefheid al tijdens onze correspondentie. Ik wilde je helpen als ik kon. Geloof me, het laatste wat ik wilde is je van streek maken”, zei ik.
“Non va niente Jan, jij kon dat niet weten, maar af en toe wordt het me even teveel.”
Ik hield me angstvallig op de vlakte daarna en ondertussen was het twee uur geworden. Irene moest om zes uur ’s morgens weer naar haar werk. We besloten om elkaar de volgende avond weer te ontmoeten.
Toen zij vertrokken was, ging ik meteen naar bed. De kou voelde ik niet meer. Wel speet het me dat ik had doorgevraagd. Stumpertje, dacht ik ontroerd. Wat een ervaring voor een kind van dertien.
Maar het zou nog erger worden. Veel erger.
Ik wilde geen tweede nacht in die koude kolere villa doorbrengen, en het was me trouwens te ver van Sarezzo, waar Irene woonde. Ik bracht de sleutels dus terug naar mijn vriend, die zich verontschuldigde voor de kapotte verwarming en onmiddellijk een hotel in Sarezzo voor me reserveerde. Door het gebrek aan slaap, de vermoeidheid van de reis en alle opwinding was ik verinneweerd en ging in het hotel meteen naar bed om een paar uur te kunnen slapen. Irene werkte toch tot twee uur, daarna moest zij een huis schoonmaken. Dat waren klusjes die zij er nog steeds bij deed. Het zouden dus lange dagen worden.
‘Hotel Serina’ heette mijn nieuwe onderkomen. Een lekker warme, schone kamer met een flinke badkamer erbij, kortom bliss. Ik nam een douche en schoof onder de dekens. Ik sliep net toen een sms me wakker pingelde. Irene. ‘Ciao Jan, dove sei?’ Ik antwoordde dat ik nu ook in Sarezzo was en in welk hotel ik logeerde. Twee minuten later ging mijn mobieltje over.
“Je zit dus in Hotel Serina?”
“Jawel.”
“Heb je dat expres gedaan?”
“Expres gedaan, hoezo Irene?” vroeg ik.
“Als je uit je hotelkamerraam kijkt, is het eerste huis dat je ziet het huis waar ik woon.”
Ik zei haar dat ik dat ik dat natuurlijk niet geweten had, maar dat het me wel praktisch leek om in Sarezzo te logeren. Wij spraken af om die avond in het hotel te dineren.
Die avond gedroeg ze zich anders dan de avond ervoor. Gisteren was ze kalm en beheerst geweest, en nu deed ze nerveus, ongemakkelijk en een beetje bitchy. ‘Misschien omdat het zo dicht bij haar huis is’, vermoedde ik.
“Wil je liever ergens anders eten, Irene?”
“Nee, nee het is okay, Jan. Ik ben een beetje zenuwachtig, dat is alles”
Ik probeerde haar wat op te beuren met een van mijn flauwe grappen.
“Wil je even lachen, Irene?” vroeg ik terwijl we van een aperitiefje genoten.
“Ja, natuurlijk, hoezo?”
“Kijk eens in die spiegel daar dan”, duidde ik op een grote kamerhoge spiegel.
Zij keek even in de spiegel en toen naar mij. Ik schoof mijn stoel achteruit, omdat ik vermoedde dat er een asbak onderweg was naar mijn gezicht. Irene kon zich maar met moeite beheersen. ‘Dat bedoelde ze dus met dat driftig zijn, gisteren’, dacht ik.
“Sorry Irene, maar je bent zo down vanavond.”
Het werd een geforceerd etentje. Irene dronk bijna niets van haar wijn.
“Ik word duizelig als ik drink,” verklaarde ze.
“Dat worden we allemaal, het is een kwestie van aanleren.”
Irene vertelde me dat ze vijftien uur per dag werkte en al haar geld aan haar moeder gaf. “Mijn moeder heeft het niet breed en mijn vader was altijd dronken. Hij werkte haast nooit. Ik wil eigenlijk op mijzelf gaan wonen, maar ik heb nooit genoeg geld om iets te huren”.
“Wil je dat ik je help, Irene?” bood ik aan.
“Luister Jan, ik heb beloofd om deze tien dagen zoveel mogelijk bij je te zijn, omdat ik dat graag wil. Bied mij nog een keer geld aan en je ziet me niet meer. Het laatste wat ik wil, is geld van een kerel.”
“Irene, ik bedoelde het goed.”
“Dat weet ik, en daarom waarschuw ik je ook. Toch bedankt. Het was lief van je.”
“Maar waarom houd je zelf geen geld van je verdiensten? Waarom geef je alles aan je moeder?”
“Mijn moeder heeft gezegd dat ze me een jaarloon laat houden van het jaar voordat ik ga trouwen.”
“Je moeder heeft gezegd dat zij jou je loon laat houden?” herhaalde ik, niet gelovend wat ik zojuist had vernomen. “En wanneer trouw je dan wel? Je zult wel weer kwaad worden, maar dat moet je zelf dan maar weten. Ik kan het blijkbaar toch niet goed doen, maar hier is ie: nimmer heb ik zoiets belachelijks gehoord. Ik dacht dat de slavernij voorbij was.”
“Geloof me, Jan, ik ben door roeien en ruiten gegaan thuis en daarom wil ook weg. Maar mijn moeder zegt dat ik niets om haar geef als ik haar alleen laat.”
“Dat is emotionele afpersing, Irene, het komt mij voor dat als jouw moeder om jou geeft, ze jou je zelfstandigheid en misschien ook een beetje geluk gunt.”
“Je hebt gelijk, Jan, maar het is zo moeilijk.”
Ik moet bekennen dat ik stilaan verliefd aan het worden was. De aanblik van haar grote bruine ogen, af en toe vol tranen, deed me van binnen smelten. Dit had ik maar één keer eerder meegemaakt, en ik ben toch echt wel wat keren ‘verliefd’ geweest. Vreemd genoeg, Irene had een mooi lichaam voorzover ik het kon bekijken, maar seksueel deed ze me niet veel. Het waren haar gezicht, haar ogen, droefheid, naïviteit, haar openhartigheid.
“Irene, ik bied je geen geld aan, maar wel een oplossing.”
Het was alsof ze me niet hoorde. Ze keek telkens om zich heen, op haar horloge en dan weer naar haar bord. Toen stond ze plotseling op en zei: “Jan, je moet het me niet kwalijk nemen, maar ik voel me niet goed. Ik ben te nerveus en ben bang dat ik misselijk ga worden. Ik ga naar huis als je het niet erg vindt.”
“Nee, natuurlijk niet, Irene”, loog ik.
Buiten gaf zij mij de drie wangetjes en ik voelde haar warmte.
“Blijf even zo staan, Irene.”
Zij duwde me weg en liep de straat naar beneden in die naar haar huis voerde. Zij keek niet één keer om. ‘Zij voelt zich niet thuis tussen vreemde mensen, ze is bang voor haar eigen gevoelens en ze is bang om controle te verliezen. Irene heeft problemen. Ze moet over de streep getrokken worden’, filosofeerde ik.
“Stefano”, zei ik de volgende dag tegen mijn vriend, nadat ik hem over mijn ervaringen had verteld, “ga als je wilt even voor me naar de bloemist en laat die het mooiste bloemstuk maken waar hij toe in staat is. Schrijf dan deze tekst op een kaartje en lever het geheel af bij het huis tegenover Hotel Serina.”
“Dat werkt niet, zio (Ome) Jan”, zei Stefano, “mijns inziens moet u haar de tijd geven.”
“Tijd is het enige wat we niet hebben en de tijd die wij hebben gaat tegen me werken als ik niet iets drastisch doe. Geloof jij je ouwe Hollandse ‘zio’ nu maar, en doe wat ik je vraag. De tekst op het kaartje is de sleutel, en de bloemen zijn het voertuig voor het kaartje.”
Stefano ging op weg.
Die middag lag ik op mijn bed in het hotel en vroeg me af of ik het wel goed had gedaan. Ik had geen andere keus, het was een gouwe of een ijzeren.
Er kwam een sms. Irene. Ik antwoordde niet. Daarna telefoon, die ik liet gaan. Dit ging zo uren door. Ik viel steeds in slaap en ontwaakte evenzovele keren door mijn telefoon, die ik bleef negeren. Om elf uur ‘s avonds rinkelde de hoteltelefoon op mijn nachtkastje. Dat was de receptie, die moest ik wel beantwoorden. Opnieuw Irene.
“Jan, klootzak, ik ben beneden, als je niet binnen tien minuten buiten voor het hotel staat zie je me nooit meer”, raasde ze.
“Irene, dit wordt eentonig. Ik dacht gisteren al dat ik je niet meer zou zien en als jij me spreken wilt, wel, je hebt mijn kamernummer nu, dan kom je maar naar boven. Ik lig in bed en kom er niet meer uit. Nu weet je de voor- en de achterkant van het verhaal.”
“Jij verwacht dat ik als een del naar een man zijn hotelkamer kom?” informeerde ze onderkoeld.
“Niet als een del, maar gewoon als Irene - de Irene van zondagavond aan het Gardameer, de Irene met wie ik gemaild heb, de Irene die je eigenlijk altijd zou willen zijn. Nee, als del wil ik je zeker niet.”
Het was even stil, toen antwoordde ze: “Okay, ik kom eraan.”
Enkele minuten later werd er op mijn kamerdeur geklopt. Ik deed rustig aan met het openen van de deur, alsof ik echt in mijn bed had gelegen, terwijl ik opgefokt op de rand van het bed had zitten wachten.
“Dag Irene, heb je...”
“Wat denk jij wel dat je bent, dat je mij maar in de rondte kunt commanderen, en je neemt je telefoon niet aan en...”
Ik ging weer op de rand van mijn bed zitten en klopte op de plaats naast me. “Ga even rustig zitten, Irene.”
“Ik ga niet zitten en helemaal niet bij jou op het bed, ik zeg wat ik te zeggen heb en dan vertrek ik. Je ziet me nooit meer.”
“Waarom ben je zo kwaad? Heb je de bloemen niet ontvangen, waren ze niet naar je zin?”
“Ik heb de bloemen niet eens gezien. Mijn moeder belde mij op mijn werk via de receptie, om mij te vertellen dat er bloemen waren gebracht. Ze had het kaartje gelezen en dacht dat ik dat wel snel wilde weten.”
“Wat was er zo verkeerd dan met de bloemen of het kaartje?” vroeg ik liefjes.
“Je schreef: ‘Hierbij een blijk van mijn dank voor een prachtige zondagavond. Ik moet nu naar Rome en ik wens je een fijn leven toe’.”
“En wat is daar zo verkeerd aan?”
Ze begon te huilen: “Ik dacht dat ik je nooit meer zou zien, dat je kwaad was om gisterenavond, omdat ik me zo had aangesteld en dat je nu voorgoed vertrokken was. Ik heb je de hele middag proberen te bellen, de telefoon ging wel over, maar je nam niet op. Hoe meer ik belde, hoe wanhopiger ik werd, tot ik ook op mijn werk liep te huilen.”
“Maar waarom dan, Irene, ik ben je type niet en ik ben te oud voor je, en je schaamt je om met mij gezien te worden... Toen ik je gisteren vroeg om wat langer van je warmte te mogen genieten, liep je weg.”
“Ik weet niet wat het is, Jan, ik voel iets heel sterks voor je, maar ik begrijp het niet. Ik ben niet verliefd, maar het is wel een heel sterk gevoel. Ik dacht dat ik je voorgoed verloren had en ik werd wanhopig. Toen ik eindelijk thuis kwam van mijn werk, zag ik dat je wagen doodleuk voor het hotel stond. Ik werd woest en dat ben ik eigenlijk nog. Waarom nam je de telefoon niet op, Jan?”
“Als ik dat wel had gedaan had, dan had je nu hier niet gezeten, Irene.”
“Dus het was een spelletje dat je speelde?”
“Nee Irene, ik had de keuze om het op mijn manier te doen of de jouwe. De jouwe werkt niet, dat kunnen we inmiddels rustig stellen. Mijn manier werkt meestal wel, ik wilde naar Rome vertrekken, maar realiseerde me toen ook dat ik je nooit meer zou zien. Ik kon het dus ook niet. De telefoon, wel, ik wist niet goed hoe ik het weer om moest draaien, dus ik liet de dingen maar op hun beloop”, paste ik de waarheid aan. All is fair in love and war en dit was allebei. Het liegen kon ik mijzelf wel vergeven, het was voor het goede doel want ik wist ondertussen al dat leven zonder Irene mij helemaal niet zou bevallen.
“Je zei gisteravond in het restaurant dat je een oplossing had voor mijn dilemma thuis”, vervolgde ze.
“Die heb ik ook, maar jij wilt mij niet meer zien.”
“Ben jij een gedeelte van die oplossing dan?”
Dit had ik niet verwacht. “Min of meer wel, ja.”
“Je maakt me nieuwsgierig, wil je het me vertellen?”
“Liever niet, want ik zal wel weer nul op request krijgen, maar laat ik het je maar zeggen. Ik kan altijd morgen naar Rome vertrekken”, waarschuwde ik, “Dit is de deal Irene: ik koop of huur een appartement hier in de buurt. Jij trekt bij me in en je kunt je loon dan opsparen totdat je iets voor jezelf kunt huren. Wij hebben beiden ons werk, jij houdt het huis schoon en ik kook en was af.”
Irene keek me aan of ze water zag branden: “Jij vraagt me om met jou samen te gaan wonen, nadat wij elkaar anderhalve avond hebben gezien?”
“Ja, zo kun je het wel stellen.”
“Na anderhalve avond?”
“Waarom, wil je liever nog eerst een avond met mij uit, misschien?”
“Jan, je bent gestoord! Je kent mij niet eens en ik ken jou niet.”
“Ik ken je beter dan je denkt en het is een mooie gelegenheid om mij ook te leren kennen.”
“Naaaaaah, dit is belachelijk. Ik ben weg, hier.”
“Peccato”, zei ik.
“Wat is jammer?” vroeg Irene op weg naar de kamerdeur.
“Het is jammer, want ik houd van je, Irene.”
“Cosa?!”
“Ik zei dat ik van je houd. En zou jammer zijn voor ons beiden om niet van de nood een deugd te maken. Jij je eigen appartement en ik het genoegen van je gezelschap. Ik hield eigenlijk in 1999 al van je.”
“Daar heb ik dan nooit iets van gemerkt”, verweerde ze zich zwakjes.
“Je gaf me ook niet veel aanmoediging.”
“Het is beter dat ik nu maar ga,” zei ze zonder al te veel overtuiging.
“Wel, ik kan en ik zal je niet tegenhouden, maar volgens mij wil jij niet weg,” stelde ik, in bed stappend. “Heb je het koud, Irene?”
“Niet zo koud dat ik bij je in bed stap. Waarom denk je dat ik het koud heb trouwens?”
Ik zette mijn beide wijsvingers onder op mijn T-shirt, op de plaats waar het normaal kriebelt. Irene keek naar beneden en kreeg een rood hoofd.
“Je bent een schoft, Jan.”
“Niemand is perfect, Irene.”
“Ik ga nu weg.”
Irene liep naar de deur, twijfelde nog even zichtbaar en verliet de kamer. Niet al te teleurgesteld bleef ik achter. ‘Ik denk dat het wel gaat lukken’, mijmerde ik. ‘Waarom ik het doe, is mij een raadsel. Oké, het moment van de twee zichtbare opwindingen lieten mij niet onberoerd, maar de seks is het niet. Het zijn haar ogen’, besloot ik. Ik voelde dat ik het pleit zou gaan winnen, een pleit waarbij Irene echter de grootste winnaar zou blijken te zijn.
De volgende morgen kwam er een sms van haar.
“Wat ben ik gek hè, Jan? Je had echt gelijk, want ik wilde niet weg. In de gang wilde ik mij omdraaien, maar ik krijg teveel tegengas van binnenuit. Scusami, un bacio.”
‘Ik krijg alleen maar sms-zoenen’, dacht ik tevreden. Toen Irene me om vijf uur op kwam zoeken, deden wij wat boodschappen, bezochten vrienden van mij en aten wat kleine hapjes in een broodjeszaak. Ik was de gelukkigste Hollander in Sarezzo, misschien ook wel omdat ik er de enige Hollander was. Irene was perfect, al vermeed zij ieder lichamelijk contact.
Donderdag 14 november 2002 kwam de doorbraak. Het was me opgevallen dat Irene's mobiel niet alleen oud en lelijk, maar ook rijp voor de sloop was. De batterij moest om de haverklap bijgeladen worden. Ik besloot een mooi telefoontje voor haar te kopen, een echte inswinger en zo vrouwelijk als het maar kon. Tevreden en een paar kilo guldens lichter verliet ik de telefoonzaak. Irene stond op thuiskomen, dus reed ik de kant van het hotel op en trof haar op weg naar huis.
“Ciao, Jan.”
“Dag Irene, ik heb een cadeautje voor je.”
Irene pakte het uit, opende het doosje en nam de LG er uit.
“Is dat voor mij?”
“Ja, vind je hem mooi?”
“Te mooi. Wil je me kopen, Jan?”
“Met een telefoon? Nee, ik denk het niet. Maar je had er een nodig, ik vind je lief en ik liep een leuk apparaatje tegen het lijf. Het was dus meer een samenloop van omstandigheden. Vind je hem echt mooi?”
“Hij is prachtig, Jan, dank je wel”
‘Weer geen zoen,’ dacht ik.
“Jan, wij zouden vanavond toch in de Studiosette gaan eten?”
“Ja, hoezo, kun je niet?”
“Nee nee, dat is het niet, maar ik vroeg me af of je misschien dat huis van je vriend nog een keer mocht gebruiken. We kunnen dan daarheen gaan in plaats van te gaan eten. Ik vond het zo gezellig zondag. De sfeer was zo goed.”
Nu werd ik echt ondeugend.
“Irene, het is veertig kilometer naar San Felice, het huis is kouder dan een iglo, en na wat gekleum voor een open oven moet ik dan weer veertig kilometer terugrijden. Nee, liever niet.”
“Wij hoeven niet terug te rijden, Jan.”
“Hoe bedoel je? Je wilde toch niet blijven slapen?” informeerde ik naar de bekende weg.
“Ja, als je wilt, Jan,” zei ze schoorvoetend.
Ik dacht even na en antwoordde: “Va Bene, maar alleen als wij eerst lekker gaan eten bij Sergio in de Studiosette.”
“D'accordo”, zei ze.
Ik zal u het relaas van het diner besparen, maar was het uitstekend en de Brunello goddelijk. Irene dronk zichzelf duidelijk wat moed in.
“Doe rustig aan met die Brunello, Irene”, waarschuwde ik haar.
“Hoezo, is die wijn erg sterk dan?”
“Nee, maar wel hartstikke duur”, grapte ik.
De rit naar San Felice zou ik nimmer meer vergeten. Tupac zong: Until the end of time, en werd toen van de eerste plaats verdrongen door het enige goede nummer van Puff Daddy: ‘I'll be missing you’. De Brunello had op mij ook het gewenste effect, want ik zat hardop mee te zingen, terwijl Irene mijn hand vasthield. Jawel, Irene had mijn hand vast en legde die af en toe tegen haar wang. Ik maakte de meest onmogelijke bochten met één hand en mijn knieën, want wat mij betrof mocht zij die hand helemaal voor zichzelf houden.
Bij de villa aangekomen remootte ik de poort open en reed de parkeerplaats op. Nadat ik de huisdeur geopend had, liet ik Irene eerst naar binnen gaan om daarna de deur weer achter mij in het slot te doen. Dat was het moment waarop het alarm afging. Ongelooflijk. Het alarm was me gedemonstreerd door Stefano en ik had het nummer in mijn PDA en ja... U hebt het al geraden: die lag in het hotel.
“Godverdomme”, vloekte ik, “wanneer ik me niet gauw dat nummer herinner, worden wij gearresteerd door de carabinieri. Ik heb ook altijd wat bijzonders.”
Zonder erbij na te denken toetste ik op gevoel de achtcijferige code in. Het alarm stopte.
“Had je dat nummer uit je hoofd geleerd?”
“Nee, ik probeerde maar wat. We hebben puur geluk.”
Het was elf uur en zoals gewooonlijk stervenskoud, en ik had weinig bestek om weer voor het fornuis te gaan zitten. Romantischer dan nu kon het toch niet meer worden en wat de kou kon doen, herinnerde ik mij nog goed van de laatste keer.
“Ik weet niet wat jij doet, Irene, maar ik ga liggen. Hier is de gastenslaapkamer voor wanneer je liever alleen slaapt.”
Irene wilde niet alleen slapen. Wat nu volgt is sterk gecensureerd, want ik ben beter in de daad bedrijven dan in het beschrijven ervan. Laat me volstaan door te stellen dat Irene mij wederom verbaasde. Ze was overal om me heen, gromde en zei woorden die ik nooit gehoord had en ook zeker niet herhalen zou. Ik denk dat zij de slag won, maar ik kwam als een goede tweede uit de strijd.
Dat we die nacht weinig sliepen zult u wel begrepen hebben. Ik had een lamme tong. Nee, nee, niet daarvan, maar Irene was een zoenbeest en ik moest constant haar tong uit mijn mond vandaan vechten voordat zij mijn plaatje mijn keel indrukte. ‘God, die haat zichzelf straks in de ochtend’, waren mijn gedachten vlak voordat ik eindelijk in slaap viel.
’s Morgens stond ik koffie te maken toen Irene de keuken in kwam. Ze was erg stil en ging aan de kille keukentafel zitten.
“Wil je koffie, Irene?”
Ze mompelde iets terug, dus gaf ik haar een kop koffie. Dit was niet het moment om te praten, maar ik zei: “Irene, wanneer je twijfels hebt, wel, ik ben het alweer vergeten. Dan laten wij het hierbij.”
Dat was niet precies wat ik wilde, maar wat moest ik? This was cold light of a colder fucking day in an even colder fucking house.
“Nee, dat is het niet, Jan. Je zult me misschien niet geloven, maar dit doe ik nooit. Het was de angst van de week dat je weg zou gaan, denk ik.”
“Ik ben er toch nog, dus wat is het probleem?”
“Het probleem is dat ik nog nooit met iemand naar bed ben gegaan die zo oud was als jij.”
Aiaiai, dat deed pijn. Diplomatie was niet een van haar sterkste punten.
“Dat geeft toch niets, Irene, ik ben nog nooit naar bed geweest met iemand die zo lelijk was als jij.”
Dat deed haar weer rechtop zitten.
“Ik ben niet lelijk, en ik bedoel het niet hatelijk. Je kop is prachtig, maar ik zou niet op je lichaam vallen.”
“Bij jou is het precies andersom, Irene, je hebt een geweldig lichaam, maar je kop functioneert niet helemaal, en afgezien daarvan: ik heb je niet om je moeder horen roepen vannacht. Of eigenlijk wel, meerdere keren zelfs.”
Ik begon nu kwaad te worden.
De terugreis naar Sarezzo verliep grotendeels in stilte.
“Ben je kwaad Jan?” vroeg Irene terwijl zij mijn hand pakte.
“Welnee, ik krijg iedere dag minstens een paar beledigingen te verwerken. Zeg je dat ook tegen de oudere mensen waar je mee werkt?”
“Daar ga ik niet mee naar bed, sufferd. Wil jij je mobieltje terug?”, vroeg ze oprecht.
Ik schoot in de lach, terwijl ik mijzelf eigenlijk heel treurig voelde worden. De stumperd heeft meer problemen en frustraties dan ze denkt.
“Vanmorgen speet het me niet wat ik gedaan heb, zo achterlijk ben ik nu ook weer niet. Wat me eerder verbaasde is dat ik ervan genoten heb. Dat had ik nooit voor mogelijk gehouden, dat brengt me in de war.”
“Je bent in de war Irene, en je weet het. Ik ben eerlijk tegen je en ik zal je zeggen wat ik denk, of je nu kwaad wordt of niet. Je bent negenentwintig en je woont nog bij je moeder thuis die je uitneemt. Je hebt een goed hart en je wilt helpen waar je maar kunt. Je hebt geen eigen leven, noch zul je ooit je eigen leven kunnen leiden wanneer je zo doorgaat. De wereld houdt niet op bij Sarezzo, je familie kan gemakkelijk zonder je, zo ze al om je geven. Zo niet, dan gaat het enkel om wat je inbrengt. Je hebt je vijftien jaar lang uit laten nemen en je hebt problemen. Dit is de deal: wanneer je de aanblik en de aanraking van dit verouderende lichaam kunt verdragen, dan help ik je vooruit. Ik weet nu al dat ik je op een gegeven moment weer zal moeten loslaten, maar ik wil je helpen en als ik van jou een minder gefrustreerde en meer zelfverzekerde vrouw kan maken, ben ik meer dan tevreden. De enige voorwaarde die ik stel, is dat je er aan meewerkt. Ik kan het niet voor je doen, je moet het zelf doen, maar ik heb genoeg meegemaakt en ik kan je dus genoeg leren waarmee je wat gemakkelijker verder door het leven kunt”
Irene zweeg nog even en zei toen: “Jan, wat dat lichaam betreft, ik werk iedere dag met oude mensen en ik doe alles met liefde. Ik ben niet vies van oude lichamen en jij bent niet eens oud. Ik ben zeker niet vies van je lichaam, integendeel. Het is enkel dat ik mij dit nooit had kunnen voorstellen. Probeer me te begrijpen, ik heb twaalf jaar karate gedaan en ik heb natuurlijk ook wel vriendjes gehad. Die kwamen bijna allemaal uit mijn omgeving, uit de sportschool dus, en waren van mijn eigen leeftijd. Ik viel op atletische types, dacht ik. Er doen zich momenteel zoveel veranderingen in mijn leven voor dat het mij in de war maakt. Het ging te vlug voor me.”
“Nu niet meer dan?” informeerde ik.
“Het gaat nog steeds vlug, maar ik voel dat ik bij jou moet blijven. Mensen hebben me in 1999 al gezegd dat je erg capabel bent en bijzonder goed weet wat je doet, maar ook dat je supereerlijk bent en nooit een vriend in nood in de steek zal laten.”
“Dus we zijn het eens, Irene?”
“We zijn het eens, maar...Jan?”
“Si, Irene.”
“Jan, stel mij niet teleur, ik zou het niet meer kunnen verdragen. Ik heb nooit echte liefde gehad, noch thuis, van mijn ouders, noch van mijn vriendjes want dat was alleen maar seks. Ik heb behoefte aan liefde, want ik heb een kolere leven achter de rug. Stel me dus niet teleur, Jan.”
“Ik help je, want ik houd van je. Iets in me zegt me dat je mijn ondergang zult worden, maar dat risico neem ik.”
Hoe goed had ik het toen al gezien.
De komende tien dagen, die wij grotendeels samen doorbrachten, vlogen om. Gedurende die tijd had ik mijn plan iets veranderd. Het was natuurlijk eenvoudig om mijn spullen te verhuizen naar Italië en vervolgens met Irene samen te gaan wonen, maar ik wilde iets meer zekerheid. Het zou niet echt heel erg leuk zijn, wanneer ik net gesettled was in mijn nieuwe appartement in Italië en Irene gaf er om een of andere reden de brui aan. Ik bedoel, er kon wel een atletisch figuur voorbij komen, nietwaar? Ik was wel verliefd, erger, ik was er nu wel zeker van dat ik van Irene hield, maar ik wilde een verbintenis van haar kant, zodat wij beiden evenveel te verliezen hadden.
Ik kon haar natuurlijk niet om een getekend contract vragen, dus moest ik haar afstand laten nemen van haar zekerheden: haar familie (wat geen slechte zaak zou blijken), werk (wat alleen maar goed was, want het kind was oververmoeid) en haar vrienden (die geen vrienden waren, zoals ook algauw zou blijken). En dat was allemaal te realiseren door haar uit haar omgeving weg te halen en mee te nemen naar Holland.
“Ik heb een appartement gehuurd voor een paar maanden, Irene, en ik denk dat een paar maanden vakantie je geen kwaad zullen doen.”
“Ik kan toch niet zomaar mijn werk opzeggen, Jan?”
“Je kunt het als je wilt. Jij wilt je leven veranderen, dus bereid je erop voor dat het ook inderdaad gaat veranderen.”
Gedurende een paar dagen moesten we hier herhaaldelijk op terugkomen.
“Wij kunnen toch wel meteen hier gaan wonen, Jan?” wierp Irene weer op.
“Kunnen we wel, maar doen we niet. Jij wilt je leven veranderen, je bent bijna dertig en het is je nimmer gelukt. Jouw manier werkt dus niet. Misschien is het dus beter als we het op mijn manier doen. Verandering is waar het om gaat, en als je bedenkingen hebt, blijf je toch gewoon hier je centen aan je moeder afdragen. Ik vertrek vrijdag naar Holland, met of zonder jou.”
“Je laat mij geen keus, Jan.”
“Dan hoef je ook niet te twijfelen, Irene.”
Irene was niet overtuigd, maar zegde toch haar baan in het verpleeghuis op. Toen ze van het bezoek aan de directeur terugkwam, dartelde ze als een jong hert om me heen.
“De directeur zei dat ik dat zomaar niet kon doen, dat er een opzegtermijn was en dat ik anders mijn vakantiegeld verspeelde. Ik antwoordde dat ik kon doen wat ik wilde en dat hij mijn vakantiegeld dan maar moest steken waar de zon nooit schijnt.”
‘Je leert snel,’ dacht ik, en bedankte de directeur in stilte voor zijn medewerking.
Haar moeder zag met lede ogen vijfentwintighonderd gulden in de maand vertrekken en maakte dus geen salto’s van blijdschap. Ze kende haar dochter echter goed genoeg om het haar niet te verbieden, want verbieden liet Irene zich niets. Door niemand. De hele familie trok de trukendoos open, want die zagen een kostwinner, babysitter, taxichauffeur en duvelstoejager vertrekken.
“Hoe kun je zo je moeder zo achterlaten?” vroeg Irene’s schoonzuster.
“Ik heb vijftien jaar voor haar gezorgd, en ik ben ervan overtuigd dat wanneer jij nu eens een beetje financieel bijspringt, ze het heel aardig gaat redden”, antwoordde Irene geagiteerd.
“Hij is bijna dertig jaar ouder dan jij”, zei haar even oude broer.
“Dat is dertig jaar meer ervaring dan jij, en van jou heb ik nimmer iets kunnen leren.”
Op die manier werkte ze de hele familie af, en ik was trots op haar. Ze had naast haar andere problemen ook een communicatieprobleem, zoals algauw zal blijken. Dat probleem verdween echter op slag als ze zich kwaad maakte, en daar was niet zoveel voor nodig.
“Je neefjes zullen je gaan missen”, probeerde haar zuster.
“Dan maar goed dat jij er als moeder voor ze is om ze op te vangen. Misschien kun je het ze uitleggen in de uren die ik normaal gratis bij je aan het babysitten was, na een werkdag van vijftien uur.”
Dit was de tegenstrijdigheid die me toen al bezighield: Irene was wereldvreemd en superonzeker. Ze was nauwelijks in staat om iets te beredeneren of te analyseren, maar in een fractie van een seconde kon ze van een extreem introvert kind in een zelfverzekerde, gevatte en scherpzinnige vrouw veranderen. En al wat daarvoor nodig was, was kwaadheid en kwaad werd zij heel snel. Te snel.
In Holland was natuurlijk alles nieuw voor haar. Ze keek haar ogen uit. Ik nam haar mee naar wat vrienden uit mijn verleden en Irene vond alles prachtig. Ik vond het ook leuk en mijn manlijke trots kwam best aan zijn trekken, want Irene zag er niet verkeerd uit. Ze was best wel een looker en had precies datgene waar een hoop mannen op vallen. In haar naïeve periodes kon ze je zo aankijken met die hertenogen, dat de rest je al niet meer interesseerde.
“Hoe krijg je het toch weer voor elkaar, jij vieze ouwe vent?” vroeg mijn beste vriend Rein.
“Vraag het maar aan Irene”, stelde ik voor
“Hoe kan dat nou gek, ik spreek toch geen Italiaans?”
“Kijk, daar is je antwoord”, lachte ik.
We winkelden en dat vond Irene prachtig, maar ze wilde niets van mij aannemen.
“Als ik iets wil hebben, koop ik het zelf”, zei ze dan.
“Waarvan?” informeerde ik.
Foutje. Ruzie. Maar dat duurde nooit lang bij Irene, want dan zocht ze vanzelf mijn hand weer, althans, als we weer alleen waren. Ik heb wel eens mijn handen willen laten onderzoeken; ik wist dat ik met mijn handen goed uit de voeten kon, maar verder vond ik er niet veel bijzonders aan. Irene dacht daar anders over, maar zij pakte nooit mijn hand op straat of wanneer er vreemden in de buurt waren. Later bekende zij mij, dat zij dacht dat iedereen naar haar keek, wanneer zij mij een hand zou geven.
“De mensen kijken hier niet eens wanneer een vrouw met een veel oudere man hand in hand loopt”, verwonderde ze zich.
“Je bent nu in de bewoonde wereld. Irene.”
’s Avonds tegen etenstijd kwam ons moment. Ik kon wel dingen koken, maar het waren geen culinaire hoogstandjes.
“Ik maak het huis schoon, was en strijk, en jij kookt, want dat kan ik niet”, liet Irene mij geen keus.
‘Nou dan leren we dat ook maar weer’, dacht ik, want ik leer snel. Vaak lag ik ‘s nachts wakker. Wanneer Irene in diepe slaap verkeerde, lag ik recepten uit te denken. Het vreemde was, dat wanneer het in mijn voorstelling klopte, het de volgende dag in de keuken ook zo was.
“Wij blijven leren, amore”, zei ik tegen haar, als ze me weer eens vroeg hoe ik aan een bepaalde combinatie van ingrediënten was gekomen. Inmiddels was Irene ook wijn drinken gaan waarderen en onze maaltijden waren het hoogtepunt van de dag. De dag, zeg ik. De nachten, daar kom ik misschien nog op terug, maar misschien ook niet. Wanneer we uitgegeten waren, stond Irene van tafel op en kwam naar me toe om kruislings over mijn schoot te gaan zitten. Dan staarde ze me met die onschuldige ogen aan, bekeek me heel aandachtig en omhelsde me dan. Dit waren momenten die ik nooit vergeten zal.
En de nachten? Wel, voor mij gingen de jaren tellen, dus ik moest met mijn verstand componeren. Ik herhaalde de ouverture een keer of zes, variërend van largo, adagio met een vrolijke rondo finale, tot de viool tekenen van vermoeidheid begonnen te vertonen. Dat kwam mijn moment en besloot ik met de ‘1812’ van Tschaikovski, waarbij hier niet Napoleon, maar Irene verloor - of won en de componist bedankte door tegen mijn rug aan te kruipen en te repeteren: “Ti amo, Jan, ti amo, ti amo tanto, Jan.”
Op andere nachten sloot ze het concert af met een huilbui.
De ochtenden waren vaak moeilijk. Ik zag al aan haar gezicht wat voor dag het zou gaan worden. Eerst dacht ik dat ze aan ochtendziekte leed, omdat er weinig voor nodig was om haar over de rooie te jagen. Daar er totaal geen patroon herkenbaar was, dacht ik vaak dat ze bedenkingen over onze relatie had, maar het mij niet wilde zeggen. Tevens heb ik gedacht, afgaande op bepaalde indrukken, dat zij op schoppenaas loerde en op haar voordeel uit was, maar wat voor voordeel?
Ze wilde zelden iets van me aannemen. Dat waren momenten dat er zich heftige ruzies voordeden. Wij vochten als leeuwen en beren, waarbij ik goed op moest passen dat ik geen vinger in mijn oog kreeg, of dat er een testikel aan haar schoen bleef hangen. Irene was net een kat en ze was razend snel. Wat ze niet zo leuk vond, was dat ik ook karate beoefend had en haar slagen en schoppen nog wel wist te pareren. Ik had haar een rechtse op haar kaak kunnen geven, maar dat was me te makkelijk. Na zo’n ruzie pakte ze mijn hand of omhelsde me en bood vervolgens herhaaldelijk haar excuses aan. ‘Het zal toch geen stouterdje wezen’, veronderstelde ik. Irene was een moeilijke prater en wanneer ze in een van die buien was, wilde ze nergens over praten. Later vertelde ze me dat het negatieve gedachten waren die haar treurig en soms ook kwaad maakten. Dat was wanneer ik begon te veronderstellen, dat Irene last van bipolaire stoornissen had. Maar zo eenvoudig lag het ook weer niet.
Op een avond kwam Irene na het eten niet naar me toe.
“Ik moet je iets vertellen, Jan”, zei ze zacht, zichtbaar al haar moed vergarend.
“Dat voel ik al, Irene, maar je moet niets. Je vertelt het me wanneer je er klaar voor bent en mij volledig vertrouwt.”
“Ik vertrouw je, Jan, ik heb vaak gedacht om er met iemand anders over te praten, maar op het laatste moment bedacht ik me dan weer. Maar ik moet erover praten, omdat ik wil dat jij het weet.”
“Ik denk dat ik het al weet, Irene, was het je vader?”
Zij keek mij verbaasd aan. “Hoe kun je weten wat...?” Ze pauzeerde een mmoment. Een minuut later zei ze: “Nee, het was mijn oom.”
Dat kwam me vertrouwd voor. Even zag ik het gezicht van Mick voor me. “Hoe oud was jij, hoe oud was je oom?”
“Ik was dertien en mijn oom zal toen eind dertig zijn geweest”.
“Vertel me wat je erover kwijt wilt, neem de tijd ervoor.”
“Ik was dertien jaar en armoede was troef thuis. Mijn vader was dronken of zat ergens in het buitenland. Wanneer hij thuis was, was er altijd ruzie. Mijn broer en zuster werkten allebei al en droegen bij in de huishouding.”
“Die ook al?” schampte ik.
“Ja, maar die gingen daarna snel het huis uit. Ze hebben nooit zoveel hoeven afdragen als ik. Hoe dan ook, mijn oom dreef een mobiele kruideniershandel. ‘s Avonds gaf hij les in karate.
Hij vroeg mij eens: “Waarom ga je ook niet aan karate doen, Irene?”
Ik wilde dat wel, want ik had totaal niets thuis. Mijn moeder was er zwaar op tegen, maar mijn zuster en vader zeiden: “Laat dat kind toch gaan als ze dat wil.”
Ik was dolblij. Mijn oom, die tegenover ons woonde, nam me altijd mee in de auto en bracht me later weer thuis. Ik vond het prachtig om aan karate te doen en ik heb mij er helemaal voor ingezet. Echter na een paar weken begon hij dingen te vragen en handtastelijk te worden.
‘Groeien je tietjes al, Irene?’ vroeg hij bijvoorbeeld, en hij probeerde me dan te betasten, of hij vroeg: ‘Heb jij wel eens een pik gezien?’
Ik zei dat ik er niets van wilde weten, en dat hij ermee op moest houden omdat dat ik het niet leuk vond. Hij stopte dan, maar begon de avond daarna gewoon weer opnieuw.”
Ik viel Irene hier in de rede: “Kon je er niet met je ouders over praten?”
“Zoals ik al zei, mijn vader was vaak weg en met mijn moeder dorst ik er niet over te praten, omdat ik bang was dat ik dan geen karate meer mocht doen. Drie maanden heb ik die avances afgeweerd en hem verteld te stoppen, maar hij ging gewoon door. Hij liep constant met zijn verstand uit zijn broek en probeerde zich door mij te laten betasten.”
Hier stopte Irene. Ik wachtte geduldig tot ze weer verder ging, want ik zag dat zij emotioneel begon te worden.
“Weet je nog dat ik je vertelde van Stefano, Jan?”
“Ja, die jongen die zo verbrand was.”
“De dag dat Stefano overleed, was ook de dag dat mijn broer trouwde. Ik moest mee naar de bruiloft, of ik wilde of niet. Ik wilde niet, want ik was zo verdrietig, de enige persoon die ooit vriendelijk tegen me was geweest, was na een lange lijdensweg gestorven. Ik schreeuwde dat ik niet meeging, maar mijn moeder sloeg me met een bezem het huis door. Ik moest en zou mee naar de bruiloft. Ik herinner me dat ik die hele dag gehuild heb en dat mijn moeder zei: “Stel je toch niet zo aan, Stefano was immers niets van je.”
Ik was zo kwaad op mijn moeder, zo verdrietig om Stefano. Die avond werd Stefano herdacht in de dojo. Iedereen huilde. Toen wij naar huis gingen, begon mijn oom over Stefano te praten in de auto. Ik huilde en huilde. Mijn oom begon mij te troosten, te zoenen en betasten. Toen is het gebeurd. Ik had me er al die tijd tegen verzet, maar ik was overmand door verdriet. Tuis had ik niemand waar ik het mee bespreken kon en ja: ik denk toch ook dat ik op mijn manier blij was met de aandacht die mijn oom me gaf. Hij was een afgod van alle pupillen. Ik weet dat het verkeerd was, maar het is gebeurd. Die smeerlap heeft gebruik van de situatie gemaakt, maar ik ben net zo schuldig…” Ze huilde het nu uit. “Ik had het tegen mijn moeder of broer moeten zeggen.”
“Praat niet zo achterlijk, Irene, je was een kind van dertien. Je bent nu bijna dertig en je bent af en toe nog steeds een kind. Ik kan mij echt voorstellen hoe je was met je dertiende. Je oom had een dubbele vertrouwenspositie, als oom en als leraar. Je was behalve een kind ook hevig geëmotioneerd door verdriet en hij heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt. Alle ingrediënten waren aanwezig voor een recept van onheil. Hoe is het afgelopen, amore?”
“De volgende dag wilde hij weer beginnen, maar ik weerde hem af. Ik wist dat het niet goed was, maar hij zei...”
“…dat hij het tegen je vader zou gaan vertellen. Iedereen zou zeggen dat je een slet was. Niemand zou jou geloven.”
Irene keek me verwonderd aan. “Hoe kun je dat weten, Jan?”
“Het is het klassieke pedofielen patroon. Ze waarschuwen het kind om het aan niemand te vertellen, omdat je dan als hoer of als viezerik wordt beschouwd. Tegelijkertijd dreigen ze het aan de ouders te gaan vertellen, wanneer het kind niet meer wil meewerken.”
“Zo is het precies gegaan Jan, precies zo.”
“Hoe en wanneer stopte het?”
“Het heeft drie jaar geduurd en toen heeft hij mij verkracht met geweld, omdat ik niet wou meewerken.”
“Je bedoelt…”
“Ja, ik heb gevochten, maar hij hield me in een greep en ik kon me niet verder verweren. Hij deed het met geweld, god ik heb nog nooit zo'n pijn gehad,” snikte Irene, “De eerste keer dat hij me weer benaderde, zei dat ik het tegen mijn vader en broer zou gaan vertellen. Ik weet niet of ik het gedurfd had, maar ik zag hem schrikken. Dat moedigde mij aan om door te gaan en te zeggen: “Ik vertel het aan mijn vader en mijn broer en als je me toch weer aanraakt, steek ik je een mes in je keel. Ik zweer dat ik het gedaan had ook. Niets interesseerde me meer. Ik wilde dat het over was… over, over…!” schreeuwde Irene, haar vuisten op tafel slaand.
Ik moest haar uit laten razen, want het laatste waar ze nu behoefte aan had was de aanraking van een vent.
“Vanaf die tijd is er nooit meer iets gebeurd, al maakte hij af en toe wel opmerkingen in de richting. Het is ook mijn schuld, dat weet ik, want ik had het gelijk tegen mijn ouders moeten zeggen. Ik denk dat mijn vader, ondanks wie hij was, mijn oom vermoord zou hebben.”
Er viel een stilte. Ik dacht na.
Na een tijdje vroeg Irene: “Ben je kwaad op me?”
Nu schoten de tranen mij in de ogen en ik zei: “Irene, niemand met een greintje verstand zal kwaad op je kunnen zijn of je daarvoor veroordelen. Maar het is goed dat je het nooit aan een van je vriendjes hebt verteld, want die hadden het niet begrepen. Je zou gelijk het predikaat slet opgelegd hebben gekregen. Afgezien van het feit dat Italianen superjaloers zijn, voelen ze zich tevens in hun mannelijkheid bedreigd. De conclusie was geweest dat je erom gevraagd had.”
|