Homepage...
Zonde van de eerste steen
 
Autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

VOOR MIJN VRIEND BOUKE II

‘Ik wens u verder veel succes met uw zaak’, zei de rijksrechercheur.

Je zweeg, terwijl je mijn hand losliet. Ik dacht van de gelegenheid gebruik te kunnen maken om de cassette in de bandrecorder te verwisselen, maar je gebaarde me stil te zijn en te luisteren. Ik keek over de hoogvlakte, waar in de verte de contouren van de berg Schiehallion zichtbaar waren. Ik spande me in om te horen wat jij blijkbaar hoorde. Je sloeg je arm om mijn schouders en hield je hand voor mijn mond. Ik begreep niet wat er gebeurde, maar hield me stil. Schiehallion verdween langzaam uit het zicht door een plotseling inzettende mist. Toen hoorde ik een vreemd geluid.

Muziek? Ja, het geluid van een doedelzak. Het zicht was nu gedaald naar tweehonderd meter en de klaagzang van de doedelzak werd beter hoorbaar. Er overviel me een gevoel van onheil. Niet lang daarna doemde een bewegende mensenmassa voor ons op. Ik hield mijn adem in. Je trok me dichter tegen je aan, terwijl je gefascineerd naar de menigte keek die nu langzaam tot een leger transformeerde. Een leger in de Grampian Highlands? Wat een onwerkelijk, spookachtig beeld... Benauwd hervatte ik mijn ademhaling.

Terwijl het leger op ons af marcheerde, voegden twee andere legers zich vanuit het zuid- en noordwesten met de honderden anderen samen. “Montrose”, fluisterde je, en vertelde me wat er hier eeuwen geleden was gebeurd: dat het als het ware weer 2 februari 1645 was, en dat de twee samenvoegende legers de Ierse flanken van het Highland leger van de Markies van Montrose waren. Alaisdair MacColla voerde de rechterflank aan en Magnus O'Cahan de linkerflank. Alleen het geluid van de doedelzak was hoorbaar. Het inmiddels samengevoegde leger marcheerde in volslagen stilte op jullie af.
“Het klopt niet”, fluisterde jij weer. “De slachting van de 1700 Campbells vond plaats bij Inverlochy, aan de voet van de Ben Nevis, en niet hier bij de Braes of Foss…”

Ik kreeg kippenvel op mijn armen toen de eerste ruiters ons op nog geen twee meter afstand passeerden. Alaisdair MacColla gooide het nog uit de hals bloedende hoofd van Sir Duncan Campbell of Auchinbreck voor onze voeten neer. Ik gilde het uit van angst.
Toen ik weer bijkwam, was de mist opgetrokken. De legers waren verdwenen. Mijn hoofd lag in je schoot en je streelde mijn gezicht. Ik trilde over mijn hele lichaam. “Mijn God, wat… was dat? Heb jij het ook gezien? Was het echt?”
“Echt genoeg dat ik het ook heb gezien, Suzanne’, zei je. Je klonk rustiger dan je je voelde, want ook jouw vingers trilden.
“Hoe kan zoiets gebeuren, dat is spooky,” zei ik, “laten we alsjeblieft naar de camper teruggaan, Jan.”

Jij pakte de gevallen recorder op en liep met me terug naar de camper. Daar zag ik je onbeweeglijk naar je horloge staren. Nadat je minuten achtereen gezwegen had, zei je: “Het is vandaag precies driehonderd veertig jaar geleden dat de Battle of Inverlochy plaatsvond, Suzanne. Het is vandaag 22 februari, en ik ben geboren in 1945”. Ik keek je niet-begrijpend aan. “Misschien dat de combinatie van data iets te betekenen heeft”, vervolgde je. “En dan is er nog het feit dat jij tien jaar jonger bent dan ik, dus de driehonderd veertig jaar is eenvoudig te herleiden.” Ik deed maar of ik je kon volgen, en je sprak verder. “Heel Schotland is sinds AD85 - en dat is dus precies negentienhonderd jaar geleden - eigenlijk één groot slagveld geweest. Ik ben absoluut niet bijgelovig en geloof ook niet in geesten. Toch moet ik je bekennen dat ik hier al eerder zulke ervaringen heb gehad. Misschien is het het Schotse landschap, in combinatie met dat sombere weer en al die veldslagen die zich hier hebben afgespeeld. Ik weet het niet, maar het lijkt erop dat dat je fantasie hier parten speelt of zelfs bepaalde visioenen oproept, zoals dit... Een blik in het verleden, misschien?”
Je leek net zo ontdaan als ik. Zwijgend opende je de halfvolle fles Glen Moray en schonk twee glazen in.

Nadat we het nodige gegeten en nog meer gedronken hadden, vroeg ik of je zin had om je verhaal van Bouke Boomstra te vervolgen. Je knikte en begon onmiddellijk. Net als ik had je behoefte je gedachten te verzetten.

“Hé Jan”, riep iemand achter je, terwijl jij met je gevulde ochtendspiegel over de tweede ring van het Huis van Bewaring liep. Je keek om en zag een boomlange knul op je af komen.
“Jan Haak toch? Van de Nieuwmarkt, Cafe Markzicht, Rooie Simon, ja?”
“Ja, dat klopt, ik ken jou ook wel, maar je naam schiet me niet te binnen”, loog je.
“Bouke, Bouke Boomstra.”
“Dat is waar, nu herinner ik je me weer”, loog je opnieuw om de knul die alle karakteristieken van een heroïnejunk vertoonde niet voor zijn hoofd te stoten. Zou trouwens ook best moeilijk geweest zijn, want Boomstra deed zijn naam eer aan. ‘Breed skelet’, merkte je op. ‘Zal in zijn goede tijd best een beest geweest zijn. Hij ziet er nu nog niet uit om in te vuile was te zwiepen.’
“Bouke, gabber, laat mij even die pan met warme soep leeggooien en kom dan naar het washok. Ik heb alle beperkingen, en als ze me zien praten, gaat mijn deur weer dicht.”

In het toilet vertelde Bouke je dat hij gearresteerd was voor een steekpartij toen hij horse (heroine) aan het scoren was. Hij was niet onvriendelijk en kende verschillende leden van de Amsterdamse penoze. Toen hij vroeg waar jij voor gearresteerd was, vertelde je hem dat je verdacht werd van amfetaminesmokkel naar Zweden.
“En je bent natuurlijk ook onschuldig, net zoals die Dennie Hokter. Die zit daar ook voor.”
“Zit die Hokter hier ook?”
“Ja, die deelt een cel met Kerrie Foch. Die zitten de hele dag met zijn tweeën aan de charlie (cocaine).”

Je had met Dennie Hokter indertijd een uiteenzetting gehad en waren nu niet bepaald goede vrienden. Ook Kerrie Foch en jij hadden elkaar niet hoog staan.

“Heb jij tabak, Jan?” Je besloot Bouke maar te adopteren, want het kon geen kwaad om iemand te hebben die over je schouder keek, ondanks dat je beperkingen had.
“Ja, ik laat zo wel een pak tabak door een bewaarder naar je cel brengen. Heb je geld voor de kantine?”
“Haast niets, Jan, ik moet eerst werken.”
“Ik laat wel een meier op je rekening storten, die kun je me buiten wel terugbetalen.”

Bouke wist niet hoe hij je bedanken moest, en als de situatie het ook maar even toeliet, zocht hij je op.

Op een dag passeerden Dennie Hokter en jij elkaar op de ring. Dennie schampte: “Meer in de dope te verdienen dan aan een kut hè, Haak?”
“Niet wanneer je alles weer door je neus naar binnenduwt of van het Chinese zilverpapiertje snoept”, kaatste jij terug.
“Zal ik die Hokter even voor je met een schaar in zijn keel prikken?” vroeg Bouke. Je sloeg het vriendelijke aanbod af, maar hield het in gedachten. Ondanks zijn driftige karakter was je Bouke in de afgelopen dagen gaan waarderen, en hij hing aan je voor raad en daad. Dat was bij de bewakers niet onopgemerkt gebleven, maar die hadden besloten de gesprekken oogluikend toe te staan, mits het maar binnen de perken bleef. Deze beslissing was niet uit humanitaire overwegingen genomen, maar uit lijfsbehoud. Bouke kon van het ene moment op het andere volkomen flippen, en de eerste bewaarder die hem voor de voeten kwam, kreeg hem dan in zijn nek. Met een man of vijf was Bouke geen partij voor ze, maar die moesten dan wel eerst opgetrommeld worden.

“Laat hem maar bij die Haak, die schijnt nogal een kalmerende invloed op die gek te hebben”, adviseerde één van de bewaarders aan een andere. ‘Prima’, dacht je, ‘daar kunnen we wel wat mee doen’, en je legde Bouke je plan uit. Wanneer een bewaarder na een lang bezoek van Bouke kwam vertellen dat het nu te gek werd, zou Bouke doen alsof hij flipte. Met veel moeite zou je er dan in slagen om hem te kalmeren. Komedie uiteraard, maar het pakte goed uit. Je had nu aanspraak aan iemand die zich vrij door de gevangenis kon bewegen.

In de uren dat de celdeur gesloten was, werkte je aan het proces-verbaal. De avond na je verhoor door de rechter-commissaris had je het hele verhaal uitgeplozen. Je was in het bijzonder geïnteresseerd in het rapport van het observatieteam dat jou die morgen had gevolgd toen je in de Opel van de Zweden door Amsterdam reed om de handel in te laten bouwen. Je las:

Om zes uur ‘s morgens verliet Ter Haak het pand in de Lange Niezel en begaf zich naar de geparkeerde Opel. Hij bestuurde het voertuig op dusdanige wijze, dat wij de indruk kregen dat ter Haak vermoedde dat hij gevolgd werd. Ter Haak reed de wagen met hoge snelheid naar de Wibautstraat. Hij reed daarbij éénrichtingverkeerstraten in tegengestelde rijrichting in, en dubbelde rotondes. Zoals reeds gesteld, kregen wij de indruk dat Ter Haak vermoedde dat hij gevolgd werd.

Op de Nieuwe Herengracht parkeerde Ter Haak de Opel op de stoep en belde aan bij een woning die bij nader onderzoek aan zijn zuster bleek te behoren. Een man opende de deur en overhandigde Ter Haak een volle vuilniszak met goederen. Ter Haak stapte weer in de Volvo en reed nu aanmerkelijk kalmer weg. In de Wibautstraat parkeerde Ter Haak de Opel en begaf zich te voet op weg.

Tot zover was Hooijdonk gekomen met het voorlezen van het rapport. Met verhoogde concentratie las je het vervolg:

De vuilniszak, waarvan ons de inhoud onbekend was, was door Ter Haak in de Opel achtergelaten. We besloten deze auto derhalve onder observatie te houden.

Wij, verbalisanten, moesten hierop een plaats zoeken om ons voertuig parkeren. Toen wij even later weer bij de plek van de Opel terugkwamen, bleken deze - evenals Ter Haak - verdwenen.

“Bingo!!” riep je uitzinnig van vreugde in de cel, zodat het galmde in het doodstille Huis van Bewaring. Even later werd het klepje van het oogglas in de celdeur opzij geschoven om te zien wat de consternatie te betekenen had. Je las verder:

Wij verbalisanten besloten om zijstraten van de Wibautstraat te doorkruisen om te zien of wij de Opel met Ter Haak alsnog op konden pikken. Dit bleek echter tevergeefs en wij waren gedwongen om terug te keren naar het Marriot Hotel en daar post te vatten. Wij zijn er van uitgegaan dat vroeger of later Ter Haak de Opel naar de beide Zweedse verdachten terug zou brengen en zijn eigen, in de hotelgarage geparkeerd voertuig weer op te halen. Op of omstreeks negen uur ’s morgens arriveerde Ter Haak met de Opel, die hij voor het Marriot Hotel op de stoep parkeerde. Ter Haak kwam hier weer in contact met de beide Zweden, die op het terras van het genoemde hotel gezeten waren. Ter Haak overhandigde hen, naar wat ons leek, de sleutels van de Opel. Hierop vertrok Ter Haak met één van de Zweedse verdachten in zijn eigen voertuig. Wij hebben de Zweedse Opel ter observatie gehouden. Voordat de auto bij het hotel wegreed, hebben wij deze observatie overgedragen aan een aflosteam.

Aldus naar ambtseed opgemaakt, et cetera.

“Wat een fucking doorslag! Niet te geloven wat een goudvink ben ik!” riep je tegen een denkbeeldig gehoor, voor een ogenblik vergetend dat je in je in je eentje opgesloten zat. “Daarom hebben die rechercheurs Hooijdonk en Bax niet het hele observatierapport voorgelezen... Ze waren zich maar al te bewust van de fuck-up van dat observatieteam. Wat zullen die klootzakken gevloekt hebben dat zij mij kwijt zijn geraakt. En dan te bedenken dat ik al de tijd al voelde dat er iets niet in orde was. Wat een mazzel…! Zie je nou, Jan, dat je nooit moet bekennen!” besloot je je eretoespraak.

Tot zover de meevaller. Zonder dit wonder had het slechte nieuws dat erop volgde je gegarandeerd de das om gedaan. Tijdens de huiszoeking die op hetzelfde moment werd uitgevoerd als waarop jij thuis werd gearresteerd, werd bij je zwager een tas met de volgende voorwerpen in beslag genomen: dertigduizend gulden in kontanten, een zakweegschaaltje en tweehonderd lege plastic zakjes, beiden van het type dat werd gebruikt om dope respectievelijk mee af te wegen en in te verpakken. Als pièce de résistance zat er in de tas ook nog een geluiddemper voor een negen millimeter vuurwapen. Toen je zwager door de politie werd gevraagd aan wie die tas met spullen toebehoorde, had deze geantwoord met jouw naam – zoals je hem dat overigens ook opgedragen had.

‘Dat is slecht nieuws’, peinsde je. ‘Hoe verklaar ik dat nu weer weg? Okay, het bewijst niets met betrekking tot het ten laste gelegde, maar helpen doet het me ook niet echt, en het wordt zeker meegenomen bij de overwegingen van een vonnis. Lekker zootje...’

Dat was de eerste avond geweest, dus eigenlijk was je binnenkomst in het Huis van Bewaring op gepaste wijze gevierd. Je geluk en tegenslag hielden hier niet op. Een paar dagen later had je kennis met Bouke gemaakt, en nu kreeg je bericht dat je het eerste bezoek van Joke kon verwachten. Weliswaar onder toezicht, maar je had haar toch niets wezenlijks mee te delen. Jullie communicatie verliep via de advocaat Laus, tegen gerede remuneratie, ofwel luizengeld.

Joke was er al toen jij de bezoekruimte binnen werd gelaten. Je nam tegenover haar aan de tafel plaats. Een bewaker ging aan het hoofdeinde zitten. Jullie hielden elkaars handen vast. Joke had tranen in haar ogen.
“Ik mis je, Jan…”
“Ik mis jou ook, Joke, en ik kan je niet zeggen hoelang we elkaar nog zullen moeten missen. Denk erom dat je niets over mijn zaak zegt hier, want het bezoek wordt meteen afgebroken en ik zie je dan niet meer totdat ik thuis ben.”

Joke knikte dat zij het begreep, maar de bewaarder zei: “Jan, praat over alles wat je wilt. Die beperkingen worden door de rechter- commissaris opgelegd, als pressiemiddel bij ontkennende verdachten. Het bewakende personeel heeft er een hekel aan, want het maakt ons werk veel moeilijker. De gevangenen worden vaak agressief en wij blijven met de problemen zitten. Je bent een rustige knul en doet nooit moeilijk, dus laat de rechter-commissaris het lazerus krijgen en praat wat je wilt.”

Terwijl je Joke’s mond zag openvallen, antwoordde je: “Dat is netjes van je, bewaarder, dat waardeer ik echt, maar er is niets dat ik over de zaak kan zeggen wat mijn vrouw zou moeten weten. Zij weet er toch al niets van. Evengoed hartstikke bedankt. Als ik ooit wat voor u kan doen - u weet waar ik hier woon…”

Je blikte nadrukkelijk naar Joke alsof je wilde zeggen: “Houd in hemelsnaam je mond, Joke.”

De bewaarder glimlachte, en zei: “In jouw plaats zou ik ook niemand vertrouwen, maar misschien merk je later nog wel dat je van me op aan kunt.”

Joke en jij spraken over alledaagse dingen tot het halve uur om was, en namen geëmotioneerd afscheid van elkaar.

De bewaarder die bij Joke’s bezoek aanwezig was geweest, heette ‘Drent’. Een paar dagen later kwam hij bij je langs en nam tegenover je op de celstoel plaats.

“Ik zal gelijk met de deur in huis vallen, Jan”, zei hij, “want jij vertrouwt niemand en dat is precies wat ik zoek.”
“Werkelijk?” vroeg jij.
“Ja, je hebt een rode kaart op je deur omdat je beperkingen hebt en die heb je omdat je niet praat. Niet praten is het belangrijke gedeelte van wat ik te zeggen heb”, benadrukte de bewaarder.
“Klinkt als een onmogelijkheid”, grapte jij.

Drent glimlachte. “Hoe oud denk je dat ik ben, Jan?” vroeg hij.
“Nou, zonder u willen vleien, zou ik u op een jaar of tweeëndertig schatten, bewaarder”, veinsde je.
“Tweeënveertig, Jan.” Zesenveertig, dacht jij, terwijl je verbaasd opmerkte: “Dat is niet te geloven, mijnheer Drent. Gevangenislucht is zo dus slecht nog niet.”
“Ik weet niet of het daarmee te maken heeft, maar ik heb ook tien kinderen, Jan”, zei Drent zichtbaar verlegen.
“Wát zeg u? Tien? Hoe krijgt u dat voor elkaar?”
“Gaat vanzelf, Jan. Ik kan niet stil blijven zitten als ik thuis ben.”
“Waarom laat u zich hier niet voor een paar jaar opsluiten? Even een pas op de plaats maken, bewaarder.”

Drent lachte weer. Omdat je al vermoedde waar hij met het gesprek heen wilde, merkte je op: “Nou, uw vrouw weet er dan alles van wanneer ze bij Albert Heijn is geweest.”
“Daar hoopte ik het nu net met je over te kunnen praten, Jan,” zei hij.
“Of ik de boodschappen voor u wil doen als ik weer buiten ben?”
“Nee, of jij zolang je hier bent voor de boodschappen zou willen betalen.”
“Waarom zou ik dat willen doen, bewaarder?” antwoordde je quasi argeloos. “Dan mag ik écht wel gaan inbreken...”
De bewaarder bleef stoïcijns. “Ik had gedacht dat als ik tijdens je beperkingen wat boodschappen voor je zou doen, dat jou misschien wel wat waard zou zijn. Denk niet dat ik iedereen hier zo benader, Jan. Een eerste vereiste is een gedetineerde met beperkingen, want dat zijn degenen die niet praten. Niet zo snel, in ieder geval.”

Je dacht even na en vroeg: “Stel dat ik op uw voorstel in zou willen gaan, heeft u nog meer rode kaarten onder contract?”
“Niet één, Jan. Er zijn er totaal drie in het hele Huis van Bewaring en twee daarvan zijn buitenlanders, en daar valt niets mee te beginnen. Ik begrijp dat het moeilijk is om me te vertrouwen, omdat ik je zo plompverloren op je dak kom vallen, Jan, maar je kunt me testen hoe je wilt.”
“Als het goed is geef ik u mijn antwoord van de week, mijnheer Drent. Ik heb interesse, maar ik moet even denken hoe ik het in elkaar wil steken.”
“Best Jan, ik hoor het wel van je”, zei Drent, en reikte je de hand.

Een week later was je de trotse eigenaar van een levensechte bewaker. Via advocaat Laus had je instructies in een verzegelde ‘vertrouw-nimmer-een-advocaat’ envelop naar Joke laten brengen. Deze inspecteerde eerst de inhoud en na de instructies gelezen te hebben, de envelop. Na een paar dagen maakte Drent zijn opwachting bij Joke.
“Zoals afgesproken zijn hier vijfhonderd gulden, mijnheer Drent, en een extraatje van honderd gulden voor een wippie. Met de complimenten van Jan; die zegt dat u daar echt in uitblinkt.”
“Kan ik niet…?” stamelde de Drentenaar.
“Nee, ik doe het niet met bekenden, u kunt naar mijn collegaatje hiernaast gaan, die verwacht u al en zij zal u extra verwennen voor honderd gulden.”

Drents gesprek met Joke en de vrijetijdsbesteding die hij erop liet volgen werden zowel op geluids- als filmband vastgelegd. Drent was daarmee genoeg gecompromitteerd om zich van een paar jaar gevangenis en een vermoedelijke echtscheiding te verzekeren. Gelukkig heb je nooit van het materiaal gebruik hoeven maken. De overeenkomst liep op rolletjes. Drent bleek de ideale koerier te zijn. Geen zee ging hem te hoog. Na elke keer dat hij van Joke geld gekregen had, kwam hij breeduit lachend je cel binnen. Op een dag vroeg je hem: “Wat loop je toch steeds met de grijns van een Cheshire kat op je gezicht rond, bewaarder?”
“Ach, mijn vrouw was weer zo tevreden met het geld, Jan, en als we naar bed gaan…”
“Kijk maar uit dat je dat arme mens niet weer zwanger maakt...”

Zo tevreden als Drent met de regeling was, tegenover Joke had hij nog wel zijn teleurstelling uitgesproken dat er geen bonuswip meer in het pakket zat. “Nee, mijnheer Drent”, had ze daarop gezegd, “gaat u nu maar thuis in de verplichte figuren, want dat is gratis.”

“Waar had je die man eigenlijk voor nodig, Jan?” vroeg ik terwijl ik je een glas uit een nieuwe fles Glen Moray inschonk. Het begint op een herhaling van gisteravond te lijken, dacht ik, terwijl ik mijzelf ook van de Single Malt bedien. Nou ja, behalve de hoofdpijn morgenochtend heb ik dat er graag voor over, als ik de rest er ook maar weer bijkrijg.
“Voor alles, Suzanne, echt voor alles. Ik werkte niet in de gevangenis, dus ik mocht geen sigaretten van mijn eigen geld kopen. Die nam Drent dus voor me mee - sloffen. Daarnaast boodschappen aan en van Joke, en een in mijn voordeel opgemaakte meinedige verklaring die door een vriend van mij bij de rechter-commissaris werd afgelegd. En dan geld om me van gunsten van medegevangenen te verzekeren. Kortom, alles wat ik nodig had. Maar over het belangrijkste nut van Drent zul je zo wat horen.” Je ging weer door met je verhaal.

Je contact met de buitenwereld was nu verzekerd, je had in Bouke een assistent gekregen en je had een paar fouten in het proces-verbaal ontdekt waar Justitie niet blij mee zou zijn. Daar stond het belastende materiaal tegenover dat in de tas bij je zwager thuis was gevonden, maar als je de juiste knoppen wist te vinden, hoefde dat niet lang een nadeel te blijven. Wellicht kon het zelfs tot een voordeel getransformeerd worden.

Je begon de feiten op een rijtje te zetten. Wat de politie feitelijk aan bewijs tegen je had, kwam op het volgende neer:

Een uit Zweden gefaxte verklaring van Sven waarin hij jou van alles de schuld gaf en jou tevens als het brein van de groep aanwees. Ook zei Sven dat jij in het bijzijn van de koerier gezegd zou hebben: ’Het zit weer in de deuren’;

Een uit Zweden gefaxte verklaring van de koerier Nils, waarin deze toegaf jou ontmoet te hebben, maar niets ten laste van jou kon (of: wilde) verklaren. Hij zei dat hij de indruk had dat als er iets werd georganiseerd, Sven er de planning van deed. Hij kon daarom niet verklaren of jij iets met drugs te maken had. Wat jij ten aanzien van de bergplaats van de drugs gezegd zou hebben, ontkende hij ten stelligste: ‘Ik heb Ter Haak nooit zoiets horen zeggen’. Blijkbaar was de koerier slimmer dan zijn baas in zijn ontwijking van een mogelijke veroordeling als medeplichtige aan ‘internationale misdaad in vereniging’;

Een beëdigde verklaring van Sven. Die was nog wel niet opgemaakt, maar je twijfelde er niet aan dat deze de rechtbank wel bereiken zou;

Het rapport van het observatieteam met betrekking tot je ontmoetingen met beide Zweden, het besturen van de Zweedse Opel en het niet weg te poetsen feit dat je een vuilniszak met spullen bij je zwager had opgehaald;

De tas met het belastende materiaal die tijdens de huiszoeking bij je zwager was aangetroffen.
 
Je besloot volledig mee te gaan met de verklaring van het observatieteam. Als je voor de rechtbank twee op ambtseed opgemaakte verklaringen zou ontkennen, vroeg je eigenhandig om straf. Je eigen verklaring die je aan het opstellen was, bekrachtigde daarom het observatierapport voor de volle honderd procent. ‘Dat staat alvast netjes voor de rechtbank’, dacht je, ‘dan ziet dat befgajes (rechters) dat ik volledig instem met wat de politie heeft geconstateerd’.

De vuilniszak die jij die ochtend bij je zwager had opgehaald was weliswaar gezien en in het proces-verbaal vermeld, maar niemand had kunnen constateren wat die bevatte. ‘Drugs, edelachtbare? Ik begrijp dat dit de officier van justitie goed uit zou komen, maar er zaten beslist geen drugs in die zak.’ De onvermijdelijke vraag zou dan luiden:‘En wat zat er dan wel in die zak, verdachte?’ Je antwoord daarop zou kort en krachtig zijn.

‘Pornofilms zegt u, verdachte?’
‘Jawel, edelachtbare.’

Je kon je al voorstellen hoe de rechter je over zijn brillenglazen aan zou kijken en zou sneren: ‘Wel, ik ben geen expert op het gebied van pornofilms, verdachte, maar volgens mij kómt dat soort films uit Scandinavië, en hoeft er dus niet naartoe gebracht te worden.’

Jouw antwoord zou luiden: ‘Deze films gingen terug naar Zweden of waar dan ook naartoe, want het was een partij films die kapot of in zwart-wit waren. Ik had tegen Sven gezegd dat de films die hij mij had verkocht niet goed waren, en Sven zei me dat ik ze terug kon geven.’

De officier zou hier bedenkelijk gaan kijken. Net zomin als iemand kon bewijzen dat jij die dope in die Opel had laten bouwen, kon ook hier niemand het tegendeel van aantonen. Dan zou er een verklaring van een Zweed bestaan en één van jou. Een gedeelte van jouw verklaring was al op waarheid getoetst door het observatieteam, en het kon dus niet uitgesloten worden dat ook dit deel de waarheid betrof. Maar de officier van justitie zou het natuurlijk niet zo snel opgeven: ‘Waarom moesten die films dan zo nodig in de autodeuren gebouwd worden?’ Hierop zou jij antwoorden: ‘Autodeuren, ik weet niets van autodeuren. Sven had mij gevraagd of ik die films onder de achterbank wou stoppen, en dat heb ik gedaan.’

De officier zou hier een laatste poging wagen. ‘Uw medeverdachte Sven verklaart dat u die morgen bij het Marriot Hotel gezegd zou hebben: ‘Het zit in de deuren verstopt.’ Jouw repliek zou luiden: ‘En mijn andere medeverdachte, de landgenoot en vriend van Sven, verklaart dat ik dit niet gezegd heb. Hij is daar bijzonder duidelijk over, en dat kan ook niet anders, want ik heb dat nimmer gezegd’. Er zouden dan dus twee verklaringen bestaan die lijnrecht tegenover die van Sven stonden, wat diens positie en geloofwaardigheid er niet beter op zouden maken.

Hierna zou de president wellicht nog even vlijmscherp uit de hoek komen: ‘Waarom heeft u zo lang gewacht met het afleggen van uw verklaring, verdachte? U had dat toch gelijk tegen de politie kunnen verklaren?’
‘Mijnheer de president, toen mij werd verteld waar ik van verdacht werd, dacht ik dat wanneer ik dat van die pornofilms zou verklaren, ik me aan een strafbaar feit schuldig zou verklaren’. De president zou dan wellicht sneren: ‘Ach, komt u nou toch alstublieft, zo zwaar wordt er tegenwoordig toch niet meer aan het bezit van pornofilms getild...’

Aarzelend zou jij toegeven: ‘Nee, daar ben ik inmiddels ook achter, maar het smokkelen van dat soort films is hoe dan ook wel strafbaar, als ik me tenminste niet vergis’. Hierop zou de officier mogelijk een laatste poging, meer een noodsprong eigenlijk: ‘Dan leggen wij u toch gewoon het smokkelen van pornofilms ten laste?’

‘Voor zover mij bekend is, zijn er geen pornofilms in de Zweedse Opel aangetroffen. Misschien heeft die Sven ze in Holland al uit de auto gegooid en alleen op mijn eigen verklaring kan ik niet veroordeeld worden, geloof ik.’ De vernietigende blik van de officier zou je dan maar negeren. Niemand zou in dit verhaal geloven, maar niemand zou kunnen bewijzen dat het niet waar was. Je bevestigt er bovendien mee wat de politie en de koerier verklaren, en dat maakt je verklaring hoe dan ook een stuk aannemelijker.

Aangezien er geen enkel bewijs is dat je niet de waarheid hebt verteld, weerhoudt niets je ervan je aandeel in het Zweedse schouwspel nog wat verder af te zwakken door Sven voor het blok te zetten.

De profeet van het Openbaar Ministerie zal nu van tactiek veranderen door jou als een levensechte crimineel af te schilderen. Hij wendt zich tot de rechtbank en zegt: ‘Mijnheer de president, tijdens de huiszoeking bij de zwager van de verdachte is er een tas met wapens, geld, drugszakjes en een weegschaaltje in beslag genomen. Misschien heeft de verdachte daar ook een nette verklaring voor?’

Jij zult dan niet wachten op een andere schimpscheut van de president, maar bedremmeld verklaren: ‘Die ochtend bij het Marriot Hotel vroeg Sven mij of ik hem naar het vliegveld wilde brengen. Onderweg gaf hij me een plastic zak met wat spullen en vroeg me of ik dat voor hem kon bewaren totdat hij de volgende keer weer met de auto naar Nederland zou komen. Ik zag daar aanvankelijk geen kwaad in en besloot de spullen voor hem te bewaren’.
‘Dus die tas met alles wat erin zat behoorde aan uw medeverdachte? Is dat wat u zegt?’
‘Nee, mijnheer de president, de tas was van mij, evenals de dertigduizend gulden.’
‘Licht u dat eens toe, verdachte!’

‘Toen Sven de terminal van het vliegveld ingelopen was, keek ik in de plastic tas en ik zag naast wat plastic zakjes en een vreemd weegschaaltje ook een ijzeren buis. Bij nader onderzoek dacht ik dat het om een geluiddemper van een vuurwapen ging. Ik besloot het in een tas te doen die ik bij mijn zwager heb neergezet.’
‘En voor goed geluk deed u er maar dertigduizend gulden bij…’ zal de president schampen. ‘U zegt zojuist dat dit geld aan u toebehoorde. Kunt u dit college vertellen waar dat geld vandaan kwam?’

Nu zal voor jou het slavenkoor uit Aida gaan zingen. Terwijl je je zou moeten bedwingen om niet op de maat van dat onhoorbare gezang mee te gaan slaan, zal je verklaren: ‘Die dertigduizend gulden had ik een paar dagen eerder van de verzekering ontvangen. Mijn auto was gestolen en het geld was de uitkering die ik van de verzekering teruggekregen heb.’
‘U heeft natuurlijk ook de bewijzen van die uitbetaling, verdachte?’

Opgetogen zou je antwoorden: ‘Absoluut, mijnheer de president. Mijn advocaat kan ze u nu laten zien, als u dat wenst’. De president zou verzuchten: ‘Daar was ik al bang voor. Nee verdachte, wij geloven u op uw woord. Ik moet zeggen dat u een fraai sluitende eigen verklaring heeft afgelegd’.
Deemoedig zou je antwoorden: ‘Dank u. Ik dacht dat ik het best maar de hele waarheid kon vertellen, en ik ben blij dat ik dat gedaan heb’. De drie rechters kijken nu naar de officier van justitie. ‘Hebt u nog vragen voor de verdachte, mijnheer de officier?’ De justitiefunctionaris zal dan antwoorden: ‘Nee, mijnheer de president, maar ik ben ervan overtuigd dat verdachte nog wel wat antwoorden heeft’.
Dat is nog eens mooi opgemerkt van de officier, hè?

Hierop onderbreek ik je: “Jan, je hebt mij altijd voorgehouden dat het verraden van een vriend het laagste van het laagste is. Je zegt dat je je daar nimmer aan schuldig hebt gemaakt, maar nu ben je toch die Sven van dingen aan het beschuldigen die hij niet gedaan heeft. Hoe zit dat dan precies?”
“Dat is eenvoudig,Suzanne. Sven heeft bij de politie in Zweden niet de waarheid verteld of een eenvoudige bekentenis afgelegd waarin hij zijn eigen aandeel verklaart, om er vervolgens een paar schepjes bovenop te doen door mij van alles en nog wat te beschuldigen. Volgens Sven’s verklaring regelde ik alles en speelde hij zelf een ondergeschikte rol. Dat hij zo achterlijk was om in Zweden de boel stuk te laten lopen, wil nog niet zeggen dat hij mij er met een belastende verklaring bij moest betrekken. Hij mocht rustig voor zichzelf bekennen als hij dat graag wilde, maar hij had mij erbuiten moeten laten, laat staan mij moeten betichten van dingen waar ik niet schuldig aan was. Sven was dus duidelijk geen vriend, Sven was een rat voor wie ik een rattenval heb opgezet. Het mooie was dat Sven aan het einde van het vooronderzoek drie verschillende verklaringen heeft afgelegd. Voor de rogatoire commissie heeft hij de waarheid verteld. Toen wist echter niemand meer wat waar en niet waar was. Sven heeft zichzelf aan alle kanten de das omgedaan. De koerier zat beter in elkaar dan zijn baas.”

Ik laat je woorden op me inwerken, terwijl ik weer een nieuwe cassette in de recorder klik.

Je bracht een paar dagen door met het uitsplitsen van de processen-verbaal en het opstellen van je eigen verklaring. Je zorgde er wel voor dat je verhaal verschillende nooduitgangen bevatte, voor het geval er tijdens het vooronderzoek nog belangrijke nieuwe feiten aan het licht zouden komen. Het werd een goed en flexibel verhaal; een soort literaire Hansaplast pleister.

“Ja”, mompelde je tevreden toen je ‘s morgens je bed opmaakte, “zo wordt het een nette, sluitende verklaring.”
“Wat, Jan?” vroeg Bouke die net je cel binnenkwam.
“Mijn verweer voor de rechtbank”, antwoordde je.
“Jij redt het wel, Jan.”

Je was op Bouke gesteld geraakt. Eigenlijk was het gewoon een fijne gozer. Je had net zolang op hem ingepraat totdat hij je had beloofd om van de heroïne af te blijven. Daarna had je hem op jouw beurt beloofd dat je een woning voor hem zou regelen. In het Huis van Bewaring werd je nu geconfronteerd met de gevolgen van dope en de ellende die deze klerezooi teweeg brengt.

‘Wanneer ik weer vrij ben, wil ik met die pleurisdope niets meer te maken hebben,’ dacht je. ‘Er zijn nog wel andere manieren om geld te verdienen. Niet alleen krijg je met horken zoals Sven te maken, zonder principes of trots, bovendien is het de ellende die het aanricht niet waard. De dope gaat op de sloop. Appa, over en sluiten met die shit’, nam je je voor. Maar het mocht dan zo zijn dat je mentaal met de drugs had afgerekend, de realiteit zou je er al snel weer mee confronteren. Veel te snel.

“Je vrouw belde me gisteren thuis. Ze vroeg of ik onmiddellijk een brief voor je kon komen ophalen”, zei Drent de volgende morgen.

Je pakte de envelop aan en controleerde de verzegeling.
“Ik hoop niet dat het slecht nieuws is, Jan”, zei de bewaarder en verliet je cel. Met een gevoel van naderend onheil opende je de envelop. Zoveel spoed kon alleen maar slecht nieuws betekenen.

Joke schreef dat er verschillende vrienden van je waren gearresteerd. Gedurende de dag was zij vanuit Milaan door een Italiaan gebeld. Deze had haar in gebrekkig Engels meegedeeld dat ‘Umbertino en zijn broer Lello waren gearresteerd door het Squadra Mobile’. Tevens was in Amsterdam ‘Het Oor’ gearresteerd. Hoewel deze arrestaties feitelijk niets met elkaar te maken hadden, ze hadden wel één gemeenschappelijke factor: jou. Met beide partijen had je zaken gedaan en beide partijen zouden belastende verklaringen tegen je af kunnen leggen. Zouden kunnen - maar zouden ze het ook? Als je op vrije voeten was geweest, had jij je er waarschijnlijk niet bezorgd om gemaakt; beide partijen waren altijd uiterst stabiel gebleken waar het frictie met justitie betrof.

Maar nu, opgesloten en met een drugsproces voor je deur, kreeg je verbeelding algauw de overhand. ‘Murphy’s fucking law!’ vloekte je inwendig. ‘Wanneer die Italianen en Het Oor nu ook op mij omslaan, ben ik de eerste zes jaar nog niet thuis.’
Hoe meer je erover nadacht, des te benauwder je het kreeg. Je besloot dat je dit risico niet wilde lopen. Je moest iets drastisch ondernemen.

“Bouke, zou jij iets voor mij willen doen, gabber? Het is nodig en er is haast bij”, vroeg je aan je vriend, toen deze voor zijn dagelijks bezoek je cel in kwam.
“Je zegt het maar, Jan, moet er iemand een paar trappen hebben?” informeerde de boomlange.
“Niet precies, Bouke, maar het moet erop lijken dat het die kant opgaat. Weet je toevallig iemand op de B-vleugel waar je een hekel aan hebt?”
“Die Rotterdammer in de strijkkamer, daar heb ik een half uur geleden woorden mee gehad”, zei Bouke.
“Luister vriend, vertrouw je me?”
“Absoluut Jan, zeg maar wat ik moet doen”.
“Ik leg het je achteraf uit, want anders ben ik bang dat je het toneelstuk niet overtuigend genoeg kan spelen. Ik zeg je nu alleen dat je die Rotterdammer onverwachts een stomp voor zijn kop moet geven. Daarna begin je te brullen dat je hem ik weet niet wat aandoet. Veel kabaal, maar niet mishandelen, één klap, okay, maar maak het niet te gek. Veel brullen en dreigen. De reden is dat hij je uitschold voor Amsterdamse teringjunk. Jij bent geflipt, want je bent net van de methadon af. Dat weet het hele kader en de directeur ook.”
“Zal ik het dan maar gelijk gaan doen?” vroeg Bouke.

Even later klonk er een tumult van jewelste uit het strijkhok. “Pleurislijer, Rotterdamse broodpoot, ik maak je godverdomme kapot...!”

Bewaarders kwamen van alle kanten toesnellen. Kort daarna tilde Bouke zes bewaarders uit het strijkhok.
“Rustig aan, Bouke, anders moet je op de fiets (stalen dwangbuisbed)!”
“Interesseert me niets, ik laat mij door dat Rotterdamse stuk vuil niet voor kankerjunk uitmaken!”
“Bouke!” schreeuwde jij van de tweede ring.
Bouke keek op en vroeg: “Wat is er, Jan?”
“Zet die bewaarders even neer en kom hierheen. Is dat goed, bewaarder?” riep je naar de ploeg die om hem heen hing. Die waren maar al te blij dat ze hem konden laten gaan. Het was niet dat ze bang waren om een gevangene kort te slaan, maar bij Bouke was het nooit over. Vandaag kon een bewaarder hem stuk trappen, maar drie weken later groeide er een schaar uit zijn oor. ‘Onberekenbaar’, zo luidde het oordeel van het bewakende personeel, en geen van hen wilde het spits afbijten.

Tot zover was alles goed gegaan.
“Mijnheer Ter Haak, ik heb van het kader vernomen dat u zich de laatste weken een beetje over Bouke Boomstra heeft ontfermd. Ik heb gehoord dat hij nu zelfs van de methadon af is?”
Je keek de directeur van de gevangenis vragend aan, waarop hij vervolgde: “Nu heeft Bouke verscheidene bedreigingen geuit tegen de gedetineerde in de strijkruimte. Deze beweert dat Bouke hem nog heeft geslagen ook. Van de mishandeling zijn geen getuigen, maar van de bedreigingen wel. Bouke zou de strafcel in moeten, maar ik ben bang dat het daarmee niet afgelopen is. Bent u bereid om met Bouke te praten, zodat we het hierbij kunnen laten?”
Je dacht even na en zei: “Ik kan wel met hem praten, en vandaag luistert hij naar me, maar morgen denkt hij niet meer aan wat hij me beloofd heeft. Om hem af te laten afkicken, heb ik wekenlang iedere dag op hem in moeten praten.”

De directeur keek verstoord en zei: “Jullie mogen eigenlijk niet eens praten, want je hebt alle beperkingen. Je wordt geacht om niet met medegevangenen te praten.”

Je antwoordde: “Ik heb geen probleem met een dichte celdeur, maar ik vermoed dat Bouke er wel iets over te zeggen zal hebben. Waarom laat u hem niet, zeg, twee keer een half uur per dag bij me in mijn cel komen? Ik denk dat met praten een heleboel van de spanningen zullen verdwijnen.”

“Dat kan ik niet doen, Ter Haak”, zei de directeur, “de hele afdeling zou jullie dan bij elkaar in en uit zien lopen. Dat is een privilege, en ook al zou ik het willen, ik kan het niet toestaan. Dat zul je wel kunnen begrijpen.”
Ee mengde zich een brigadier in het gesprek: “Waarom plaatsen we Ter Haak en Boomstra niet over naar de observatieafdeling A? Dan zitten ze afgesloten van de rest van de gevangenis.”

De directeur dacht even na en vroeg aan jou: “Zou je genegen zijn om met Bouke naar de observatieafdeling verplaatst te worden?”
Je moest nu wel even heel diep nadenken voordat je schouderophalend antwoordde: “Het is niet mijn favoriete plekje, maar wanneer ik Bouke er mee kan helpen, waarom niet?”

Een uur later was je met Bouke naar een cel op de tweede ring verplaatst: observatieafdeling A. Als buren had je nu junkies, gestoorden en pedofielen, maar hier kon Bouke’s therapie tot een net en compleet geheel worden gebracht. Ondertussen kon je je aan je drastische plannen gaan wijden. De keuze van buren liet dan wat te wensen over, de locatie was met zorg gekozen. Wanneer je erin zou slagen om je cel via het raam te verlaten en in één stuk op de grond te belanden, hoefde je alleen nog maar één buitenmuur over.

“Ik begrijp er echt niets van, Jan,” klaagde Bouke tijdens een van zijn kalmeringstherapieën, “nu zitten we pas echt tussen de randgekken in.”

Je legde Bouke uit dat er zich buiten ontwikkelingen hadden voorgedaan die jou er min of meer toe dwongen om de gevangenis voortijdig te verlaten.
“Je bedoelt dat je wilt ontsnappen?” vroeg Bouke, terwijl hij het donderen in Keulen probeerde te negeren.
“Als je het zo noemen wilt – ja, Bouke. Wanneer ik nu nog één of twee verklaringen tegen me krijg in verband met internationale drugsmokkel, dan heb ik nog minder kans dan een sneeuwbal in de hel. Ik moet wel, Bouke, ik blijf hier niet als een brave eend zitten wachten.”
“Maar als je ontsnapt, geef je toch min of meer toe dat je schuldig bent?”
“Waar staat dat geschreven, Bouke? Ik mag volgens de Nederlandse wet mijn vrijheid zoeken. Mijn motivatie om te ontsnappen is dat ik onschuldig ben. Ik kan het daarom in de gevangenis niet uithouden. Ik meld me wel op het proces, dan weet ik in ieder geval hoe de zaken er dan bij staan. Intussen wil ik absolute radiostilte om een voortijdige ontdekking door gevangenisroddel te voorkomen”, besloot je.
“Je kunt op mij rekenen, Jan”, beloofde Bouke plechtig.

Het doorzagen van het celraamkozijn en de tralies was met het juiste gereedschap een niet al te groot probleem, maar je moest wel zien dat je de ruiten erbij heel liet. Nog wat pijnlijker zou het zijn dat je buiten aan de gevel hing en dat de gewa’s op hetzelfde moment besloten om hun ronde buiten de gevangenis te doen. Je moest iemand hebben die je de tijden van de ronden van de gewa’s zou kunnen geven. Informatie van bewaker Drent leerde je dat de gewa’s hun rondes niet volgens een vast patroon volgden. Dat maakte de zaak wel wat gecompliceerder, maar nog niet onmogelijk.

Op het vlak zat een Italiaanse gedetineerde, Gianni, die wegens heroïnesmokkel was gearresteerd. De man had het baantje van reiniger en duvelstoejager gekregen dankzij zijn uitermate kalme opstelling. De cel van de Italiaanse reiniger was schuin tegenover jouw cel gelegen. De buitenmuur van zijn cellengalerij maakte deel uit van een muur met een poort. Hierdoor kregen de gewa’s toegang tot het terrein tussen de gevangenis en de hoge buitenmuur. Je besloot de Italiaan te benaderen en te informeren of hij geïnteresseerd was om iets te verdienen.

Gianni kwam uit Seregno in de Noord Italiaanse provincie Meda, waar een groot deel van de Italiaanse meubelindustrie gevestigd was. Doordat je enkele jaren meubelen uit Meda had geïmporteerd, kon je met Gianni aardig praten over zijn woonplaats en diverse restaurantjes waar jullie beiden, zij het dan niet samen, gegeten hadden.

Gianni was in het begin erg wantrouwend. Hij dacht eerst dat de narcs jou als een plant (informant) op hem hadden gezet, en liet je duidelijk weten dat hij een bewijs van je betrouwbaarheid wilde, voordat hij ook maar over iets illegaals met je wilde praten. De namen van verschillende grote Italiaanse criminelen als referentie waren je in de gevangenis niet van veel nut, dus vroeg je hem wat je kon doen om hem te overtuigen.
“Kun je me een blanco Italiaans identificatiebewijs verzorgen?” vroeg hij.
Je verzekerde hem dat dit geen enkel probleem zou vormen.

Drie dagen later verhandigde je hem het gevraagde samen met een blanco rijbewijs. De Italiaan bekeek de documenten en stak zijn hand uit.
Non sei un sbruffone, Giovanni (Je bent geen bluffer, Jan).”
Je schudde zijn hand en jullie omhelsden elkaar op de malavita wijze, waarna de Italiaan je vroeg wat hij voor je kon doen.
“Gianni, kun jij de gewa’s door de poort horen binnenkomen, en zo ja, hoor je ze ook weer terugkeren?”
“Iedere avond een paar keer, Giovanni. Geen regelmaat, geen patroon, het is altijd anders. Soms zijn het er twee, af en toe ook drie. Wil je weg?”
Je legde de Italiaan uit dat je niet weg wilde, maar weg moest.
“Wanneer ik bijspijker in de kosten, ben je dan bereid om mij mee te nemen, Giovanni? Ik heb namelijk ook een uitleveringsverzoek tegen me lopen en wanneer ik mijn straf hier uitgezeten heb, word ik uitgeleverd naar Italië. Heroïne en wapens, dat komt me op vijfentwintig jaar te staan.”

Zijn verzoek maakte het wel een stuk gecompliceerder. Wat moest je hem zeggen? ‘Nee, ik kan je niet meenemen, jongen, en die vijfentwintig jaar is tough shit?’ Je moest van de nood een deugd zien te maken.
“Gianni, als het technisch mogelijk is, kun je mee, maar er zullen wat extra risico’s aan zitten, realiseer je je dat?”
Met enig operettedrama maakte de Italiaan een gebaar van ‘laat dat mijn zorg zijn, Giovanni’, en zei: “We zullen alles zo goed mogelijk plannen. Het risico neem ik graag om vijfentwintig jaar lik te ontlopen.”
Je dacht nog even na, en knikte. “Okay, we doen het samen. Ik zorg voor alle gereedschappen en sleutels. Jij zou het beste vanaf nu alle rondes van de gewa’s bij kunnen gaan houden. Hun binnenkomst en het tijdstip van het verlaten van het deel tussen de gevangenis en de buitenmuur.”
Gianni beloofde te doen wat je gevraagd had, en jullie omhelsden elkaar op de goede afloop.

De gehele ontvluchting bestond uit vijf fases:

1) het breken van het celraam en het doorzagen van de tralie(s) en mogelijk ook een gietijzeren raamspijl in het geval je niet door het gat van één enkel ruitje kon. Gedurende deze tijd zou Gianni je via een walkietalkie op de hoogte houden van de bewegingen van de gewa’s;

2) na voltooiing van fase 1 en na het binnenkomen van de gewa's zou Gianni zijn celdeur openen via het doorgeefluik in zijn celdeur. Hij zou zijn cel verlaten en de celdeur en het doorgeefluik afsluiten. Via het vlak zou hij twee trappen oplopen om vervolgens jouw cel binnen te komen. Hij zou jouw celdeur achter zich sluiten door het doorgeefluik in de deur. Als laatste zou hij dan dat doorgeefluik dichttrekken. Deze tweede fase was de meest gevaarlijke van de operatie, want het was niet denkbeeldig dat Gianni tijdens zijn escapade gezien zou worden door een lid van het bewakend personeel;

3) nu zouden jullie de cel via het doorgezaagde raam verlaten. Aangezien de cel op tweehoog gelegen was, zou de afdaling via een zeer dun, maar uitermate sterk nylon koord moeten geschieden;

4) eenmaal op de grond aanbeland zou je via de walkietalkie de coördinator van de externe operatie oproepen. Die zou ervoor zorgen dat er een touwladder over de muur zou worden gegooid en dat er twee motorrijders klaar zouden staan;

5) eenmaal over de muur zouden Gianni en jij ieder achterop een motor stappen en de verdere ontsnapping overlaten aan de motorrijders. Die moesten in tegenovergestelde richting vertrekken. Later zouden Gianni en jij afzonderlijk in de buurt van het onderduikadres worden afgezet. Daar zouden jullie dan verblijven totdat er transport voor Gianni uit Italië zou arriveren. Via Domodossola zou Gianni clandestien de Zwitsers-Italiaanse grens over worden gebracht. Jij zou hierop een appartement betrekken dat Pino voor je had verzorgd. Je zou Joke voorlopig niet kunnen zien, want die werd natuurlijk door de politie in de gaten gehouden.

Dit waren de vijf fasen die nu één voor één uitgewerkt zouden moeten worden. Je plaatste bestellingen bij Drent, die uiteraard wel aan het complot moest meewerken. De reden hiervoor was duidelijk: behalve dat iemand de aanvoer van materiaal zou moeten regelen, moesten er ook kopieën van de sleutels van de celdeur en het doorgeefluik worden gemaakt. Het triviale detail dat celdeuren geen sloten aan de binnenkant bezaten, vereiste een speciale aangepaste oplossing.

Het eerste obstakel: het celraam. Wanneer je je door één van de acht ruitjes naar buiten zou kunnen werken, zou dat tijd, geluid en werk schelen, en de kans op ontdekking drastisch verkleinen. Maar paste je wel door zo’n ruitje? Voor Gianni zou het geen probleem vormen, die kon er zowat rechtop doorheen stappen, maar met jou lag dat wat anders. Met het oog op de tijd en het gevaar moest dat dus voortijdig uitgeprobeerd worden. Het zou een lullig gezicht zijn wanneer je halverwege het ruitje vast zou komen te zitten en niet meer voor- of achteruit zou kunnen, op twee hoog. Je schatte de maten op dertig bij twintig centimeter, maar schatten was niet goed genoeg.

Op een stuk dik karton tekende je een rechthoek met de afmetingen van het celraam. De rechthoek sneed je er met een scheermesje uit. Je had nu de exacte raamopening waar jij je doorheen kon wurmen. Wurmen was het juiste woord hier, je kon er net doorheen. Maar karton gaf in alle richtingen mee. Je moest iets van dezelfde afmetingen gebruiken dat niet flexibel was.

Je stond op en begon door je cel te ijsberen om een oplossing te bedenken. Omdat er van nature weinig voorwerpen in een cel voorhanden zijn en je er gauw uitgeijsbeerd bent, nam je weer plaats op je stoel. Je stoel! Je sprong op en onderwierp het stuk meubilair aan een nauwgezet onderzoek. De stoel bestond uit een gebogen buizenframe met een plastic zitting en een rugleuning van hetzelfde materiaal. Voor het ultieme comfort van de gedetineerde waren er ook twee summiere armleuninkjes in aangebracht, maar die zouden in het verhaal geen rol spelen.

De opening tussen de zitting en de rugleuning was een fractie kleiner dan de dimensies van het celraampje. De afstand van de opening tussen de twee buizen was exact de hoogte van het celraampje. Probleem opgelost. Je kon niet wachten tot de avond kwam en de lichten uit zouden gaan, zodat je de ontsnappingsmal kon testen. Gedurende de dag was het risico te groot dat er een bewaker binnen zou komen terwijl jij met de stoel om je nek zou staan.

Drent kwam je cel in, sloeg je dekens open en gooide een pak op je bed. Jij dekte dat toe met de dekens.
“Ik heb er een hard hoofd in, Jan”, zei de bewaarder zorgelijk. “Het is nog niemand gelukt om door een celraam te ontvluchten. Wel hebben wij een keer een gedetineerde gehad die een poster op zijn muur had hangen. Iedere nacht voegde hij een stuk muur uit met een kleerhanger. God mag weten hoe lang hij daarover gedaan heeft. Hij was alleen vergeten dat er nog een muur achter zat”, lachte Drent.
“Er is een eerste keer voor alles, bewaarder. Wanneer is de celdeursleutel klaar?”
Drent verzekerde dat dit niet langer dan een paar dagen zou duren en verliet je cel.

Om tien uur ‘s avonds gingen de lichten uit. Je begon voorzichtig de inhoud van het pakketje te inspecteren: een Junior zaag met vijftig zaagblaadjes, een glassnijder, een doosje vaseline en twintig meter nylonkoord. Drent had je verzekerd dat het een treksterkte van vijfhonderd kilo had. Je vond dat moeilijk te geloven toen je het dunne koord aanschouwde. Je besloot de proef op de som te nemen en bond het koord aan één van de twee vijftien centimeter dikke verwarmingspijpen die boven elkaar op de overliggende celmuur gemonteerd waren. Je trok zo hard je kon aan het andere eind van het koord dat comfortabel in je handen sneed. Onmogelijk dat je daar met je volle gewicht aan kon gaan hangen. Het zou je gewicht wel dragen, maar ook je vingers eraf snijden. Een probleem, want je kon moeilijk crampons en stalen ringen gaan bestellen. Maar de grootste problemen hebben vaak de simpelste oplossingen.

Je deed een zaagblaadje in de Junior zaag en pakte de stoffer van je stoffer en blik. Nadat je het houten handvat van de stoffer had afgezaagd, zaagde je dat handvat in de lengterichting in tweeën. In beide helften zaagde je een driehoekige gleuf, zodat je door een ruw vierkant tunneltje kon kijken wanneer je de twee helften weer samenvoegde. Je legde de twee helften om het nylon koord, waarbij het koord automatisch in de uitgezaagde uitsparing kwam te liggen. Je kneep nu stevig in het handvat en trok aan het koord. Het handvat verschoof niet. Je ging er nu met je hele diagonale gewicht aan hangen en rukte. Het handvat bleef op zijn plaats. Je verlichtte nu de druk op het handvat en langzaam verkleinde de hoek van jouw lichaam en de grond zich. Knijpen, stoppen. Ontspannen, glijden. Dat werkte perfect, precies zoals het moest. ‘Ik ben een prachtbeest’, dacht je, ‘ik kan alles!’

Je enthousiasme zorgde voor een dosis overmoed waar je nog even een probleem mee zou krijgen. Je verborg koord, zaag, zaagjes, vaseline en glassnijder en besloot het gevecht met de stoel aan te gaan. ‘Wanneer je hoofd door een opening kan, kan je hele lichaam erdoorheen’, luidde een oude wijsheid. Je ging in een bidhouding voor de stoel op de grond zitten en stak je hoofd door de rugopening. Het had wel een flink hoofd moeten zijn om daar niet in te passen.
“Dus in theorie pas ik er doorheen”, mompelde jij opgewekt.

Jan gaat echter nooit over minder dan tien nachten ijs. Je besloot nu de hele proef op de som te nemen. Je strekte een arm naast je hoofd en stak beide zonder een probleem door de opening. Daarna strekte je twee armen naast je hoofd en wurmde je tot je schouders in de opening. ‘Piece of piss’, dacht je tevreden. De stoel zat nu halverwege je borstkas, alsof je over de knie genomen werd. Om aan de genante houding te ontsnappen, stond je op met de stoel als stalen behaatje. Als einde oefening trok je de stoel over je heupen naar beneden.

Althans, dat was je bedoeling, want verder dan je heupen kwam hij niet. Je trok, sjorde, sprong en danste met die kolere stoel, maar verder zakken deed hij niet. ‘Dus mijn schouders kunnen erdoor, maar mijn heupen niet, dat is een mooi verhaal. Zou Schwarzenegger geen last van hebben’, dacht je. ‘Maar ja, die had z’n kop er weer niet door gekregen. Goed, dan die stoel maar weer uit.’ De daad bij de gedachte voegend, begon je de stoel omhoog te wurmen, totdat het ding ook onder je oksels stopte.

Op de overloop klonken de sloffende voetstappen van een bewaarder in aankomst. Deze stopte bij iedere cel om even door het kijkglas naar binnen te loeren. ‘Mijn God’, paniekte je, ‘wat zeg als ie me zo ziet!? “O, bewaarder, ik eh… struikelde en toen viel ik in mijn stoel”? “De stoel viel me geheel onverwachts aan, bewaarder?” Er was weinig tijd meer om te denken dus je deed dat wat het meest voor de hand lag: je ging moeizaam met je ijzeren maagd in bed liggen en trok de dekens over jullie heen. ‘Nou dat was nog eens een mooie tent, wat zou die bewaarder wel niet denken?’

Het kijkglaasje werd opzij geschoven en een oog loerde naar binnen. ‘Nou, wat hij ook denken mag, hij zal moeten toegeven dat ik in ieder geval probeer de lakens schoon te houden’, dacht je. Het duurde een eeuwigheid voordat het klepje weer op zijn plaats viel. ‘Pfff… dat was kantje boord, ome Jan.’ Je hart werd door de stoel op zijn plaats gehouden, maar wat je bloeddruk betrof had je het gevoel dat de diastolische de systolische druk had overtroffen. Je lichaam begon ondertussen ook aardig pijn te doen tengevolge van de onnatuurlijke houding. ‘Ik kan hem altijd van me afzagen als het moet, maar dan heb ik morgen een probleem. Zesenvijftig problemen om precies te zijn.’ Je besloot eerst wat te kalmeren en dan het probleem te analyseren.

‘Ik moet er op dezelfde wijze uit als ik er ingekropen ben. Dus ik moet weer over de knie.’ Om de procedure te vergemakkelijken trok je eerst met veel moeite je T-shirt uit; dat moest verschil uitmaken. Je nam weer plaats voor het denkbeeldige altaar, zette de stoel op de grond en liet je weer over de knie nemen. Langzaam wurmde je jezelf nu achteruit, maar de stoel wilde met je mee, en bleef met je mee willen. Een halfuur later zat je hijgend op de rand van je bed en keek naar de meest gehate stoel in Amsterdam in 1976. Later zou je in je dromen nog herhaaldelijk door buizenframe stoelen worden achtervolgd, waarvan er één jouw T-shirt droeg.

De conclusie? Je paste niet door een enkel raam en je moest dus het gietijzeren kozijn stuk zagen om vervolgens twee ruiten te verwijderen in plaats van één; een grote tegenvaller die alles veel gecompliceerder en riskanter zou maken.

Gianni lag in een Milanese verplettering toen je hem van de stoelendans vertelde.
“O Dio mio, weet je zeker dat er niets tussen jullie is voorgevallen is toen jullie in innige omhelzing in bed lagen!?” gilde hij het uit. 
Je lachte even met hem mee, maar de nieuwe complicaties waren bepaald niet hilarisch. Hoe dan ook, het raam en de tralies waren jouw probleem. De raamspijlen waren van gietijzer en wanneer je dat zaagt, maakt het meer lawaai dan een gewoon stuk ijzer. Je bestelde daarom bij de Drent vijf diamantkoorden om het klusje sneller en eenvoudiger te kunnen klaren. Verder bestelde je een flesje olijfolie om het zagen wat te kunnen smeren en zo mogelijk te dempen.

Het doorgeefluik in de celdeuren werd gesloten met een universele driekantige sleutel. De Drent had wel een celdeursleutel voor je verzorgd, maar de sleutel van het luik had hij nog niet kunnen vinden. In de toiletten ontdeed je een toiletrol houder van het stalen buisje waar normaal de rol papier over draaide. Met je celdeur forceerde je een vorm in het uiteinde van het buisje. Het hoefde niet driekantig te zijn, als de driekantige pen van het slot er maar in paste. Na een beetje duwen, passen en meten paste het buisje over de driekantige slotpen. Je besloot het nieuwe stuk gereedschap meteen uit te testen en duwde het over de slotpen. Je verwachtte veel kracht te moeten zetten, omdat je natuurlijk weinig grip op het buisje had. Met een kabaal van jewelste kletterde het luik open tegen de celdeur, terwijl je met het stalen buisje in je hand bleef staan. De bewakers op het vlak keken onmiddellijk omhoog.
“Wat gebeurt er, Haak?”
“Mijn deurluik viel open bewaarder, ik schrok mij het lazarus”, antwoordde je naar waarheid.
“Kom het zo wel dichtdoen, ga je cel maar in, Haak.”
Gianni had het tafereel vanaf het vlak gevolgd en stak een duim naar je op, ten teken dat hij het begrepen had.

Die avond begon je in je cel een gietijzeren raamkozijnstijl half door te zagen. Je kon natuurlijk niet verder zagen dan tot op de twee glazen raampjes, maar dat bleek evengoed nog een aardige klus. De olijfolie alleen bleek niet genoeg om het geluid te dempen, zodat je het zaagblaadje bedekt hield met een flinke homp boetseerklei. Dat dempte het zagen goed af, maar je kon dus maar zagen tot je nagenoeg tot het glas van de ruitjes was gekomen. Van tandpasta, sigarettenas en oploskoffiepoeder had je een pasta gemaakt waarmee je na iedere zaagbeurt de gleuf in de raamspijl vulde. De kleur van de pasta was zo goed dat je af en toe zelf naar de gleuf moest zoeken.

Het sleuteldilemma was ook opgelost, waardoor Gianni zich in theorie nu dus vanuit zijn cel naar het interieur van jouw cel kon verplaatsen.

Ik val je hier weer in de rede, omdat je verhaal volgens mij niet klopt. “Jan, jullie hebben nu de sleutels, maar hoe kan die Italiaan in de nacht zijn cel verlaten? Er zitten toch geen sloten aan de binnenkant van een celdeur en het doorgeefluik is dan niet van nut, want dat zit op slot. Hoe moest die Italiaan dan zijn cel uitkomen?”

Jij knipte je vingers en zei: “Ik heb het misschien niet goed uitgelegd, Suzanne. De hele operatie, voor waar het Gianni betrof, stond of viel met het doorgeefluik. De voorwaarde was dus dat het luik van Gianni gedurende de nacht van de ontsnapping open moest blijven, terwijl het voor het bewakende personeel moest lijken dat het gesloten was. Wanneer je het luik gewoon dicht duwt en weer loslaat, valt het vanzelf weer open; zo is het namelijk ontworpen. Laat me je nog wat meer over het luik vertellen.”

Het luik in een celdeur vervult een dubbele functie. Afgezien van het doorgeven van voedsel en medicijnen, wordt het ook gebruikt als celdeursemafoor. Wanneer een gevangene naar de dokter of de administratie moet, en zijn cel dus verlaat, opent de bewaarder het doorgeefluik. Dit blijft dan tijdens de afwezigheid van de gedetineerde open. De bewaarders op het vlak kunnen dan aan de positie van het luik zien wanneer een gevangene in zijn cel behoort te zijn; dat is wanneer de celdeur openstaat en het luik dicht is. Wanneer de celdeur én het luik open staan, weet het bewakende personeel dat de gedetineerde met toestemming uit zijn cel afwezig is. Er zijn nog twee mogelijkheden met een gesloten deur denkbaar, maar die zijn hier nu niet relevant. De lezer vermoedt nu zeker, dat het een bewaarder was die het binaire stelsel heeft uitgedacht en dus verantwoordelijk is voor de opmars van de computers. Luik open is een één en luik dicht is een nul. Het binaire rekenen is een feit dank zij een bewaarder met een verstand groter dan een erwt.

Gianni, die de functie van reiniger en klusjesman vervulde, was behalve ’s nachts, constant uit zijn cel. Zijn luik stond dus constant open. Zijn luik was alleen dicht tijdens de nacht en etenstijden. Het kwam ook wel voor dat Gianni met toestemming uit zijn cel was en het luik evengoed dicht bleef. Dat was dan een binaire verrekening, maar het bracht geen opschudding teweeg. Sommige bewaarders maakte het namelijk niet uit of zijn luik nu open of dicht was, want Gianni was toch altijd in het zicht op afdeling A.

Het plan was dat Gianni zijn luik een halfuur voor het sluiten van de cellen voor de nacht dicht zou duwen en het direct met klaarliggende stroken cellotape in een gesloten positie vast zou zetten. De eerste stroken waren het moeilijkst, omdat het gewicht van het luik de stroken cellotape zou laten knappen of gewoon los zou trekken. Het was echter te doen, want Gianni had het op mijn aanraden al een keer uitgeprobeerd. De passerende bewaker controleerde nooit het slot van een gesloten luik, maar trok eenvoudig aan de sleutelgatbuis. Bleef het luik dicht dan zat het op slot. Dit was kant die jullie op moesten.

In de nacht van de geplande ontsnapping zou Gianni op mijn signaal uit zijn walkietalkie wachten. Zodra het tijd was, zou hij voorzichtig de cellotape niet van het luik, maar van de celdeur losmaken. Al die stukken zou hij dan in zijn hand houden, zodat het luik niet met een kolere klap open kletterde, maar hij het langzaam met zijn hand open kon laten zakken. Hij zou nu via het luik zijn celdeur van het slot af draaien en zijn cel uitstappen. De procedure die daarna zou volgen was gelijk aan die van een bewaarder, namelijk: deur op slot, luik op slot en via de trappen naar jouw cel op de tweede ring. Daar zou hij vervolgens het luik en de celdeur openen, waarna hij als het ware weer gedetineerde werd. Dan zou hij de celdeur sluiten door het luik, het luik dichttrekken met een nylon vissnoer en met cellotape vastplakken en ten slotte het vissnoer naar binnen trekken. Hierop zouden jullie cel via het raam verlaten.

Een week voor de ontsnapping werden de walkietalkies door Drent bezorgd. Hij moest twee keer lopen, omdat ze zo groot waren dat hij ze niet tegelijk in zijn uniform kon verstoppen. Terwijl het al je inventiviteit had vereist om zaagbeugel, zaagjes, koord, klei, glassnijder, borstelhandvat enzovoort zo te verstoppen dat die een normale celcontrole konden doorstaan, het afdoende verbergen van de walkietalkies was regelrecht onmogelijk. Okay, de volgende dag gaf je Gianni in het toilet zijn walkietalkie, zodat het totaalvolume met de helft werd gereduceerd. Toch bleef het een onmogelijkheid om het voorwerp te verstoppen. De beste plaats die je kon bedenken was je nachtkastje. Dit ongeveer vijftig centimeter hoge kastje had één legplank in het midden. Onderin had je je nachtspiegel staan, die er na honderd jaar intensief gebruik niet bepaald appetijtelijk uitzag. Je plakte de walkietalkie met cellotape onder de achterkant van de legplank vast, zodat die boven de pispot kwam te hangen. Om hem te kunnen zien moest je echt op je knieën voor het nachtkastje gaan zitten en dan onder de plank kijken, waarbij je gezicht op gespannen voet met de pispot zou komen te staan. Dat moest voldoende zijn, besloot je. ‘Ik kan alleen maar hopen dat we deze week geen celcontrole krijgen’, dacht je.

De controle bleef uit en de dag van de voorgenomen ontsnapping brak aan. De spanning begon nu haar tol te eisen; je was inmiddels een nerveus wrak. Je nam afscheid van Bouke en gaf hem een telefoonnummer dat hij moest bellen zodra hij weer op vrije voeten was. Je boomlange vriend was tot tranen geroerd en bedankte je voor alles wat je voor hem gedaan had. Je voelde je bijna schuldig om hem hier in dit rattenhol achter te laten.
“Ik ben er voor je, Bouke, geloof me”, zei je, en nam met een brok in je keel afscheid van hem.

Daarna sprak je nog even in het toilet met Gianni. Jullie namen de hele procedure nog eens in sneltreinvaart door en spraken af dat jij alleen verder zou gaan als hij tijdens zijn escapade betrapt zou worden. Jullie omhelsden elkaar en je liep naar je cel. Even later werd de deur in het slot gedraaid.

Om half een pakte je de walkietalkie uit de pisplaats en schoof de antenne uit. Je schakelde het apparaat in, drukte op de spreekknop en riep Johnny Pep op: “Hallo Pep, hallo Pep, over...”
Het antwoord kwam onmiddellijk: “Hallo Birdman, ik krijg je luid en duidelijk, over.”
“Zijn de spullen bezorgd? Over.”
“Alles staat op zijn plaats, Birdman. Over.”
“Dan ga ik op weg, ik meld me als ik op je stoep sta. Geef me ieder uur een paar klikken om mij te laten weten dat je er nog bent. Over en sluiten.”
“Afgesproken, Birdman. Over en sluiten.”

Je liet de walkietalkie op stand-by staan en pakte je spullen. ‘Nou, die gekke Pep heeft te veel naar films gekeken. Birdman; hoe verzint hij het? Het is fucking Alcatraz niet’, dacht je nerveus. 

Al het zaagwerk had je ondertussen gedaan. Het was nu breken geblazen: de twee raampjes. Voor het eerst overviel je de serieuze twijfel. Zou het allemaal wel lukken?
“Het moet lukken! Breken nu!” sprak je jezelf moed in.

Je pulkte wat cellotape los van een rol en plakte dat op de uiterste bovenkant van het te breken ruitje. Toen trok je een strook van de rol om die over de hele lengte van de ruit te plakken. ‘Krrrtttttsssssss…!’ klonk het in je fantasie door de hele gevangenis, want het gaf meer herrie dan je had gedacht. Je plakte de strook op de ruit en bevestigde de tweede strook onder de eerste. Wat voorzichtiger trok je een strook van de rol.
‘Krrrtttttsssssss…!’ klonk het opnieuw.
‘Dat wordt nog wat… Dit is nog erger dan zagen, en ik heb minstens dertig stroken nodig’.
‘Krrrtttttsssssss…!’
Nu begon er een celbewoner naast je te schreeuwen: “Stop daarmee, idioot, je valt te pletter!”
“Houd je tyfuskop, etterbak, bemoei je met je eigen zaken!” ‘Krrrtttttsssssss…!’
De wakkere buurman begon nu met een voorwerp op de muur te bonzen, en riep: “Hou ermee op, gek, je valt dood van tweehoog!”

Zodra je ook van andere plekken geluiden begon te horen, besefte je dat de operatie nu al was mislukt. Je pakte de walkietalkie en riep Johnny Pep op. Deze melde zich onmiddellijk en jij legde hem snel het probleem uit.
“Kijk uit dat ze niets vinden, Birdman. Wanneer je weer zover bent, ben ik er ook. Wij ruimen hier de spullen op. Succes, over en sluiten.”

Je ruimde razendsnel alles op en trok de stroken cellotape van de ramen. Weer begon je buurman te schreeuwen. ‘Daar mag Bouke morgen een beetje aan gaan knippen’, dacht je witheet. ‘Wat een zeperd met zo’n leipketel naast me.’

In je bed dacht je na over het gebeurde. ‘Dat wordt niets zo’, dacht je. ‘Ik zal echt door een deur naar buiten moeten. Het hek naar de luchtplaats. Ik zal de Drent om de sleutels vragen en dan gaan we via de luchtplaats de muur over.’ Vervuld van nieuwe ontsnappingsplannen viel je tegen de ochtend in een onrustige slaap.

Om zeven uur ’s morgens zwaaide je deur open. Vier bewaarders stormden je cel in.
“Haak, aankleden en meekomen. Visitatie.”
This is the end, my friend...” zong Jim Morrison in je hoofd.
Je werd afgevoerd naar de badruimte en daar aan een kleding- en lijfonderzoek onderworpen.
“Wat is er aan de hand?” vroeg de badmeester je.
“Geen idee, bewaarder, ik lag nog te slapen toen ik mee moest.”

Nadat je er geen ongerechtigheden op je gevonden waren, werd je in je onderbroek en hemd door de bewaarders meegevoerd naar een ruimte die door een hek en een dubbele deur was afgesloten. Een isoleercel, besefte je. Je werd naar binnen geloodst en de deuren werden één voor één achter je gesloten.

‘Het is duidelijk dat dit zaakje ‘goref’ is’, dacht je. ‘Nu gaan ze mijn cel controleren en dan zijn de rapen gaar. Ik hoop dat Gianni zijn walkietalkie en sleutels heeft weten weg te werken, anders gaat die stumpert ook nog in de isoleer. Wat een zeperd, alles voor niets geweest en dat alleen maar door die klere gek naast me.’

Je herinnerde je nu dat je buurman voor kinderverkrachting zat. Bouke had je indertijd gezegd: “Het is een koekwous (gek) Jan, overdag slaapt hij en ‘s nachts zit hij aan zijn zaak te schrijven.”
‘Hoe heb ik dat kunnen missen?’ dacht je. Je kon je wel voor je kop slaan.

De isoleercel was een betonnen ruimte van vier bij vier meter. Geen tafels, stoelen of bed. Niets, nada, niente, zilch. Een stuk smerig schuimrubber fungeerde als matras. Een lamp achter een stuk pantserglas duidde erop dat het licht de hele nacht aan zou blijven. Een strontton met een deksel completeerde de inrichting van de cel, die in de wandelgangen ook wel ‘strafcel’ werd genoemd. Straf, isoleren? Ze zouden je toch zeker niet als een echte misdadiger gaan behandelen? Van ellende ging je op de schuimrubberen matras zitten, dat vol zat met pluizen, kots, bloedvlekken, zwarte, bruine en blonde haren en allerhande andere vuiligheid. De rillingen liepen je over de rug, maar wat kon je doen?

Besef van tijd verloor je hier snel. Je had geen horloge of andere klok en vanachter de dubbele deuren drong er geen enkel geluid de cel binnen. Normaal kon je van de dagelijkse geluiden in de gevangenis nog wel zo ongeveer de tijd afleiden, maar hier niet. Hier heerste stilte. Doodse stilte.

Je schrok wakker van een deur die geopend werd. Bij het openen van de tweede deur was je weer helemaal bij de les. De directeur, een brigadier en twee bewakers kwamen de strafcel in. De bewakers keken licht geamuseerd, het gezicht van de brigadier verraadde niets, maar het was duidelijk dat de directeur ontdaan was, zo niet uitzinnig van woede. Onwillekeurig rekende je al op een schop.
“Jij vuile crimineel, jij stuk verdriet, hondsvot, jij, jij…”
“Mijnheer Ter Haak”, suggereerde je behulpzaam.
De brigadier hield de directeur tegen.
‘God, wat is die man van streek. En hij leek nog wel zo aardig’, dacht je.

“Jij stuk ongedierte, rapaille dat je bent. Ik heb veel meegemaakt in mijn loopbaan, we hebben zelfs eens een revolver in een cel gevonden, maar nog nooit wat jij daar allemaal… Walkietalkies! Met wie moest jij zonodig kwekken, Haak?”
“Ik had er maar één”, verdedigde je je, en dacht: ‘gelukkig, zij hebben die van Gianni dus niet gevonden.’

De directeur raasde verder: “Waar is die tweede walkietalkie? Denk maar niet dat we dat ding niet vinden, en dat geldt ook voor degene die al die troep naar binnen heeft gebracht. Waar is dat andere ding?”
“Vraagt u me iets of vertelt u me iets?” reageerde je driftig. “Doe wat u moet doen, maar sta niet als een idioot te raaskallen. Ik heb één walkietalkie, geen twee of drie en de rest is ook van mij. En nou wat?”
De directeur zag eruit alsof hij een infarct nabij was. “Daarom moesten jij en Bouke zonodig naar afdeling A worden overgeplaatst… Hier is het makkelijker ontsnappen, hè?”
“Ik heb er niet om gevraagd om overgeplaatst te worden, dat hebt u besloten. En Bouke heeft nergens mee van doen.”
De brigadier zei: “Ik heb die overplaatsing indertijd aanbevolen. Dat was dus een fout, want jij hebt het hele verhaal kant en klaar voor ons opgediend. Allemaal komedie.”
De directeur deed weer een duit in het zakje: “We pakken Bouke ook, voor medeplichtigheid. En dat heeft hij dan aan jou te danken, schoft.”
“Vergeet het maar, conducteur”, siste jij terug.
“O, en waarom dan wel? Wat denk jij hier nog te kunnen bepalen? Je blijft hier zitten tot je ons vertelt wie jou die spullen heeft gegeven.”

Je antwoordde onderkoeld: “Wanneer jij - want dat kan alleen jij maar zijn, haatdragend miesgazzertje - wanneer jij Bouke voor iets aanpakt waar hij niets mee te maken heeft, dan ben ik hier vanmiddag nog uit, geloof me maar op mijn woord, dikke deur.”

“Zet Boomstra in de strafcel hiernaast”, sprak de directeur prompt tot de bewaarders.
“Terwijl jullie dat doen, bel dan gelijk even de Rijksrecherche dat ik een verklaring wil afleggen.”
De brigadier verbleekte en zei: “Haak, je kunt die verklaring aan ons afleggen als je wilt.”
“Niet wanneer het een lid van het bewakende personeel betreft”, antwoordde je.
“Je kunt die naam ook aan mij geven”, zei de directeur wat kalmer, in de kennelijke veronderstelling dat het de goede kant uitging.
“Jij bent de laatste met wie ik zou willen praten.”

De brigadier verschoot nu echt en zei: “Dat kun je niet maken, Haak. Je kunt dat nooit bewijzen. Daar krijg je pas echt gedonder mee, doe het alsjeblieft niet…”
“Als Bouke geslachtofferd wordt, geef ik de Rijksrecherche een naam, en rara wiens naam dat zal worden”, zei je, de directeur aankijkend, en vervolgde: “O, bewijzen kan ik het natuurlijk niet, net zomin als het bewezen kan worden dat ik een leugen zou vertellen. Maar voorlopig gaat er hangende het onderzoek wel één de schorsing in, en die ene zal ik in elk geval niet zijn. Ja, laten we dat zo maar doen. Laat Bouke maar ophalen. Doe maar flink.”

De brigadier vroeg de directeur of ze de zaak even buiten de isolatiecel konden doornemen. Terwijl de beide kaderleden zich op de gang vervoegden, zei één van de bewakers met een ingehouden glimlach: “Nou Haak, je hebt wel weer wat leven in de brouwerij gebracht. Je cel leek wel een ijzerwinkel en het hele HvB (Huis van Bewaring) is in rep en roer. Niemand vertrouwt niemand meer.”
Je antwoordde quasi onverschillig: “Het is altijd al een achterdochtig zootje hier geweest, bewaarder.”

De directeur en de brigadier kwamen de cel weer in.

“Jij blijft hier in de strafcel totdat je vertelt wie jou die spullen heeft gebracht”, zei de directeur zichtbaar kalmer.
“Was mijn idee niet goed dan? U hoeft slechts de Rijksrecherche te bellen.”
“Doe maar stoer, Haak”, zei de brigadier, “wij hebben wel hardere noten gekraakt dan jij. Ik denk dat je na een verblijf van een week hier zachtjes door je knieën gaat. Geen boeken, niet roken, één keer in de week douchen en luchten onder Gestichtwacht bewaking. Ik kom met een week wel weer even kijken hoe het met je gaat.”

Het kader verliet de cel en de deuren werden gesloten. Je was weer alleen met je ondergekotste en bebloede reep schuimrubber.

“Dat klinkt verschrikkelijk”, zei ik tijdens het verwisselen van een cassette. Je knikte. “Het is inderdaad geen pretje. Er zijn zogenaamde harde criminelen die al na vierentwintig uur gaan liggen janken. Degenen die tijdens mijn detentie in hetzelfde Huis van Bewaring zaten, herkennen zich hier wel. Een van die grote jongens schreeuwde na een dag om zijn moedertje, beloofde beterschap en bood de brigadier zijn kont.”

“Hoe pakte jij het op, Jan?”
“Aanvankelijk was ik gedesequilibreerd door de stress van de voorafgaande weken van voorbereiding en de plotselinge overgang naar volkomen stilte en eenzaamheid. De desillusie na het debacle werkte ook niet positief op mijn geestelijke evenwicht. Ik wist dat ik iets moest doen wat me het idee gaf dat ik het systeem aanvocht, iets waar ik voldoening uit kon putten. Om vast een klein beetje op de zaak vooruit te lopen even dit: om drie dagen strafcel te verdienen moet je het echt wel bont hebben gemaakt. Je moet je celmeubilair hebben vernield of een bewaarder voor zijn kop hebben gestompt. Iemand voor een geweldloze uitbraakpoging voor onbepaalde tijd in een isolatiecel opsluiten, is bij wet verboden.”

 

 

 

Primecrime
Microsoft
Marktplaats
Relatieplanet
Multicomms
Regenboogbrug
Google
Telegraaf
Informatique
Trouw
Zibb
Bizz
Bol
Amazon
HP
Samsung
Sony Ericsson
GSM Web
Nokia
RTL
Elsevier
Kro
Avro
Vpro
Vara
 
 Een unieke website voor een uniek boek
Klik om iets unieks te zien...
 Een unieke website voor een uniek boek