BRIEF NAAR HUIS (Officieus)
Verachting en Verdriet
Haarlem 27 januari 1983 - de Koepel
Lieve Mick,
Ja lieverd, het staaltje van humanitair kunnen dat ik nu weer in deze gevangenis heb mogen aanschouwen wil ik je beslist niet onthouden. Ik heb me toch zo geamuseerd. Ziehier het relaas van een onpartijdig omstander.
Goedemôge, collega is de voorlopige titel van mijn hierna volgende verslag. Een betere, meer passende aanhef wilde me vooralsnog niet te binnen schieten. Ik denk echter dat jij je in deze titel wel zult kunnen vinden.
Goedemôge, collega
Het leed van de vorige dag is nu geleden. De poliepen zijn gevoed en voldaan. Hun parasiterende existentie is weer voor onbepaalde tijd verzekerd. Poliepen slapen van 23.30pm tot 5.30am. Daarna moeten zij weer aan hun parasiTERINGdrang gehoor geven. Poliepen kennen geen leed, ze zijn het leed! Leed waarvan zij zelf niets te vrezen hebben... Of misschien toch wel?
Je kunt het ze niet vragen, want met wezens zoals jij en ik kunnen zij niet converseren. Ze kunnen dus ook niet antwoorden op onze vragen. Slechts in hun onverstaanbare en merkwaardige carcinomenconversatie communiceren zij met elkaar.
‘Ja zeg, waar hebben wij het nu eigenlijk over?, vraag jij je intussen af.
Een waaierende anemoon van uniformen die sleutelgerammel produceert en een stank van ranzig zweet, zure adem, schimmelende voeten en vette haren verspreidt. ‘Het zijn toch zeker ook mensen?’ werp jij tegen, nu het onderwerp je duidelijk wordt. ‘O, het zijn geen beesten, nee beslist niet. Het kunnen ook geen dieren zijn, want bij dieren klopt alles volgens de perfecte natuurwetten, in een zuiver evenwicht. Voor hoe lang echter nog?’
Een evenwicht en een harmonie die ik in deze dingen niet kan vinden en eigenlijk ook niet mis als je het me eerlijk vraagt. Dus het zijn beslist geen dieren.
Goed, maar wat zijn het dan? Zwammen of schimmels? Ja, die stinken ook wel, maar ze vervullen klaarblijkelijk toch een natuurlijke functie. Ze zouden anders immers toch niet bestaan? De geüniformeerde anemoon is er wel, maar volgens mij bestaat zij niet echt.
Beestachtige, beschimmelde, parasiterende carcinoompoliepen dan? Ja, dat lijkt me wel een redelijke omschrijving, maar toch had ik voor ‘beestachtige’ liever een ander woord gezien. Ik wil een goed passende beschrijving geven, zonder daarbij de dieren onrecht aan te doen. Aangezien de mensheid het presteert om niets dan leed te produceren, vervangen wij het beestachtige maar door supermenselijk. Maar goed, ik ga verder met de beschrijving van de habitus en hun habiliteiten.
Geüniformeerde boleten die leed heten en alom leed veroorzaken. Ter inspiratie nuttigen zij innig tevreden hun dertig cent kostende kop koffie en hun gerantsoeneerde Zware Van Nelle.
“Inspiratie tot wat?” vraag je mij nu.
Kijk! Daar loopt een Afrikaanse gedetineerde. Eén meter vijftig klein en vijftig kilo licht. Geflipt! Hij is de Messias. Hij wil slechts zijn boodschap verkondigen. Dat mag niet. Dat is tegen het reglement. Klappen en schoppen van de boleten. Angst! Dan wil het kleine negertje zichzelf doden door van de ring af te springen. Dat mag helemaal niet! Hij moet tegen zichzelf beschermd worden, is motto der boleten. Dat moet!
Meer klappen en schoppen voor de neger. Maar de kleine kleurling begrijpt niet dat hij tegen zichzelf beschermd moet worden. Angst en woede bij de neger. Op een gegeven moment zijn er veertien boleten nodig om hem tegen zichzelf te beschermen. Angst, pijn en razernij bij de Messias. Maar wie zal hem beschermen tegen de boleten?
Het kleine negertje ligt nu al zes dagen in een isoleercel, onophoudelijk beschermd (lees: geprovoceerd) door de boleten. Dat hoort toch immers bij de therapie? Volgens mij zou hij verpleegd moeten worden, maar wie ben ik? Als de deur van de beschermingscel weer een keer opengaat, vlucht het kleine afrikaantje. Hij ontvlucht zoals een angstige kat dat door een gat in een schutting zou doen, totdat...hij tien meter verder door een speciaal daarvoor neergezet traliehek tot stilstaan wordt genoodzaakt. Dit is ongehoord in boletenland! |