25 maart 1983
Uitspraak en uitzitten
Niets lijkt zo eerlijk verdeeld als het verstand.
Iedereen denkt er genoeg van te hebben.
Mijn tevredenheid over mijn zelfverzekerde houding zal het rechtscollege tijdens de zitting niet zijn ontgaan. Het ging me erom te demonstreren dat ik niet in het minst benauwd was voor een veroordeling wegens een poging tot moord c.q. doodslag. Dit kon toch niet bewezen worden.
Met mijn houding wilde ik duidelijk overbrengen dat het gekuip van de politie, de officier van justitie en de rechter-commissaris me niet was ontgaan, en dat de verschillende tegenstrijdige getuigenverklaringen ook gelezen wouden worden door de raadsheren van het Hof, die mijn hoger beroep in Amsterdam zouden behandelen.
Ik had mijn minachting voor de arrondissementsrechtbank niet onder stoelen of banken gestoken en zelfs afgezien van mijn recht om de getuigen alsnog onder ede te laten horen. Dit om duidelijk te maken dat ik al wist dat dat voor de rechtbank in Haarlem geen enkel verschil zou maken. De bevooroordeeldheid strekte zich uit over de hele linie van de portier in het politiebureau tot de voorzitter van de arrondissementsrechtbank in Haarlem. In mijn hoger beroep zou ik de raadsheren van het Hof er echter wel attent op maken dat ik op onbeëdigde en tegenstrijdige getuigenverklaringen was veroordeeld. Dit wist de Haarlemse rechtbank natuurlijk ook, en deze zou daar ook niet echt blij mee zijn.
Veertien dagen na de rechtszitting liepen twee parketwachten over het vlak mijn kant op, terwijl ik bij mijn cel met een bewaarder stond te praten.
“Je moet meekomen, Jan”, zei een van de parketwachten niet onvriendelijk. “De uitspraak van de rechtbank is vandaag en daar moet je bij zijn.”
Ik antwoordde: “Nergens in het hele wetboek staat dat ik daarbij aanwezig moet zijn. Omdat ik geen enkele uitspraak van deze rechtbank zal aanvaarden en onmiddellijk hoger beroep aan zal tekenen, lijkt het me dan ook tijdverspilling om hierbij aanwezig te zijn.”
De parketwacht keek onthutst want met een beslissing zoals ik die zojuist had genomen, was hij niet vertrouwd. Niemand deed zoiets, iedereen wilde weten waar hij of zij aan toe was.
“Wil je dan niet weten hoe lang je nog te gaan hebt, Jan? Wat moet ik zeggen tegen de rechtbank?”
De bewaarder naast me had het intussen echt naar zijn zin; hij kon in de kantine nu een verhaal doen van iets wat in de Koepel zelden of nooit plaatsgevonden had.
“De uitspraak hoor ik straks wel van mijn advocaat. Ik heb geen enkele behoefte om de misselijke koppen van die draaibank weer te moeten aanschouwen. Daarbij minacht ik deze rechtbank. De uitspraak zal slechts tijdelijk geldig zijn, en laten zij daar maar van genieten zolang het nog kan.”
De parketwacht vroeg nu: “Wil je dat ik het precies zo overbreng? Zal ik dat stukje van die misselijke koppen er niet uitlaten?”
“U zou mij er een groot plezier mee doen, parketwacht.”
“Nou, jij zult wat opschudding veroorzaken in de rechtszaal,” lachte de bewaarder. “Wat zou ik daar graag een vlieg op de muur zijn. Je bent een mooie jij, Jan, maar je hebt courage.”
“Welnee bewaarder, dat lijkt maar zo. In werkelijkheid beschijt ik me van angst”, dolde ik. Maar echt relaxed voelde ik me intussen niet.
Een paar uur later kwam mijn advocaat meester Heukels de Koepel in. In een gesprekscel kreeg ik het goede nieuws te horen. Heukels had het bijzonder naar zijn zin en stak dat ook niet onder stoelen of banken.
“Je had die rechtbank moeten zien, Jan. Het ging zo:
Rechter: “Parketwacht, u kunt de verdachte nu voorgeleiden om zijn vonnis te vernemen.”
“Met uw welnemen edelachtbare, maar de verdachte wilde niet verschijnen.”
Alle rechters ontwaken nu uit hun comateuze slaap en kijken de parketwacht nieuwsgierig maar misprijzend aan. Volgens hen moet een parketwacht een verdachte desnoods een rechtszaal in trappen. Ongehoord. Parbleu!
Rechter: “De verdachte wilde niet verschijnen om zijn vonnis te vernemen? Waaróm niet?”
“Met uw welnemen, edelachtbare, de verdachte vertelde me dat hij het verschijnen tijdverspilling vond. Hij zou ieder vonnis van deze rechtbank bij het Hof in Amsterdam aanvechten. Tevens vertelde Ter Haak mij, dat hij deze rechtbank minachtte.”
Gejuich en geklap van de publieke tribune. Mick, Joke, mijn ex-vrouw Ria, Robbie, Bullie en al mijn vrienden waren extatisch. De rechtbank iets minder.
Rechter: “Juist, wel dat is zijn recht. Dan gaan wij nu over tot het uitspreken van het vonnis. ‘Gezien het feit dat...’ ‘…mede gelet op...’ ‘…zes maanden gevangenisstraf,” besloot Heukels.
“Jan, je moet dus nog maar zes weken zitten”, zei Heukels, op een toon of het om uren ging.
“Hoger beroep aantekenen, meester Heukels. Ik ga voor vrijspraak, want het Hof stapt niet over die tegenstrijdige verklaringen heen. Ik wil die twee wel eens onder ede zien. Een verklaring die is opgemaakt door een rechercheur met rotte tanden en een smerig T-shirt verschilt meestal nog wel wat van een beëdigde verklaring voor het Hof,” zei ik.
“Jan, je bent mijn makkelijkste cliënt, en dat ben je ook altijd geweest. Ik heb veel respect voor je, maar nu moet ik je zeggen dat je een grote fout maakt. Wanneer je erop staat, tekenen we hoger beroep aan, maar laat me nog wel even uitleggen wat je verkeerd gaat doen. Ten eerste: je moet nog zes weken zitten en dan ga je eruit. Hoger beroep of niet, je gaat naar huis. Dat hoger beroep kan dan jaren duren, want jij bent vrij, dus er is geen enkele urgentie om het snel te laten dienen. En dan is er nog een kleinigheidje waar je niet aan hebt gedacht, namelijk: jouw Porsche staat nog bij het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk. Wanneer jij hoger beroep aantekent, geeft de officier je Porsche niet vrij. Die blijft daar dan staan tot aan het hoger beroep, dat dan dus mogelijk pas na twee jaar dient. Je Porsche heeft je honderd tachtigduizend gulden gekost. Vertel mij maar wat je gaat verliezen na twee of drie jaar! Is het je dat waard? Je hebt het bijzonder goed gedaan in je zaak, want ze wilden je graag hebben hier in Haarlem, dat zul je zelf ook wel gemerkt hebben. Je kunt niet altijd alles winnen Jan, gebruik je verstand alsjeblieft. Ik begrijp dat je kwaad bent, maar je zou in mijn ogen een grote en vooral onzinnige fout maken.”
Ik dacht na, maar was het er niet mee eens. Ik had de keus om mijn principes voor geld te verkopen of door te gaan tot het bittere eind. Die keus was duidelijk, maar had ik het recht om Mick te laten werken voor de twee of drie jaar waardevermindering van een Porsche? Moest zij vier weken extra de hoer spelen om voor mijn achterlijke principes te betalen? Had ze het al niet slecht genoeg gehad in die vierenhalve maand dat ik opgesloten zat? Kon ik haar dat aandoen? Mocht ik haar dat aandoen? Nee, want dan zou ik gewoon die egoïstische pleurislijder zijn waaraan ik zelf zo’n hekel had.
“Zaak over, Meester Heukels. U hebt volkomen gelijk, ik kan dat Mick niet aandoen. Dank u voor uw advies, u hebt mij voor het maken van een grote fout behoed.”
“Blij dat ik iets heb kunnen bijdragen om mijn honorarium te verdienen”, schertste Heukels.
Heukels vertrok en ik vroeg het kader of ik de directrice even mocht spreken. Aangezien ik nu zowat in dienst was bij het Rijk was dat geen probleem.
“Wat kan ik voor je doen, Jan”, vroeg ze.
“Ik wilde u verzoeken of u mij een speciaal bezoek kunt toestaan van mijn partner. Ik heb zojuist mijn uitspraak vernomen en in verband daarmee wilde ik zo snel mogelijk mijn partner spreken. Dit bezoek kunt u verregelen met een ander toekomstig bezoek.”
De directrice antwoordde onmiddellijk: “Ja natuurlijk, Jan, dat is geen probleem, daar staat een telefoon als je haar wilt bellen. Viel je straf mee?”
“Zes weken te gaan, mevrouw.”
“Joh, dat is geweldig, ik ben blij voor je, echt waar. Het zal wel saai worden als je weg bent, maar het was een verademing om je bezig te hebben gezien over de laatste vierenhalve maand.”
Ik bedankte de directrice voor haar vriendelijkheid, al was ik er niet helemaal zeker van wat ze met haar laatste zin had bedoeld. Ome Kuuk had dat ook al gezegd. Zou de directrice ook met pensioen gaan of was ik gewoon minder slim dan ik dacht? Zou het bewakingspersoneel, het kader en de directrice minder dom zijn dan ik vermoedde?
“O Jan, ik ben zo blij dat je weer gauw thuiskomt”, huilde Mick van blijdschap, toen ze me die middag kwam bezoeken. “Het is echt moeilijk geweest, vooral die maanden dat je beperkingen had. We hebben dan wel berichtjes per cassette en per telefoon uit kunnen wisselen, maar het is niet hetzelfde. Wat je uitspraak betreft, ik heb begrepen dat je in zes weken thuis bent, hoger beroep of niet. Wanneer je het vonnis in hoger beroep aan wilt vechten, moet je dat doen, Jan. Ik verwacht niet dat jij je principes verkoopt voor een beetje geld. Dan werk ik een maand of twee maanden langer. Wat kan mij dat geld verrotten, het wordt toch weer door rechters, officieren van justitie, gezagsdragers, advocaten en andere ‘nette mensen’ bij me teruggebracht. Doe het, doe het goed en doe het voor mij.”
Ik keek haar ontroerd aan en zei: “Nee Mick, ik doe het niet. Eén dag extra werken is al teveel. Jij gaat niet voor mijn verrotte principes betalen en laten wij eerlijk zijn, ik was schuldig, alleen niet op de manier zoals de overheid dat graag had gezien. Nee, laat het zo maar over zijn, mijn dappere en lieve Mick.”
De Deuk, die bezoekbewaarder was die dag, stond al op zijn horloge te kijken om me te laten weten dat wij van hem geen seconde extra bezoektijd hoefden te verwachten.
Mick was de laatste vierenhalve maand liefdevol opgenomen door Joke. Toen Joke hoorde dat ik gearresteerd was, liep ze regelrecht naar Mick’s werk en stelde zich voor: “Jij bent Mick, de nieuwe vriendin, of liever gezegd de laatste vriendin van Jan?”
Mick had onzeker geknikt.
“Luister Mick, jij bent tweeëntwintig, ik ben vierendertig en Jan is verschrikkelijk goed voor mij geweest. Nu ik je zie, begrijp ik ook waarom hij bij me is weggegaan. Ik heb geen rancune tegen jou of Jan, maar ik ben hem nog iets schuldig van vele jaren geleden en die schuld ga ik nu inlossen. Jij bent goed, zo niet de beste in je werk, maar je bent nog jong en je redt het hier niet in je eentje. Je denkt misschien van wel, maar laat mij je verzekeren dat het niet lukt, liefje. Houd je veel van Jan, Mick?”
Mick barstte in tranen uit: “Hij is mijn wereld, Joke. Het spijt me oprecht voor jou dat alles zo gelopen is, maar ik houd zoveel van hem. Ik ben bang dat ik het zonder hem niet red, er zijn vandaag weer drie pooiers aan de deur geweest om me onder druk te zetten. Ik wilde al gaan stoppen met werken.”
Joke troostte Mick en zei: “Jij pakt je spullen en je komt bij mij wonen voor de tijd dat Jan gevangen zit. Jan heeft mij geholpen toen ik het heel erg nodig had en nu kan ik wat voor hem terug doen.”
De twee vrouwen werden de beste vriendinnen en Joke leerde Mick nu alle tricks of the trade die ze nog niet kende.
Ik besefte wat ik Joke verschuldigd was en het raakte me diep. Daar was ik, een… Ja, wat was ik eigenlijk? Een pooier, een crimineel, ex-dopehandelaar en medeplichtige aan moord. Maar hoeveel mooie mensen had ik niet om me heen, trouwe, loyale, lieve mensen, humane mensen, grote mensen en ze gaven allemaal veel om me. Zo slecht kon ik dan toch niet zijn? Ik voelde me op dit moment minder dan een rat.
“Jan, ik heb met Joke gesproken, vandaag, of liever gezegd, Joke heeft met mij gesproken”. Mick stopte even en jij vermoedde slecht nieuws. “Joke heeft mij gezegd dat wanneer ik echt van jou houd, ik jou een ultimatum moet stellen. Ik heb erover nagedacht en Joke heeft gelijk. Ik ben ervan overtuigd dat zij ook veel van jou houdt, Jan, en ik geef jou een ultimatum. Jij hebt mij onderwezen en geholpen en ik onderwijs jou nu. Ik help jou, want jij bent niet in staat jezelf te helpen.”
“Wat heb ik verkeerd gedaan, Mick? Zeg het me en ik maak het in orde, wat het ook is”, protesteerde jij zwak.
“Jan, je hebt vanaf je achttiende geleefd als crimineel. Dat is nu dus twintig jaar lang. Je hebt twintig jaar geluk gehad, ook nu weer. Je bent intelligent, sluw en vastbesloten, dat weet iedereen, en ik wil niet meer dat je ook nog maar iets doet waardoor je in de bak kan komen. In het kort: ik wil dat je met alles stopt. We hebben genoeg geld en er komt nog veel geld binnen, zonder risico. Wat zul je nog aanhalen? Op een dag is je geluk over, je wordt neergeschoten, je wordt doodgeschoten, je wordt voor tien jaar opgesloten of je verdwijnt net als al die anderen voor jou verdwenen zijn. Wanneer je van mij houdt, stop je met alles. Moet ik je zeggen wat ik doe als je niet stopt?”
Ik zat nu met tranen in mijn ogen, en zei: “Nee Mick, je hoeft me niet te dreigen. Ik houd zielsveel van je en ik wil jou ook niet meer missen. Je hebt veel geleerd in die paar jaar. Je bent een geweldige vrouw geworden. Joke heeft gelijk, jij hebt gelijk en ik ben een imbeciel. Ik stop vanaf het moment dat ik hier uitkom. Maar binnen kan er nog van alles gebeuren, want ik heb niet alleen vrienden hier.”
Mick begon weer te snikken, maar ditmaal was het van opluchting: “Ik was zo bang dat je het niet zou aanvaarden, Jan. Ik wil je niet meer missen.”
Ik greep haar handen en streelde die.
“Het spijt me oprecht u het einde van het bezoek aan te moeten kondigen”, zei De Deuk. Ik kon zien dat het hem echt speet. Dat was de enige keer dat ik het bijna kwijt raakte. Ik sloeg totaal op tilt en de Deuk zowat op zijn teringbek.
Nauwelijks had ik Mick bezworen om straight te gaan en ik brak twee minuten later zowat mijn eed aan haar. Mick keek verbaasd en met betraande ogen naar mijn ingedeukte kwelgeest.
“Mick, laat me je even voorstellen aan de meest domme, schijnheilige, achterbakse schijtbewaarder van deze hele Koepel. Wanneer je zijn hersens op een hoop gooit, ontstaat er een gat in de grond dat zo groot als die deuk in zijn kankerkop.”
“Jan, alsjeblieft, je hebt het beloofd.” zei Mick nu bang.
Ik zag Mick vertrekken.
“Ik houd van je, Jan, wees sterk die zes weken!”
De Deuk zag me huilen, maar hij zag ook iets anders. Zowaar ik dit nu schrijf, De Deuk keek de dood in zijn ogen. Eén woord, één opmerking en ik had hem laten vermoorden, en De Deuk besefte dat.
Die zes weken zouden lang gaan duren, het zou een aftelling van dagen en uren worden. Mijn privileges en gedetineerdenfuncties hielden me bezig, maar mijn hart was er niet meer bij. De strijd was over. Ik hoefde niet meer te vechten of mezelf te bewijzen, niet meer te manipuleren, organiseren of komedie te spelen. Ik viel op mijzelf terug en begon licht depressief te worden.
In de vierde week voor mijn vrijlating kwam ome Kuuk tijdens etenstijd een praatje maken.
“Jan, nu je binnenkort vrij komt, zul je weer een baas moeten zoeken, nietwaar?”
Ik wilde net vragen wat hij die dag gedronken had, toen hij zei: “Schrik maar niet, vriend, ik weet hoe graag je werkt, maar het punt is dat je het recht hebt om tijdens de laatste weken van je detentie te solliciteren.”
Ome Kuuk had plotseling mijn volle aandacht weer.
“U bedoelt dat ik een paar uur naar buiten mag om me bij een mogelijke nieuwe werkgever te presenteren?”
“Ja, maar die moet dit dan wel bevestigen middels een schrijven aan de directie. Ken je mensen die dat voor je kunnen doen?”
Ik zei: “Ja, genoeg. Hoe vaak mag iemand solliciteren, ome Kuuk?”
“Drie keer”, antwoordde deze.
“Nou, daar zullen wij dan gelijk maar mee beginnen. Goh, dat wist ik echt niet! Dat is leuk nieuws.”
“Ja, ik dacht wel dat het je een beetje op zou beuren. Je leek me een beetje down de laatste weken, Jan. Maar wat wil je; je spreekt je adrenaline- en serotonineklieren niet zo veel meer aan als in het begin. Die depressie gaat over zodra je weer vrij bent. Succes met je sollicitaties.”
Het eerste verzoek kwam na een week bij de directrice binnen. “Ik heb hier een uitnodiging voor jou om te komen solliciteren bij het automobielbedrijf Kinzo in Amstelveen. Ken je dat bedrijf, Jan?”
Ik antwoordde beleefd: “Jawel mevrouw, dat is een Porsche dealer.”
“Had jij ook niet een Porsche, Jan?” vervolgde ze geïnteresseerd.
“Jawel, maar die staat nog bij het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk”, was mijn antwoord.
“Mooi, je weet in ieder geval waar je over praat wanneer je Porsches gaat verkopen.”
Ik antwoordde gemelijk: “Daar heeft u gelijk in, mevrouw.”
“Je krijgt zes uur voor die sollicitatie. Kom dronken of stoned terug, morgen, en je bent uitgesolliciteerd. Tevens wil ik dat je een gestempeld en getekend briefje van die autodealer mee terug brengt, waaruit blijkt dat je daar inderdaad bent geweest. Is dat duidelijk?”
“Jawel, mevrouw”.
De volgende morgen zat ik met Mick in het kantoor van A.J. bij autohandel Kinzo. We haalden herinneringen aan mijn arrestatie op die hier vijf maanden eerder plaatsgevonden had en ik moest over mijn wedervaren van vijf maanden gevangenis vertellen.
“Je kunt het binnenkort wel in mijn boek lezen, A.J.”
“Ben je een boek aan het schrijven dan?” vroeg A.J. geïnteresseerd.
“Inderdaad, en jij komt er ook in voor. Weet je nog dat je zo benauwd was voor je klanten toen de politie er was?” vroeg ik hatelijk.
“Hé Jan, dat kun je toch wel begrijpen? Zoiets maak ik ook niet iedere dag mee. Wat is er trouwens met je Porsche gebeurd?”
Ik zei hem waar die stond en vertelde hem dat hij die kon inruilen voor een nieuwe.
“Werkelijk, wil je alweer een andere Porsche? Die 928S is net zeven maanden oud”, zei A.J.
“Ik wil nu een 911S Turbo en ik wil hem meteen. Wanneer ik vrij ben, ga ik eerst met Mick op vakantie voor een maand of wat.”
Ik gaf Mick een zoen en zei: “Zoek jij eens een mooie Porsche uit, lieverd.”
Een halfuur later scheurden Mick en ik in een splinternieuwe goudkleurige 911S Turbo weg. De inruil had wat voeten in aarde gehad, want A.J. kon niet weten hoezeer mijn oude Porsche in Rijswijk was mishandeld. Ik had een basisbedrag voorgesteld; als de Porsche er
|