Met geld en de hoed in de hand…
komt men door het ganse land.
Zeker in de gevangenis.
Sjakie de bewaker is nu ongeveer drie weken bij me in dienst en hij begint net zoveel aardigheid in onze overeenkomst te krijgen als ondergetekende. Hij heeft inmiddels dan ook een speciale jas gekocht om zoveel mogelijk van het door mij verlangde in één keer naar binnen te kunnen brengen. Verlegen of gierig is hij absoluut niet, want ik heb nu ruim tien sloffen Camel in mijn stalen klerenkast liggen.
De eerste transacties zijn weliswaar met wederzijds wantrouwen, maar toch gesmeerd verlopen. De mini cassetterecorder heb ik verstopt in het batterijenvak van mijn transistorradio. De tapes kan ik natuurlijk niet in de dictafoon laten zitten; ik heb ze met cellotape op de zwarte muurplint in mijn cel geplakt. Aangezien de tapes na verwijdering van de labels even zwart zijn als de plint, kan mijn cel een redelijk grondige controle doorstaan. Vaak moet ik zelf op mijn knieën over de grond kruipen om de voor export bestemde tape terug te vinden. Tot het moment dat de tape opgehaald wordt, is het dan wel even afzien. Ik spreek de tape namelijk pas in wanneer ik zeker weet dat Sjakie dienst heeft; dit om de kans op ontdekking zoveel mogelijk te beperken. Nog lijkt het dan eeuwen te duren tot de band opgehaald wordt. Tijdens dat wachten verwacht ik dan elk moment een celcontrole.
Tot nu toe is echter alles van een leien dakje gegaan en ik wacht nu vol ongeduld op een nieuwe tape van Bullie. Deze keer zal er ook een kwartliter whisky meegebracht worden. Een ieder heeft recht op een klein verzetje, vind ik, en gelukkig is Sjakie dezelfde mening toegedaan.
De nachten breng ik niet langer meer wakend door, want een ruime voorraad slaappillen houdt mijn dictafoon gezelschap. De bewaarders worden steeds soepeler en menselijker, omdat ze mijn celdeur niet steeds open en dicht hoeven te doen. Gemiddeld bel ik één keer per dag om naar het toilet te gaan. Veel last hebben zij dus niet van mij.
Wanneer een ‘rode kaart’ uit zijn cel is, heeft het bewakend personeel de opdracht om hem met arendsogen in de gaten te houden, en vooral te voorkomen dat de geïsoleerde zich ook maar met iemand onderhoudt. Ondanks het feit dat ik al vele bekenden van mij in de gevangenis heb gezien, onthoud ik me van iedere vorm van conversatie met hen. Ik ben niet afkerig van een gesprek met een bekende, maar ik ben bezig met een experiment dat later vruchten af zal moeten werpen.
Ik heb nu weliswaar alle beperkingen opgelegd gekregen, maar zodra die eenmaal opgeheven zijn, wil ik een maximum aan bewegingsvrijheid kunnen genieten. Van Sjakie heb ik al vernomen dat de meeste vlakbewaarders - De Deuk natuurlijk uitgezonderd - mij geen kwaad hart toedragen. Er wordt in termen van ‘een rustige, beleefde jongen’ en ‘o, van Haak heb je weinig last’ over mij gesproken. Kleine privileges worden mij dan ook inmiddels toegestaan. Wanneer er op het vlak ‘sportevenementen’ worden gehouden, wordt meestal mijn deur opengemaakt. Dan mag ik, als toeschouwer, op mijn stoel in de deuropening gaan zitten. Dit op voorwaarde, natuurlijk, dat ik mij van iedere vorm van conversatie met medegedetineerden zal onthouden.
De kunst is om je in je cel terug te trekken voordat de humane bewaarder in kwestie naar je toe komt om je te zeggen dat je weer je cel in moet. Ik bedank die bewaarder dan zo uitbundig dat het lijkt alsof hij me net een nieuwe Ferrari cadeau heeft gedaan. Meestal krijg ik dan als antwoord dat de bewaarders de beperkingen zelf ook onmenselijk vinden, en dat ze, als ze eens een soepele gedetineerde ontdekken, hem dan zoveel mogelijk privileges toestaan. Nu lopen de meeste bewaarders echter wel op hun tenen voor het kader en de directie, dus wanneer er een brigadier of een directeur besluit zich even op het vlak te begeven, dan duikel ik met stoel en al mijn cel in. Ik trek mijn celdeur dan snel dicht om de goedmoedige bewaarder in kwestie een berisping te besparen.
Dit was de eerste fase. De tweede was om Sjakie sigaren mee te laten nemen. Ik rook geen sigaren, maar na ieder mij toegestaan privilege, hoe triviaal ook, geef ik de betrokken bewaarder een sigaar. Dus ik mag dan sport kijken.
Dat is ook een verhaal en een half. Voetballen is erg populair hier, en je ziet de beurzenknippers, tassensnijders, junkies en drugsdealers achter de bal aan rennen alsof ze zich voorbereiden op een interlandwedstrijd. De prachtigste voorzetten zie je van de junks. De ballen komen dan meestal tegen een celdeur high op de derde verdieping terecht. De gauwdieven hebben de meeste aanleg voor voetbal, want die hadden op straat al leren rennen om zich tijdig uit de voeten te kunnen maken.
Denkt u nu alstublieft niet dat ik van voetbal houd, want ik haat de sport. Maar door het tonen van gefingeerde belangstelling en dankbaarheid opent er zich weer een nieuwe deur naar een volgend privilege. Ik heb de toiletroutine in de ochtenden veranderd door de tijdstippen te verleggen. Ik bel nu een kwartier voor koffietijd om naar het toilet te mogen. De ergste stank is dan voorbij en met een beetje geluk is het hok dan schoongemaakt. Dan kan ik met mijn voeten op de toiletbril gaan zitten om tussen mijn benen door te schijten. Als het eten van de vorige dag een beetje laxerend werkt, moet ik dan wel mijn kuiten wassen. Maar het is tenminste mijn eigen stront. In het begin maakte ik de fout om de excretie van faeces en urine te combineren in deze hurkende positie.
Daar een man in de morgen over het algemeen is uitgerust is met een ferme opsteker, kunt u zich misschien voorstellen dat het niet zelden gebeurt dat ik tegen mijn gebogen knieën aan pis. Maar al doende leert men. Na het wassen keer ik dan op de reeds eerder omschreven wijze terug naar mijn cel, onder goedkeurende blikken van de bewaarders die dan innig tevreden een sigaartje staan te roken.
De koffie is dan inmiddels uitgereikt, dus de meeste bewaarders nemen meestal niet meer de moeite om mijn deur te sluiten. Dan kan ik op mijn gemak een paar sinaasappels uitpersen en mijn ontbijt nuttigen bij het genot van een openstaande celdeur. Meestal komen er wel een paar bewaarders met me staan praten. Dat is het moment dat mijn sigaren een eigen leven gaan leiden in de handen van mijn audiëntie. Dat heeft dan weer tot gevolg dat de één voor de ander niet het spits af wil bijten om mijn deur te sluiten.
Die blijft dan open tot de De Deuk of één van zijn blutsbroers hun sloffende tred vervangen door een sprint. Zij kunnen de aanblik van mijn openstaande deur maar met moeite verdragen. Mijn deur gaat dan weer dicht, maar ik boek vooruitgang.
Een van de toiletreinigers is een *sketjunk* die ik nog van vroeger ken. Hij heeft mijn routine opgemerkt en timet het nu zo dat hij vóór mij in de toiletruimte aanwezig is. Ik krijg dan het laatste nieuws van hem en hij van mij sigaretten. Nu zijn de bewaarders niet echt helemaal gek en dit is hun dan ook allang opgevallen. Negen van de tien maken geen bezwaar, mits wij het maar niet te bont maken. Ik vraag Ron, de reiniger, of hij mij niet iedere dag een schone handdoek kan bezorgen. Dat vormt voor Ron geen probleem. Hij heeft als reiniger toegang tot de toiletruimte van de bewaarders. Hij pakt dan een schone handdoek uit de kast en hangt mijn gebruikte handdoek weer op voor de bewaarders.
Kleine geneugten veraangenamen het leven aanmerkelijk in de gevangenis. “Jan, er is gisteren een gabber van je binnengebracht”, deelt hij mij nu mede.
“O, en wie is dat dan?” vraag ik.
“Kees Compier”, zegt hij, mij nieuwsgierig aankijkend. “Ik dacht dat je dat wel wilde weten.”
“Ja, dat is prettig om te horen, Ron. Wil je duizend gulden verdienen?”
“Ik dacht het wel hè? Vertel me maar wat ik moet doen. Maar net als jij heeft Kees ook beperkingen.”
“Kun je ervoor zorgen dat je tegelijkertijd met hem in het washok bent, Ronnie?”
“Geen probleem, maar wat moet ik doen?”
“Zijn je kopstoten nog net zo hard als vroeger?”
“Harder Jan, en voor duizend gulden wordt Kees een week met de slang gevoerd. Het enige is dat ik bij een vechtpartij mijn baantje als reiniger verlies, maar ik doe het evengoed wel voor je.”
“Wanneer je doet wat ik zeg, verlies jij je baantje niet Ron. Integendeel, ik denk dat je een compliment van de directrice krijgt. Je bent toch volkomen afgekickt, nu?”
“Helemaal Jan, ik rook af en toe alleen nog een joint. Geen horse meer voor mij”, antwoordt Ron.
“Nou, luister dan. Wanneer Kees in het washok is, spreek je hem aan en geeft hem een sigaret. Wanneer hij die in zijn mond heeft en op je vuurtje wacht, dan geef je hem een paar kopstoten. Trap hem in elkaar en duw hem met zijn kop in de wc-pot. Dan trek je door, en je doet hem de groeten van mij. Ik wilde dat ik het zelf kon doen. Daarna loop je schreeuwend het vlak op. Je doet of je volkomen de kluts kwijt bent. Wanneer je vervolgens bij de directrice moet komen, vertel je haar dat je nu helemaal bent afgekickt en van plan bent om weer iets van je leven te gaan maken. Je vrouw en je kinderen komen je regelmatig bezoeken. Je ziet uit naar het moment dat jullie weer samen zijn om helemaal opnieuw te kunnen beginnen. Daar leefde je voor totdat Kees Compier in het toilet kwam en je een paar gram heroïne aanbood. Je flipte uit je bol en je wist niet meer wat je deed.
Eindelijk ben je dan afgekickt en dan komt er een aasgier die je weer aan de dope wil hebben. Je biedt je excuus aan voor het vechten en vraagt de directrice of zij jou je baantje af wil nemen en je op wil sluiten, omdat je nooit meer in de verleiding wil komen. Begrijp je?”
“Ja natuurlijk, maar denk je dat ze mij gelooft?
“Wanneer je er een beetje bij huilt, absoluut. En wanneer je dan toch je baantje verliest, wat ik persoonlijk nog niet zie, dan krijg je tweeduizend gulden van mij. Ik kan het je nu hier binnen of later buiten geven. Ik kan het ook in kleine gedeelten op je kantinerekening laten storten, zodat het niet opvalt.”
“Afgesproken, ik doe het morgenochtend.”
“Afgesproken”, bevestig ik en verlaat het washok.
In de cel laat ik het verhaal van Kees Compier nog eens de revue passeren. Kees Compier heeft zich het beroep van derderangs oplichter aangemeten. Hij neemt hoofdzakelijk mensen op link die weinig of geen verweer hebben. Hij kan bluffen en schreeuwen als een Haagse pooier met het verschil dat hij, in tegenstelling tot een Haagse bikker, zijn bedreigingen nooit ten uitvoer brengt. Veel rook en weinig vuur. Af en toe ontmoet ik hem wel eens en weet dan niet hoe snel ik bij die kwal weg moet komen. Heb ik de pech dat hij meer dan een kwartier in mijn onmiddellijke omgeving vertoeft, dan ben ik doofgeschreeuwd, natgespuugd en met honderd miljoen verbale guldens om mijn oren geslagen.
Ik heb niet een echte hekel aan hem, maar hij is het prototype van de *bijgoochem*. Vlak voordat ik gearresteerd werd, had een kennis uit Haarlem mij een verzoek gedaan om een vordering op Kees te incasseren. De man in kwestie is een hard werkende middenstander die twintigduizend gulden van die Kees tegoed heeft. Nu is hij de enige niet, maar ik mocht de benadeelde erg graag, en de manier waarop hij was getild beviel mij helemaal niet. De arme man moest zijn auto verkopen om wat contanten op te doen. Dit wilde hem niet op korte termijn lukken. Kees, die van de man zijn probleem gehoord had, kwam toen ‘toevallig’ bij hem langs. Hij had wel een koper voor de Mercedes en bood de man twintigduizend gulden voor zijn wagen.
Mijn kennis, die met dit bod duidelijk in de wolken was, beging de stommiteit om Kees de autopapieren meteen mee te geven. Kees beloofde de man om het geld de volgende dag te komen brengen en reed weg met de auto, tot de jongste dag. Toen de bedrogene mij op kwam zoeken, zei hij tegen mij dat hij het geld al had afgeschreven, maar dat hij niet wilde dat Kees er wijzer van zou worden. Ik vroeg hem wat hij wilde doen. De man die weliswaar geweld verafschuwde, stelde mij voor om mij het hele bedrag te laten houden wanneer het me lukte om de twintigduizend gulden van Kees te incasseren. Op mijn vraag hoe lang geleden hij *geript* was, antwoordde hij dat het twee jaar geleden was gebeurd.
Ik stelde hem voor om door een gemeenschappelijke kennis contact met Kees op te laten nemen. Deze moest het oplichtertje dan vertellen dat ik de schuld had overgenomen door de twintigduizend gulden aan de man terug te betalen. Een dienst warvoor ik Kees zesduizend gulden rente in rekening zou brengen. Ik zei tegen de man dat hij gewoon zijn geld zou krijgen en dat ik de zesduizend gulden rente zou houden voor de onkosten. De man wilde er niet van horen en stond erop dat ik dan tenminste de helft van het uitstaande bedrag aan zou nemen.
“We zullen wel zien als het zover is”, zei ik.
Daar Kees zich ook de andere kwaliteiten van een Haagse souteneur had aangemeten, kon hij niet minder doen dan ook zijn domicilie in de residentie te kiezen. Waar dat was wist ik nog niet, en op het bericht van mijn boodschapper kreeg ik geen antwoord.
Dat maakte me venijnig en ik promoveerde het nu tot een persoonlijke vete. Ik stuurde Robbie samen met Faisal, een andere kickbokser, naar het bordeel waar de vriendin van Kees werkte. Ik legde Robbie uit dat er wat voor hem te verdienen viel en droeg hem op een beetje druk te doen tegen de geëtaleerde.
“Ze zal jullie wel proberen af te schepen met die grote slabek van haar. Doe maar een beetje heavy tegen haar, maar sla haar niet. Ze zit uiteindelijk voor haar brood en kan er ook niets aan doen dat die Kees zo’n lamstraal is. Een verstering op die kast willen we er ook niet ingooien.” Was Kees dan misschien een slechte bluffer, over zijn kwaliteiten als pooier was een ieder het eens. Mochten sommige jonge jongens het prachtig vinden om de naam van bikker te hebben, Kees was er voor geboren. Hij kreeg iedere dag een vers pak Caballero, een kroket en vijfentwintig gulden van zijn vrouw. Zij mocht haar broek op haar werk dan wel uit hebben, thuis had zij hem in ieder geval duidelijk en zeer strak aan. Dit zeer tot ongenoegen van Kees, overigens, want met zo’n dagloon moest hij wel uit stelen gaan.
De twee kickboksers liepen het bordeel in. Robbie vroeg aan de hoer waar zij haar man konden vinden. “Wat mot je van hem?” was haar wedervraag.
“Zeg eens, *niegeshoer*, je hebt je Keessie niet voor je. Geef gewoon antwoord als ik je wat vraag.”
De tweede kickbokser mengde zich nu in het gesprek: “Luister, meisje, ik vind persoonlijk dat je er wel soortig uitziet. Laten we dat nou zo zien te houden, want met een weggeslagen kin kun je niet werken.”
“Ik zal die pleurisbak eens door haar winkelraam rossen, als zij niet gauw haar smoel opendoet”, vloekte Robbie.
De hoer verschoot onder haar make-up en bond nu zichtbaar in.
“Ik weet niet waar Kees uithangt, eerlijk niet. Af en toe komt hij thuis en soms zie ik hem dagen niet. Ik zal je zijn telefoonnummer geven, en zodra hij thuis komt zal ik zeggen dat jullie naar hem gevraagd hebben. Wie kan ik zeggen dat er voor hem geweest is?”
“Zeg jij maar dat Kees even bijzonder snel contact opneemt met Jan Haak.”
“Jan Haak?”, vroeg de vrouw verbaasd, “maar dat is een vriend van Kees.”
“Nou, ik denk dat de meningen daarover nogal wat verschillen, maar Kees kan er in ieder geval voor zorgen dat Jan Haak geen vijand van hem wordt”, raadde Robbie haar aan.
De vrouw knikte niet-begrijpend en gaf Robbie een telefoonnummer door.
“Als het nummer niet goed blijkt te zijn, dan komen we nog even terug om die hut hier te verbouwen”, waarschuwde Robbie en verliet met Faisal de hoerenkast.
Ik liet meteen het nummer na checken door een kennis die bij de PTT werkte. Het bleek een geheim nummer te zijn van een adres op de Waldeck Pyrmontkade in Den Haag. De hoer was zichzelf te slim af geweest door dat nummer te geven; ze was in de veronderstelling dat wij toch niet achter het adres konden komen. Zij bleek de abonnee te zijn van het bewuste nummer. Nu wist ik dus ook meteen waar Keesje woonde.
‘s Avonds lag ik op mijn bed televisie te kijken toen de telefoon rinkelde. Geïrriteerd pakte ik op: “Ja, hallo?”
“Jan, je spreekt met Kees!” brulde een stem in mijn oor. “Wat denk jij godverdomme te kunnen maken om mijn vrouw lastig te vallen…?”
“Ik denk niet dat ik je vrouw lastig heb gevallen, Keesje,” antwoordde ik naar waarheid, “maar ik denk dat jij wel last zult krijgen wanneer jij je niet snel meldt met de centen. Je vrouw wordt dan wéér niet door mij lastig gevallen.”
“Wanneer ik nog een keer last van je heb, dan koop ik een revolver, schiet je dood en duik onder”, schreeuwde de Kees.
“Ik dacht dat je al ondergedoken zat op de Waldeck Pyrmontkade”, opperde ik.
“Hoe weet jij...” Kees maakte zijn zin niet af, zich zijn fout realiserend.
“Luister, dikke kwal dat je bent. Jij moet niet dreigen, maar doen. Je weet waar ik woon en als je opschiet tref je me over een uur nog thuis. Mocht je geen revolver hebben, dan verkoop ik je er wel een. Dan is het enkel nog een kwestie van wie het snelste trekt, cowboy. Je moet wel geld meenemen voor dat wapen, want ik houd niets van je te goed. Het zou trouwens lullig zijn als wij morgen bij je vrouw geld moesten gaan halen. Die heeft dan al genoeg aan haar hoofd met jouw begrafenis. Als je niet kunt komen, en ook die zes en twintig ruggen niet wilt betalen, dan kom ik morgen wel naar Den Haag. Zeg maar vast waar en hoe je liggen wilt.”
“Jan…” begon Kees half jankend, “hoe kun je dat nu doen, wij zijn toch allebei penoze?”
“Zeg halve gare, jij wilt mij toch niet met jezelf vergelijken? Ik licht geen werkmensen op. Maar ik zal het je snel vertellen: je betaalt mij die centen of ik laat je opknappen met een gat in je kop, groter dan het gereedschap van je wijf. Zo, dan weet je de voor- en de achterkant nu.”
“Ik betaal nooit. Doe maar wat je wilt”, zei Kees en hing toen op.
Een halfuur later ging de telefoon opnieuw. Ditmaal was het de bedrogen handelaar: “Jan, Kees Compier belde mij net op en vroeg mij waarom ik jou op hem had afgestuurd. Ik zei dat jij zijn schuld had overgenomen en dat hij het verder maar met jou uit moest zoeken. Hij begon mij te dreigen dat hij mijn familie aan zou pakken als hij niet met rust gelaten zou worden.”
“En toen?” vroeg ik, mijn medelijden voor de man verbergend. “Toen zei ik dat ik dit aan jou zou doorgeven met een envelop met nog eens twintigduizend gulden.”
“Dat was perfect,” prees ik hem, “hoe is het gesprek afgelopen?”
“Toen begon hij zielig te doen en vroeg of hij mij dan in gedeelten mocht betalen. Ik antwoordde dat ik niets met de zaak meer te doen wilde hebben en dat hij het maar met jou op moest zien te lossen. Uiteindelijk had ik mijn geld al van jou teruggekregen. Daarna zei Kees dat hij morgen toch iemand met de eerste tweeduizend gulden naar mij toe zou sturen. Hij vroeg of ik die centen dan aan jou wilde geven.”
“We zullen zien of hij dat waarmaakt, maar als er iemand mocht komen, kijk dan of die persoon met de auto is. Wanneer dat het geval is, noteer het kenteken dan.”
De man verzekerde mij dat hij dat doen zou en overlaadde me met dankbetuigingen. Hij zei dat hij Kees nog nooit zo angstig had gehoord, ondanks zijn gebluf.
Ik belde de man de volgende dag en hoorde dat iemand duizend gulden had gebracht. Ook kreeg ik een kentekennummer door, dat ik meteen liet natrekken. Het bleek op naam van iemand te staan die in Zandvoort woonde. Robbie en zijn maat vereerden die persoon daarop met een bezoek. Ze werden opengedaan, en Robbie en Faisal stapten met de huisbaas en al naar binnen.
Daar vertelden ze hem op een vaderlijke toon dat wanneer hij als boodschapper voor Kees wilde fungeren, hij daarvan de consequenties te aanvaarden had. Hij en/of Kees werden gesommeerd om binnen drie dagen vijf duizend gulden te komen brengen. Zo niet, dan hadden ze een knap probleem.
Twee dagen later werd er vijfduizend gulden bij de koopman afgeleverd. Die was de hemel te rijk. Wanneer hij ooit nog iets voor me kon doen, moest ik hem dat absoluut laten weten. Ook na die dag bleef er regelmatig geld bij hem gebracht worden, totdat ik gearresteerd werd.
Midden in mijn overpeinzingen wordt mijn celdeur geopend, en Sjakie stapt binnen. “Goedemorgen Jan, de vracht is weer binnen. Je moet je vriend alleen vragen of hij de volgende keer die fles tot aan de kurk toe wil vullen. Toen ik net over het vlak liep, kon volgens mij de hele koepel het klotsen horen”, grapt Sjakie en stopt een flesje drank onder mijn kussen.
“Wil je straks die lege fles op komen halen, Sjaak? Niet dat ik het nu opdrink, maar ik giet het over in een 7Up fles. Het staat zo raar als er een whiskyfles in mijn cel gevonden wordt”, zeg ik, terwijl ik de bewaarder een nieuw cassettebandje overhandig.
Sjakie gooit de deur van mijn cel wijd open en gaat op mijn stoel zitten: “Jan, we werken nu al weer drie weken samen en ik heb al mijn schulden af kunnen betalen. Ik ben je erg dankbaar, en...”
“Maar...?” vul ik in, een teleurstelling vermoedend.
“Nee, niks maar. Ik wil je alleen zeggen dat wanneer het te zwaar voor je wordt, ik wel een paar weken voor niets spullen voor je meebreng.”
“Dat waardeer ik bijzonder, Sjaak, maar er is geen enkel probleem wat dat betreft. Ik ben erg blij met wat je voor me doet en ik houd mij aan de afspraak. Maar als jij het gevoel hebt dat je er even mee moet stoppen omdat je collega’s iets vermoeden, aarzel dan niet om het te zeggen. Beter ten halve gekeerd dan faliekant voor schut.”
“Nee, er is geen probleem, maar ik wil nogmaals zeggen hoe ontzettend ik met dat geld geholpen ben.”
“Prima dan. Ik wilde je vragen of je er bezwaar tegen hebt om voor mij wat hasj mee te nemen, de volgende keer?
“Ik dacht dat jij dat niet rookte?”
“Dat doe ik ook niet, maar er is hier iemand die voor mij iets doet en die rookt wel.”
“Dat is Ron de reiniger zeker?” gist Sjakie.
“Precies, dat heb je goed.”
“Mag ik vragen wat hij moet doen? Misschien kan ik je beter helpen.”
“Ik denk het niet, bewaarder. Ik wil het je wel zeggen, maar ik denk dat het leuker is wanneer het nog even een verrassing blijft. Zodra het gebeurt begrijp je het meteen. Ik denk dat je het wel grappig zult vinden. Daarna vertel ik je alles, want ik wil niet dat je een verkeerd beeld van me krijgt.”
“Dan zou er nogal iets moeten gebeuren. Maar kijk wel goed uit wat je doet. Je zou er verbaasd over zijn als je wist hoeveel gedetineerden hier over elkaar lopen te *loenen*. Maar laat je vriend die hasj maar verzorgen, dan neem ik het wel mee voor je”, zegt Sjakie.
Hij verlaat de cel en laat de deur nog even openstaan. Het tocht nogal zeker, want mijn deur slaat even daarna vanzelf dicht. Het kan echter ook iets met De Deuk te maken hebben gehad.
De volgende morgen is Ron niet in het toilet aanwezig. Ik heb een vaag vermoeden wat daar de oorzaak van kan zijn, maar misschien is de wens wel vader van de gedachte. Ik was mijzelf, druk fantaserend wat er gebeurd zou kunnen zijn. Ik zal mijn ziel in lijdzaamheid moeten bezitten, want Sjakie komt pas ‘s middags weer in dienst.
Weer thuis aangekomen blijkt echter dat mijn geduld niet al te lang op de proef gesteld zal worden. Mijn celdeur wordt geopend en een grijzende, grijnzende bewaarder stapt binnen en gaat pontificaal op mijn stoel zitten. De man was mij al enkele keren opgevallen door zijn correcte gedrag. Hij had mij al verscheidene kleine pleziertjes gedaan in het verleden en wilde van geen bedankje weten. Een super correcte man, volgens mij.
“Zo Jan, heb jij ongenoegen met Kees Compier?” vraagt hij me rechtuit.
“Hoe dat zo, ome Kuuk?” vraag ik tot mijn niet geringe verbazing.
“Wel jongen, vanmorgen heeft Kees in het toilet een paar kopstoten van Ron de reiniger gehad. Kees kan nu zijn tanden poetsen zonder zijn mond open te hoeven doen. Ronnie zegt dat Kees hem heroïne wilde verkopen en dat hij toen woest werd en niet meer weet wat hij gedaan heeft.”
“Gelijk heeft hij, ome Kuuk, maar wat heeft dat met mij te maken?” |