Homepage...
Zonde van de eerste steen
 
Autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

NAWOORD

If I could forget those happy moments, I wouldn’t feel sad.
Yes, if I could only forget, I wouldn’t go mad!
Yet forgetting alone doesn’t make one happy or glad.
So I prefer to remember those moments we had,
and I’ll pretend you’re still here, so please let me be sad!

Jan ter Haak – 10 juni 2007

“Hoe bedoel je Suzanne, ik kende je echtgenoot niet eens. Hoe kom je erbij dat ik hem af heb laten tuigen?”, vraag je mij verontwaardigd.

“Jan, je vergeet dat ik je te goed heb leren kennen gedurende onze sessies; ik denk dat ik je beter ken dan jijzelf...” Je valt mij in de rede, maar ik herinner mij al je trucs van jaren terug en ik loop naar je toe. Je kijkt mij verbaasd aan wanneer ik je omhels. Ik bijt je hard in je oor en kus je daarna op je mond. “Waarom doe je dat Suzanne? Waarom denk je dat ik...?”

“Lieg niet tegen mij Jan, ik ben groot nu en ik kan de waarheid verdragen. Je bent jezelf te slim af geweest, mafketel. Waarom denk je dat ik wilde scheiden?”

Je kijkt mij onnozel aan en je schudt je hoofd.

“Mijn man hield meer van kleine jongetjes dan van grote vrouwen. Een jaloerse echtgenoot van een zogenaamde scharrel van mijn man, rekte mijn verbeelding en geloof, wel bijzonder erg ver uit. Het maakt niet uit Jan. Toen mijn moeder vertelde dat je langs was geweest, begreep ik alles. Je hebt mij enorm geholpen, lieverd. Mijn man vermoedde dat het van mij af kwam, maar hij heeft nooit iets van jou geweten. Ik ontkende het natuurlijk –je ziet, ik heb van je geleerd- en sprak de hoop uit dat ze hem niet dood sloegen de volgende keer, want dan zouden al zijn bezittingen naar mij gaan. Het ging mij niet om geld of bezittingen, maar hij heeft mij vijftien jaar gebruikt en misbruikt. Het is allemaal zo lang geleden, maar je was er toen ik je nodig had. Ik ben gekomen om je te bedanken en lieg niet weer want dan bijt ik dat oor eraf!”

Je kijkt mij aan. Ik zie dat je ogen vochtig worden. Je haalt een paar foto’s uit je zak en geeft die aan mij, waarna je zegt: “Suzanne, inplaats van in mijn oor te bijten, mag ik jouw oren even geweld aan doen? Ik zou je graag een verhaal willen vertellen. Ik heb het inmiddels ook opgeschreven, maar ik denk dat dit persoonlijker is.”

Je begint te vertellen. Een paar uur later weet ik alles van Irene en Italiaanse pedofielen. Ik ben nu ziek van medelijden. Tevens voel ik mij misselijk van woede dat ik je twintig jaar geleden afgewezen heb, toen je mij vroeg om met je te trouwen.

“Heb je nooit meer iets van Irene gehoord nadat je haar op het vliegveld hebt afgezet?” vraag ik.

“Ja, Suzanne, ongeveer een halfjaar lang hebben wij gemaild, maar het maakte het gemis alleen maar heviger. Ik heb haar ook een paar keer over de telefoon gesproken, het deed echter teveel pijn. Toen Irene vijf maanden bij me weg was, wilde ze me komen opzoeken, maar ik zei dat ik haar niet meer wilde zien. Het tegendeel was waar, maar ik zou het niet kunnen verwerken om haar voor een tweede keer te zien vertrekken.”

“Het is inmiddels vijfentwintig jaar geleden toen je aan me vroeg of ik jouw verhaal wilde schrijven”, zeg ik. Ik vermijd je aan te kijken. “Ja Suzanne, we worden ouder, of beter: ik ben ouder geworden. Jij bent nog steeds dezelfde mooie jonge vrouw die je altijd was.”

Ik kijk je nu aan. Je bent in het laatste jaar minstens tien jaar ouder geworden, terwijl je sinds je veertigste altijd voor minstens tien jaar jonger door kon gaan. Je hebt jezelf als het ware ingehaald en ziet er inmiddels net zo oud uit als je bent. Dat maakt me kwaad. Ik wil je helpen, je opbeuren, je liefhebben. Ik wil je weer ‘Jan’ maken, maar jij wilt niet meer. Je leeft het afgelopen halfjaar iedere dag met pijn en verdriet, en ik haat die Irene erom.

"Hoe kon je dit gebeuren? Je bent nog maar een schaduw van jezelf. Ik ken je zo niet Jan. Was ze dan zo speciaal dat je zoveel van haar houdt en haar zo godsgruwelijk mist? Ik weet dat uiterlijk alleen niets zegt, maar je hebt me een foto van haar laten zien, en ze was nu niet bepaald de knapste uit je collectie.”

“Nee, beslist niet de knapste, Suzanne, hoewel: beauty is only in the eye of the beholder, maar voor mij is ze de mooiste en meest bijzondere vrouw die ik ooit heb gekend. Ze blijft me maar verbazen. Dat komt natuurlijk grotendeels door haar aandoening, daar ben ik me echt wel van bewust.”

Het valt me op hoe je in en uit de onvoltooid tegenwoordige tijd stapt. Het is voor jou alsof Irene alleen even de kamer uit is. Wat is er toch met je gebeurd, Jan? Twintig jaar geleden heb ik dezelfde pijn en datzelfde gemis gevoeld om jou. ‘Het gaat over’, zou ik je wel willen toeschreeuwen, maar ik weet dat het nooit echt helemaal overgaat.

“We zijn uitersten, Suzanne, we vormen een extreem contrast met elkaar, en dat zowel qua leeftijd, culturele achtergrond, karakter als mentaal egoïsme. In bepaalde opzichten hebben we wel overeenkomsten, want we zijn allebei trots, koppig en egoïstisch. Dat laatste heb ik eigenlijk pas door Irene in mezelf ontdekt. Het is alsof ik in een spiegel kijk en schrik van wat ik zie. Ik zie nu in hoe ik me in mijn leven tegenover vrouwen heb gedragen. Nu mij zoiets overkomt, besef ik pas goed hoeveel pijn en leed ik anderen heb bezorgd.”

“Nonsens, Jan, je hebt niemand gedwongen, en als die vrouwen het niet gewild hadden, had je ze nooit achter de ramen gekregen”, werp ik tegen.

“Dat is het niet, Suzanne, ik praat niet over het werk. Ik heb het over mentaal egoïsme. Ik nam alleen maar en gaf nooit iets terug. Ik kon en ik wilde me niet uiten, ik was bang om gekwetst te worden. Met Irene heb ik die fout onderkend en heb ik mezelf radicaal veranderd. Zij heeft zich dingen kunnen permitteren die ik van geen enkele vrouw ooit heb geaccepteerd. Ik heb zielsveel medelijden met haar, en zelfs wanneer wij onze heftigste ruzies hebben, kijk ik naar haar en denk ik: ‘Wat ben je toch eigenlijk een stumpertje.’ Ik ben goed voor haar geweest en ik heb misschien veel teveel geslikt, maar ik was vastbesloten om niet opnieuw dezelfde fout te maken. Ik ben dus een stuk toleranter geworden, al blijven er grenzen, natuurlijk.”

“Waarom is ze dan weggegaan? Als je van iemand houdt, verlaat je die persoon toch niet?”

“Dat is makkelijk gezegd, Suzanne, maar soms is het bestemming dat mensen elkaar ontmoeten, en is het leven dat ze weer van elkaar scheidt. Ik wist na vier jaar samenzijn dat ze zielsveel van mij hield. We zijn wel dertig keer uit elkaar gegaan, speciaal in het begin, want toen stuurde ik haar telkens naar haar moeder terug. Toen had ik die kracht nog. Al die dertig keren smeekte ze me haar weer terug te nemen. De ruzies hadden altijd dezelfde oorzaak. Ze was waanzinnig driftig, en door die drift deed ze dingen waar ze een uur later alweer spijt van had. Ze kon zichzelf niet controleren. Terwijl ik me nooit iets aan familie gelegen heb laten liggen, was Irene familieziek. Ondanks wat die familie haar heeft aangedaan, miste ze hen. Hier in Nederland was ze van alles verstoken; behalve met mij had ze geen enkel sociaal contact. Ze heeft twee jaar gestudeerd, en hard gestudeerd, om wat Nederlands en Engels te leren, maar ze had daar erg veel moeite mee. Haar resultaten waren dus matig. Een baantje, al was het maar voor de afleiding, zat er dus ook niet in. We leefden vierentwintig uur per dag in de zak van de ander. Voor mij was dat geen probleem, maar voor een jonge vrouw moest dat op den duur wel een probleem worden. Ik wist dat onze relatie vroeg of laat moest eindigen. Uit liefde voor haar had ik het desnoods nog wel een keer in Italië willen proberen. Uiteindelijk kon ik overal leven, maar het zou niet eerlijk geweest zijn tegenover Irene. Ze zou er weer een schuldgevoel bij hebben gekregen. Ze voelde zich al zo schuldig dat ze steeds zo tegen mij tekeer ging in plaats van tegen degenen die het werkelijk verdienden. Maar zo is het nu eenmaal altijd: degene die je het meest na staat krijgt het in zijn nek.

Ik hield genoeg van haar om haar zonder mij gelukkig in Italië te zien worden met werk dat ze graag deed. Ik gunde haar het geluk om het kind te kunnen krijgen dat ze zo dolgraag wilde hebben; het kind dat ik haar om reden van mijn leeftijd niet geven wilde. Ik houd zo zielsveel van haar, dat ik haar in haar eigen land gelukkig wil zien worden met een man die van haar eigen leeftijd is, maar dan wel een man die net zoveel van haar houdt als ik. Zij heeft die twee jaar in Nederland echt haar best gedaan om er iets van te maken, en ik bewonder haar daarvoor. Ik zat de hele dag achter de computer te werken en zij liep maar werk te zoeken. Maar je kunt niet dag in dag uit het huis schoon blijven maken. Ze zei wel eens dat de dagen eindeloos lang duurden totdat we gingen eten. Etenstijd was ons moment suprème en dan hielp ze me bij het koken. Dan vleide ze zich tegen me aan in de keuken. Aan tafel kwam zij dicht naast mij zitten. Tot wij in slaap vielen bleef ze me haar warmte geven. Nu ik alleen ben en haar zo waanzinnig mis, kan ik me bijna niet meer op mijn werk concentreren. De dagen komen niet om, het is een marteling en ik wil er niet aan denken wat het voor haar geweest moet zijn. Nee, ik kan alleen maar bewondering voor haar hebben, en ik zal haar eeuwig dankbaar zijn voor alle mooie momenten die ik met haar heb mogen beleven. Het was een wonder in de vijftig.”

“Het is zo zinloos om in het verleden te blijven leven, Jan… Je bent nog jong genoeg om een goed leven te kunnen hebben, en je bent bezig om jezelf de vernieling in te helpen. De eerstvolgende stap is een depressie, en dan...?” vraag ik.

“Suzanne, ik leef in het verleden, omdat dat een mooi verleden is geweest, ondanks alles wat de moraalpredikers erover zeggen. Je weet het, ik heb in mijn leven twee grove fouten gemaakt. De eerste was dat ik Mick heb weg laten gaan door haar niet te vertellen dat ik werkelijk van haar hield. De tweede fout maakte ik in Italië. Ik had moeten weten dat je een pedofiel daar geen pedofiel mag noemen, ook al zit hij voor pedofilie in de gevangenis. Dat was een grove fout waar Irene makkelijk het slachtoffer van had kunnen worden. Ik vertrouwde te veel op mijn intuïtie en mijn ongeschonden reputatie van victories en successen. Ik had echter de Italiaanse wet moeten nalezen. Dat was een onvergeeflijke fout, en het was dankzij mijn spreekwoordelijke geluk en mijn inventiviteit dat ik ervoor wist te zorgen dat de zaak tegen Irene geseponeerd werd.

Twee grote fouten in een leven als het mijne is niet veel. Het was een goed leven, en ondanks alle moeilijke momenten heb ik ervan genoten. Ik zou het ook zo overdoen als dat zou kunnen. Maar dit  leven komt met een prijskaartje, Suzanne, en die prijs betaal ik nu. Ik ben gedoemd tot eenzaamheid, want ik wil na Irene geen andere vrouw meer. Ik heb geen trek in ouwe gebakkies van mijn eigen leeftijd met een karrenvracht frustraties die ze bij eerdere partners hebben opgelopen. De waarschijnlijkheid dat ze dan ook nog van je verwachten dat je met hen in de verplichte figuren gaat, maakt me onpasselijk. Nee, ik blijf alleen en ik betaal mijn prijs.

De pijn daarvan is dezelfde als die ik andere vrouwen heb aangedaan met wie ik ben omgegaan. Ik weet nu dus hoe het voelt. Mijn Nemesis en mijn Waterloo zijn in de vorm van Irene gekomen, maar ik heb er vrede mee. Ik ben er zelfs dankbaar voor.

Ik betaal die prijs dus graag tot ik het zat ben of iets ga mankeren. Dan wordt het tijd om te nokken en draai ik de schakelaar om.

Dan doe ik voor de laatste keer iets wat maatschappelijk onethisch is, but who gives a toss? Ik heb mijn eigen leven geleefd, en niet dat van de burgermaatschappij, en eindig het dus ook hoe ik het wil. De goedertieren gemeenschap wil je laten inslapen zodra je te oud wordt en een belasting voor de samenleving gaat vormen.”

“Ben je bitter waar het de maatschappij betreft, Jan?” probeer ik.

“Bitter? Ik ben nooit geïnteresseerd geweest in de mens in het algemeen, dat zogenaamd meest intelligente wezen dat aan de top van de voedselladder staat. Ach, de mens… Het meest domme, vernielzuchtige, egoïstische en platte wezen dat er op deze aardbodem rondschuifelt, al zal het dan niet meer voor lang zijn. Alles maken ze kapot en alles nemen ze voor zoete koek van de door hun gekozen politici, die hen intussen alleen maar verder in al hun ‘vrijheden’ beknotten door hen te controleren via hun pinkaarten en chipknips.

Een koe die uit zichzelf naar het abattoir loopt, ben ik nog niet tegengekomen. Mensen hebben daar minder problemen mee. Zolang ze maar in hun bordeauxkleurige blazertjes rond kunnen stappen, in hun metaalkleurige fourwheel blazers kunnen rond hakken en op hun buis naar leuterprogramma’s, realiteitshows en fameuze wereldlanders ofwel VIP’s (Very Insignificant People) kunnen kijken, is er geen vuiltje aan de lucht.

Ik ga hier niet uit zitten weiden over al het leed dat er in de wereld bestaat, want het is de mens die het veroorzaakt heeft. De natuur en de dierenwereld gaan ten onder, but who gives a flying fuck? De enige mensen die mijn bewondering en respect hebben, zijn de mensen die voor dieren opkomen, bedreigde dieren in het bijzonder. Dat zijn de mensen die iets begrepen hebben, of beter: gevoeld, maar ze vechten een verloren strijd. Hun medemensen en de multinationals zorgen er wel voor dat er snel een eind komt aan de wereld zoals we die nu kennen. The writing is on the fucking wall, maar Jan Publiek kan slecht van muren lezen. Die is beter in het bekladden daarvan, want dan wordt het god weet ook nog kunst die gesubsidieerd zal worden.”

“Je bent een misantroop geworden, Jan…” kan ik niet nalaten te zeggen.

 

 

Primecrime
Primecrime
Microsoft
Marktplaats
Relatieplanet
Multicomms
Regenboogbrug
Google
Telegraaf
Informatique
Trouw
Zibb
Bizz
Bol
Amazon
HP
Samsung
Sony Ericsson
GSM Web
Nokia
RTL
Elsevier
Kro
Avro
Vpro
Vara
 
 Een unieke website voor een uniek boek
Klik om iets unieks te zien...
 Een unieke website voor een uniek boek