Homepage...
Zonde van de eerste steen
 
Autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

Het profiel is klaar – Resultaat!

Een voordeel van slim zijn is dat het je in staat stelt om te veinzen dat je dom bent. Het omgekeerde is veel lastiger.

Het hierboven gestelde zou aan kunnen geven dat ik mezelf nogal slim vind, nietwaar? Zoals ik al aangaf in mijn voorwoord laat ik die beoordeling – naast alle andere - gaarne aan de lezer over.

Voor zover ik vind dat het hierboven gestelde iets over mij zegt, heb ik dat vooral te danken aan het compliment dat Justitie me heeft gemaakt door me het predikaat ‘Een ontkennende, sluwe en leugenachtige verdachte’ op te spelden – iets waarmee ik dan ook veel meer in mijn sas ben dan een mogelijk antoniem als ‘Een bekennende, domme, maar eerlijke verdachte’. Als dat iets over de waarheid had gezegd, zou mijn boek niet alleen erg kort, maar ook bij voorbaat ongenietbaar zijn geworden.

Ik ben hier niet mijn eigen loftrompet aan het steken, maar zou graag aan de lezer duidelijk willen maken hoe het is gekomen dat me, nu ik uit de beperkingen ben geraakt en mijn rechtszitting afwacht, opeens zoveel privileges ten deel vallen.

Weinig kan vervelender zijn dan geschiedenis, maar het verleden bepaalt de toekomst, en dat geldt beslist ook hier. Wie van zijn verleden niets geleerd heeft, heeft zijn recht op een voorspoedige toekomst dan ook verspeeld.

Die geschiedenis betreft in dit geval de periode van mijn arrestatie en mijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris tot aan het moment waarop het vooronderzoek gesloten is. Voor een ontkennende verdachte is dat een moeilijke tijd, niet in de laatste plaats omdat zijn of haar detentie door de rechter-commissaris met een aantal aanvullende strafmaatregelen wordt uitgebreid.

‘Om het vooronderzoek niet te belemmeren en het gevaar van collusie te voorkomen’, heet dat in ambtelijke taal. Zoals gezegd wordt dit door de verdachte als een extra strafmaatregel ervaren. Vele aanvankelijk ontkennende verdachten gaan door deze maatregelen door de knieën en bekennen hun misdrijf. Of dat vanuit het criminele oogpunt juist of onjuist is, verschilt uiteraard per zaak. Als er geen overtuigend wettelijk bewijs bestaat of alsnog geleverd zou kunnen worden, raad ik een bekentenis niet aan, tenzij natuurlijk de gevangenisstraf zelf om de een of andere reden het oogmerk was.

Ten tijde van dit hoofdstuk omvatten de gestelde beperkingen het volgende: geen bezoek mogen ontvangen van echtgenote of vriendin, controle van persoonlijke post door de rechter-commissaris, verbod op telefoneren met ieder ander dan de raadsman en geen recht op kranten, radio of televisie. Verder geen opname in de gevangenisgemeenschap, alleen luchten en geen contact met medegevangenen; geen Kerst-, Paas- of Pinkstervieringen bijwonen; alléén zitten in de kerk; geen recreatie, zoals kaarten, domino spelen of tafeltennissen; geen televisieavonden; alléén onder begeleiding van een bewaarder naar het toilet en/of waslokaal; alléén douchen; geen sport; niet op de werkzaal, maar in de cel werken.

Ik zal wel een paar beperkingen over het hoofd hebben gezien, terwijl de rechter-commissaris ondertussen nog wel wat extra beperkingen zal hebben uitgedacht.

Zijn beperkingen een probleem? Ik heb ze nooit als een straf ervaren. Dat zijn ze pas als je ze als straf ervaart, en dat deed ik niet. Ze zetten me juist eerder aan tot improviseren en het ondernemen van pogingen het lekke justitiesysteem verder te corrumperen.

Ik liet steevast mijn advocaat mijn essentiële boodschappen van en naar de buitenwereld voor me verzorgen. Flexibele bewaarders - ik haat het woord plat - zullen zich sneller tot een ontkennende gedetineerde wenden dan tot een jankende verrader of bekenner, al was het maar om het risico voor hun eigen positie zobeel mogelijk te beperken. Wat een flexibele bewaker kan doen voor een gedetineerde heeft u al kunnen lezen. Wat betekenen beperkingen dan eigenlijk nog, hè?

Overigens zou ik alle gevangenisevenementen ook hebben vermeden als ik geen beperkingen zou hebben gehad. Ik kan me niet op commando amuseren, en prefereer bij die gelegenheden mijn eigen gezelschap. Dus wat bleef er daadwerkelijk aan (straf)beperkingen voor me over? Het niet kunnen ontvangen van bezoek van mijn partner? Dat is hard, maar vaak nog harder voor die partner zelf, die er door de rechter-commissaris vrolijk mee gestraft wordt als pressiemiddel. Wanneer een gedetineerde dit weet, aanvaardt hij deze maatregel zonder moeite. Een verdorde justitieprofeet kan mijn partner geen bezoek weigeren als ze niet wenst te komen of als ik haar niet wens te ontvangen. Moeilijk? Af en toe was het moeilijk, maar met logisch redeneren en een gezonde dosis vastbeslotenheid overkwam ik ook deze beperking. Het ging me altijd om het eindresultaat. Beken en vraag om straf, of ontken en accepteer de beperkingen, en ontkom daarmee wellicht aan een veroordeling. Maar dit natuurlijk alleen als je weet dat je zaak sterk staat, wat op zich vaak weer door de beperkingen die je zijn opgelegd bevestigd wordt.

Bewakend personeel is niet blij met rode kaarten (lees: gedetineerden met beperkingen, want die vereisen extra aandacht en veel extra werk, zoals opletten, meelopen, extra openen en sluiten van de deuren. In plaats van een groep verplaatsen en/of gade te slaan, moet nu een individu worden verplaatst en/of gadegeslagen worden. En wanneer een gedetineerde met beperkingen erin slaagt om aan het wakende oog van zijn bewakers te ontsnappen en in strijd met zijn beperkingen te handelen, dan krijgt niet de gedetineerde, maar de nalatige bewaarder een berisping, of nog erger.

Het profiel opbouwen. Mijn eerste strategie was altijd het bewakende personeel zo min mogelijk overlast te bezorgen, en dit tot op het absurde af. Op die manier ga je opvallen, waarna bewaarders je algauw zullen typeren als ‘een rustige jongen, heb je geen last van’. Gedetineerden willen graag hun cel uit en bellen dan om naar de wc te kunnen gaan. Sommigen bellen tien keer per dag. Dit is geen extra werk als het een gedetineerde zonder beperkingen betreft, maar men kan zich voorstellen hoeveel extra werk dit voor bewaarders betekent als ze tien keer op een dag met een beperkte gedetineerde mee naar het toilet en weer terug moesten lopen.

Ik belde hooguit één keer per dag en soms helemaal niet. Naar het toilet ging ik als een bewaarder uit eigen beweging mijn deur opende. De bewaarders verbaasden zich er regelmatig over dat ik nooit belde, en na een week liepen er al geen bewaarders meer met me mee naar het toilet. Privilege 1.

Terugkerend van het toilet sprak ik niet even snel met medegedetineerden, maar keerde regelrecht naar mijn cel terug en trok de deur achter me dicht. Na twee weken lieten de bewaarders mijn celdeur half open staan. Privilege 2.

Als er sport was op het vlak, pretendeerde ik geïnteresseerd te zijn en keek er dan door de kier van mijn celdeur naar. De bewaarders wilden mijn medewerking belonen en stonden algauw toe dat ik in de opening mijn celdeur stond om toe te kijken. Privilege 3.

Na een paar dagen had ik mijn stoel in de celdeuropening geplaatst en kon zitten toekijken. Privilege 4.

Dit lijken futiliteiten en dat zijn het misschien ook, maar het belangrijkste oogmerk van zo’n houding is om een vriendschappelijke band met het bewakend personeel te ontwikkelen. Iets wat mij telkens weer opnieuw gelukt was. Ik hoefde er geen moeite voor te doen. Ik ben van nature beleefd en toon respect aan een ieder die respect verdient. Ik bedankte de bewaarders elke keer wanneer me een privilege werd verleend, en bedankte hen opnieuw wanneer de ‘gunst’ beëindigd moest worden. Ik bedankte ze voor alles en sterkte daar hun eigenwaarde mee, iets wat ze zo vaak moeten ontberen. In de onvermijdelijke gesprekken liet ik de bewakers praten, stelde betrokken vragen en reageerde opgewekt op hun antwoorden en/of explicaties. Ik vroeg naar hun gezin (als ze me daarover verteld hadden), toonde interesse voor alles wat ze maar te berde brachten en bood ze op een vanzelfsprekende manier sigaretten of sigaren aan.

Na enkele maanden had ik, op De Deuk na, al het bewakende personeel op mijn hand en kon een flink potje bij ze breken. Gesprekken met reinigers in de toiletruimte zagen de bewaarders door de vingers, al maakte ik het nooit te gek. Voor een groot gedeelte had ik mijn beperkingen op die manier al vrijwel weten op te heffen. Nee, ik kon niet met gedetineerden zoals Andre naar de recreatie, maar daar lag ik wakker van. Regelmatig werden er evenementen gehouden die zowel door gedetineerden als het merendeel van de bewaarders werden bijgewoond. De bewaarder die achterbleef, gooide dan mijn celdeur open, zodat ik wat kon rondlopen. Ik maakte dat nooit te lang en begaf me meestal niet veel verder dan het hok waar de dienstdoende bewaarder zat. Ik begon dan met wat schoorvoetende vragen en algauw was er een mollige conversatie gaande, of beter gezegd, een monoloog.

Het zou te ver voeren om al mijn strategieën te beschrijven, maar laat de lezer er zeker van wezen dat ik er nog een paar achter de hand heb gehouden. Vreemd misschien, maar ik was meer geïnteresseerd in het praten met bewaarders en brigadiers dan met de meeste van mijn medegedetineerden. Van gesprekken met gedetineerden leerde ik gewoonlijk niets. Bovendien konden ze weinig voor me doen. Mijn gedetineerde vrienden konden dat wel, maar daar kon ik toch niet bij komen, en die begrepen me zo ook wel.

Degenen die mijn strategie niet doorhadden, beweerden dat ik met de bewaarders slijmde. Maar slijmen, nee. Ik vergrootte hun eigenwaarde en had soms goede gesprekken met mensen waar ik van kon leren. Denkt u dat er veel bewaarders zijn die een gedetineerde leren hoe die met enkele simpele attributen thee of koffie in hun cel konden maken? Hoogst illegaal, en op straffe van onthoofding verboden, maar ik maakte het in 1976 en 1983 mee.
 
Velen beginnen op deze manier, maar weinigen brengen het tot een succesvol einde. Ik heb er een daverend succes van gemaakt. Nu mijn beperkingen zijn opgeheven, beginnen mijn voorbereidingen vrucht af te werpen.

De eerste die me benadert is de maatschappelijk werkster. “Jan, zou jij genegen zijn om het baantje van Voorzitter van de Gedetineerden Commissie over te nemen wanneer dat over een week vrijkomt?”

Ik heb geen flauw idee waaruit mijn taken zouden bestaan, maar ik zie er onmiddellijk de voordelen van. Praten met wie ik wil, gaan waar ik wil - behalve uit die ene deur, dan - en contact met het kader en de directie. Dat kan helemaal geen kwaad!

Ik word voorgedragen door de huidige voorzitter tijdens een Algemene Vergadering, en met een meerderheid van stemmen aangenomen. Het is jammer dat de rechter-commissaris de vergadering niet kan bijwonen.

Tijdens de eerste vergadering met de directie breng ik al direct mijn eerste motie naar voren: het ei van Columbus, al zeg ik het zelf, en het verbaast me dat er nog niemand eerder aan heeft gedacht. Zoals gewoonlijk snijdt mijn mes aan twee kanten. Ik ben sociaal werker noch filantroop, dus het voorstel moet zowel zinvol zijn voor de directie als, nog wat belangrijker, voor mij.

Het werkt zo: gearresteerde buitenlanders die na hun verblijf van honderdentwee uren op een politiebureau worden overgeplaatst naar het Huis van Bewaring, zijn vaak verbijsterd, zo niet geëxalteerd door dat verblijf. Terwijl ze op het politiebureau, afgezien van het verhoor, aan hun lot werden overgelaten, moeten ze in het Huis van Bewaring opeens aan allerlei regels voldoen. Vaak begrijpen ze daar niets van, en niemand neemt de moeite om ze die tegels uit te leggen. Dit wekt vaak zoveel agressie en onwil bij die buitenlander op, dat het regelmatig nodig is om hem weer in het gareel te brengen. Niet zelden wordt hij dan door vijf of zes bewakers kort getrapt. Ik beschreef in mijn brief van 27 januari 1983 - Verachting en Verdriet – al hoe dat in zijn werk ging.

In mijn motie breng ik dit feit naar voren, waarbij ik me met moeite, maar zorgvuldig van kritiek op het bewakende personeel onthoud.

“Mevrouw de directrice en leden van het kader, zonder te bevinden over de handelingen op het politiebureau, krijgt het bejegeningpersoneel alhier herhaaldelijk te maken met agressief gedrag van buitenlanders die volkomen geëxalteerd binnengebracht worden. In bijna alle gevallen wordt dit verergerd door het gebrek aan communicatie. De gevolgen en consequenties zijn relevant, omdat de meeste agressie voorkomen zou kunnen worden.”

Het kader van brigadiers kijkt me aan alsof er opeens twee hoofden uit mijn romp zijn gegroeid, maar de directrice vraagt: “Hoe had u zich voorgesteld de agressie bij deze buitenlanders weg te nemen, mijnheer Ter Haak?”
Ik antwoord: “Met een zinnig of onzinnig woord van een medegedetineerde, mevrouw de directrice. Deze buitenlanders zijn gefixeerd door hun op het politiebureau ontstane frustraties. Ze begrijpen het verschil nog niet tussen politiepersoneel en bejegeningpersoneel, dat in hun ogen een verlengstuk is van het politieapparaat, waar zij in vele gevallen geen prettige ervaringen mee gehad hebben. Het is mijn bescheiden mening dat veel, zo niet alle agressie kan worden weggenomen, wanneer de buitenlander bejegend wordt door een gedetineerde die zijn taal machtig is. Ik wil niet generaliseren, maar ik denk dat een Turk eerder iets van een andere Turk aanneemt dan van een badmeester of bewaarder die geen Turks spreekt. Niet meer dan tien minuten aandacht van een capabele en rustige medegedetineerde of landgenoot kan mijns inziens een hoop onnodige agressie voorkomen of wegnemen.”

De directrice vraagt slim: “Heeft u al iemand op het oog misschien, mijnheer Ter Haak?”

Ik trap niet in de val, maar antwoord: “Nee, mevrouw de directrice, ik wist namelijk niet hoe mijn idee ontvangen zou worden. Mocht er interesse voor bestaan dan zal ik mij interesseren voor een lijst van mogelijke kandidaten en die aan u ter beoordeling overleggen.”

De directrice vraagt me een moment de vergaderzaal te verlaten. Wanneer ik weer word binnengeroepen, zitten alle brigadiers tevreden voor zich uit te kijken. De directrice vraagt: “Hoeveel talen spreekt u, mijnheer Ter Haak?”
“Vloeiend Engels en Italiaans, redelijk Frans en Duits en een beetje Portugees, dat ik net als mijn Spaans nog flink moet bijspijkeren”, antwoord ik naar waarheid.

De directrice begint: “Ik wijs uw motie zoals voorgesteld af. Ik moet dit eerst ter goedkeuring voorleggen aan het Ministerie van Justitie, en daar wil ik nog even mee wachten. Ik kan u echter wel een officieuze functie van bejegeninggedetineerde toewijzen in de capaciteit zoals u die heeft voorgesteld. Bij het eerste misbruik onthef ik u echter weer uit die functie. Ik wil het bij wijze van proefneming proberen. Er is nog één conditie: uw ‘functie’ houdt niet bij het binnenkomen van een buitenlander op. U zult deze persoon waarnodig of gewenst moeten blijven assisteren. Kunt u zich daarin vinden?”

“Ik dank u en het kader voor het in mij gestelde vertrouwen, en aanvaard uw voorstel in dankbaarheid. Ik moet u en het kader wel om een extra faciliteit vragen: wanneer de buitenlander in kwestie niet bij machte is om zich in een taal verstaanbaar te maken die ik spreek en begrijp, dan zou ik u willen verzoeken om een landgenoot van deze buitenlander aan te mogen wijzen. Iemand die ik op dat moment geschikt acht.”

Het kader knikt instemmend. De directrice bevestigt mijn verzoek, en zegt: “Dat waren dan alle moties voor deze zitting, meer wil ik niet horen. Ik complementeer u met uw inventiviteit, mijnheer Ter Haak.”

Wat heb ik hiermee bereikt? Dat ik kan gaan en staan waar ik wil, en dat ik kan praten met wie ik wil. Ik kan contacten leggen wanneer iemand binnen word gebracht, en De Deuk zal dan de celdeuren voor mij moeten openen en sluiten. U hebt hiermee al begrepen dat ik De Deuk voor mijn eerste bejegening heb uitgezocht. Zoals verwacht vloekt hij me weg, waarop ik naar het kader stap met de mededeling dat De Deuk de order van het kader niet wil uitvoeren. De Deuk gaat regelrecht met zijn beklag naar de directrice. Deze stelt hem voor de keus: ontslag nemen, ontslag krijgen of mijn celdeur openen en/of sluiten. De Deuk kiest natuurlijk eieren voor zijn geld, en zo kan ik hem voorlopig nog een beetje blijven treiteren.

Ik begeef me nu door de koepel als een gedetineerd maatschappelijk werker. Deuren openen zich voor mij en sluiten zich na mij. Sjakie, ome Kuuk en mijn vrienden liggen in een deuk. Profiel bouwen en uitbreiden.

Eens in de maand wordt er een gestencild blaadje voor en door gevangenen uitgegeven: de Koepelrevue. De kopij ervoor mag van alles zijn, behalve als het kritiek op het personeel of de directie bevat. Als alle inzenders de waarheid spraken, zou het formaat van een sigarettenvloeitje dan ook hebben volstaan. Marco de Brabander is redacteur van het magazine. Net zoals ik zoekt hij privileges om zich vrijer te kunnen bewegen. Hij heeft echter geen flauw benul hoe hij een behoorlijk maandblad samen zou moeten stellen, en vraagt aan mij of ik het redacteurwerk voor hem wil gaan doen, zodat hij het secretariaat kan overnemen.

“Marco, het is makkelijk. We mogen geen kritiek leveren, dus gaan we ze lekker maken. We zouden bijvoorbeeld portretten kunnen gaan schrijven van populaire bewaarders waarin we hun kwaliteiten en opofferingsgezindheid roemen, en hun humaniteit. Binnen een maand wil iedere bewaarder in dat blad staan om niet voor een teringlijer te worden aangezien. De Deuk mag alleen op de moppenpagina. Zo krijgen we de bewaarders nog meer op onze hand en zullen we ons vanzelf nog andere privileges verwerven. Iedere bewaarder wil straks de pin-up van de maand zijn. Aan iedere Koepelrevue hangen we een coupon waarop een gedetineerde zijn stem kan uitbrengen voor de Bewaarder van de Maand. Dat alles moeten we natuurlijk wel zo serieus mogelijk aanpakken zonder dat het op slijmen lijkt.”

Ik heb nu zoveel vrijheid, dat ik erover denk om tijdens de volgende vergadering om een eigen sleutel te verzoeken waarmee ik in de bewaarderkantine zal kunnen eten. Marco denkt dat dat niet zo’n goed plan is, en ik laat het verzoek maar achterwege.

Voorzitter Gedetineerdencommissie, redacteur Koepelrevue en gedetineerd bejegeningfunctionaris voor buitenlanders – ik heb het zo druk met al mijn functies, dat ik de godganse dag in de weer ben en nauwelijks tijd voor mezelf overhoud. Maar dat is natuurlijk schijn, want alles wat ik doe, is voor mijzelf. Solidariteit? Met wie? Wie is solidair met mij behalve mijn paar vrienden? Solidair met een zootje verraderlijk bagger? ‘You’ve gotta be kidding me’. Alles wat ik heb bereikt, heb ik zelf gedaan. Met behulp van hersengymnastiek en mindgames.

Hoe ziet mijn dag er tegenwoordig uit? Om zeven uur gaat de celdeur open, en terwijl de massa zich naar de toiletruimte verplaatst om zich te wassen, te schijten en hun nachtspiegels te ledigen, lees ik in bed de krant totdat me mijn ontbijt word aangereikt. Ik pak het brood aan en gooi het in de prullenbak, de koffie gaat in de nachtspiegel en ik terug naar mijn bed.

Om half tien maakt een door mij opgeleide bewaarder mijn deur open, waarna ik me naar de toilet/wasruimte begeef die dan zojuist door Ronnie de reiniger is schoongemaakt. De toiletten blinken en zijn zo schoon dat ik er wel op moet gaan zitten. Daarna moet Ronnie wel weer in actie komen, nadat hij me eerst twee schone handdoeken uit de bewaarderwasserij heeft gegeven. Ik was en scheer mezelf, poets mijn tanden en was mijn haar met warm water. Daarna keer ik terug naar mijn cel.

Op mijn tafel staat inmiddels het bord met de handdoek klaar. Een glas verse jus d’orange is door de Joego in mijn kast gezet; vrijgevigheid van de bewaarders. Ik maak met mijn geïmproviseerde waterkoker verse koffie. Eerst verdwijnt de verse jus d’orange. Twee of drie echte toostjes met de zachtgekookte eitjes gaan er achteraan, en dan rond ik het geheel af met de koffie. De BBC houdt me tijdens het ontbijt gezelschap en ik laat mijzelf op de hoogte brengen van de wereldgebeurtenissen. Om tien uur ga ik mijn rondes maken.

 

 

Primecrime
Primecrime
Microsoft
Marktplaats
Relatieplanet
Multicomms
Regenboogbrug
Google
Telegraaf
Informatique
Trouw
Zibb
Bizz
Bol
Amazon
HP
Samsung
Sony Ericsson
GSM Web
Nokia
RTL
Elsevier
Kro
Avro
Vpro
Vara
 
 Een unieke website voor een uniek boek
Klik om iets unieks te zien...
 Een unieke website voor een uniek boek