Het is zowel een koopmanskind
Hij die verliest en hij die wint.
Twee jaar was je nu met Joke, en hoewel je jaarinkomen met vijf nullen werd geschreven, bezat je nog geen tienduizend gulden. Al je geld was opgegaan aan auto’s en andere onnodige luxe. Nog steeds verkeerde je in de veronderstelling dat je pas voor vol aangezien kon worden wanneer je in een dure auto reed en op zijn minst elke twee maanden van voertuig wisselde. Daar kan geen hoer tegenop werken. Joke had in die twee jaar niet één op- of aanmerking gemaakt over jouw financiële beleid. Voortdurend nam je je bij de aankoop van een nieuwe auto voor om deze op zijn minst een jaar te houden en serieus te gaan sparen.
Er kwam niets van. Je presteerde zelf niets, dus respect kreeg je weinig. De enige manier om op te vallen was steeds nieuwere en duurdere auto’s aan te schaffen. Gelukkig was je geen drinker, en ondanks dat je hele dagen kaartte, verloor je daarmee geen geld, want anders had je niet eens een auto gehad. Toen Joke je voorstelde om een eigen huis te kopen, moest je haar vertellen dat jullie geld in handel zat. Je beloofde haar dat je zo gauw als je die handel had gelost met haar naar een huis zou gaan uitkijken. Zoals gewoonlijk kwam er geen klacht over haar lippen, maar nu was je er dan eindelijk achter dat je van levenswijze moest veranderen.
Je besloot daarom van milieu te veranderen, zodat je niet voortdurend een status hoefde op te houden. ‘Wat ik moet vinden is een rustige kroeg waar ik mijn biertje kan drinken en wippie kan laaien’, peinsde je. Dus besloot je om eens in Haarlem uit te gaan en je parkeerde je auto op de Botermarkt voor een disco. Club Entry heette die danswinkel. ‘Kon ik mijn wagen hier maar op de dansvloer zetten. Geen mens die me hier kent dus het zal nog een flinke strijd worden om hier wat te versieren. Geen hond die tegen mij aanzeikt’, vreesde je.
Dat bleek gelukkig nogal mee te vallen, want de barjuf had je uit je koets zien stappen en toonde duidelijk interesse: “Mooie wagen heb je, wat is het er voor één?”, vroeg ze, terwijl ze een glas bier voor je neerzette.
“Ford Mustang. Neem zelf wat en geef die mensen daar ook wat te drinken”, zei je met veel aplomb.
“Van wie kan ik zeggen dat ze dat aangeboden krijgen?” vroeg de bierbloem slim. “Van Jan Haak”, antwoordde je, in de hoop dat de naam vaag bekend zou klinken.
“Proost Jan!”, klonk het even later van alle kanten.
“Proost jongens”, deed je flink, terwijl de barvlinder in je buurt rond bleef fladderen. Af en toe maakte ze een onverschillig gebaar. ‘Ziet er niet onmooi uit, maar ze is blijkbaar nogal vol van zichzelf’, stelde je vast. Een man van een jaar of vijfentwintig kwam op je toegelopen en stelde zich voor als Hennie van de Lindemans. Hij vroeg of je wat van hem wilde drinken. Hij bleek de eigenaar van de discotheek te zijn. Jullie raakten in gesprek en hij bleek een gezellige prater en een nog gezelliger drinker te zijn.
“Wat een knoert is die Rita, hè? Ik heb haar twee avonden geleden aangenomen en ben sindsdien vaste klant in mijn eigen zaak geworden. Verschrikkelijk, wat een beer. Moet je die tieten eens zien, ik kan er gewoon niet van slapen.”
“Heb je haar nog niet eigen gemaakt dan?” wilde je weten.
“Was het maar waar, ik heb er wel een rug voor over.”
“Dat kan je toch niet echt menen?” deed je verschrikt.
“Willen jullie iets van mij gebruiken?” vroeg Rita op dat moment.
“Geef ons ieder er maar één”, zei Hennie dubbelzinnig.
Rita lachte zelfverzekerd en zei: “Ik dacht dat jullie aan de kleintjes zaten?”
“Ik wil wel eens een keer aan de grote ook zitten”, zei Hennie, zijn lippen aflikkend. Vanaf dat moment bleef Rita bij jullie aan de bar staan. Je was correct tegen haar, maar je hield je op een afstand, ongeïnteresseerdheid veinzend. Je wist van eerdere avontuurtjes dat wanneer een vrouw van haar kwaliteiten en/of kwantiteiten overtuigd was, en je wat te duidelijk interesse toonde, ze meestal snel haar belangstelling in je verloor. Dan was namelijk eens temeer bewezen dat ze goed in de markt lag, en haar ego was weer gestreeld. De doos kwam dan meestal zelf niet meer aan strelen toe.
Liet je ze echter links liggen, dan vroegen de meesten zich af waarom zij deze reis niet de nodige aandacht kregen. Aangezien je nu niet direct op Tony Curtis leek, vroegen zij zich dan tevens af wat er ineens verkeerd met hun uiterlijk was. Een bezoek aan het toilet om driftig het palet te hanteren, was dan de regel. Rita bleek niet veel van haar soortgenoten te verschillen. Zij liep zo vaak naar het zeikatelier, dat je je afvroeg of ze misschien een kou op haar blaas had. Daarnaast leek ze wel een kameleon - ze bleef van kleur veranderen. Doordat jij die donkere bril droeg, kon ze niet zien of je haar nou wel of niet bekeek. Wanneer ze dacht dat je druk in gesprek was, stond ze je constant in de barspiegel op te nemen.
Hennie merkte het ook op, en toen Rita weer voor een nieuwe laklaag onderweg was, zei hij: “Ik denk dat je het wel redt met haar, zij zit je namelijk de hele tijd op te nemen. Ik had liever gehad dat zij mij een beetje meer bekeek.”
“Ik zal haar uitnodigen voor een borrel na sluitingstijd en dan ga je gewoon mee. We gooien haar vol met drank en dan rammel je haar toch”, stelde je voor.
“Ik denk niet dat het lukt, Jan. Dat kalle is mij te *uitgenast*.”
“Dat zijn de mooiste. Wanneer zij onderop liggen, zijn ze ineens ook zo slim niet meer. Maar we kunnen altijd truc twaalf toepassen wanneer ze niet kachel te krijgen is.”
“Hoe werkt dat?” vroeg Hennie nieuwsgierig.
“Wanneer we zien dat ze haar koppetje erbij wil houden, krijgen wij woorden. Zij zal de ruzie dan proberen te sussen en ik geef haar een kat. Ik loop de zaak uit en je moet haar dan wel naar huis brengen. Dan zal het toch zeker wel lukken, denk ik.”
“Dat is tof van je, maar als mijn vrouw erachter komt, kan ik het wel schudden.”
“Je hoeft het haar toch niet te vertellen?”
“Nee, dat doen anderen wel voor mij. Je hebt geen idee wat een ouwehoerenzootje het hier is in Haarlem. Ik vind het een jofel aanbod van je, maar het is mij de narigheid niet waard. Toch bedankt, wip je haar maar.”
“Ik zal haar nog even in de wachtkamer houden. Ze is mij een beetje te vol van zichzelf.”
De zaak was intussen behoorlijk vol geworden, en aangezien Hennie aardig getapt bleek te zijn, werd jouw glas ook steeds vol getapt. Nu kon je een aardig beetje drank verzetten in die tijd, maar tegen sluitingstijd had je hem toch behoorlijk zitten. Hennie stelde voor om je door één van zijn vrienden naar Amsterdam terug te laten brengen. Je was niet een klein beetje eigenwijs door erop te staan dat je zelf wel terug zou rijden. Het was een gezellige avond geweest en je nam je op de terugweg voor om wat meer naar die disco te gaan.
Rita had staan kijken of ze water zag branden toen je de zaak verliet zonder haar uit te vragen. Geen fout karbonaadje evengoed, die Rita. ‘Een flinke stapel hout voor de deur en benen tot aan haar nek’, dacht je terwijl je er flink moeite voor moest doen om de Mustang uit de vangrail te houden.
De volgende dag lag er een oproep voor de keuring van militaire dienst in de brievenbus. Je had de ijdele hoop gekoesterd dat ze je zouden vergeten, of je niet op zouden roepen omdat je in de gevangenis gezeten had. Dat mocht dus niet zo wezen. Toen je zestien jaar was, had je vader tegen je gezegd dat je in dienst wel anders aangepakt zou worden. Je had toen flink gezegd dat je je wel zou laten afkeuren, omdat je het zonde van je tijd vond.
“Zij krijgen daar wel grotere gekken dan jij, en voor dienst kunnen ze alleen maar gekken gebruiken, want een normaal mens laat zich niet voor moordenaar opleiden”, had je vader geantwoord.
“Dan weiger ik dienst, want ik ben niet gek.”
“Dan ga je de lik in voor twee jaar”, zei je vader.
“Wat is het verschil? Ik ga niet in dienst. Klaar en afgelopen. Zet jij je klokkie maar gelijk.”
“Wanneer je daar onderuit weet te komen, dan krijg je van mij een slof sigaretten. Maar ga je toch in dienst, dan geef je je moeder die sigaretten maar.”
Nou, dat waren ongebruikelijke woorden uit je vaders mond. Hij was van huis uit tegen alles wat naar militarisme rook. Hij rookte en dronk niet en uit principe gokte hij ook nooit. Blijkbaar had hij dan toch een grotere hekel aan soldaten dan aan gokkers. Die weddenschap moest en zou je winnen. Niet voor de beloning, maar om je vader te laten zien dat je precies deed wat je zelf wilde. Nou, dat kon je dan over een week waarmaken.
Je vroeg aan Joke of zij wel eens een pooier in een soldatenpak had gezien.
“Alleen beroepsmilitairen”, lachte zij.
Ongeveer honderd zeventig uur later parkeerde je je Mustang voor de kazerne. Je had besloten om niet voor gek te spelen, want je wilde er nou eenmaal niet echt bijhoren. Wat je wel ging doen, wist je toen nog niet. Improvisatie zou weer uitkomst moeten bieden. Toen je je gemeld had, en in een rij bij de dokter op je beurt stond te wachten, bekeek je de rest van Nederlands hoop in bange dagen eens.
Er was een jongen die zwaar opgemaakt en in vrouwenkleren voor de keuring kwam. Die zou als eerste goedgekeurd worden. Een ander die voortdurend een lege pijp aanstak en spastische bewegingen met zijn gezicht maakte, bleek een goede tweede te zijn geworden aan het eind van de dag.
De rij schoof steeds een stukje verder op tot het jouw beurt was om je uit te kleden. De maten en gewichten werden genomen. Daar kon dus niets aan veranderd worden. De afname van jouw bloed was een weer een heel ander verhaal. Op het moment dat de soldatenarts de naald in je arm zou laten zakken, zakte je in elkaar.
Liggen en dan op laten rapen, dat zou het begin moeten worden. Na vijf minuten werd je verteld dat je nu wel van het bed af kon komen. Toen ging je echter weer strijken doordat de aanblik van andermans bloed je ook te machtig werd. Na een kwartier dacht je wel weer hersteld te zijn. Je mocht nu naar de ogen- en orensergeant. Je oren en één oog konden wel goedgekeurd worden, wat jou betrof. Maar met je tweede oog moest iets aan de hand zijn, want het lukte je met geen mogelijkheid om groen van blauw te onderscheiden, en de koeienletters bovenaan de leesplank kon je ook al niet lezen. “Nooit last van dat oog gehad,” gromde je tegen de dokter toen die constateerde dat er iets verkeerd was met het bewuste oog, “dat moet van de laatste maanden zijn. Het zal toch wel weer goed komen, hoop ik?”
“Misschien nadat je goedgekeurd bent”, sneerde de arts.
“Nou, ik hoop dat ik voor dat rotoog niet afgekeurd word”, verzekerde je hem toen je zijn kamer verliet.
Toen was het tijd voor de psychologische test. Je zat met ongeveer veertig man in een grote zaal. Het leek wel of je echt examen moest doen. Een van de vragen op het formulier was of je een voorkeur had voor een bepaald legeronderdeel. Wanneer het onvermijdelijke zou geschieden en je goedgekeurd zou worden, dan leek het je wel aardig om bij de ‘Verbindingen’ te komen. Je kon dan tenminste iets doen waar je belangstelling voor had, en tegelijkertijd kon je je dan vol overgave aan een oneervol en vroegtijdig ontslag wijden. Je gaf je dus maar op voor dat onderdeel. ‘Een paar spelfouten hier en daar konden ook geen kwaad’, dacht je.
Maar dan wel zo dat de moeilijkste woorden goed en de makkelijke woorden fout gespeld waren. Inktvlekken op andere blaadjes papier associeerde je op steeds met seks en baby’s. Dat verband zouden de legerpsychiaters toch wel zonder al te veel moeite kunnen leggen? Dan waren er de multiple choice vragen; dit formulier verlangde dat je een soort van beoordelingstaat van jezelf samenstelde. Dat was niet al te moeilijk voor je. Iedere vraag kreeg het meest positieve antwoord dat mogelijk was. De Heilige Samaritaan was een misdadiger bij jou vergeleken toen het formulier geheel ingevuld was.
Het laatste formulier was een test om te bepalen hoe goed je in elektronica was. Het was je schamele eer te na om hier opzettelijk fouten in te maken, en je gaf dus op iedere vraag het juiste antwoord. Een vraag die al dan niet opzettelijk verkeerd door de experts van het krijgsvolk was gesteld verbeterde je, en vulde er het juiste antwoord bij in. Tot zover de formulieren.
Tegen het eind van de keuring moest je in het kantoor van de een of andere houwdegen komen. Die had meer sterren en strepen op zijn parade-uniform dan er in de Amerikaanse vlag zaten. De gegalonneerde vertelde je dat je met vlag en wimpel geslaagd was voor de test in elektronica. Wanneer het aan hem zou liggen, zou je gegarandeerd bij de radio- en radarverbindingen komen. Ook feliciteerde hij je met het ontdekken van de opzettelijk in het testformulier verwerkte, fout gestelde vraag. Die vraag was er om te zien of de aankomende combattanten enig initiatief konden tonen. Niet te veel initiatief, want daar houden ze in het leger ook weer niet van.
Alles was dus voor elkaar, tot er een man in een witte jas het kantoor van de geüniformeerde binnenkwam. Deze fluisterde iets in het oor van de oorlogsbliksem, waarop deze prompt een beetje sip ging kijken. Daarna verliet de witte man het vertrek weer.
“Je moet nog even naar een dokter voordat wij kunnen beslissen of je goedgekeurd bent.”
“Een dokter?” vroeg je verbaasd, “ik ben al bij de dokter geweest vanmorgen. Alleen mijn rechteroog was een ietsje zwak, geloof ik.”
“Dit is een speciale dokter. Wij noemen het een zenuwdokter hier”, zei de veldmaarschalk.
“O, u bedoelt een spiegeljater”, zei je triomfantelijk.
“Juist ja, een psychiater, dat is correct. Het heeft niets om het lijf hoor. We sturen er wel vaker mensen heen en het is een psychiater die niet aan het leger verbonden is. Je zult wel goedgekeurd worden.”
“Ik hoop het maar”, zei je naar onwaarheid. Je mocht inrukken.
Joke gierde van het lachen toen je haar je over je bevindingen had verteld. “Een man in een witte jas, wat een giller. Wat zal hij in dat oorlogsoor gefluisterd hebben?”
“Ik weet het niet, maar ik heb een brief meegekregen voor een psychiater op de Willemsparkweg. ‘Oestreicher’ heet die zielknijper. Maar hopen dat het voor mij ook een Oostenrijker wordt.”
“Het zal je wel lukken”, verzekerde Joke je.
Een paar dagen later werd je door de ‘zenuwendokter’ in zijn spreekkamer ontvangen. Aanvankelijk werden de gebruikelijke vragen gesteld. Daarna de iets minder gebruikelijke.
“Heb je wel eens last van duizelingen of flauwtes?” vroeg de medicus je.
“Toevallig dat u mij dat vraagt, ik ben vaak duizelig, vooral wanneer ik in de zon ga zitten”, fantaseerde je.
“Zelfmoordgevallen in de familie?”
“Alleen van mijn grootmoeders kant”, loog je.
“Geslachtsziekten gehad?”
“Alleen goenoe”...eh gunoe… hoe zeg je dat nou ook alweer?”
“Druipers, bedoel je zeker?”
“Eh, ja dat is het.”
“Vaak?”
“Een keer of vier, denk ik.”
“Je was al jong getrouwd op je zestiende jaar”
“Ik moest trouwen, dokter.”
“Ben je zo gek op seks dan?” wilde de psychiater weten.
Opzettelijk aarzelde je met het antwoord.
“Nou vertel het maar. Ik hoor hier zoveel dingen die de mensen zelf vreemd vinden.”
“Ik vind seks niet vreemd. Het is wel gezellig volgens mij.”
“Vond je jezelf niet wat jong om een gezin te hebben?”
“Ik kon dat meisje toch niet aan haar lot overlaten?”
“Ik veronderstel van niet, nee. Ben je niet bang dat je nog meer kinderen krijgt?”
“Nee, ik ben erg voorzichtig nu.”
“Gebruik je voorbehoedmiddelen of zo?”
“Nee, daar heb ik een hekel aan.”
“Wat doe je dan? Op de cyclus van de vrouw vertrouwen werkt ook niet altijd. Of ga je misschien voor het zingen de kerk uit?”
“Nee, ik doe wat anders, maar daar wil ik liever niet over praten.”
“Ik heb je al gezegd dat ik niets vreemd vind, en je zult het toch tegen mij moeten vertellen.”
“Ik wil er liever niet over praten, dokter. Wat maakt het nou uit hoe ik het doe?”
“Een heleboel. Ik kan het wel raden, zeg me maar of ik het juist heb: je gebruikt je vrouw van achteren.”
Je keek quasi beschaamd naar de vloer. ‘Het lijkt wel of die knakker geile verhaaltjes wil horen. Nou ik kan er nog wel een paar voor hem bedenken’, dacht je.
“Zie je nou wel dat ik het weet?”
Je knikte aarzelend.
“Doe je dat alleen met vrouwen of soms ook met mannen?”
“Ik wil hier weg”, zei je, en je begon te snikken.
“Doe toch niet zo verlegen, knul. Het is toch de gewoonste zaak van de wereld. Weet je vrouw ervan?”
“Niet dat ik met een man eh...”
“Neuk?” vulde de zenuwarts in.
“Ja, maar ik doe het niet vaak”, verdedigde je je.
“Hoe vaak is niet vaak?”
“Een keer in de maand, want dan mag ik van mijn vrouw op stap met mijn vriend”, zei je met geveinsde trots.
“Hoe denk je over militaire dienst?” vroeg de hersenheler.
“Ik vind het wel leuk om in dienst te gaan”, was je laatste leugen.
“Het spijt me om je teleur te moeten stellen, maar ik denk niet dat je geschikt bent voor militaire dienst.”
“Ziet u nou wel? Ik had u beter die dingen niet kunnen vertellen. Nu mag ik niet in dienst.”
“Het is niet anders”, besloot de psychi-flater.
Schoorvoetend verliet je de spreekkamer om op de gang even een klein luchtsprongetje te maken. Eens te meer was het geluk je weer goedgezind geweest. ‘Daar ben ik dan even netjes onderuit gekomen. Nou ja netjes... Maar liegen voor je bestwil is toch geen schande’, dacht je triomfantelijk. Dat scheelt twee jaar verloren tijd, noem het maar niets.
“Ik heb je liever met je geweer in mijn tent”, deelde Joke je ‘s avonds in bed mee.
“Ja, want ik heb mijn kruit bij lange na nog niet verschoten en het zijn zeker geen losse flodders”, verzekerde je haar.
De volgende dag was je een slof sigaretten en een compliment van je vader rijker. Deze keer was de goede man de hemel te rijk met je, en zelf was je ook niet echt ontevreden.
De maanden daarna bleef je trouw in Haarlem komen en je raakte er dan ook aardig populair. Was het in Amsterdam gemakkelijk geweest om een meisje te versieren, in Haarlem bleek het nog eenvoudiger te liggen. Iedere avond was het letterlijk en figuurlijk vaste prik.
Je was bevriend geraakt met een antiekdealer. Op een avond had deze je in een dronken bui gevraagd of je erin geïnteresseerd was om een paar ruggen te verdienen. Je vroeg hem of hij al lang voor Sinterklaas speelde.
“Ik weet een partij oude chocoladevormen te zitten in Duitsland, maar ik heb het geld niet om ze aan te kopen,” bralde hij, “het is voor ongeveer achtduizend gulden handel, en wij krijgen er hier makkelijk het dubbele voor. Als we dan aan de grens opgeven dat het voor drie meier schroot is, hoeven wij maar een paar tientjes BTW te betalen. Wanneer we de vrachtwagenhuur en reiskosten eraf trekken, houden wij de man nog altijd ruim drieduizend gulden over.”
“Wat moet iemand nou met chocoladevormen?” vroeg je, een lulverhaal vermoedend.
“Het zijn paashazen en kerstmannetjes. Die dingen zijn uit vertind blik gestampt, en een hoop mensen hangen zo’n vorm aan de muur, als decoratie.”
Je was niet helemaal overtuigd, maar zegde Hans toe de deal te financieren. Twee dagen later was je ruim vierduizend gulden rijker. “Dat was makkelijk, Hans, wanneer je nog iets weet, dan houd ik mij aanbevolen.”
“Ik weet inderdaad nog iets, maar ik kan er de hand niet op leggen. Jij echter wel.”
“Hoe dat dan?” vroeg je, de winst al ruikend.
“Nou kijk, Hennie van de Lindemans heeft een tijd lang wagonladingen vol poppen uit Italië geïmporteerd. Op een keer had hij de kofferbak van zijn wagen vol geladen met oud koperwerk. Hij had er echter geen afzet voor, dus het is bij die ene keer gebleven. Heb je wel eens koperen puddingvormen gezien?”
“Ik denk het niet”, antwoordde je.
“Nee, dat komt omdat die oude puddingvormen aardig zeldzaam beginnen te worden. Hennie had er een stuk of twintig bij zich. Het waren nieuwe vormen die met een bepaald zuur oud waren gemaakt, zodat zij nagenoeg niet meer van antiek te onderscheiden waren. Daar het nieuwe vormen zijn kunnen wij er zoveel kopen als wij willen, dus wij kunnen een ‘tikkie’ maken.”
“En Hennie wilde je dat adres in Italië niet geven?” vroeg je.
“Dat is juist, maar ik weet dat hij jou erg graag mag, dus misschien geeft hij het aan jou”, veronderstelde Hans.
“Als hij het niet geven wil, dan kan ik er toch geld voor bieden?” opperde je.
“Dat wel, maar ik heb weinig bestek om voor iets te betalen wat ik nog niet gezien heb.”
Die avond sprak je Hennie aan: “Henk, wil je mij dat adres in Italië niet geven?”
“Hoezo, wil je ook in de poppen gaan dan?” lachte Hennie. “Ik raad het je af, die handel met poppen is echt wel over nu.”
“Nee, ik wilde eens kijken of er met dat koperwerk wat te doen valt.”
“Wordt je soms gestuurd door Hans Warmerdam?”
“Ja en nee. Je weet dat ik af en toe wat handel met hem doe. Hij vertelde me dat hij wel wat puddingvormen kwijt kon hier. Het gaat mij alleen om de winst, Henk.”
“Ik gun jou de winst wel, maar hem niet.”
“Dan verkoop je het adres toch aan mij. Dan verdien je er ook nog wat aan, tenminste.”
“Wat wil je dan kwijt voor dat adres?”
“Zeg maar wat je er voor hebben wil.”
Hennie dacht even na en zei: “Jan, ik had er niets voor hoeven hebben wanneer je er alleen was heengegaan. Maar je bent natuurlijk van die Hans afhankelijk om die handel weg te stoten, dus die verdient er ook aan. Ik wil tweeduizend gulden voor dat adres hebben.”
“Dat is goed. Ik geef je nu een duizend gulden en je geeft mij het adres. Ik ga naar Italië om te zien of er handel is en of het interessant is. Wanneer ik terug kom met handel, ook al is het maar één puddingvorm, dan geef ik je die tweede duizend piek. Is het niets, dan ben ik gewoon een *roodje* kwijt en ben jij een *rug* rijker.”
“Dat is goed, Jan, maar ik wil je dit zeggen: houd er rekening mee dat die Hans zo link is als een looien deur. Hij vertelt jou daar rustig dat de handel tegenvalt, en later gaat hij er alleen heen.”
“Wanneer hij dat flikt, betaal ik je alsnog die tweede duizend gulden en snijd ik hem een oor af.”
Je gaf Hennie duizend gulden en hij schreef het adres voor je op. De volgende dag kocht je een oude Transitbus om de eventuele handel in te vervoeren. Hans was weer eens leeg dus je draaide weer op voor alle kosten.
“Luister Hans, ik heb Hennie duizend gulden voor het adres betaald en hij krijgt nog duizend gulden wanneer wij handel gekocht hebben. Blijkt het niet interessant te zijn, dan zijn wij hem niets meer schuldig”, zei je de dag voordat jullie zouden vertrekken.
“Dan gaan we toch een week in Amsterdam op stap, en als we Hennie dan zien, zeggen we dat er geen knappe handel te koop was. Dat scheelt een rug.”
“Ik hoopte nou zo dat je dat nou niet zou zeggen. Ik heb Hennie mijn woord gegeven. Ik weet niet wat jouw woord waard is, maar ik houd mij aan het mijne en ik raad jou aan in dit geval dat ook te doen, want anders lig je binnenkort aan een infuus”, antwoordde je woedend.
Hans zag dat het je ernst was en koos eieren voor zijn geld. “Okay, maak je niet kwaad. Je hebt je woord gegeven, dus wij houden ons daaraan.”
Na een reis van twee dagen kwamen jullie in Italië aan. De koperhandelaar bleek in een gehucht vlak bij Padova te wonen. De werf oprijdend zagen jullie de koperen ketels al metershoog opgestapeld liggen.
“Wat een teringzooi,” vloekte je tegen Hans, “die ketels zijn pikzwart geblakerd en er zitten nog gaten in ook.”
“Moeten we net hebben. Dat zijn oude ketels en die delen we uit als warme bollen in Holland. Denk erom dat je niet te enthousiast doet als je iets ziet wat interessant lijkt.”
“Zal mij beslist niet moeilijk vallen”.
Natuurlijk sprak je toen nog geen Italiaans, dus je legde de eigenaar van die troep in je beste Frans uit dat jullie uit Holland kwamen en misschien wat handel van hem wilden kopen. Volgens de Italiaan was alle handel die hij had liggen eerste klas. Wat jou betrof was er niets dat ook maar in de verste verte op handel leek, en je had weinig bestek om je laatste centen in die smerige bende te steken. Hans liep echter om de handel heen en zei enthousiast: “Wanneer de prijs goed is, zit het gebakken Jan. Vraag de man om wat prijzen en zeg bij alles dat hij te duur is.”
Het bleek dat de koperen potten per kilo even boven de schrootprijs verkocht werden. De puddingvormen kwamen op een tientje per stuk. Hans zocht voor tienduizend gulden handel uit en zei: “Bied hem achtduizend gulden voor het zootje. We hebben de kost al verdiend, dat kan je alvast wel van me aannemen.”
De Italiaan nam voor achtduizend en vijfhonderd gulden afscheid van zijn eerste klas handel. Met bloedend hart betaalde je de man en jullie reden terug naar Holland. Je zorgen waren echter volslagen overbodig geweest. In Holland verkochten jullie in een halve dag de hele bus leeg. Veertienduizend gulden winst. Er viel dus weer wat te vieren.
Hans had je geïnstrueerd tegen Hennie te zeggen dat jullie met de kosten eraf de man een *rootje* hadden verdiend.
“Het gaat nergens om Jan, maar als Hennie lucht van deze winst krijgt, zit hij morgen zelf in Italië. Hij is een eersteklas koopman en laat echt geen winst liggen. Je hebt hem betaald, dus je bent hem behalve die duizend piek niets meer schuldig.”
Het stuitte je een beetje tegen de borst, maar je kon de logica ervan inzien.
“En Jan, viel het mee?” vroeg Hennie je ‘s avonds in de Club Entry.
“De man een *rug* met de kosten eraf, Henk.”
Hennie keek je even aan en lachte toen: “Hans Warmerdam kennende is dat dus vijf ruggen de man. Maar maak je maar niet bezorgd Jan, ik gun je de winst, al had ik liever gezien dat je handel alleen had gedaan.”
Je betaalde Hennie zijn duizend gulden en gaf hem nog vijfhonderd gulden voor de mazzel.
“Niet voor die vijf meier Jan, maar je bent een man van je woord. Neem echter een goede raad van mij aan, doe de handel in je eentje zodra je alle afnemers kent. Zoniet, dan krijg je een *raggeling* wanneer die Hans eenmaal een beginkapitaal bij elkaar heeft.”
“Ik zal kijken hoe die Hans zich gedraagt Henk. Ik merk het snel genoeg wanneer hij aan het sparen is.”
Het spreekt vanzelf dat het een gezellige avond werd. Het moest feest worden, want je had zat te vieren. Je eerste stappen op het koopmanspad waren zo wankel geweest dat je besloot om iets te doen waar je wat meer ervaring in had. Je nam Rita dus mee die avond. Toen Joke je ‘s nachts vroeg hoe je reis was geweest, zei je tegen haar dat je de jackpot getrokken had.
“Een paar reisjes en we kopen ons huis, poppie”, beloofde je haar.
“Doe maar rustig aan, Jan. Wanneer je het geld nodig hebt voor je handel maakt het mij echt niet uit.”
Je had medelijden met haar en je voelde je zelf de etterbak, die je ook inderdaad was. Zij klaagde niet en alles was goed wat je deed. Natuurlijk, wist zij veel dat jij je avontuurtjes had, maar ze repte er nooit een woord over. De volgende dag kocht je van een kennis een gestolen bontjas voor haar. Zij was buiten zichzelf van dankbaarheid en toen zij voor de spiegel stond af te showen, vroeg zij je: “Waar heb ik dat aan te danken, Jan? Heb je misschien iets goed te maken of zo?”
“In zekere zin wel ja, je hebt niet al teveel aan me gehad, de laatste maanden”, antwoordde je naar waarheid.
“Ik hoop dat ik het nooit beter krijg van mijn leven”, zei Joke, en ze begon te huilen.
Je omhelsde haar. “Je krijgt een leven als een prinses, of je nou wilt of niet.”
“Als het dan maar met jou is”, lachte Joke door haar tranen heen.
‘Ik weet niet wat die stumper in mij ziet’, verweet je jezelf, en toen Rita die avond een beetje te bijdehand tegen je deed, gaf je haar in een volle zaak een mep op haar wang.
Drukke tijden braken nu aan. Tijdens je derde reis naar Italië kreeg je een knallende bonje met Hans. Je dacht aan Henkies woorden en besloot om in het vervolg alleen te gaan. Die beslissing viel je niet al te zwaar, omdat je intussen enkele tientallen afnemers voor het koperwerk had leren kennen. Daarnaast had je in Italië nog verscheidene andere leveranciers voor koperwerk en antiek gevonden. Je reed af en aan, en na twee maanden kon je je in het Italiaans al aardig verstaanbaar maken. Je had er al zo’n honderdduizend gulden aan overgehouden. Het leek wel een sneeuwbal, want hoe beter je de taal ging spreken, des te meer de Italianen je de winst gunden.
Wanneer je aankwam in Solesino, werd je altijd wel door één of andere leverancier uitgenodigd voor het avondeten. Niet zelden was er dan een familielid in de vorm van een broer, neef of zwager bij de maaltijd aanwezig, die ook weer een interessant artikel bleek te verkopen. Je kocht dan altijd wat monsters en zette die uit bij je klanten. Aangezien de Italianen de Hollanders al ver vooruit waren met imitatie antiek kreeg je aan de lopende band nabestellingen.
Je kocht imitatie antieke zwaarden voor vijf gulden per stuk die je in Holland weer voor honderd gulden per stel doorverkocht. De klanten trokken de zwaarden bij bossen tegelijk uit je handen. Dat telde lekker op en na een half jaar waren je honderdduizend gulden verdriedubbeld. Het was ondertussen weer eens tijd geworden om een nieuwe auto aan te schaffen. Je kocht er meteen maar twee, plus een nieuwe Transitbus. Het geld brandde je in de zak. Uiteindelijk moest iedereen toch kunnen zien dat je zwaar de kost verdiende? Dat waren dan wel weer honderd ruggen die de deur uit vlogen, maar het resultaat was dat je er weer knap bij reed. En de rest van het geld leverde vanzelf weer nieuw geld op. Toen je van een vriend die met horloges op het Waterlooplein stond te pieren een gouden Rolex aanschafte, vroeg deze wat je tegenwoordig deed.
“Ach, ik haal af en toe een wagentje antiek uit Italië. Ik pak mijn ruggie in de week en leid een rustig leven.”
“Heb je geen andere handel dan antiek?” vroeg Bevert.
“Hoezo, vind je het niet genoeg?”
Bevert nam een horloge onder zijn toonbank vandaan en gaf dat aan je. Het was een nep gouden horloge met ‘Omega’ op de wijzerplaat gestempeld. “Je kunt mij hiervan wel een paar duizend stuks leveren wanneer je met een goede prijs komt.”
“Hoe weet ik nou of mijn prijs goed is? Als ik met een paar monsters aan kom zetten en ik noem je een korte prijs, dan zeg je toch dat ik te duur ben”, antwoordde je, Bevert Akkermans kennende.
“Ik betaal drie tientjes per stuk. Je kunt mij er tweeduizend leveren voor negenentwintig gulden per stuk.”
“Ik zal kijken wat ik kan doen. Heb je nog ergens anders interesse in?”
“Ik kan alle goed nagemaakte imitatiesieraden gebruiken, zoals plaatbanden, halskettingen, ringen enzovoort”, antwoordde Bevert, en toonde je een herenarmband waar een naam in gegraveerd kon worden. “Zie je die gekke ronde ring die als sluiting dient?” vervolgde hij.
Je bekeek de armband en knikte.
“Nou, aan die sluiting kan iedereen dus zien dat het nep is. Wat ik zoek is een nepband met een sluiting zoals die aan een echte gouden plaatband zit.”
“En misschien wil je er ook nog wel een paar stempels bij, zodat je er een goudmerk in kunt slaan?” stelde je voor.
“Je leert het al, dat is precies wat ik nodig heb. En die kun je in Italië zo laten maken.”
“Waarom haal je ze dan niet zelf als je het allemaal zo goed weet?”
“Ik heb weinig tijd en ik kan hier niet weg”, draaide Bevert.
“O, ik dacht dat je misschien het risico niet wou nemen aan de grens”, liet je je ontvallen.
“Ben je gek, dat is toch een *eitje*”, deed Bevert luchthartig.
“Dus ik kan het hele zootje gewoon op jouw naam invoeren?”
“Nee, dat kan niet, want ik heb al narigheid met de belasting,” loog de koopman. “Maar ik weet het goed gemaakt: als je die handel gewoon in je auto verstopt en over de grens smokkelt, betaal ik je wat ik normaal aan BTW was kwijt geweest. Dat is veertien procent.”
“Dus wanneer jij voor, laat zeggen, dertigduizend gulden handel van mij koopt, verdien ik tweeënveertighonderd gulden?” vroeg je quasi begerig.
“Precies, dat is vier keer zoveel als je nu verdient en dat zonder dat je een bus moet laden of lossen.”
“Daar heb je gelijk in. Ik ga meteen volgende week naar die handel zoeken”, deed je stom.
Zonder tijd te verliezen, reed je echter meteen weer naar Italië. Zodra je je bus had volgeladen met nep en echt antiek, reed je door naar Vicenza. Je liet je er de weg wijzen naar de Kamer van Koophandel, waar je een lijst van fabrieken kreeg die bijouterieën fabriceerden.
|