Homepage...
Zonde van de eerste steen
 
Autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

Vrijheid in Schotland

Wie de geneugten van de vrijheid wil oogsten, moet de vermoeienis dragen die het kost om haar te ondersteunen.

De turbo van de Porsche 911S giert tevreden, het wisselend aanzwellende en afnemende geronk van de motor regelmatig overstemmend. Mick rijdt alsof ze de rally van Le Mans aan het winnen is. Zij heeft de rijcapaciteiten er wel voor, maar we zijn in Schotland op vakantie. Ik ben nu ruim een maand vrij en vandaag is het mijn verjaardag.

Voldaan hang ik naast Mick in de bijrijderstoel en geniet van ieder moment, het landschap rond het Loch Tay meer en de vrijheid, maar het meest van Mick.
“Gaat het goed, Jan?”, vraagt Mick, snel terugschakelend voor een bocht.
“Perfect baby, zit er een blok onder dat gaspedaal of ben je van het uitzicht aan het genieten?”
“Ik geniet, Jan, wat is het hier verschrikkelijk mooi, het is zonde om nog harder te rijden, vind je niet?”

“Stop!” schreeuw ik. Mick brengt de Porsche met slippende banden tot stilstand.
“Wat is er?”, vraagt ze verbaasd.
“Rijd even achteruit terug en dan ook achteruit die oprit tegen de heuvel op. Dan zie je daar een bord staan.”
Mick rijdt achteruit de oprit op, tot we op de top van de heuvel op een kleine ronde parkeerplaats komen. In het midden van de parkeerplaats is een rond grasveldje waarin een kersenboom in volle bloei staat.
“Wat doen we hier?” vraagt Mick.
“Kijk dan naar dat huis…en naar dat uitzicht. Ik zag het in een flits langs schieten met dat bord Te koop ervoor. En omdat het mijn verjaardag, onze verjaardag is… Wat vind je? Kijk eens goed naar dat uitzicht over het meer, smerig gezicht, hè? Het lijkt wel een visueel orgasme.”
“O Jan, het is prachtig”, zegt Mick aangedaan.
“Zullen we hier dan maar gaan wonen?”
Ik kijk naar het huis. Het is niet het typische Schotse huis van grijze natuurstenen, maar het heeft wel het gebruikelijke leistenen dak. De witgepleisterde muren vormen er een aantrekkelijk contrast mee. De klimop en de wilde rozen die tegen de muren groeien, versterken dat effect nog eens met factor tien.
De serre heeft drie boogvormige ramen, wat erg ongewoon is voor Schotland. Het huis heeft een Zuid Amerikaanse stijl, zo er al van één bepaalde stijl sprake is. Ik ga voor het big time gevoel en zeg: “Mick, ga even naar de bewoners en leg uit dat wij het huis van de weg af zagen liggen. Als het vanbinnen net zo mooi is, doe dan niet te enthousiast maar vraag wel wat ze ervoor willen hebben. Als het minder dan zes ton is, vraag dan het adres van hun makelaar. Dat zal wel een advocaat wezen.”
“Kom jij niet mee dan?” vraagt Mick ietwat onzeker.
“Nee, we zijn zo weinig geïnteresseerd, dat ik in de auto blijf zitten. En het wordt bovendien tijd dat jij eens een huis gaat kopen.”

Mick blijft een halfuur weg. Wanneer ze weer achter het stuur plaatsneemt, zegt ze: “Jan, dit is voor ons. Hier wil ik wonen. Binnen is niet onze stijl, maar wat ik er van begrijp is het vrij eenvoudig aan te passen, structureel bedoel ik.”
“Nou, dan hoeven wij alleen de prijs nog maar te horen.”
“Zeven ton, is dat te duur?”
“Zeven ton, omdat ze een nieuwe Porsche de heuvel op zagen rijden. Dat wordt wel minder, lieverd. Wil je het huis hebben of niet?”
“Ja Jan, het is een droom, maar ik wil dat jij het ook ziet”, dringt Mick aan.

“Bang om beslissingen te nemen?” vraag ik plagend, “We gaan nu naar die advocaat en ik bied vijf en een halve ton. Dat wordt nooit geaccepteerd, maar zodra we merken dat ze willen marchanderen, gaan wij het huis echt bekijken. Anders is het tijd verknoeien.”

Drie uur later is de zaak in principe voor zes ton gedaan. Mick is extatisch en wil niet meer rijden, alleen nog maar tegen mij aanhangen. En ik ben extatisch voor Mick. Ik heb nu aan haar bewezen dat ze iets van zichzelf kan maken.
“Jan, Jan, Jan, mijn lieve man…” zoemt Mick, “Ik ben tweeëntwintig, ik heb een huis in Schotland, een nieuwe Porsche en verdien een miljoen per jaar. Wat ben ik blij dat jij me gekocht hebt en wat ben ik blij dat je mij een slag op mijn wang gaf die eerste avond.”
“Je hebt er anders hard genoeg voor gewerkt, lieverd”, zeg ik, en vervolg: “Het kopen is het makkelijke gedeelte, het houden van het huis vereist wat meer werk. Je gaat weer leren, maar eerst wil ik beloond worden. Je ziet er te smakelijk uit vandaag”, zei ik en reed een bosweg in.

Als wij de bosweg weer uitrijden, zien wij er allebei onsmakelijk uit. Mick’s haar is in de war en ik heb lipstick op mijn wangen en mascara op mijn voorhoofd. Dit moest echt even gebeuren, want waar laat je anders al dat opgekropte geluk?

De volgende dag zitten we bij de advocaat die ons zal vertegenwoordigen in de onroerend goed transactie. In tegenstelling tot Engeland waar makelaars alles regelen, doen in Schotland de solicitors (advocaten) het voetenwerk. Advocaten vallen hier echter niet te motiveren, noch te haasten, en de advocaat die mij aanbevolen werd, is al niet veel beter.

Mister Reid van Reid, W.S. & Co denkt aan een normale recht vooruit transactie voor een gekke Hollander met een mooie vrouw. Zaak klaar, fee in the kitty. Niet met ons echter. Hij krijgt hier een transactie te regelen waar ook hij, mister Reid W.S, het nodige van zal leren.

Ik had de nacht ervoor al aan Mick uitgelegd wat voor problemen zich voor zouden kunnen gaan doen. Mick, leergierig als altijd, hing letterlijk aan mijn lippen.
“Mick, wij brengen zes ton guldens het land in. Met de verbouwing en de meubels wordt dat algauw een miljoen. Daar maakt niemand bezwaar tegen, want het geld is in het land. Nu wonen wij daar, twee buitenlanders die niet werken, ik rijd een Porsche en jij hebt ook zo’n ding genomen, al was het alleen maar om de krant bij het postkantoor, de plaatselijke roddelshop, te halen.

Dan komen de verhalen van de autochtonen. Die zitten in de drugs, want waar halen ze anders het geld vandaan zonder te werken? Okay, de politie en Customs & Excise (Douane) merken gauw genoeg dat we niet in de drugs zitten, maar wat doen we dan wel? Er is maar één manier om dat uit te vinden, en dat is door je onder de aandacht van de fiscus te brengen. We wonen dan in Schotland en zijn hier dus belastingplichtig. Nou, ik weet niet hoe graag jij belasting wil gaan betalen, maar ik zie er nog steeds weinig in.” Ik stop even om Mick de gelegenheid te geven het verhaal tot zover te verwerken.

“Nou, ik ook niet, Jan, jij kost me al genoeg”, grapt Mick. Ik vervolg mijn verhaal: “De eerste vraag is: waar is dat miljoen contant vandaan gekomen? Uit Nederland, zeggen wij. De tweede vraag is dan: is daar belasting over betaald? Wij kunnen daar natuurlijk ‘ja’ op zeggen, maar dat zou niet verstandig zijn. We kunnen ook ‘nee’ zeggen, en dat zou regelrecht dom zijn, want dan wordt dat miljoen in Schotland als inkomen beschouwd en moeten we er hier de belasting erover betalen.”
“Het begint er een beetje gecompliceerd uit te zien, hoe is dat op te lossen, Jan?”

“We zullen belastingplichtig worden gemaakt, dus zorgen we ervoor dat we geen enkel bezit hebben. De fiscus kan ons dan wel aanslaan, maar niets halen. Het huis is wel bezit, maar niet ons bezit, want het is eigendom van een buitenlandse onderneming die niet belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk. Zulke ondernemingen zijn er zat. Alleen wanneer zo’n onderneming een huis met winst verkoopt, moet er belasting over die winst betaald worden. Dat is normaal en zelfs voor ons acceptabel.”

“Het enige probleem dat wij dus hebben is: waar vinden wij zo’n buitenlandse onderneming die eigenaar van ons huis wil worden, en wat hebben wij dan nog voor zekerheid dat die ons het huis niet afpikt?” vraagt Mick terecht.

“Wij worden die onderneming, Mick.”
Mick keek me niet begrijpend aan, dus ik vervolg: “We stichten een buitenlandse besloten vennootschap die vervolgens het huis koopt. We kunnen zelf geen directeur zijn, want dan zijn wij weer belastingplichtig, en de vennootschap wordt dan weer belastingplichtig voor onze loonbelasting en sociale verzekeringskosten. Wij stellen dus zogenaamde nominee directors aan. Die benoemde directeuren leven ook in het buitenland en voeren alle opdrachten uit die ze van de aandeelhouders door krijgen.”

Mick onderbreekt me hier en vraagt: “De aandeelhouders zijn eigenaren van de vennootschap, is dat juist?”
“Min of meer wel, ja. Waarom?”
“En wij zijn die aandeelhouders in de vennootschap?”
“Jawel, en voordat je het vraagt: normaal is er een register van aandeelhouders. Uit dat register kunnen wij dan weer herleid worden als de uiteindelijke eigenaren van de vennootschap en dus van het huis.”
“Wat is de zin van dit alles dan? Zo komen ze er altijd achter, vroeger of later.”
“Wij stichten een Panamese Incorporation. De directeuren zijn Panamees en voeren tegen een kleine vergoeding onze opdrachten uit. De aandelen zijn aan toonder, evenals het geld. Wie het heeft, is de eigenaar – een eigenaar die anoniem blijft. Dat is volkomen legaal en honderden scheepvaartmaatschappijen werken zo. Geen belasting te betalen en wij blijven de anonieme eigenaar van ons huis. Yes, Mick?”

Mick uit gezonde twijfels: “Wat doen wij in dat huis en waar leven we dan van? Die vragen komen evengoed, denk ik, of zie ik dat verkeerd?”
“Nee, dat zie je heel goed en ik ben nog steeds trots op je. Stel je voor, een Panamese maatschappij koopt een vakantiehuis voor haar aandeelhouders die hier bij tijd en wijlen op vakantie komen. Jij houdt het huis schoon, kookt en ik ben conciërge. Ik houd de tuin bij en haal en breng de aandeelhouders van en naar het vliegveld. Wij krijgen daarvoor gratis inwoning, ontvangen een onkostenvergoeding en een heel klein loontje, waar geen belasting over betaald hoeft te worden omdat het onder het minimumloon valt. We wonen leuk en het enige wat we ervoor moeten doen is de boel een beetje bijhouden. Dat is weliswaar betaling in natura, maar betaling in natura van een conciërge is hier niet belastbaar. Betaling in natura van kok en hulp in de huishouding moet ik nog opzoeken.”

“Fuck Jan, je blijft mij verbazen, en dat is allemaal zeker en legaal?”
“Luister Mick, de belasting zal er niet blij mee zijn, maar ze kunnen er weinig tegen doen. In Holland lukt het al niet meer, die etters hebben alles van Amerika geleerd, maar hier kan het nog wel. De auto’s moeten we wel aanpassen, we kunnen niet meer in Porsches blijven rijden. Er passen ook maar weinig aandeelhouders in een Porsche. Een Range Rover is logischer voor de winters hier, die is groter en geeft dat Britse hoity-toity snobcachet. Om praatjes te voorkomen ben jij modeontwerpster en ik schrijver. Ik ben een boek aan het schrijven, dus ik lieg niet.”

Advocaat Reid van Reid W.S. & Co krijgt dus zijn instructies en een half jaar later zijn we anonieme aandeelhouders van een Panamese Incorporation die de eigenaar van het huis is. Ik ben conciërge, tuinman en chauffeur en Mick is kok en hulp in de huishouding. Alles op papier, getekend, gestempeld en gezegeld.

Omdat het huis moet worden verbouwd en de tuin opnieuw moet worden aangelegd, vlieg ik om de veertien dagen naar Schotland om de aannemer en de tuinman te instrueren en de lonen te betalen. Ik blijf er dan twee weken en logeer bij Dik Groot, een bevriende Hollandse antiekhandelaar die het kasteel Ochtertyre in Crieff bezit. Het kasteel ligt op een uur afstand van Loch Tay, het meer waar ons huis op uitkijkt. Mick werkt ondertussen in Nederland de schatkist weer wat bij en komt daarna ook weer voor twee weken vakantie naar Schotland.

Tegen het einde van 1984 zijn het huis en de tuin helemaal klaar. Een Italiaanse vriend en meubelfabrikant komt uit Italië over met een vrachtwagen vol meubels. Het huis ziet er nu van binnen en van buiten uit alsof het zo uit een catalogus van Savills UK gevallen is. Mijn eed aan Mick indachtig ga ik vast in Schotland wonen. Mick werkt nog twee jaar door, zodat we voldoende kapitaal hebben vergaard om van de rente te kunnen gaan leven. Alles is zorgvuldig gepland en werkt zoals het moet. Voor het moment, althans. Ik ben in de gevangenis wel gewend aan eenzaamheid dus dat zal me niet zoveel problemen moeten geven, maar wanneer Mick in Nederland is, ben ik wel alleen. Echt alleen. Ik ben van het ene uiterste in het andere gestapt, en hoe uniek ik volgens sommigen ook ben, ik blijf maar een mens.

Overdag werk ik aan mijn boek. Ik ben niet bijzonder goed in typen en raak dus half gestoord van het corrigeren en het overtypen van de pagina’s. Er moest een makkelijker manier zijn. In 1978 had ik al mijn eerste computers geprogrammeerd en ik vermoed dat er nu ook al computers zullen zijn die tekst kunnen verwerken. Die zijn er inderdaad, en ik schaf een Apricot Dual Floppy met 10 megabyte harddisk aan. Wat een luxe! Nu gaat het schrijven pas echt goed. Ik ben zo enthousiast, dat ik mijn boek voorlopig in de kast leg en me verder in informatica bekwaam. Dit wordt algauw mijn grootste hobby en de dagen zijn te kort. Naast programmeren in Basic, Assembler en Pascal leer ik AutoCad, MS Word, Database- en spreadsheet programmeren en Aldus PageMaker.

De tuinman heb ik aangehouden, want die krijgt zijn loon van DHSS (Sociale Zaken). Ik geef hem daar, buiten zijn kost en inwoning om, een klein salarisje bovenop. De tuinman is van mijn leeftijd en heeft de lichtste ogen die ik ooit gezien heb. Het is net of je in twee emmers met ijswater kijkt. Een beetje griezelig is hij wel. Hij werkt goed echter en hij kan nog koken ook. De weekends gaat hij naar zijn vrouw, die in Perth woont.

In die weekends ga ik naar de plaatselijke pub om wat vloeibare versnaperingen te genieten. De pub is een omgebouwde varkensstal en de meeste klanten lijken wel omgebouwde varkens. Mijn god, wat een zootje! En zuipen dat die krengen doen... Ze leven voor de drank en drank alleen. Ik denk dat die hen een tijdelijke uitweg uit de armoede biedt. Tussen het zooitje ongeregeld lopen ook wat plaatselijke schonen, die niet alleen oerlelijk, maar ook niet erg schoon lijken.

Eén meisje zag er wel halfpikant uit, maar dat kan ook iets te maken hebben gehad met het feit dat honger rauwe bonen zoet doet smaken. Haar naam was Liz en ze had een middeltje dat je met twee handen kan omvatten. Voor het achterwerk zijn wat meer handen nodig. Wanneer ze zich naar me omdraait zie ik dat haar longen een normale groei hebben ondergaan, en haar gezicht is typisch Keltisch. Voor een eenzame Hollander in Schotland kan ik het slechter doen.

Het versieren duurt een hele week, zolang heb ik nog nooit hoeven wachten, maar ja, ik ga toch nergens heen. Na een week is ook dat karwei geklaard, maar nu komen de complicaties. Liz trekt bij me in als Mick in Holland is en gaat weer naar haar vader wanneer Mick overkomt. Ik ben nooit een voorstander van liegen geweest, omdat het respectondermijnend is. Liever even ruzie, dan steeds te moeten liegen, dus ik vertel Mick dat ik er een huishoudster bij heb voor wanneer ik alleen ben.
“Ze kookt en houdt het huis schoon, Mick, en ik zit hier ook maar alleen.”

Mick maakt echt geen salto’s van vreugde, maar neemt het verder op haar vertrouwde positieve manier op. Ik stel de beide vrouwen aan elkaar voor en de problemen lijken opgelost.

De problemen zitten er echter nog aan te komen, maar dan in een andere vorm dan de lezer zal verwachten. Liz is een veel betere kok dan mijn tuinman en ze wast ook haar handen wat frequenter. Ik ben ondertussen trouwens ook iedere dag het eten van spruitjes, doperwten en gebakken aardappelen aardig zat geworden. Het laat zich begrijpen dat ik tegen de tuinman zeg dat Liz het koken van nu af aan voor haar rekening neemt. ‘Dan hebt u het meteen ook wat makkelijker’. Dat valt niet in goede aarde. De tuinman is jaloers op Liz’ positie, met als gevolg dat ze voortdurend ruzie maken. Totdat ik het zat ben. Ik vertel de tuinman de tuin te doen en te blijven doen, zich van commentaar en kritiek te onthouden en anders maar op te rotten. Brighteyes rot dus op, maar dat is niet het einde van het verhaal. Dat is het feitelijke begin van de ellende.

Enige maanden later hoor ik van de plaatselijke aannemer - George McWilliams, met wie ik bevriend ben geraakt - dat het in Perth gonst van de geruchten.
“Ik sprak met collega’s in Perth en die wisten al alles van een Nederlander die aan Loch Tay was komen wonen. Paul Black, je ex-tuinman loopt rond te vertellen dat je in de happy-baggy stuff (marihuana, hasj) zit en dat hij daarom bij je is weggegaan.”

Ik haal mijn schouders op en zeg: “George, dat zijn verhaaltjes, en ik vermoed dat de autoriteiten dat nu zo ongeveer ook wel weten.” George antwoordt: “Natuurlijk Jan, dat begrijpt iedereen, maar met het feit dat Paul Black hier tevens loopt te vertellen Aye, I shopped that Dutch cunt to the taxman an’all (ik heb die Hollandse kut aan de belasting verraden), hoef je echt niet zo blij te wezen. Als dat werkelijk zo is, dan moet de HM Inland Revenue (Belastingen) het opvolgen.”

Een gewaarschuwde Jan telt voor zevenenvijftig, dus ik begin verschillende contracten op mijn computer op te stellen en begin me verder te verdiepen in het Britse belastingrecht. Dat is flink studeren, want behalve dat ik redelijk goed Engels spreek en lees, ben ik niet bekend met de belastinglingo. Naast het begrijpen van het jargon en het bestuderen van het belastingrecht moet ik ook de case law (jurisprudentie) bestuderen. Waarom? Wel, ik heb er een hekel aan om voor verassingen te komen staan. De perfectionist in mij gebiedt me dat ik me altijd op het ergste voorbereid.
Normaal gesproken zou ik die Paul Black kort hebben laten trappen, maar buiten mijn belofte aan Mick dat ik met alle geweld zou stoppen, was het kwaad waarschijnlijk toch al geschied. Wanneer ik dit nu ook nog zou bevestigen door een contract op Paul Black te zetten, zou dat me door de autoriteiten niet in dank worden afgenomen. Tevens zou dat voor hen het bewijs zijn dat er meer gaande was aan Loch Tay dan Paul Black had gefantaseerd.

If you can’t beat the system, join it. Terwijl ik in Nederland het systeem altijd aan mijn laars gelapt, aangevochten en vaak verslagen heb, besef ik dat ik deze modus operandi in Schotland niet moet voortzetten. Ik ben immers een buitenlander en weet eenvoudig nog te weinig van de gecompliceerde eeuwenoude wetten. Het is dus studeren geblazen, maar sinds ik mijn boek even opzij heb gelegd, heb ik niets anders te doen.

In 1986 ontvang ik bericht van de HM Inland Revenue dat er een inspecteur langs zal komen om mijn belastingstatus te bespreken. Het is opnieuw in de handen van de goden. Meer voorbereid als ik ben kan ik bijna niet zijn. En ik zal eerst moeten weten welke kant de HM Inland Revenue met me op wil. Het liefst ontvang ik inspecteur Robin Hall in mijn schuur, want ik weet uit ervaring dat dergelijke beambten een virtuele optelling maken van de omvang en de inboedel van een huis, aangevuld met de geschatte kosten voor gas, licht en telefoongebruik. Die geven normaal een indicatie van de levensstandaard van de bewoner(s) van een perceel.

De inspecteur, Robin Hall, deelt mij mee dat de HM Inland Revenue de tip heeft ontvangen dat ik in drugs deal en dat ze verplicht zijn om dat na te trekken. Zonder medeweten wan Robin Hall neem ik het hele gesprek op de band op. Behalve vriendelijk is Hall ook zeer capabel en sluw. Zonder mijn maandenlange voorbereidingen zou ik hier al de fout zijn ingegaan. Nu heb ik echter wat verassingen voor de HM Inland Revenue. Het gaat om mij en om mij alleen, en dat is goed.

Allereerst moet mijn status van residentie vastgesteld worden. Wanneer deze als niet residerende in Schotland bevestigd kan worden, ben ik in het land ook niet belastingplichtig. Dat wordt touwtrekken, want het feit dat ik hier een place of abode (woonverblijf) heb, maakt me feitelijk een resident en dus belastingplichtig. Dat is een tegenvaller. Ik weet er nog wel in te slagen om er een jaar belastingplicht vanaf te halen voor de tijd dat het huis verbouwd en gerenoveerd werd, omdat ik toen nog tussen Nederland en Schotland heen en weer pendelde. Mijn loonstaten komen op tafel en ik moet de inspecteur ‘helpen’ met het bepalen van de hoogte van mijn belastingplicht.

“U hebt vrije inwoning, dat is een benefit in kind (betaling in natura) en daarmee belastbaar”, zegt Robin.
Ik antwoord: “Het is belastbaar in alle gevallen, op twee na. Het ene geval betreft een bankdirecteur en het andere is het mijne. Ik ben conciërge en mijn benefits in kind zijn dus niet belastbaar.”
Hier gaat de tas van Robin open. Er komt een dik belastingboek op tafel die hij vervolgens aandachtig raadpleegt.

“U hebt in principe gelijk, maar de benefits in kind strekken tot het gebruik van één slaapkamer, een keuken en een toilet en andere faciliteiten, en dit huis heeft vijf grote slaapkamers.” Dat is interessant. Nu weten we in elk geval zeker dat de tuinman de zaken grondig heeft aangepakt bij het opstellen van zijn valse aangifte.

“In hoeveel slaapkamers denkt u dat ik tegelijk kan slapen?” is mijn logische verweer. Robin kijkt wat zuur en schrapt de benefits in kind met betrekking tot de inwoning.
“De Range Rover?” vraagt hij.
“Mijn eigendom; gekocht van gelden die ik officieel het Verenigd Koninkrijk heb ingebracht.” Een halve waarheid.
“Betalen de aandeelhouders u voor vervoer van en naar het vliegveld en andere plaatsen?” vraagt Robin.
“Daar was in het begin wel sprake van, maar ik vond dat onjuist, omdat de maatschappij me al zo netjes behandelde. Ik heb dat aanbod dus afgeslagen. Wel wordt mijn benzine voor die ritten betaald.”
Robin keek nu nog wat zuurder.

“Uw loon”, zegt hij, terwijl hij mijn contracten doorkijkt. Dan vervolgt hij: “Hm, dat is minder dan het belastingvrije loon dat u mag verdienen. Het ziet er naar uit dat ik hier niet veel resultaat ga boeken.”

Ik begin me zo langzaamaan wat beter te voelen.
“Het geld waarmee het huis betaald is, hoe is dat overgemaakt?”
“Ik heb het contant uit Nederland meegenomen, hier officieel ingewisseld. Als u ze wilt zien, ik heb de meeste wisselbriefjes nog.”

“Op wiens naam staan die wisselbriefjes? Het huis is van de vennootschap, dus die naam zal er wel op staan, neem ik aan?”

Dat is een goede vraag. Gelukkig heb ik het antwoord erop al jaren geleden voorzien.
“Nee, mister Hall, mijn naam staat erop. Dat is misschien wel dom van me, neem ik aan?”

De inspecteur kijkt bedachtzaam en zegt: “Dat hangt er vanaf. Uw naam staat op de briefjes, dus u kunt ervoor verantwoordelijk gehouden worden wanneer er geen belasting over dat geld is betaald.”
“Dus u zou dan bij mij loonbeslag kunnen leggen, als het ware?” vraag ik bedrukt.
“In theorie wel, ja. Ik vermoed echter dat u daar al rekening mee gehouden heeft.”

Ik haal mijn schouders op en zeg: “Niet echt, nee, maar als dat mocht gebeuren, laat ik mijn loon voortaan in Panama uitbetalen.”

De toon van het aanvankelijk geanimeerde gesprek wordt plotseling wat venijniger.

“U bent belastingplichtig over uw worldwide income”, zegt Robin kortaf.
“Alleen een Brits staatsburger is belastingplichtig voor zijn worldwide income, in zoverre er al geen belasting over is betaald in het land van herkomst, dat mogelijk dubbele belastingbedragen met Groot-Brittannië heeft. Wat mij betreft, ik ben geen Brits staatburger, ik ben Brits resident en ik ben alleen belastingplichtig over de gelden die ik naar Groot-Brittannië breng of overmaak. Vanaf dat moment gelden de bronbelasting en de dubbele belastingbedragen. Als ik het verkeerd heb, zult u mij daar ongetwijfeld op wijzen.”

De inspecteur begint nu hatelijk te worden: “U hebt u goed voor laten lichten door uw accountant, mijnheer. Misschien wel wat te goed.”
“Het zal u misschien interesseren te weten dat ik geen accountant heb of nodig heb. Ik doe mijn onderzoek zelf. Uw belastingsysteem is erg duidelijk en laat weinig ruimte waar beslissingen aan de discretie van de Special Commissioners zouden moeten worden overgelaten”, repliceer ik bluffend.

Special Commissioners, u denkt nu al dat het zover komt?” vraagt de inspecteur, wat minder zeker nu.
“Niet wanneer de HM Inland Revenue zich niet eeuwig belachelijk wil maken door beschouwd te worden als de loopjongen van een ontslagen tuinman met griezelig witte ogen. Ik zal u wat vertellen, mister Hall, ik heb niets tegen u, zoals u mogelijk niets persoonlijks tegen mij hebt. Ik ben ervan overtuigd dat u mijn dossier in Nederland heeft laten lichten en heeft doorgelezen. Het is logisch dat u beroepsmatig geïnteresseerd en misschien zelfs wat bevooroordeeld bent. Misschien denkt u te kunnen slagen waar het de autoriteiten in Nederland niet gelukt is. Dat begrijp ik allemaal en het strekt u tot eer. Vanaf het moment dat ik hier ben komen wonen, heb ik mijn verleden achter me gelaten en maak me aan niets strafbaars meer schuldig. Wanneer ik echter ongemotiveerd lastig word gevallen, zult u spoedig merken dat ik in een civiele en legale capaciteit net zo capabel, inventief en vastbesloten ben als in mijn vorige capaciteit die ik in Nederland heb achtergelaten.”
“Meaning what?” (met andere woorden) vraagt de inspecteur.
Meaning dat ik tot aan het einde ga en meaning dat ik win. Meaning dat ik de HM Inland Revenue voor eeuwig belachelijk maak, en meaning dat ik nu al internationaal ga laten publiceren hoe buitenlanders in Schotland door de HM Inland Revenue van hun geld worden afgeholpen met behulp van intimidatie en valse tips. Schotland leeft bijna van het toerisme. Een deel van die bezoekers koopt hier grond en huizen. Wanneer mijn publicatie verspreid en gelezen is, zal dat aanzienlijk teruglopen, met als gevolg dat er vragen in het parlement over zullen worden gesteld, want zoveel negatieve reclame kan zelfs Groot-Brittannië zich niet veroorloven. U start uw onderzoek en ik begin aan de andere kant.”

De inspecteur denkt na en vraagt: “Kan ik uw wisselbriefjes zien, of beter nog: meenemen?”
“Ik kan u er een gedeelte van meegeven. De rest ligt in Panama.”

Ik overhandig hem even later een pakje briefjes van grenswisselkantoren ter waarde van honderdduizend gulden. De inspecteur bergt deze in zijn tas en wil opstaan.
“Ik zou graag een getekend bewijs van u ontvangen dat u deze briefjes heeft meegenomen. Tevens wil ik dat u alle details van die briefjes op dat bewijs vermeldt.”
And what if I don’t?”

Ik zuchtte en zeg: “Dan bel ik nu de politie en dien een aanklacht in wegens ontvreemding onder valse voorwendselen. Ik besef dat dat ver gaat, maar u kunt die briefjes dan nooit meer als bewijs gebruiken. De aanklacht wordt ook gepresenteerd bij de Special Commissioners van de HM Inland Revenue. U zegt het maar.”

De inspecteur schreef lachend het bewijsje uit.
“Dit heb ik nog nooit meegemaakt,” zei hij. “Je bent een cocky bastard, maar je hebt lef, dat geef ik toe. Zorg dat je geen enkele fout maakt, want dan ben jij het die straks belachelijk zal zijn. Ronde één is voor jou. Geen rancune?”
“Welnee, je doet je werk, en interessant werk zal dit zeker voor je worden.”

Mijn kracht in dit hele belastingverhaal is dat ik belastingfeiten waarvan een normaal werkend mens nauwelijks notie van zal hebben, heb vermengd met bluf, en zoals we zullen gaan merken werkt bluf in Schotland nog. De Britse bevolking is bijna zonder uitzondering panisch voor de Belastingdienst. Paniek en angst zijn hier dan ook hun sterkste wapens. Die angst is te begrijpen en te rechtvaardigen. Mensen hebben bezittingen waarvoor vaak hard is gewerkt, en zijn bang die te verliezen. Ik kan niets verliezen, want ik heb niets te verliezen. Ik kan namelijk niet iets verliezen wat niet op papier staat. Wanneer die wisselbriefjes op naam van de Panamese vennootschap hadden gestaan, had ik pas echt een probleem gehad. Nu heeft de HM Inland Revenue een probleem, en dat is dat geld uit mijn zak halen net zo onmogelijk is als het trekken van eendentanden. Het zal echter eerst nog een beetje vervelender voor me worden.

Een paar maanden later krijg ik een uitnodiging om op het belastingkantoor in Perth te komen, alwaar de hoogte van de aanslag vastgesteld zal gaan worden. ‘Zij gaan mij dus op die wisselbriefjes pakken’, vermoed ik. Ik neem Liz mee naar Perth en stel haar voor aan de nieuwe inspecteur, mister Duguid.
“Dit is mijn partner Liz, ik heb haar meegenomen omdat ik geen vloeiend Engels spreek. Af en toe begrijp ik het Schotse accent niet.” Ik had Liz meegenomen als getuige. Zo dit niet geaccepteerd zou worden, had ik het recht om een tolk te verlangen.

That is quite okay, mister Ter Haak”, zegt de nieuwe inspecteur. Ik moet u de groeten van Robin Hall, die zijn taak aan mij heeft overgedragen, omdat u volgens zijn zeggen beter op de hoogte bent van het Britse belastingrecht dan hijzelf. Hoewel dat een leuk compliment is, laat ik me niet in slaap sussen en retourneer het compliment: “Dus u, mister Duguid, bent meer op de hoogte dan mister  Hall?”
“Dat zal spoedig blijken, mister Ter Haak. Misschien bent u ook wel beter dan ik.”
“Dat zal wel niet”, zeg ik bescheiden.

“De zaak is eenvoudig”, zegt hij. “U hebt al uw belastingzaken keurig voor elkaar, dus over uw inkomen en benefits in kind bent u de fiscus dus niets verschuldigd.” ‘Nu komt de klap’, dacht ik, niet bijzonder op mijn gemak.
“Echter, tenzij u aan kunt tonen dat er belasting is betaald over de honderdduizend gulden die u het land heeft ingebracht - en waarvan wij de wisselbriefjes hebben - zult u worden aangeslagen om over dat bedrag de belasting te betalen. Hebt u nog meer van die briefjes?” Ik antwoord: “Ik dacht eerst van wel, maar nu herinner ik het me niet. Gek hè?”

De inspecteur glimlacht voor het eerst. “Nee, dat is niet zo gek. Ik verwachtte dit eigenlijk al.” Hij pakt een document, leest het even door en zegt dan: “De belasting bedraagt achtduizend pond sterling (vijfendertigduizend gulden). Hoe denkt u dat te gaan voldoen?”

“Ik betaal in drieën mister Duguid, dat wil zeggen ik betaal nu niet, ik betaal later niet en ik betaal eigenlijk helemaal niet.”
De inspecteur vertrekt geen spier, en zegt: “Het feit dat u mij dit zo kalm en zelfverzekerd meedeelt, zegt me dat er mogelijk iets is waarvan u denkt dat ik dat over het hoofd zou hebben gezien. Heb ik het juist?”

“Ik had het zelf niet beter kunnen formuleren, mister  Duguid. Wanneer u de data van de briefjes bekijkt, zult u zien dat die beginnen in 1983 en doorlopen tot 1986. Voor ieder jaar heb ik dus recht op aftrek van het bedrag dat belastingvrij verdiend mag worden.”

Mister Duguid valt me in de reden: “Dat is volkomen juist, mijnheer Ter Haak, maar u kunt dat belastingvrije bedrag niet twee keer per jaar aftrekken. U verdient bij de buitenlandse vennootschap al minder dan het belastingvrije bedrag en daarover wordt dan ook geen belasting geheven. Dát is de belastingaftrek, en u kunt niet een tweede keer hetzelfde belastingvrije bedrag aftrekken. U zult dit met uw kennis van zaken kunnen begrijpen en billijken?,” vraagt de man vriendelijk.

Ik pretendeer diep na te denken en vraag: “Dus omdat ik in dienst ben van een buitenlandse maatschappij en mijn kleine inkomen in het buitenland aan mij betaald wordt, heb ik evengoed toch de belastingvrije inkomensaftrek mogen genieten.”

“Dat is juist, voor ons is iedereen gelijk. Ook u hebt dus die aftrek genoten”, zegt Duguid verveeld met zijn kleine victorie in zicht.

“Maar mijn inkomsten komen voort uit een buitenlandse arbeidsovereenkomst waarvan de gelden in het buitenland werden uitbetaald, nietwaar?”
“Jawel”, zegt Duguid, op zijn horloge kijkend.
“Ik ben het artikelnummer even kwijt, mister Duguid, maar het lijkt me dat ik mezelf dan kwalificeer voor aftrek onder de FED”, leg ik bescheiden uit.
“Wat is de FED als ik vragen mag?” vraagt Duguid verstoord.
“De Foreign Emoluments Deduction, ik heb de jurisprudentie al opgezocht in Tolley’s Taxcases.”

Duguid draait zijn stoel flitsend snel om en grijpt het grootste belastingboek dat hij kan vinden uit de boekenkast achter hem. Het blijft tien minuten stil, terwijl Duguid eerst naarstig zoekt en daarna vlug een rekensom op papier maakt.

“U hebt in Groot-Brittannië als buitenlands werknemer met een buitenlands arbeidscontract recht op extra aftrek van loonbelasting, beginnend bij 75 procent voor het eerste jaar, 50 procent voor het tweede en 40 voor het derde. In het vierde jaar loopt deze regeling af. Jeetje, u bent dan ook net op tijd hè?” vraagt Duguid sarcastisch.

“Ja, ik vond ook al dat dit een gelukkige omstandigheid was.”
“Ik had nimmer van de FED gehoord”, zegt Duguid gelaten.
“Ik ook eigenlijk niet, maar het is verbazingwekkend wat een mens kan leren uit die belastingboeken.”
“Volgens mijn berekening bent u HM Inland Revenue dan nog tweeduizend pond sterling (bijna tienduizend gulden) schuldig”, concludeert hij.
“Ja, dat heb ik zelf ook al uitgerekend. In mijn berekening was het zelfs nog honderd pond meer”, zeg ik royaal.

Ik kom met de inspecteur overeen dat ik onmiddellijk een cheque voor dat bedrag uitschrijf, en dat mijn belastingzaken dan geregeld zijn.
“Mijn complimenten, mister  Ter Haak, u hebt dit netjes voorbereid”, zegt Duguid, terwijl hij me een kwitantie overhandigt. Iets aan het woord ‘voorbereid’ zorgt ervoor dat ik mij niet helemaal happy voel.
“Mag ik u om een gunst verzoeken, mister Duguid?”
“Als dat mogelijk is.”

“Ik heb nu wel belasting betaald, maar ik zou graag willen zien of ik een gedeelte terug kan vorderen. Het is namelijk zo dat ik meer dan een jaarlang het loon van mijn tuinman uit eigen zak heb betaald. Ik heb hier een controverse over met de vennootschap. Die vinden het bedrag te hoog en willen er hooguit de helft van terugbetalen. Ik hoop een kansje te maken op een kleine teruggave.”
“Om hoeveel geld gaat het, als ik vragen mag?”
“Veertigduizend pond sterling, achthonderd pond in de week.”
“Dat is veel geld voor een tuinman”, merkt Duguid op.
“Ja, maar hij kookte ook en hield het huis schoon. Hij werkte wel achttien uur per dag en de tuin is prachtig.”
“Ja, dat heb ik van Robin Hall gehoord. Wie is die tuinman?”
Ik wacht even voor ik antwoord. “Hij krijgt er toch geen problemen mee? Hij vertelde me dat hij een zelfstandige was en zo dus zijn eigen belasting betaalde…”
“Nee, nee, absoluut niet”, liegt mister Duguid.
“Zijn naam is Paul Black en hij woont op Bute Drive 133 in Perth.”

“Ik vertrouw hem niet”, zegt Liz wanneer we weer buiten staan.
“Gek dat je dat zegt, ik vertrouw hem ook niet. Voor het moment lijkt alles opgelost, en als tienduizend gulden de totale schade is, heb ik niets te klagen.”
“Hij was ziek van die FED; dat jij iets wist wat hij niet wist.”
“Wel, nu weet hij het ook dan.”

Ik wil er niet meer aan denken en feest gaan vieren, net als Paul Black binnenkort zal kunnen doen. Veertigduizend pond laat de fiscus niet zomaar gaan.

Er verlopen een paar weken en je hebt net Mick van het vliegveld gehaald als Liz je bij je thuiskomst een brief overhandigt. Officiële brief, slecht nieuws. Terwijl de vrouwen in de keuken gaan zitten praten, open jij met bezwaard hart de enveloppe.

Het is een officieel schrijven van de Enquiry Branch (Afdeling Onderzoek) van HM Inland Revenue, Lauriston Place, Edinburgh. Dit betekent zoveel als de FIOD op steroïden.

‘Dear Sir,

Wij delen u mede dat er in verband met uw belastingzaken ernstige verdenkingen tegen u zijn gerezen. Vanaf het moment van ondertekening van deze brief staat u onder verdenking van dit bureau. U wordt aangeraden het land niet te verlaten.

Getekend,

D. Williamsson
HM Inspector of Taxes’

‘Nou, is dat goed nieuws of is dat goed nieuws? Geen paniek, laten wij eerst die inspecteur maar eens bellen, misschien dat we iets wijzer kunnen worden,’ denk ik en zet de bandrecorder aan.

“Inpector Williamson…”
“Goedemiddag, mister Williamson, u spreekt met Jan ter Haak. Ik heb net uw brief ontvangen en ik moet zeggen dat de inhoud mij een beetje bevreemdt. Kunt u mij misschien meedelen waar het over gaat? Ik heb net mijn belastingzaken geregeld met Inspector Duguid in Perth en verkeerde in de veronderstelling dat alles nu in orde is.”

“Wij hebben uw zaak doorgekregen van mister Duguid, en dit is Edinburgh. Wij hebben van Perth vernomen dat u nogal veel van het Britse belastingsysteem afweet. Beide inspecteurs, mister Hall en mister Duguid, zijn van mening dat we hier in Edinburgh beter uitgerust zijn om uw belastingzaken te inspecteren.”

“Hoe kan ik dan een bewijs hebben dat mijn belastingzaken geregeld zijn?” vraag ik, waarop ik te horen krijg: “U hebt betaald voor het bedrag waarvoor u aangeslagen bent, niet voor het werkelijke bedrag dat u schuldig zou zijn. Naar onze schatting heeft u voor twee miljoen gulden aan cash het land ingebracht. Tenzij u ons bewijst dat dit geld kapitaal was, beschouwen wij het als inkomen. U bent daar belasting plus een boete over verschuldigd. In simpel Engels, mister  Ter Haak: we want a piece of the pie.”

“Nou, dan zult u naar een banketbakker moeten, mijnheer, want ik bak geen taarten. Ik bezit geen gulden, dus begint u maar rustig met uw onderzoek. Zelfs wanneer de HM Inland Revenue in het gelijk zou worden gesteld, kan ik niets betalen.”
Het antwoord luidde: “Dat is dan spijtig voor u, want wegens belastingfraude kunt u wel tot een gevangenisstraf veroordeeld worden.”

Ik krijg het er benauwd van, maar geef nog niet op: “Bij belastingfraude rust de bewijslast op de HM Inland Revenue, met andere woorden: u zult moeten aantonen dat ik gefraudeerd heb, en dat kan zelfs een eenvoudige inspecteur uit Edinburgh niet hard maken, om de nog eenvoudiger reden dat er geen sprake is geweest van fraude. Dat weet u net zo goed als ik. Ik ben geen domme Schot die in paniek zijn knip pakt wanneer er een ambtenaartje voor zijn deur staat.”
“Wij hebben klanten gehad die slimmer waren dan u, mister   Ter Haak”, probeerde de Special Inspector te imponeren.
“Dan zult u bijzonder weinig gevangen hebben, inspecteur. Ik zal u vertellen wat u van mij gaat vangen.” Ik zwijg even.

“Ik hoor niets”, zegt mister Williamson.
“Precies: niets. Begint u er maar aan, ik beloof u een interessante zaak”, bluf ik en hang op.

“Ik wilde maar dat ik je nooit dat ultimatum had gegeven, Jan”, zegt Mick die avond wanneer Liz naar huis is. “We wilden rustig en netjes gaan leven en nu hebben we meer problemen dan ooit tevoren.”

“Doe niet zo maf, Mick, ik ben blij dat je dat ultimatum hebt gesteld. Ik heb het naar mijn zin hier, ik leer iedere dag en laat me echt niet in de luren leggen door een paar ambtenaren.”

Mick zegt sceptisch: “Die Enquiry Branch is echt niet hetzelfde als ‘een paar ambtenaren’, Jan.”
“Je hebt misschien gelijk, maar dit is Holland niet. Ik red het wel, geloof me. En als het toch fout mocht gaan, verkopen we het huis en gaan we ergens anders heen.”

Mick zegt gelaten: “Voor mij is de aardigheid er al af, Jan. Wat mij betreft, kun je het huis nu al verkopen. We worden wel gelukkig ergens anders.”

Ik had naar haar hebben moeten luisteren. De belastingkwestie zal namelijk niet het probleem voor Mick blijken te zijn. Ze heeft een andere en betere reden om uit Schotland te willen vertrekken, maar ze wil dat ik die zelf ontdek. Ik heb in mijn leven twee grote fouten gemaakt die me werkelijk spijten, en deze eerste zou ik tot op de dag van vandaag betreuren.

Voorlopig zal de belastingzaak mijn dagelijks leven gaan beheersen. Het eerste wat me te doen staat, is het huis veiligstellen. Tot het moment dat er formeel een belastingschuld is vastgesteld is dat geen probleem, en dat zal nog wel een paar maanden gaan duren. Toch begin ik alvast maatregelen te nemen. In Nederland zou er gewoon beslag gelegd zijn en de inspecteur zou tegen me gezegd hebben: “Nou, laat dat meneertje uit Panama dan maar even hier komen.” Mijn constructie is veilig genoeg voor normale omstandigheden, maar in het vizier moeten verschijnen van de Schotse Enquiry Branch is nauwelijks normaal te noemen.

Het eerste wat ik doe is met een vals paspoort het land verlaten. Het lijkt me sterk dat ze me bij de immigratie kunnen tegenhouden, maar voorzichtigheid is mijn tweede naam en voorbereid zijn mijn derde. Vanuit Nederland schrijf ik de inspecteur dat het me spijt dat ik hem voorlopig niet kan bezoeken. Voor het geval er haast bij is, kan hij me op een adres in Nederland schrijven en me laten weten wat hij behoeft.

Via mijn oude kennissen kom ik in aanraking met een muziekpromotor, Willem Boshek, die al net zo min van belasting betalen houdt als ik. Hij staat ingeschreven in Andorra, waar hij inderdaad een appartement bezit. Willem is genegen om mijn huis op papier van me te kopen en op mijn instructies weer door te verkopen. Hij neemt genoegen met vijftigduizend gulden. Ik bel mijn advocaat in Schotland en geef hem opdracht het huis te transporteren. Dit gaat verscheidene maanden in beslag nemen, temeer omdat Willem zijn handtekening moet komen zetten bij de Schotse advocaat die hem gaat vertegenwoordigen.

Als dat is gebeurd, reis ik met mijn valse paspoort weer naar Schotland terug. Vanuit Nederland ontvang ik het antwoord van de inspecteur. Deze blijkt zeer verrast te zijn; hij heeft niet verwacht dat ik zou vertrekken. Ik schrijf hem een brief terug waarin ik hem voor gek zet. Tevens maak ik melding van het feit, dat toen de Schotten eeuwen geleden eens moesten vluchten voor de Engelse bezetters, deze gastvrij in het Hollandse Den Briel waren ontvangen. ‘Is dit de Schotse manier om de genoten gastvrijheid te reciproceren?’ schrijf ik hem.

Ik citeer uit een eeuwenoud gedicht van de vereerde Schotse dichter Rabbie (Robert) Burns, die nog ieder jaar op vijfentwintig januari in Schotland wordt herdacht. In het betreffende gedicht toont Burns zich niet erg complimenteus ten aanzien van belastinginners. Mijn brief bereikt de inspecteur via een vriend in Canada. Op ieder schrijven dat ik daarna van hem ontvang, laat ik een antwoord volgen dat hem telkens uit een ander land bereikt. Ik moet tijd winnen. Zoals ik later zal vernemen, wordt de inspecteur in deze periode stapelgek van me.

Ondertussen zit ik doodleuk in mijn huis aan Loch Tay mijn belastingzaak voor te bereiden. Ik heb CCTV camera’s bij het hek, de oprijlaan en om het huis laten installeren. Infrarode sensors leggen een detectiegordijn om het huis. Ieder bezoeker, al komt deze lopend van de heuveltop of als duiker uit het meer, wordt waargenomen. Liz neemt consequent de telefoon op en scheept bellers en bezoekers af met de melding dat mijnheer Ter Haak momenteel in het buitenland verblijft. Ik weet nu waar de HM Inland Revenue me op wil pakken. Door mijn dossier te lichten, kunnen ze namelijk zonder al teveel fantasie begrijpen dat over de naar Groot-Brittannië gebrachte gelden nooit belasting is betaald in Nederland. Het was daarmee geen kapitaal, maar onbelast inkomen. Nu heb ik liever met de Britse dan de Nederlandse Belastingsdienst te maken, want hier gaat alles hoe dan ook toch wat gemoedelijker. Ik richt me dus op deze tak van kapitaal of geen kapitaal in de Britse belastingjurisprudentie en kom met heel aardige resultaten uit de bus. Ik maak een ringgebonden verslag van IDIAM Iternational Taxcases met behulp van Aldus Pagemaker. Het ziet er goed en professioneel uit, maar is nog bij lange na niet klaar, want het is lastige materie en de zaak muteert voortdurend. Alle gesprekken met de inspecteur van de Enquiry Branch neem ik op de band op en werk die uit in het IDIAM rapport.

Een paar maanden later kan het huis op papier aan Willem Boshek worden verkocht. Totdat alle formaliteiten afgehandeld zijn, is hij een paar dagen bij me te gast. Net als ik houdt Boshek van een whisky, maar hij kan slecht tegen alcohol en wordt vervelend. Een hand op Liz haar kont en even wrijven, dubbelzinnige opmerkingen maken en twee ogen die er zowat uit rollen. Normaal zou ik hem mijn huis uittrappen, maar dat is nu lastig, want het is zijn huis. Mijn waardering voor zijn gedrag zal dus bij de eindafrekening worden gepresenteerd. Op een gegeven moment zegt hij met een dubbele tong: “Toch wel mooi hè, Jan, dat we elkaar zo vertrouwen? Ik bedoel, stel dat ik je je huis niet meer terug zou geven, dat is toch een risico, hè?”

Ik antwoord: “Ik neem liever het risico met jou dan met de belasting, Willem.”
Ondanks zijn dronkenschap wil hij het naadje van de kous weten.
“Wat is het verschil, je zou in beide gevallen het huis kwijt zijn, nietwaar?”
Ik geef kalm toe: “Absoluut Willem, maar er is een belangrijk verschil. De HM Inland Revenu is niet getrouwd en heeft geen twee dochters. Verder kan ik bij de HM Inland Revenu geen twee Joegoslaven met machinepistolen naar binnen sturen. Bij jou ligt dat iets makkelijker, nietwaar?”

Dat is de eerste keer in mijn leven dat ik iemand op slag nuchter zie worden. Willem heeft het goed begrepen, hoezeer hij van tevoren al door mijn kennissen gewaarschuwd was om geen kneifertjes (streken) met me uit te halen. ‘Willem wil het gewoon even zeker weten’, denk ik. ‘En Willem zal er nog wel achter komen, want ik houd niet van hypothetische bedreigingen, en nog minder dat ze mijn partner aan haar kont zitten.’
Het huis is hiermee in alle opzichten veiliggesteld. Ik kan nu dus de inspecteur opbellen om een afspraak te maken.

Een week later bevind ik me in een supergroot kantoor van mister D. Williamson, Inspector of Taxes.

“Eindelijk ontmoeten we elkaar dan, mister Ter Haak”, zegt de inspecteur niet onvriendelijk.
“Het genoegen is geheel aan uw kant”, antwoord ik.

De Inspecteur glimlacht en zegt: “Ik heb uit uw brieven al begrepen dat u geen hoge dunk van me heeft. Toch moet ik u meedelen dat ik slechts mijn werk doe.”
“Nee, u doet geen werk. U probeert mensen te intimideren en bang te maken, zodat zij hun knip trekken en ophoesten. Dat noem ik geen werk, maar harassment (kwellen, teisteren), met uw welnemen. Maar wat kunt u voor me betekenen?”

De inspecteur schuift mij een ambtshalve aanslag van tweehonderdduizend pond sterling (negenhonderdduizend gulden) onder mijn neus.
“Dit is uw verschuldigde belastingsom, mister Ter Haak.”

Ik keur de aanslag geen blik waardig en zeg: “Laten wij de zaak maar voorleggen aan de Special Commissioners van de HM Inland Revenue, mister Williamson. Ik heb de zaak laten voorbereiden door internationale belastingexperts en ik beloof u een interessante zaak.”

Ik leg het IDIAM rapport op tafel, dat niet alleen qua dikte respect afdwingt, maar ook schittert door een professionele opmaak en illustratiemateriaal. In Schotland werkt nog geen enkele accountant met de middelen die ik heb gebruikt.

Als mister Williamson het rapport wil oppakken, trek het snel weg. “Mag ik dat rapport even inzien?” vraagt hij.
“Jazeker wel, maar pas na de uitspraak. Ik vermoed dat u tegen die tijd een goed begrip van de inhoud zult hebben. Misschien dat u naar Perth wordt overgeplaatst.”

De inspecteur zegt: “Ik moet toegeven dat we nog weinig indruk op je hebben kunnen maken. Mag ik vragen hoe het komt dat je zo zelfverzekerd bent?”

Ik kijk hem met een van mijn betere pokergezichten aan en zeg: “Ik kan niet verliezen. Mister Hall was niet dom, maar hij haalde bakzeil. Mister Duguid was veel meer terzake kundig, en ik bracht zijn goed voorbereide aanslag terug naar vijfentwintig procent. En u, mister Williamson, bent zonder meer zeer capabel, maar u werkt aan een zaak die u niet winnen kunt. Laten we van de hypothese uitgaan dat de Special Commissioners tegen mij zouden bevinden, bijvoorbeeld omdat ik een buitenlander ben en een snor heb. Waar gaat u uw geld dan halen? Een jaar werk voor niets, noempa. Wat zal de Director of Taxes dan tegen u zeggen? Well done, Danny, excellent job lad? Laten we daarom maar van het waarschijnlijkste scenario uitgaan, namelijk dat waarin ik de zaak win. Die wordt dan in de jurisprudentie opgenomen, ik eis schadevergoeding en ik laat mijn bevindingen in alle Schotse toeristenbladen publiceren. U staat aan een dood paard te trekken. Ziet u mijn punt?”

De inspecteur kijkt me aan alsof hij mijn gedachten wil lezen. Het is een harde pleurislijer. Ik ontwijk zijn blik niet en glimlach hem bescheiden toe.

“Een quid pro quo, kan dat een oplossing zijn, mister Ter Haak? Zoals u zeer juist heeft opgemerkt, ik heb al een halfjaar van mijn tijd aan u verknoeid en ik kom niet verder. Ik stel u een afkoopsom voor, u betaalt en u hebt geen last meer van ons.”
Ik merkte fijntjes op: “Dat zei Inspector Duguid ook al.”
“Wij hebben de macht, want wij hebben het laatste woord”, antwoordt de inspecteur.
“Daar is mij anders nog weinig van gebleken.”
“Ik stel u een afkoopsom van zestigduizend pond sterling voor.”
“U bent bereid mij honderd veertigduizend pond (ongeveer zeshonderd vijftigduizend gulden) kwijt te schelden?” vraag ik verwonderd.
“Dat klopt”, zegt hij.
De taperecorder draaide onhoorbaar in mijn zak.

“Het lijkt me dat u dan niet zo’n sterke zaak heeft als u doet voorkomen.”
“Zoals gezegd, wij willen ervan af, maar niet voor niets.”
“Het begint aardig op ‘duress’ (dwang) te lijken, mister Williamson”, zeg ik.
“Take it or leave it”, antwoordt de inspecteur.

Ik pretendeer heel zwaar na te denken. Ik heb hem nu waar ik hem hebben wil, en mogelijk denkt hij hetzelfde van mij.

“Ik betaal die zestigduizend pond, dan ben ik van het gezeik af. Dan kan ik eindelijk met Liz trouwen en doorgaan met de rest van mijn leven. Hoe snel moet ik dat betalen?”

De inspecteur die denkt dat hij het pleit gewonnen heeft, wordt nu grootmoedig.
“Hoe lang heb je nodig, Jan?”
Opeens ben ik nu ‘Jan’ geworden.

“Dat is moeilijk te zeggen, inspecteur. Ik moet ervoor naar Holland, want ik heb dat geld niet hier, maar momenteel ook nog niet in Holland. Ik moet iets verzinnen om het snel te verdienen. Het enige wat snel gaat, is een drugsdeal.”

De inspecteur zegt: “Hoe u het verdient interesseert mij niet, dat is uw zaak. U betaalt zestigduizend pond en u hebt van ons geen last meer.”
“Nou, dan hoop ik dat de Customs & Excise (Douane en Accijnzen) niets vindt wanneer ik die drugs overbreng.”

“Dat is uw zorg”, registreert de taperecorder.

De inspecteur wil dat ik meteen een contract teken. Ik zeg hem dat ik daar niets voor voel omdat ik eerst met mijn aanstaande vrouw wil praten.
“Maar we hebben toch een overeenkomst?” stelt hij ietwat onzeker.
“Absoluut, wij hebben hier zojuist een overeenkomst ontworpen.”

We schudden elkaar de hand en ik laat een opgeluchte Williamson in zijn kantoor achter. Zo opgelucht als ik kan hij echter onmogelijk zijn.

Ik moet dus naar Nederland, al is het dan niet om de reden die de inspecteur graag zou zien. Ik moet een ticket hebben dat kort na het onderhoud met de inspecteur geboekt is, zodat het inderdaad lijkt dat ik naar Nederland ben gegaan om een misdaad voor de inspecteur te plegen. Een oplettende lezer zal hier al een aardig vermoeden krijgen van hoe ik de kerstboom wil gaan versieren.

De reden waarom ik werkelijk naar Nederland vertrek, is een bezoek aan Mick. Ze heeft me bij eerdere gelegenheden al laten weten dat ik het huis wat haar betreft wel mag verkopen. Ik vermoed dat ze van de belastingellende afwil, maar daarin vergis ik me. Ik ben zo in de belastingaffaire verdiept, dat ik niet verder over haar motieven na heb gedacht. In Nederland komt het hoge woord er echter uit: “Jan, we hebben een droomhuis gekocht, maar we hebben er nooit kunnen wonen. Kunnen wonen in de zin van samenwonen, zonder Liz. Ik ben niet jaloers, dat weet je, maar die affaire loopt nu al meer dan twee jaar, en een ander zit met haar kut op de spullen waar ik voor gewerkt heb. Zo, nu weet je het.”

Ik protesteer: “Mick, het is een tijdelijke oplossing. Zodra jij voorgoed naar Schotland komt, keert Liz weer terug naar waar ze vandaan is gekomen. Het is voor mij makkelijk voor de huishouding, het koken en andere dingen.”

Mick repliceert: “Ja, voor andere dingen ja, zoals het nest. Denk je dat ik trek heb om in een bed te liggen waarin je die Schotse slobber uit hebt liggen wonen? Ik ga niet in Schotland wonen, dus verkoop dat huis maar.”

“Ik verkoop helemaal niets Mick, het heeft me moeite en geld genoeg gekost om het te krijgen, en ik ga het niet verkopen omdat jij een aanval van jaloezie hebt”, reageer ik getergd.

“Dus je wilt het huis niet voor mij, voor ons verkopen?” vraagt ze.

“Ik heb het voor ons gekocht. Dat belastingprobleem los ik op. Het huis is trouwens al verkocht en dat weet je.”

“Dat is gelul, natuurlijk, want je wilt er blijven wonen. Daar ging het je juist om. Nou, ík wil er dus niet wonen, Jan. Ik houd van je, ik houd veel van je en ik wil overal met je wonen, maar dat wil jij blijkbaar niet. Ik voel dat je niet meer van mij houdt, ik voel het gewoon, Jan. Vergis ik me?”

Ik voel me onder druk gezet. Ik leef nu al maanden onder die belastingdruk, en al ben ik dan voldoende zeker van mijn zaak, ik moet constant opletten dat ik geen fouten maak. Daarnaast vind ik dat Mick zich druk maakt over iets dat vanzelf zal aflopen. Als ze van me houdt, zal ze mij die ruimte en tijd wel kunnen geven. Ik begrijp haar niet. Wij zijn al acht jaar bij elkaar en ze heeft me nog nooit onder druk gezet. Houd ik van haar? Absoluut, veel zelfs, maar ik kan het haar niet zeggen. Behalve die ene keer na die kwestie met Dolf heb ik het haar nooit meer gezegd. Ik kon het gewoon niet. Misschien omdat ik bang ben dat ik mezelf kwetsbaar maak, ik weet het niet.

Nu vraagt ze het me op de man af, en ik kan geen ‘ja’ zeggen. Ik voel me ten onrechte onder druk gezet en heb nu helemaal geen zin in zo’n bekentenis. Ik houd van haar, maar ik vind dat ze meer consideratie met me moet hebben.

“Goed, dat is het dan, Jan. Je houdt niet meer van me, anders had je wel ‘ja’ gezegd.”

Ik wil het wel uitschreeuwen: “Mick, je bent de enige van wie ik ooit echt gehouden heb…!” Maar mijn keel zit dichtgesnoerd. Ik wil haar in mijn armen nemen en haar liefkozen, haar vasthouden en nooit meer laten gaan. Ze is het dierbaarste wat ik bezit, het dierbaarste op één ding na: mijn trots. Mijn verrotte trots, waar ik geen weerstand aan kan bieden, mijn trots die me tot een waardige vriend van velen maakt, maar me verbiedt ‘Ik houd van je’ te zeggen tegen de persoon die me het liefste op deze wereld is. Ik vecht tegen mijn verdomde trots en ik verlies, ik verlies gruwelijk. Mick, mijn lieve Mick, waarom kan ik je niet zeggen wat ik voel?

“Okay, Jan. Omdat je niks zegt, kan ik niet anders concluderen dan dat je liefde voor mij over is. Dat betekent voor mij… Ik wil mijn eigen leven gaan leiden, Jan, want ik kan niet met iemand leven die van iemand anders houdt. Ik hoop dat je me begrijpt. Ik voel me teveel. Ik blijf bij je en zal voor je werken tot alle kosten die we gemaakt hebben, voldaan zijn. Daarna ga ik weg bij je, Jan”, zegt Mick, uit alle macht haar tranen bedwingend.

Dat is het dus, denk ik: Mick wil bij me weg. Ik zwijg, kijk haar aan voel een kramp om mijn hart. De liefste, meest geliefde die ik ooit heb bezeten, wil bij me weg omdat ze denkt dat ik niet meer van haar houd, en ik ben niet bij machte om te zeggen dat ze zich vergist.

Mijn probleem is, dat ik nimmer iets heb kunnen doen of laten dat me onder dwang is opgelegd. In dit geval zou ik van Mick het huis moeten verkopen. Het huis mocht van mij afbranden, maar het feit dat iemand om wie ik geef, en die om mij geeft, mij wil verplichten iets te doen wat ik niet wil, kan ik niet bevatten. Althans, toen niet.

Ik zeg: “Mick, je wilt mij verplichten iets te doen wat ik niet wil – het huis verkopen - omdat je jaloers bent. Je zegt dat ik niet van je houd en je zegt dat je je eigen leven wilt gaan leiden. Die dag zou vroeg of laat dan toch wel gekomen zijn, denk ik, dus je moet maar doen wat je denkt dat goed voor je is. Ik kan je niet zeggen wat je wel of niet moet doen, dus hier scheiden onze wegen dan.”

De tranen lopen over Mick’s wangen als ze zegt: “Het feit dat je het zo opneemt, zegt me dat ik gelijk heb...”

“Dat is jouw conclusie, Mick, niet de mijne. Ik heb genoeg aan mijn hoofd met die belasting. Dat is niet jouw schuld, maar het moge de stress aangeven waar ik de laatste maanden mee leef.”

“Ik leef al een paar jaar met stress, Jan, en je hebt mij er nooit over gehoord.”
Ze heeft volkomen gelijk, en ik voel me net zo minderwaardig als dat op dit moment ben.

Het was zo tegenstrijdig, en de oplossing was zo gemakkelijk geweest. Zoveel leed zou ons bespaard zijn gebleven, zoveel liefde zou bewaard gebleven zijn, maar Jan ter Haak, Prins der Principes, moest zonodig voet bij stuk houden. Hij maakt het onmogelijke mogelijk, maar maakt het vooral ook moeilijk als het makkelijk kan. Ik hield van Mick en ik houd nu, twintig jaar later, nog altijd van haar, maar mijn eigen achterlijke koppigheid heeft ons van elkaar gescheiden. Mick, mijn lieve, mooie, eeuwig optimistische Mick, wat heb ik ons aangedaan? Wat heb ik jou aangedaan? O fuck, wat haatte ik mijn trots en wat haat ik mezelf.

Ik vertrok naar Schotland en zag Mick niet meer terug. Iedere dag stierf er een beetje meer in mij. Ik heb het haar nooit verweten, want uiteindelijk had ze volkomen gelijk. Ik ben jaren bezig geweest om haar haar gedeelte van het kapitaal te geven. Die ene en laatste keer dat ik haar zag, zag ik dezelfde Mick die ik die eerste keer met Dolf ontmoette. Net zo losgeslagen, maar met één verschil: ze hing nu aan een jong Italiaantje die haar finaal naar de klote zou helpen. Zo zag ik dat toen, en zo is het ook gebeurd.

Terug in Schotland keer ik steeds meer in mezelf en zonder me steeds verder van de mensen af. Ik ben kwaad op mezelf en ik kan maar moeilijk met mijn schuld leven. De ironie is dat Mick mij uit het leven heeft gehaald, en ik haar vervolgens uit mijn leven. Vechtend tegen mijn verbittering begin ik de expertise die ik in mijn criminele verleden op heb gedaan te combineren met legale studies die ik in Schotland volg. Hieruit komt algauw een houding voort die zowel uiterst zelfverzekerd als rancuneus is. Wetenschap gecombineerd met criminele expertise zorgt ervoor dat ik de volgende twintig jaar geen strijd of controverse zal verliezen. Ik blijf binnen de grenzen van de wet, maar laat mijn opponent de wet zelf overtreden. Het resultaat van mijn strategieën is voorspelbaar, althans voor mij: winnen. Klinkt cryptisch of moeilijk te geloven? De lezers onder u die ooit informatica hebben gestudeerd, weten hoe ze flow-charts voor computerprogramma’s moeten maken. Ik programmeerde uit mijn hoofd en maakte nimmer flow-charts. Ik paste logica toe op een need-to-use basis. Mijn vermogen om logisch te kunnen denken, gecombineerd met criminele modules, maken mijn mentale programma’s nagenoeg onfeilbaar. Vaak wens ik echter dat ik dergelijke logica had kunnen toepassen tijdens mijn laatste gesprek met Mick.

Zou ik met inspecteur D. Williamson van de Enquiry Branch normaal nog wat consideratie hebben gehad, ik verbind hem nu onwillekeurig aan het verlies van Mick. Als hij me niet lastig had gevallen voor een stuk van de taart, dan had ik mijn verstand beter voor iets anders kunnen gebruiken, en was Mick nog steeds bij me geweest.’

Een kromme redenering, maar voor mij klopt het volkomen. Inspecteur D. Williamson van de Enquiry Branch zal mijn eerste slachtoffer worden, en wat een fucking slachtoffer werd hij.

Nadat ik Liz precies heb uitgelegd wat ze door de telefoon tegen de inspecteur moet zeggen, schakel ik de taperecorder in en draai het nummer. Na een paar klerken langs te hebben horen gaan, wordt Liz met hem doorverbonden:
“Inspector Williamson here.”
“Goedemorgen, u spreekt met Liz S., de verloofde van Jan Ter Haak.”
“O ja, goedemorgen.. Wat kan ik voor u doen, miss S.?”

Liz begint haar ingestudeerde verhaal voor te dragen: “Mister Williamson, ik begrijp dat u een overeenkomst voor zestigduizend pond sterling met mijn verloofde Jan ter Haak heeft gesloten.”
“Dat klopt”, bevestigt de inspecteur. Zijn eerste fout.

“Nu is het zo dat Jan dat bedrag alleen op kan hoesten wanneer hij zich daadwerkelijk met de verkoop van grote partijen drugs inlaat, die hij vervolgens naar Engeland en Schotland brengt; dit omdat de drugs hier meer opbrengen. Mijn probleem is dat ik weinig zin heb om mijn verloofde in een Britse of Nederlandse gevangenis te bezoeken, wanneer er iets misgaat. Ik hoop dat u dit kunt billijken.”

De inspecteur antwoordt: “Miss S., het interesseert mij helemaal niet hoe uw verloofde zijn geld verdient. Het gaat mij slechts om het ontvangen van het overeengekomen bedrag.”

Liz vraagt nu ontdaan: “Dus het maakt u totaal niets uit dat Jan u zestigduizend pond komt betalen, terwijl u weet dat dit geld verdient is met het smokkelen van drugs naar Engeland of Schotland? Het maakt u dan zeker ook niets uit wanneer Jan daardoor in de gevangenis zou belanden?”

“Dat is inderdaad juist, miss S. Ik ben alleen geïnteresseerd in de overeenkomst. Hoe daaraan wordt voldaan, interesseert mij niet”, registreerde de taperecorder. De tweede Fout.

“Wel, dan weet ik wat mij te doen staat, mister Williamson: ik trouw niet met Jan. Ik wil niet met een crimineel leven”, zei Liz woedend.

“Dat zijn mijn zaken niet, miss S. Het spijt me, maar ik heb hier een overeenkomst. Kan ik u verder nog met iets helpen?”

Het gesprek wordt beëindigd. Ik luister de tape af en zeg: “De inspecteur zit in de tobbe, Liz.”
Liz, een eenvoudig meisje uit de Schotse Hooglanden, heeft weinig vertrouwen in mijn intriges, maar is verstandig genoeg om me dat niet te laten merken.

De volgende dag bel ik zelf met de inspecteur van de Enquiry Branch: “Mister Wiliamson, ik heb slecht nieuws voor u. Mijn verloofde Liz heeft me een ultimatum gesteld. Wanneer ik me in de drughandel begeef, verlaat ze mij. Ik ben dus bang dat ik onze afspraak niet na kan komen.”
De inspecteur is niet blij: “We hebben een overeenkomst.”

Ik antwoord: “Een niet-geratificeerde verbale overeenkomst. Waarde: nul.”

De inspecteur zegt: “Ik dacht dat we een ‘gentlemans’s agreement’ hadden?”
“Een gentleman’s agreement kan helaas slechts plaats vinden tussen gentlemen, en ik ben van mening dat een persoon die genegen is om drugsgeld aan te pakken moeilijk een gentleman genoemd kan worden.”
Ik hoor hem bijna slikken voor hij zegt: “U hebt geen bewijzen van het zojuist door u gestelde.”
“Daar hebt u gelijk in”, lieg ik.
“Dan gaat de schuld weer omhoog naar het oorspronkelijke bedrag van aanslag”, dreigt hij.

“Bent u verbaasd te horen dat dit mij volslagen onverschillig laat, mister Williamson? We zien elkaar bij de rechtbank. Goedemiddag”, zeg ik en hang op.

In de maanden die nu volgen, werk ik verder aan het IDIAM rapport en verwerk de laatste ontwikkelingen erin. Het rapport telt nu ruim dertig pagina’s en ziet er, compleet met ringband, zeer professioneel uit. De inhoud is evenwel nog professioneler. Mister Williamson komt in het rapport echter als zeer onprofessioneel naar voren. Ik zie niet in hoe ik dit ooit zou kunnen verliezen zonder dat dit rapport een schandaal veroorzaakt. Kranten zoals The Daily Mail en The Sun zouden het vreten, vooral omdat het geval en de afwerking ervan als uniek zullen worden beschouwd. IDIAM International Taxcases zou wel eens het Waterloo voor Inspector D. Williamson van de Enquiry Branch kunnen worden. Kunnen worden, want noodzakelijk was het niet. Als de inspecteur maar een greintje verstand bezat.

Ik zit te werken als Paul Black, de sneeuwogige ex-tuinman me belt. Hij klinkt erg van streek, en vertelt me dat hij een ambtshalve belastingaanslag heeft ontvagen over een inkomen van veertigduizend pond dat hij bij mij verdiend zou hebben.

“Jan, dat heb ik nooit ontvangen, maar ik moet het nu wel aantonen. Wanneer dat me niet lukt, dan moet ik vijftienduizend pond (ruim zestigduizend gulden) belasting plus een boete betalen.”
Ik vroeg: “Waarom vertel je mij dat, Paul?”

De tipgever hijgt: “Ik dacht dat jij mij misschien een soort van loonstaat kon geven waaruit blijkt dat ik zo’n vierduizend pond heb verdiend, zoals in werkelijkheid.”
“Ja, dat is zo. Je hebt nooit meer dan dat verdiend. Hoe komen ze eigenlijk op zo’n gek bedrag?”
Some cunt heeft verhalen over mij verteld. Ik kan er niet van slapen. Als ik niet dok, verlies ik mijn huis, Jan.”

“Nee Paul, huizen verliezen willen wij niet. Dat is helemaal niet leuk. Je wilt dat ik een valse loonstaat opmaak om je te helpen?”
Paul jankt half: “Maar dat bedrag klopt toch, Jan, dat is toch niet vals?”
“Nee, niet vals, maar de datum klopt niet. De loonstaat wordt teruggedateerd, besef je wel wat je mij vraagt? Je vraagt mij valsheid in geschrifte voor je te plegen”, zeg ik ontdaan.
“Jan, je redt mijn leven. Ik ben voor jou toch ook goed geweest?”

Ik zwicht: “Okay, geef me de bedragen en alle data dan maar.”
Paul begint geestdriftig alle details door te geven, terwijl ik ondertussen rustig met mijn werk doorga. Zodra hij uitgesproken is, beloof ik hem het document gelijk op te stellen en het morgen af te leveren in zijn stamcafé in Perth. Paul bedankt me uitbundig.

De volgende dag lopen Liz en ik het bewuste café binnen  en zien dat Paul al op ons wacht. Wij nemen met Witoogje aan een tafeltje plaats en laten ons op koffie met broodjes trakteren. Wanneer de tafel afgeruimd wordt, vraagt Paul: “Eh, Jan… heb je nog aan het papier gedacht?”

Ik schrik op uit diepe overpeinzingen en zeg: “O, ik ben ook niet goed bij mijn hoofd, Paul! Ja, natuurlijk heb ik dat. Liz, geef mij even die bruine envelop die ik je vanmorgen gegeven heb.”
Liz opent haar tas en wil de envelop pakken. Dat valt echter nog niet mee, want ze had de envelop op de keukentafel laten liggen.

“O, jij stomme kut die je bent!” roep ik uit. “Rijden we tachtig mijl om Paul een loonstaat te brengen, en dan laat jij die thuis liggen...!” Liz speelt het spel mee en kijkt schuldig naar je op. Paul mocht haar van het begin af aan al niet, maar nu begint hij haar te haten.

“Liz, het is jouw stomme schuld, en Paul heeft dat document nodig! Ga naar een boekenwinkel en koop wat velletjes A4 papier. Geen A3 en geen A5, A4! Denk je dat je dat kunt?” Liz staat op en verlaat het café om het gevraagde te gaan halen.

“Domme wijven”, mompel ik.
“Zeg dat wel”, reageert Paul.

Liz keert even later terug met wat blanco velletjes A4.

Ik zeg nu: “Paul, ik kan morgen of overmorgen niet naar Perth komen, maar wat we doen is het volgende: ik heb de loonstaat op de computer staan, dus ik kan die zo voor je uitdraaien. Jij tekent nu waar ongeveer jouw handtekening op het origineel komt te staan. Ik onderteken het ook en stuur het morgen per aangetekende post naar je toe.” Ik laat hem geen tijd om te denken en zijn opgeluchtheid en hebberigheid verbieden hem om na te denken. Ik wijs op de rechter onderkant van het A4-tje, en zeg: “Teken hier, Paul.”

Niemand zal toch zo dom zijn om een blanco vel papier te ondertekenen, denk ik nog, maar Paul Black doet het ook maar een moment te aarzelen. Hij is zelfs nog dommer, want hij tekent ook een tweede vel voor het geval het eerste zou blijven steken in de printer.

Dat is een tuinverrader in de teil, denk ik tevreden. Liz zit met haar hoofd in haar handen, want ze heeft opeens ‘hoofdpijn’ gekregen. Ik beloof Paul dat hij de documenten met twee dagen in huis zal hebben en we namen afscheid.

“Mijn god nog aan toe, wat is die man dom”, zegt Liz lachend in de auto.
“Hij had niet veel keus, Liz. Hij kon moeilijk zeggen ‘Ikteken niet, want ik vertrouw het niet. Dan had hij op zeker niets gehad.”
“Nee, maar hij had wel kunnen zeggen: “Stuur die originele maar wanneer je thuis bent, dan teken ik die wel bij ontvangst”, weerlegt Liz logisch.

“Het spel heet ‘overbluffen’, Liz. Het feit dat ik zo tegen jou tekeerging, maakte het in zijn ogen echt. Uiteindelijk haat hij je, dus was hij blij om je in moeilijkheden te zien; zo blij, dat hij de meest elementaire voorzichtigheid vergat.”

Thuisgekomen maak ik een loonstaat voor veertig- in plaats van vierduizend pond, en een verklaring van onkostenvergoeding voor tienduizend pond. De staten zijn al ondertekend door de betrokken Paul Black, dus ik stuur ze met een begeleidend schrijven naar HM Inspector of Taxes in Perth, mister Duguid. Vals? Ja, bijzonder, maar niet valser dan wat Paul met mij heeft geprobeerd. Als het aan hem had gelegen, dan was ik alles al kwijt geweest en ik had de grootste problemen met de Belastingdienst gehad. Die heb ik nu ook, maar die zijn tijdelijk en zullen me niet veel gaan kosten – dit in tegenstelling tot de problemen van Paul Black.

Later verneem ik van HM Inspector mister D. Williamson dat Paul Black een hartaanval gekregen gekregen heeft in het kantoor van mister Duguid, toen deze hem de loonstaten als bewijs tegen hem overlegde. Mijn wraak was opnieuw opgediend als een lekker fris gerecht en smaakte nog zoet ook. Heb ik spijt van mijn daad? You’ve gotta be fucking joking.
Liz begint mij inmiddels ook aardig te kennen.
 
De belastingzaak duurt nu bijna een jaar en in de komende week zal de rechtszaak dienen. Liz heeft al een paar keer haar twijfels uitgesproken, maar die zijn op angst gebaseerd, dus laat ik haar maar praten. Ook ik twijfel af en toe, want het is uiteindelijk geen exacte wetenschap en mijn methodes zullen beslist ietwat onorthodox blijken te zijn. Om de Enquiry Branch geen kans te geven om me voor de rechtzitting gauw nog even op verdenking van fraude te kunnen arresteren – teneinde de Commissie van vooroordelen te voorzien en/of de zaak te traineren – duik ik de laatste twee weken onder in het kasteel van mijn vriend Dik Groot. Ik heb Liz opgedragen om me nooit van huis te bellen, maar altijd vanuit de telefooncel op het dorpsplein. Ik hoor dan ook verkeer op de achtergrond als ik op een dag de telefoon opneem: “Yes, who’s speaking please?”
Ik hoor Liz zeggen: “Jan, ik heb een telefoontje van de inspecteur gehad. Hij wil je graag spreken. Het is belangrijk, zei hij.”

“Werkelijk?” schamper ik, “voor hem of voor mij?”

Ze zegt me dat ze dit niet weet, maar dat ik hem het beste even kan bellen. Ik beloof Liz terug te bellen zodra ik wat weet en hang dan op.

Ik rijd naar een dorp veertig kilometer verderop en bel de inspecteur. Het lijkt wel of hij op mijn telefoontje heeft zitten wachten en komt onmiddellijk terzake: “Mister Ter Haak, ik vraag me af of het misschien nuttig zou kunnen zijn als we elkaar even ontmoeten voordat de zaak ter zitting gaat.”

Ik antwoord: “U vraagt mij dat of stelt u me dat voor?”
“Beide, eigenlijk. Ik dacht dat het misschien nuttig zou zijn om het formaat van de zitting te bespreken. Brengt u jurisprudentie terzake?”
“Is het niet leuker wanneer dat nog even een verrassing blijft, inspecteur?” vraag ik droog.
“Wat denkt u, kunnen wij elkaar ontmoeten om het een en ander door te spreken?” herhaalt hij.
“Dat kan altijd, maar of het zin heeft, is een tweede, natuurlijk.”
“Ik denk dat we wel tot zaken kunnen komen.”
“Dat dacht u de vorige keer ook al. Maar goed, laten we ons even voorstellen dat we elkaar inderdaad ontmoeten. Ik stel de plaats en tijd vast en u komt alleen. Een tweede inspecteur erbij en u zult me niet eens zien.”
“Waarom bent u toch zo wantrouwend, mijnheer Ter Haak?”

“U bent mij te gek op taartjes, vooral die van een ander. Ik ken alle trucs en u kunt niet even gauw twee ambtsedige verklaringen tegen mij in elkaar flansen. U komt alleen, en wanneer u die autoriteit niet bezit, stuurt u dan de directeur maar, want ik beloof u dat het een gekkenhuis wordt, volgende week.”

De inspecteur belooft me de volgende dag om tien uur te ontmoeten op kasteel Ochtertyre van Dik Groot. Hier zitten voor mij verschillende voordelen aan. Het kasteel heeft een vijf kilometer lange oprijlaan, dus ik kan iedere auto aan zien komen. Twee auto’s en ik ben weg. Twee man in één auto en ik ben nog meer weg. Wanneer de auto van de inspecteur geparkeerd zou zijn, gooit Dik de hekken dicht. In dat geval moet de Enquiry Branch de SAS inhuren om het kasteel binnen te komen.

In het kasteel bevinden zich een restaurant en een bar. In de bar zou het gesprek plaatsvinden. Nadat ik Liz op de hoogte van het telefoongesprek had gesteld, rijd ik naar Crieff terug. Hier vertel ik mijn vriend de uitkomst.

“Wat denk je, Jan?” vraagt Dik, die ook maar matig vertrouwen in mijn onderneming had.

“Dik, stel je dit even voor: jij pleegt een diefstal en daar moet je voor terechtstaan. Een week voor de zitting belt de officier van justitie jou op en vraagt je om een gesprek waarin het formaat van de rechtszitting besproken kan worden.”

Dik schiet in de lach en zegt: “Ja, dat is inderdaad belachelijk. Ik hoop dat je het redt, Jan. Ik zal ervoor zorgen dat jullie de bar voor jullie alleen hebben. Mijn god nog aan toe, wat een verhaal. Ben je niet ook een beetje bang?”

“Nooit Dik, never niet. Ik kan niet verliezen, maar wat nog belangrijker is, de Enquiry Branch kan het niet winnen. Die onzin heeft nu een jaar geduurd en in die tijd ben ik mede daardoor Mick kwijtgeraakt. Ik ga morgen van ieder moment genieten, en zal die vent zo door de mangel persen dat de dunne stront zijn broekspijpen uitloopt. Ga maar ergens zitten waar je hem gade kan slaan, want ik beloof je optimum vermaak.”

Ik slaap slecht die nacht, want dit is de culminatie van een steekspel dat een jaar heeft geduurd. Ik psych mijzelf op voor de komende dag. Om negen uur laat ik de gebeurtenissen van het laatste jaar de revue passeren, terwijl ik de frequentie van mijn ademhaling reduceer en intenser maak. Als de inspecteur om tien uur de bar inloopt, ben ik meer dan klaar voor hem.

“Dag mijnheer Williamson, dank u voor uw komst. Wat mag ik u aanbieden?”
De inspecteur besluit tot een pint ale. Ik loop naar de bar en haal de pint en een whisky voor mezelf. Ik heb immers wat te vieren. De inspecteur heeft plaatsgenomen in een diep gecapitonneerde fauteuil en ik laat me zakken in de fauteuil tegenover hem. Nadat we wat beleefdheden hebben uitgewisseld, wordt het doek opgehaald. De inspecteur komt als eerste het toneel op:

“Wij zijn nu een jaar verder, mijnheer Ter Haak, en we zijn nog geen slag opgeschoten met u. De zaak duurt te lang. Wij willen er een eind aan zien.”

 

 

Primecrime
Primecrime
Microsoft
Marktplaats
Relatieplanet
Multicomms
Regenboogbrug
Google
Telegraaf
Informatique
Trouw
Zibb
Bizz
Bol
Amazon
HP
Samsung
Sony Ericsson
GSM Web
Nokia
RTL
Elsevier
Kro
Avro
Vpro
Vara
 
 Een unieke website voor een uniek boek
Klik om iets unieks te zien...
 Een unieke website voor een uniek boek