Homepage...
Zonde van de eerste steen
 
Autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

Blijven zitten met vragen is dikwijls beter dan de zaak af te doen met voorbarige antwoorden.

“Ik ben achter hem aan gereden tot de snelweg en toen ben ik hem gepasseerd.”
“Toen u hem passeerde wat deed u toen?”
“Ik deed niets, ik dacht.”
“Wat dacht u dan, mijnheer Ter Haak?”
“Krijg de tyfus maar, verrotte hork.”
“Wat zeg je, stuk sekreet dat je bent? (Het werkt ook altijd weer)
“U vroeg mij net wat ik dacht. Daar gaf ik antwoord op. U dacht toch niet dat ik het tegen u had?”

Samen met een vuile blik van Visser krijg ik toegevoegd: “Er is op die man of op zijn auto geschoten.”
“Ziet u nou dat iedereen zijn straf krijgt in het leven?”

Van Schoorl stelt briljant vast: “Dat klopt wel, want aangezien die man verklaart dat jij op hem geschoten hebt, zul je gestraft worden. En niet zo’n klein beetje ook.”

“Ik merk dat u zich nu opeens de functie van president van de rechtbank heeft aangemeten. Het komt mij voor dat u niet echt tevreden met uw baan bent.”

Visser waagt een poging: “Heb jij dan niet op die man geschoten?”

“Dan zou ik u dat toch eerlijk vertellen?”
“Dus je ontkent dat je geschoten hebt?”
“Ik beken dat ik niet op mijnheer Misser, noch op zijn auto geschoten heb.”
“Er is anders wel een kogel in zijn wagen aangetroffen.”
“Ik vertelde u al dat er iets niet goed met die kaasboer zat.”
“Het gaat ons erom wie die kogel in de auto geschoten heeft.”
“Dat kan ik me levendig voorstellen.”
“U hebt het dus niet gedaan.”
“Daar heb ik u al op geantwoord.”

“We gaan nog even verder. Wat heeft u vervolgens gedaan, toen u de vrachtauto in kwestie gepasseerd was?”
“Toen ben ik doorgereden.”
“Waar naartoe?”
“Naar Amsterdam.”
“Hoe bent u gereden?”
“Met mijn eigen auto, en nogal hard bovendien, want ik was al te laat voor mijn afspraak.”
“Ik wil weten welke wegen u genomen heeft.”
“De snelweg naar Utrecht en vervolgens de afslag naar Amsterdam.”

“Waar bent u naartoe gereden in Amsterdam?”
“Naar de plaats waar ik een afspraak had met een kennis.”
“En waar was dat, en wie is die kennis?”
“Mag ik die vragen misschien één voor één beantwoorden?”
“Ga je gang.”
“Ten aanzien van de plaats van die afspraak, kan ik u zeggen dat het niet relevant is voor uw onderzoek. En de naam van mijn kennis vertel u ik niet.”

“Wat relevant is, bepalen wij hier wel, en die naam komen we toch wel te weten; dat is eenvoudig een kwestie van tijd.”
“Goed, dan mag ik zeker aannemen dat dit verhoor nu is afgelopen?”

Van Schoorl wordt nu venijnig: “Ook dat maken wij hier uit!”
“Dan zal het vanaf nu een monoloog gaan worden, want ik heb u niets meer te zeggen.”

Nu komt Van Schoorl pas echt goed op gang: “Als er tegen mij een valse en belastende aanklacht ingediend zou worden, dan zou ik dat beslist niet pikken.”
Handig baasje wel, die Van Schoorl, nietwaar? Chaotische wereldgek. Een valse aangifte is altijd belastend.

“Dat kan ik me indenken, meneer. Het is ook wel laag dat iemand zoiets doet. Ik geloof inderdaad dat u dat niet zou pikken.”
“Ik zou het beslist niet nemen.”
“Ja, dat zei u net ook al. Zou u wel een kogel in die man zijn auto schieten?”

Visser zucht: “Wat mijn collega bedoelt, is dat hij middels een volledige verklaring van zich af zou bijten.”

Van Schoorl bevestigt tevreden: “Precies, ik zou het niet nemen.”
Word je niet gestoord van zo'n doordrammer?

“O, bedoelt u dat? Nou, ik neem het ook niet, maar ik kan hier moeilijk op tafel gaan slaan omdat ik kwaad ben. Het laatste woord is hier echter nog niet over gevallen.”

Eindelijk zijn de rechercheurs tevreden. Nu hebben ze iets wat later tegen mij gebruikt zal worden.

“Dus de heer Misser is van u nog niet af?” vraagt Van Schoorl liefjes.
“Vat het maar op zoals u dat graag wilt. Ik zal wel een nadere verklaring bij de rechter-commissaris afleggen, want dit schiet niet op hier.”

“Dus u wilt verder niets verklaren", vraagt Visser.
“Nee, jullie zitten mij voortdurend op te stoken dat ik iets niet moet nemen, en ik krijg het gevoel dat dat niet correct is.”
“Dan zullen we je maar naar je cel terugbrengen, want je zult deze verklaring ook wel niet ondertekenen, hè?”
“Wat had u zelf zo gedacht?”

Ik heb nu schoon genoeg van die twee dilettanten.

Van Schoorl provoceert: “Ik zou maar een beetje rustig aan doen met al je blageur als ik jou was. We hebben ze hier wel slimmer gehad dan jij.”
“Die waren dan zeker ook gauw weer vrij?”
“Wanneer het aan mij ligt, kom je de eerste tien jaar niet meer los. Je denkt zeker dat je heel wat bent hè, met die dikke Porsche, plenty geld, je vreten laten brengen, hoeren en maar schieten! Nou, voor mij ben je niks.”

“Hm, wanneer ik met al mijn kwaliteiten niets ben, dan kunnen wij aan de hand daarvan wel vaststellen wat u zo’n beetje waard bent, hè? Is dat uw maag die zo tekeer gaat?”

We staan op, maar in plaats dat Starsky en Hutch mij naar mijn cel terugbrengen, word ik in een kamertje naast hun kantoor opgesloten. “Wacht hier maar even.” De deur gaat dicht. ‘Wat krijgen we nou weer?’ vraag ik me af. Na zes sigaretten gaat de deur weer open en komen er twee andere rechercheurs binnen.

Op hun vraag of ik Jan ter Haak ben, antwoord ik voor de zoveelste keer bevestigend. Het blijken rechercheurs van een ander bureau te zijn. Een van hen vraagt me: “Wij wilden weten of u in het bezit bent van een grijze Porsche met het kenteken HT-24-YD.”
“Mag ik vragen waarom u dat weten wilt?”

“Jazeker. Er is afgelopen donderdag een overval op een benzinestation gepleegd met deze auto. Wij hebben opdracht om de eigenaar van dit voertuig te horen, omdat wij dit kenteken en een signalement van de bestuurder hebben doorgekregen.”

‘Toe maar weer, ik krijg wel steeds de meest slimme rechercheurs toegewezen’, denk ik. ‘Wat een lulverhaal.’ Niemand pleegt een overval met zo’n opvallende auto en dan nog toevallig met mijn kenteken ook. Ze hebben een signalement van de bestuurder, maar niet van de overvaller. Ik besluit maar een beetje mee te doen. Misschien kom ik er dan achter wat de werkelijke reden van hun komst hier is.

“Nou, dat klinkt verontrustend. Ik zal u zoveel mogelijk behulpzaam proberen te zijn.”
“Komt u wel eens in Amsterdam Noord?”
“Vrij vaak.”
“Bent u afgelopen donderdag in Noord geweest?”
“Absoluut niet.”
“Waar was u donderdagmiddag omstreeks half vier?”

Ik denk even na, want ik begrijp nu waarvoor ze hier zijn. Om half vier had ik namelijk een afspraak met een kennis om voor één komma acht miljoen gulden aan gestolen girokaarten af te leveren. Daar gaat het dus om. Nou, als mij dat ook nog even ten laste gelegd wordt, heb ik zeker voorlopig brood op de plank.

Ik antwoord: “Eh, eens even kijken. Ik dacht dat ik omstreeks die tijd met een vriend in ‘Grillhouse 1001’ op de Nieuwmarkt was. Maar hangt u mij niet aan de tijd op.”
“Wie is die vriend?”
“Zijn naam wil mij niet zo snel te binnen schieten. Mocht u mij echter nodig hebben voor een rechtszitting, dan maakt u een goede kans dat ik me de naam plotseling weer herinner, maar vooralsnog weet ik het even niet. Om u behulpzaam te zijn, zal ik u vertellen waar ik van half vier tot ‘s nachts geweest ben, zodat u vast kunt stellen dat ik met die overval niets te maken heb.”
“Dat is niet nodig. Heeft u die auto misschien uitgeleend die dag?”
“Ik heb de auto zelf geleend, dus ik kan deze moeilijk aan iemand anders uitlenen.” (De Porsche stond op naam van mijn vriendin)

“Mijnheer Ter Haak, u wordt bedankt voor uw medewerking. We wensen u sterkte met uw zaak.”
“Tot uw dienst, en ook bedankt.”

Ze verlaten het kamertje en sluiten de deur af. Na nog eens een sigaret of zes komt er een man van een jaar of dertig binnen.

“Goedenavond, ik ben van de reclassering in Haarlem.”
“Ik had toch al gezegd dat ik geen bezoek van uw instantie behoefde?”
“Jawel, maar ik wilde mij er van overtuigen dat dit inderdaad het geval is.”

Blijkbaar vertrouwt deze man de politie hier ook niet erg. Ik word dus wat vriendelijker: “Mijnheer, ik ben een ontkennende verdachte, dus u kunt niets schrijven, maar ik stel het op prijs dat u de moeite genomen heeft om mijn weigering te verifiëren.”

“Ik ben ook niet gekomen om te schrijven, maar meer als maatschappelijk werker die uw schakel met thuis zou kunnen zijn. Misschien heeft u kleren of andere dingen nodig. U zou uw vrouw of vriendin de groeten kunnen doen. Wij kunnen haar vragen een advocaat te willen verzorgen als u geen toegewezen verdediger wilt hebben, enzovoort. Wij mogen echter geen berichten overbrengen.”

“Dat klinkt prima”, zeg ik enthousiast, “maar dan is het net of u alleen goed ben om de groeten te doen, terwijl u niets kunt schrijven.”
“Daar zijn wij voor. Gelukkig is er het één en ander veranderd in de laatste jaren”, zegt de vriendelijke man.

Ik verzoek hem dus mijn vrouw te willen groeten en haar te bedanken voor alles wat ze voor me heeft gedaan. Tevens vraag ik hem of zij mijn toiletspullen, ondergoed, een trui en een leren jack wil laten afgeven. Hij belooft me mijn vrouw direct te zullen bellen. Ik bedank hem en hij vertrekt.

Kort hierop verschijnen Watt en Halfwatt die me naar mijn cel terugbrengen. De minuten kruipen voorbij. Het is niet te geloven hoe traag de tijd gaat wanneer je geïsoleerd bent en niets anders hebt te doen dan denken. Als je het goed beschouwt, leeft een mens in vrijheid met een rotgang naar zijn dood toe, zonder die vrijheid optimaal te benutten of, wat nog belangrijker is, het de waardering te geven die het verdient.

‘s Maandags word ik opgehaald om vingerafdrukken en politiefoto’s te laten nemen. In tegenstelling tot voorgaande keren probeer ik wat vrolijker op de foto’s te komen, maar ik ben bang dat dat me niet erg lukt. Het nemen van de vingerafdrukken is een ander verhaal. Terwijl vroeger alleen afdrukken werden gemaakt van de vingers, duim en muis, maken ze hier ook afdrukken van de zijkant van mijn handen. Niet te geloven hoe grondig die jongens in Hoofddorp te werk gaan! Nog even en ze vragen me of ik m’n schoenen uit wil trekken, omdat ze afdrukken van mijn tenen willen maken.

Terwijl ik de inkt van mijn handen sta te wassen, zegt een rechercheur dat er een advocaat voor me aan de telefoon is. Ik neem de hoorn aan en zeg mijn naam. “Goedemiddag, mijnheer Ter Haak, ik ben meester Ipo de Vos uit Amsterdam. Uw vrouw heeft mij verzocht u te komen bezoeken om eventueel uw zaak te kunnen behandelen.”
“Dat is prettig te horen, meester De Vos, wanneer mag ik u verwachten?”
“Ik ben over een uur bij u.”

Ongeduldig wacht ik in mijn cel zijn komst af. Als hij eindelijk verschijnt, denk ik: ‘Nou, jou moet ik beslist niet als mijn advocaat hebben’. Waarom weet ik dan nog niet, maar het zal me snel duidelijk worden.
“Dag mijnheer Ter Haak, ik ben Ipo de Vos. Ik hoor dat u van poging tot moord wordt beschuldigd. Bent u daaraan schuldig?”
“Natuurlijk niet. Maar als het voor u hetzelfde is, wilt u de politie dan verzoeken om ons naar een andere ruimte te brengen? Er zit namelijk een camera in die hoek daar, en een microfoon. Ze kunnen dus precies volgen wat er hier gezegd wordt.”
“Nonsens, dat mogen ze niet, en zullen ze dus ook niet doen.”
“Nou, in ieder geval ga ik hier geen zaak bespreken, dus zegt u me maar hoe volgens u de zaak ervoor staat.”
“Dat is eenvoudig. De politie heeft een aangifte en een kogel. Dat is voldoende voor een veroordeling. Als u echter denkt beter te kunnen ontkennen, dan zal ik u vanzelfsprekend verdedigen.”
“Ik zal mijn gedachten erover laten gaan, en dan zal ik het u wel laten weten.”

Gelukkig is De Vos z’n tijd beperkt en gaat hij er al gauw vandoor. Dat hij al een voorschot van mijn vrouw ontvangen heeft, maakt dat weggaan ook wel iets gemakkelijker. ‘Lekker advocaatje’, denk ik, ‘dat is een goeie voor de officier. Schildert voor mij alles zo zwart mogelijk af om mij te laten bekennen, zodat hij mijn zaak onderhands kan ruilen met de officier voor een zaak waar hij meer eer - lees: geld, want advocaten hebben weinig last van eer - aan denkt te kunnen behalen.’ Een andere mogelijkheid is dat als ik blijf ontkennen en word vrijgesproken, het advocaatje tegen me kan zeggen: ‘Kijk, daar heb ik je toch even mooi uitgekregen, hè?’ om zo een lekker extra centje op te kunnen strijken. Nou, geld is geen probleem, maar ik laat me door die gek niet slachtofferen. Bekennen kan ik altijd nog. Het zit al aardig krom voor mij, de laatste dagen, neem mij niet kwalijk, zeg.

Gelukkig wordt er op dat moment weer eten van thuis gebracht, en kan ik mijn zwartgallige gedachten even uit mijn hoofd bannen. Ik word ook niet meer opgehaald voor verder verhoor. De rechercheurs hebben zeker begrepen dat ik niet van plan ben te bekennen. Misschien is er dan toch nog hoop voor ze. Hoewel, sommigen leren het nooit.

Dinsdagochtend. Ik word gewekt op de gebruikelijke rammelmanier.

Een agent zegt: “Gaat u zich maar wassen, want u gaat zo dadelijk op transport. U wordt voorgeleid aan de officier van justitie.” Dit laatste voor het geval dat ik in de veronderstelling mocht verkeren dat wij een touringcartrip naar de Dolomieten zouden gaan maken.

Ik was mezelf zo goed als de sobere sanitaire voorzieningen in het washok me dat toestaan en wacht tot ik gehaald word. Een kwartier later komt Van Schoorl me eigenhandig uit de cel halen om me gedurende het transport naar Haarlem te begeleiden. De peptische gesubordineerde kan blijkbaar maar node afscheid van me nemen. Hij zit de meeste tijd zwijgend naast me op de achterbank van de rechercheauto. Af en toe maakt hij een van zijn geniale opmerkingen om mij even te prikkelen, zoals: “Je mist niets buiten, het is toch rotweer.”
“Het kan zo hard niet regenen of het wordt wel weer droog. Het is alleen een beetje rot voor de mensen die in de regen moeten werken”, filosofeer ik.

De stille wordt dan weer stiller. Zijn niet optimaal werkende, verzuurde peristaltiek blijft echter hoorbaar. Terwijl de regen in stromen blijft vallen en naast me het ranzig borrelen doorgaat, bereiken we het gerechtsgebouw in Haarlem. De achterdeur van het gebouw wordt geopend, terwijl ik onder het alziende argusoog van de Schoorlman uitstap. De parketwacht die mij naar de wachtcel brengt, vraagt: “Wil je een kop koffie, jongen?”
“Graag meneer”, antwoord ik dankbaar.

Deze parketwachters hebben al zoveel ellende en misère in hun leven gezien, dat het me verbaast dat ze, bijna zonder uitzondering, zeer humane mensen zijn gebleven. Terwijl het bij de plattelandsklabakken nog altijd een evenement is om een verdachte met een interessante informatie- en verificatiestaat te kunnen treiteren, zul je van deze mensen zelden enig wangedrag ondervinden. Behalve Hein Klap Klap in 1963, weet u nog?

Ik weet dat ik in herhalingen verval door te benadrukken dat Van Schoorl moeite met verteren heeft, maar tot overmaat van ramp schiet de aan mij aangeboden kop koffie bij hem in het verkeerde keelgat. Zijn doorgroefd gelaat trekt zich samen tot een gerimpeld Hoofddorps granaatappeltje, waarin twee afgunstig stekende kraalogen staan, die lijken te zeggen: “Krijgt die vuile tyfuslijer nog koffie ook!”

Dan verdwijnt hij eindelijk uit mijn focus.

Zo zit ik met mijn zeer gewaardeerde koffie op de voorgeleiding bij de officier te wachten. De graffiti op de muren van de cel is oogpijnigend en hartverscheurend, maar desalniettemin interessant. De strekking van de teksten varieert van ‘O god, help me alsjeblieft’ tot ‘Ik krijg je buiten wel, vuile kankerverrader’.

Ik denk dat de officier ook aan de koffie zit, want voor mijn gevoel zit ik nu al een uur of twee op hem te wachten. Ik ken zo langzamerhand alle opschriften wel uit mijn hoofd. Niet dat ik haast heb, maar ik krijg pijn in mijn kont van dat harde meubilair.

Dan gaat de celdeur open, en nodigt de parketwacht me uit om mijn pols uit te steken, zodat hij daar een knevelketting om kan doen. Innig verbonden met mijn begeleider word ik de antichambre binnengebracht waar de profeet van Vrouwe Justitia zetelt.

Hier wordt de ketting van mijn pols gehaald. “Gaat u zitten. U bent Jan ter Haak?”
“Jawel.”
“Mijn naam is Klit en ik ben de officier van justitie. Ik wil u meteen zeggen dat ik alleen in de waarheid geïnteresseerd ben.”

“Gelukkig, eindelijk”, verzucht ik.
“Pardon?”
“Ik bedoel te zeggen dat ik verheugd ben dat er eindelijk eens iemand is die mijn verhaal gelooft.”
“Waarmee u dus zeggen wilt dat u persisteert in uw verklaring?”
“U wilde toch de waarheid horen?”

“Nou dan zijn wij klaar”, grauwt de Klit en maakt een gebaar naar de parketwacht - afvoeren!

Gekneveld word ik weer naar de wachtcel gebracht. Nou, vanmiddag naar de rechter-commissaris, en dan kan ik vanavond meteen naar het huis van bewaring door, denk ik defaitistisch. Een kwartiertje later word ik opgehaald door twee parketwachters.
“Naar de RC zeker?” vraag ik.
“Nee, u wordt voorlopig naar het politiebureau Koudenhoorn in Haarlem gebracht.”
“Hoe kan dat nu? Morgenochtend om half negen lopen mijn vier maal vierentwintig uur af.”

“O, zo nauw kijken ze tegenwoordig niet meer.”
“Nou daar ben ik dan lekker mee aangesasseneerd.”

‘Gezellig hoor’, denk ik, ‘dat befgajes pakt mij nog tot op het uur ook. Ze willen pappie zeker nog even in spanning houden.’ Op het politiebureau word ik ontvangen door een oude cipier. Hij is niet veel groter dan een keukenstoel, maar wel vriendelijk: “Ik zal je even je lakens en dekens geven. Loop maar mee, dan kun je zo gaan liggen.” Het lijkt wel of die Piggelmee gedachten kan lezen. Ik loop achter de miniman aan en neem mijn beddengoed in ontvangst. Dan word ik naar mijn cel gebracht. De man verlaat me met de woorden: “Ik kom zo terug met een leesmap voor je. Als er verder nog wat is, dan bel je maar.”

Ook in deze cel fungeert een betonnen bak als legerstee, maar er ligt een met gummi overtrokken matras en dito kussen op. Het interieur is kraakhelder. Het ameublement bestaat verder uit een schoon toilet, een betonnen tafelblad en de bekende verankerde kruk. Daarnaast is er nog een raam waardoor je niet kunt kijken, een intercom en, bij wijze van decoratie, een doorgeefluik naast de celdeur. Op de vloer ligt linoleum en dan hebben we het wel gehad. Ik heb er nog geen idee van, maar dit zal de volgende drie weken mijn onderkomen zijn. Proost! Ik maak mijn bed op en ga voor de verandering maar weer eens liggen. Ik lees wat in de gebrachte lectuurmap en verorber een slaappil met het gewenste gevolg.

Als ik wakker word gemaakt, blijkt het etenstijd te zijn: ik krijg opnieuw een maaltijd die mijn vrouw voor me heeft afgeleverd. Gretig doe ik me tegoed aan broodjes shoarma en een paar bekers druivensap, waarna ik weer in slaap val tot de volgende morgen.

Het is nog donker buiten als ik wakker word. Ik hoor geroezemoes van stemmen in de cellengang. “Wil je soms douchen?” vraagt een cipier me in de open deur.
“Als dat zou kunnen.”
“Alles kan hier.”
“Dank u wel. Zou ik mijn toiletspullen even uit mijn fouillering mogen pakken?”

Nadat dit mij is toegestaan, loop ik gewapend met mijn tandenborstel, scheerapparaat, zeep en shampoo van Aramis, deodorant, aftershave en eau de toilette van Yves Saint Laurent de douchecel in.

Wat een genot om je eindelijk weer eens behoorlijk op te kunnen knappen. Onder de douche scheer ik me en poets mijn baksnaaier. Wanneer ik de laatste hand aan mijn toilet leg door me rijkelijk met eau de toilette te besproeien, voel ik me als herboren. De rechter- commissaris kan er zo dadelijk aan met me.

Ik zie dat twee vrouwen bezig zijn met het dweilen van mijn celvloer. Het toilet ruikt naar bleekwater. Niet héél echt verkeerd zo. Twee sneeën brood met een plakje beleg en een kop thee vormen mijn ontbijt. Nauwelijks heb ik de laatste hap door mijn keel of ik word opgehaald voor transport naar de rechter-commissaris.

Als ik zijn kantoor word binnengebracht, zie ik een kleine kale gebrilde man die voortdurend met een potlood zit te spelen. Een griffier die opvalt door zijn onopvallendheid, hangt verveeld over een schrijfmachine.

“De officier vordert uw gevangenhouding”, loeit de rechter-commissaris, meester Schweinebrat.

Ik word uitgenodigd om tegenover hem plaats te nemen. Voordat hij begint, wil hij zich er eerst van vergewissen dat de processen-verbaal correct zijn opgemaakt en dat de vordering van de officier gefundeerd is. Een herhaling van het verhoor dat mij door Visser en Van Schoorl is afgenomen, doet zich voor. De rechter-commissaris heeft het vooroordeel van de rurale verbalisanten klakkeloos overgenomen, maar hij blijkt wel wat slimmer te zijn. Ik blijf bij mijn verklaringen en volhard in mijn onschuld. Dat staat de rechter-commissaris niet aan, en als hij mijn gevangenhouding met zes dagen verlengt, legt hij me gelijk alle toegestane beperkingen op.

Daar er geen enkel gevaar voor collusie bestaat, gebruikt hij de beperkingen simpelweg als extra straf- en dwangmaatregel. Het houdt in dat ik tijdens mijn detentie geen contact met medegedetineerden mag hebben. Geen recreatie. Niet op zaal werken. Alleen luchten. Apart zitten in de kerk. Apart wassen en douchen. Niet naar huis bellen bij de dominee of humanist. Brieven schrijven via de rechter-commissaris en geen bezoek.

Wanneer Schweinebrat als bijzondere maatregel stelt dat ik bezoek onder toezicht mag hebben, weet ik precies met wat voor bloedkop ik te maken ga krijgen.

Ik weet dat de Haarlemse justitie een probleem met Amsterdamse delinquenten heeft, maar meester Schweinebrat zal de komende maanden een obsessie voor me worden. Of kan ik beter zeggen dat ik een nachtmerrie voor dit varken van een rechter-commissaris zal worden?

Hoogstwaarschijnlijk beide.

 

 

Primecrime
Primecrime
Microsoft
Marktplaats
Relatieplanet
Multicomms
Regenboogbrug
Google
Telegraaf
Informatique
Trouw
Zibb
Bizz
Bol
Amazon
HP
Samsung
Sony Ericsson
GSM Web
Nokia
RTL
Elsevier
Kro
Avro
Vpro
Vara
 
 Een unieke website voor een uniek boek
Klik om iets unieks te zien...
 Een unieke website voor een uniek boek