Home
Zonde van de eerste steen
 
Autobiografie over een leven in de nationale en internationale misdaad

Ben je hoer of dief…
Heb je geld, ik heb je lief.

Hiervan is er voor vijftien miljoen gulden.

Wij zijn nu twee weken aan het rondtoeren in Schotland en ik heb van ieder moment genoten. Van ieder moment en één moment in het bijzonder, hoewel dat overal plaats had kunnen vinden, of misschien toch ook weer niet. Het is echter niet meer voorgevallen en dat zeer tot mijn spijt overigens, maar de werkvakantie is nog niet om. Er kan nog van alles gebeuren. Deze middag hebben we etenswaren ingeslagen in Ullapool, een klein havenstadje aan de noordwestkust. Jij zei dat je nog een paar uur door wilde rijden want je wilde overnachten in Scourie Bay.
“Het weer is goed, dus we kunnen de zonsondergang daar zien, dat is iets wat je moet hebben meegemaakt”, zei je.

Scourie Bay. We parkeerden de camper met de achterkant naar de zee, waardoor we het beste van het volle zicht over de baai konden genieten. De enige geluiden die de stilte verbraken kwamen van de zee en het geblaat van enkele honderden schapen. Terwijl jij het eten bereidde, maakte ik een korte wandeling naar het dorpje Scourie. Een hotel, een postkantoor dat als lokale supermarkt fungeerde en wat grijze huizen om het dorp te completeren. Ik kocht wat ansichtkaarten en keerde naar de camper terug. Het voorgerecht stond me al ongeduldig op te wachten, maar wat erger was, er stond een fles Pouilly-Fuissé op tafel warm te worden. Je had een omelet gemaakt met gerookte zalm en Parmezaanse kaas en had die afgemaakt met wat dille. Van het geheel had je een rol gemaakt en die vervolgens in bijtklare plakjes gesneden. De plakjes gingen vergezeld van schijfjes mozzarella die je met peper, zout, Spaanse peper en olijfolie had gegarneerd.

“Hoe kom je in godsnaam in Schotland aan mozzarella?” vroeg ik verbaasd.
“Ik weet niet of het wat is. Het leek me vrij vers, dus ik heb het maar genomen. Weet je niet meer dat wij in Edinburgh in die Italiaanse delicatessenzaak waren?” Ik moest toegeven dat ik daar geen mozzarella had gezien, misschien doordat ik te druk bezig was met het bekijken van de talloze whiskymerken.
“De Pouilly-Fuissé heb ik uit Holland meegenomen voor een speciale gelegenheid”, deelde jij mee.
“Wat is de speciale gelegenheid dan?” vroeg ik.
“Dat ik me door jou heb laten verleiden”, antwoordde je lachend.
“Wacht eens even, dat is twee dagen geleden en ik heb jou niet verleid. Jij bemoeide je met iets wat je helemaal niet aanging”, protesteerde ik.

“Wie heeft het over twee dagen geleden, Suzanne?”, vroeg je lief.
“Je bedoelt dat we vanavond...?” vroeg ik, op slag opgewonden. “Gezondheid…” proostte je, terwijl je je glas omhoog hield.
“Gezondheid, Jan. Maar wat dat verleiden betreft, daar ben ik het nog niet helemaal mee eens”.
“Het is ook nog geen avond, meisje”.
“Wacht eens even, Jan. Je mag in jouw wereld dan wel weten hoe je alle knoppen in moet drukken, maar dat werkt bij mij toch echt niet. Althans, ik hoop van niet.”
“Belangrijk is dat je gelooft in wat je zegt. Hoe is de mozzarella?”

Wij genoten van het voorgerecht en de Pouilly-Fuissé en jij vroeg: “Vind je het erg dat ik er een vismaaltijd van heb gemaakt? Voor het hoofdgerecht heb ik gegrilde zalmforel met gegrilde aardappelschijven en hete chilisaus en gestoofde artisjokken. Zo hebben we een goed excuus voor de tweede fles Pouilly-Fuissé. Onze afspraak wordt dan bindend.”

“Sex by appointment”, schertste ik.
“Ik zou niet te zeker van mijn zaak zijn, Suzanne, misschien lukt het je wel helemaal niet om me te verleiden.”
“Dat is een mogelijkheid, natuurlijk”, zei ik, al licht onder invloed van de wijn, “maar het gezegde ‘de liefde gaat bij de man door de maag’ moet nodig in de revisie. Ik heb genoten van het eten en ik denk dat de liefde momenteel door mijn maag aan het reizen is. Mijn hygrometer staat tegen de rode streep aan.”
“Dat zou niet goed zijn”, antwoordde je dubbelzinnig.
“Smeerlap, wij zitten te eten”, antwoordde ik.

Dit was het moment van de zonsondergang. De gele bal was ondertussen vuurrood geworden en raakte voorzichtig de horizon aan. De zee glinsterde goudkleurig en het geblaat van de schapen was gestopt. Ook de zee leek geen geluid meer te maken. Mijn herinnering aan het visioen een paar dagen terug deed me tegen je aankruipen. Je sloeg je arm om mij heen.
“Wat is dat prachtig, Jan”, fluisterde ik, terwijl de zon langzaam in de zee verdween.
“Dat is het…” fluisterde je terug.
“Jan, ik wil dit moment laten voortduren. Ik wil dat jij me nog een verhaal vertelt voor we naar bed gaan. Voordat ik je verleid…” voegde ik toe, en knabbelde zachtjes aan je oor.
“Wat wil je horen?” vroeg je.
“Je vertelde me twee dagen geleden dat je die Gianni met wie je zou ontsnappen later weer ontmoet hebt. Hij had een grote deal voor je. Waren dat drugs?”
Je antwoordde bedachtzaam: “Nee, Suzanne, dat waren geen drugs. Misschien herinner je je nog dat ik de drugs had afgezworen. Het was iets veel beters: geld.”

Je stond op om een fles Glen Morangie te pakken. Ik zette de recorder aan en luisterde naar je verhaal.

Je lag boven in bed naar Upstairs, downstairs te kijken toen de telefoon rinkelde. Je besloot de telefoon te negeren om de aflevering van je favoriete serie te kunnen blijven volgen. De telefoon bleef echter hardnekkig doorrinkelen. Geïrriteerd nam je ten slotte op:“Hallo?”
“Pronto, sei tu, Giovanni?” klonk het aan de andere kant.
“Chi parla?” informeerde je voorzichtig.
“Gianni, uit Milaan,” klonk het in je oor, “Gianni uit het Huis van Bewaring in zesenzeventig.”
Nog steeds voorzichtig informeerde je: “Wat heb jij op tijd uit je cel weten te werken?”
“De walkietalkie Giovanni, mi credi ora?”
“Ja, ik geloof je nu. Gianni, hoe is het, gabber?”

Jullie wisselden wat beleefdheden en herinneringen uit. Daarna vroeg Gianni: “Kunnen wij elkaar ergens halverwege ontmoeten, Giovanni? Ik heb een miljoenenzaak opgedaan.”
“Je zegt het niet,” reageerde je. “Wat is halverwege voor jou?”

Gianni stelde voor: “Ik kan het vliegtuig naar Parijs nemen, dat is voor jou vier tot vijf uur rijden. We treffen elkaar op het vliegveld Charles de Gaulle, en dan vertel ik je de hele zaak. Hoe is dat?”
“Dat is prima, Gianni. Wanneer wil je dat we elkaar ontmoeten?”
Gianni zei dat hij nu meteen een vlucht ging boeken vanuit Zwitserland en dat hij je later terug zou bellen met de aankomsttijd en voorgestelde plaats van ontmoeting.
“Dat is prima, Gianni, maar geef me ten minste twee dagen vanaf nu.”
“Va bene”, zei Gianni en hing op.

Een poosje later belde hij terug met de gegevens.

De volgende dag zocht je je vriend Dolf op en vertelde hem van je telefoongesprek met Gianni. Tevens vroeg je hem of hij bestek had om mee naar Parijs te gaan en portie te houden in het nog onbekende avontuur van vijftien miljoen. Dolf hoefde over geld nooit lang na te denken.
“Kan die Italiaanse kennis van jou ook autokentekens namaken, Jan?”

Je antwoordde dat je dat niet wist, maar dat je daar de aangewezen persoon voor had in Rome. Op de vraag wat die valse kentekens zouden moeten kosten, moest je het antwoord schuldig blijven, maar je zei dat je je vriend in Rome erover op zou bellen.

Dolf had zich gespecialiseerd in ringers. Zijn ambacht bestond uit het op de autosloop kopen van wrakken van vrij jonge total loss gereden Mercedessen, BMW’s en Jaguars. Een voorwaarde van contract was dat de kentekens er nog bij zaten. Hij kocht een wrak, maar nam alleen het kenteken mee. Daar zocht hij elders dan een rijdend voertuig bij dat aan de specificaties van het kenteken voldeed, en stal dat of liet het stelen. Het chassis- en motornummer van het kenteken werden in het nieuwe voertuig getimmerd en zo werd Dolf de eigenaar van een nieuwe Mercedes, BMW of Jaguar. Voor een steelprijs zou je kunnen zeggen. Hij reed ook altijd rond in een gestolen nieuwe Jaguar, met een gezicht alsof hij de directeur van British Leyland was.

Dolf hield zich ook met andere illegale handel bezig. Hij droeg de zaken aan en Kale Joop, zijn geldschieter, financierde de transactie, waarna ze de winst deelden. Vanwege zijn gierigheid had je ooit een uiteenzetting met die Kale Joop gehad, nadat hij je een Mercedes Sport verkocht had met een foute motor, en kon zijn bloed wel drinken. De wagen had je in 1978 vijftigduizend gulden gekost. Als voorwaarde van koop kon je hem in vijf maandelijkse termijnen van tienduizend gulden betalen.

Je naam was goed en voor geld vertrouwde iedereen je. Toen je Kale Joop in een kroeg aansprak over de kosten die je aan de motor zou gaan krijgen, zei Kale Joop je dat je pech had gehad.
“Ik ben geen Mercedes dealer die je garantie kan geven”, zei hij onverschillig.

Je zei hem dat je het begreep en zijn beslissing respecteerde. Twee maanden later was je in een koffiehuis in Haarlem waar het lokale rifraf elkaar trof. Je stond met Dolf aan een koffietafel, toen Kale Joop binnenkwam.
“Hallo boys”, groette hij, waarna hij wachtte totdat Dolf hem wat te drinken aanbood.
“Wat is het toch een gierige hond”, dacht je.

“Jan”, zei Kale Joop.
“Kale Joop”, reageerde je.
“Jij bent mij nog twintigduizend gulden schuldig, hoe zit het daarmee?”
“Dat zit gebakken Kale Joop, geen enkel probleem.”
“Wat ik bedoel is, wanneer krijg ik die molm eindelijk?” vroeg Kale Joop nu geïrriteerd. Je wist dat je moest oppassen, want Kale Joop was niet voor een kleintje vervaard wanneer hij driftig werd om een geldkwestie. In een direct gevecht gaf je jezelf weinig kans.

“Kale Joop, luister, want ik zeg het je maar één keer”, begon je jezelf op te psychen, “die Mercedes had een rotte motor en jij was van mening dat ik de kosten van reparatie maar moest dragen. Dat heb ik dus gedaan. Van jouw twintigduizend gulden.”
Kale Joop verbleekte van woede en vroeg ziedend: “Conclusie?”
Je stak je hand in je jaszak, zo behoedzaam dat het wel op moest vallen, en keek de Kale Joop strak in zijn ogen.
“De conclusie is, Kale Kletskop, dat niet ik, maar jij in het pak zit voor twintig ruggen. Wat dacht je daarvan? Niet leuk hè, wanneer het jou gebeurt?”

De Kale maakte zich los van de tafel en zei ziedend: “En dat vertel je mij hier even doodleuk?”
Je ging nu ook van de tafel af staan en antwoordde: “Je hoort me toch? Als je denkt er iets aan te moeten doen, dan vind je me meer dan klaar voor je. Of dacht je misschien dat ik een klets op mijn wang van jou accepteer? Wanneer je slim bent, vraag jij je nu af waarom ik je dat zo maar even zeg. Zou het kunnen wezen dat ik wil dat jij er iets aan doet, misschien?”

De blik van Kale Joop verstrakte. “Je hebt een revolver op zak?”
“Fout”, antwoordde je, een woedeaanval veinzend. “Ik heb een pistool in mijn zak en nog een mooie ook. Voor jou op maat gemaakt: Smith and Wesson 357 Magnum. Wij spreken het zo af: jij komt twee stappen deze kant op en ik probeer een scheiding in je haar te schieten. Dat lukt mij misschien niet, want je hebt geen haar. Dat is echter geen probleem want je hebt dan ook geen hoofd meer. Wat dacht je, kale schijthond, zullen we het er maar op wagen?”

Kale Joop verkeerde in tweestrijd, maar zijn verstand nam de overhand over zijn woede. Nu het grootste gevaar geweken was, probeerde Dolf de zaak te sussen, maar daar wilden jullie wilden niet van weten.
“Jij hoort nog van me”, dreigde Kale Joop.
“Alleen via een overlijdensadvertentie dan. Nu ben ik kwaad genoeg om je mijzelf een paar bonen in je vette pens te schieten. Na vanavond staat er een contract op je. Wanneer er met mij ook maar iets gebeurt, dan betalen jouw twintigduizend pieken een mandolinespeler uit Napels.”

Kale Joop wist van jouw Italiaanse connecties en deed er het zwijgen toe. ‘Hij heeft het nooit geprobeerd’, vertelde je me later.

Het was duidelijk dat Dolf geen aandeel in een dreigende geweldskwestie wilde hebben. Dolf probeerde altijd op zeker te gaan met alles en zocht zijn voordeel bij een ieder die goed in de markt lag. Of hij een vriend, een egoïst of gewoon een slim koopman was, wist je toen nog niet.

“Hoe lang blijf je weg, Jan, en neem je dat rode overhemd mee in je bagage?” vroeg Joke je toen ze je een weekendtas in zag pakken.
“Niet langer dan drie dagen. Wat is dat met een rood overhemd? Ik heb geen rode overhemden.”
“Gek, ik zou gezworen kunnen hebben dat je de laatste keer toen je een paar dagen wegging met een rood overhemd terugkwam,” zei Joke op een kalme toon.
“Weet je het zeker? Een róód overhemd?”
“O ja, ik herinner mij het weer, Jan. Het was een wit overhemd met een rode boord.”
“Je wordt hoe langer hoe gekker, jij.”
“Moet je eens opletten hoe gek ik word wanneer je nog een keer terugkomt met een boord vol lipstick terugkomt…” dreigde ze met een ingehouden lach.
“O, dat? Ik heb je toch verteld hoe dat gekomen was? Dat was een ongelukje...”
“Jouw hele leven bestaat uit ongelukjes, Jan”.
“Dat is waar, op één na dan, en dat ben jij. Duim voor mij deze reis, Joke!”

De vorige dag had je Pino in Rome opgebeld en hem gevraagd wat duizend valse kentekens zouden gaan kosten. Pino vertelde je dat hij daar geen antwoord op kon geven, omdat zijn vaste drukker was gearresteerd, waardoor hij nu afhankelijk van derden was. Jullie spraken af dat Pino ook het vliegtuig naar Parijs zou nemen en dat jullie daar de zaak zouden bespreken.
“Neem wel een monster van zo’n kenteken mee, Giovanni”, had hij je nog aangeraden.

Op weg naar Parijs vroeg Dolf: “Je weet dus nog niet eens waar het over gaat?”
Een uitvoegende vrachtwagen ontwijkend, antwoordde jij: “Totaal niet, Dolf, maar ik denk die Gianni goed genoeg te kennen om te weten hij ons niet voor niets naar Parijs laat komen.”
“Hoe heb je hem eigenlijk leren kennen?”
Je vertelde hem het hele verhaal van de mislukte ontsnappingspoging in 1976.

“Niet te geloven, Jan…!” riep Dolf. Toen je hem van de stoelendans vertelde, gierde hij het uit.
“Hebben ze die Gianni nooit gepakt met die tweede walkietalkie?”
“Nee, ik heb later gehoord dat hij dat ding achter de verwarmingsketel naast zijn cel heeft geflikkerd. Hij was de reiniger, dus ze openden gewoon zijn deur. Ik was verraden en dus ging het om mij. Toen ze mijn walkietalkie vonden, was het te laat. Gianni had de zijne toen al weggewerkt.”

“Luister Jan, ik ben overal in geïnteresseerd, behalve dope. Er zit geen zegen op die bloedhandel, en je krijgt alleen met gekken te maken.”

Je knikte. “Ik heb de drugs ook afgezworen, wat je zegt is precies waar. Daar komt nog bij dat ik de ellende heb gezien die die troep veroorzaakt. Ik ben er een goede vriend aan verloren. Nee, voor mij ook geen dope meer.”
“Weet je wat het volgens mij ook is?”
“Nou?”
“De kit concentreert zich zo op die drugs, dat hun aandacht voor andere criminele klussen een stuk minder is geworden. Ik merk het zelf ook. Vroeger werd ik dag en nacht door de kit achterna gereden, maar nu laten ze me met rust. Omdat ze weten dat ik geen dope doe”, theoretiseerde Dolf.

Je moest drastisch snelheid minderen voor de opkomende mist. Tien minuten later reed je nog maar dertig per uur, terwijl jullie nog tweehonderd kilometer van Parijs af zaten. Bij het eerstvolgende Jaques Borel Motel besloten jullie dan ook maar te stoppen. Het voorgenomen avondje stappen in Parijs was met recht de mist ingegaan.
“Dat begint goed”, mompelde Dolf.

Op de kamer gingen jullie je opknappen.
“Waar doen wij dat eigenlijk voor? Er is hier niets waar ik netjes voor moet wezen”, lamenteerde Dolf.
“Schei toch eens uit met dat gejank, man. Houd liever het einddoel voor ogen: een kans op vijftien miljoen en een partij valse kentekens. Wij gaan eens even uitgebreid dineren.”

In het restaurant gedroeg je je alsof de buit al binnen was.
“Voordat er brand komt. Hebben wij dat alvast gehad”, zei je en bestelde een fles Bollinger.
“Champagne?” vroeg Dolf. “Jij doet echt alsof wij al wat te vieren hebben… Maar goed, even iets anders: waarom is die Pino eigenlijk naar Italië teruggegaan? Hij had het toch aardig voor elkaar in Holland?”

“Duitsland vroeg om zijn uitlevering wegens verkoop van valse dollars. Hij is door het Bundeskriminalamt in zijn eigen restaurant opgezet. Ik heb die twee Duitsers nog gezien, een man een een vrouw. Het straalde er vanaf dat het kit was, en ik vroeg Pino nog in het Napolitaans wat hij in godsnaam aan het doen. Pino lachte en zei: ‘Laat die moffen maar verteren, ik doe helemaal niets met ze. Zo gek is Pinootje nu ook weer niet.’ Het rotte is, dat hij inderdaad niets aan hen verkocht heeft, maar dat politie-echtpaar heeft later verklaard dat Pino tijdens een bezoek aan vrienden in Dusseldorf ook dollars aan hen heeft verkocht. Nu lag de jurisdictie opeens wel in Duitsland. Zo kon Duitsland dus om de uitlevering van Pino verzoeken. Pino heeft daar natuurlijk niet op gewacht. Hij heeft alles hals over kop verkocht en is met zijn gezin naar Italië vertrokken. Hij woont bij Rome in een klein dorpje en moet weer helemaal opnieuw beginnen.”
“Dat is ook klote voor hem”, zei Dolf, die Pino een paar keer ontmoet had.

Het eten smaakte voor de verandering eens goed en de champagne nog wat beter. “Jan, ben je nog steeds kwaad op die Kale Joop?” vroeg Dolf, toen hij vermoedde dat de stemming die vraag wel verdragen kon. Jullie naderden de bodem van de derde fles Bollinger.
Je was meteen op je hoede.
“Waarom moet ik kwaad op hem zijn? Hij heeft reden om kwaad op mij te zijn. Nee, ik ben niet kwaad, maar alert ben ik wel. Waarom vraag je dat?”
Dolf antwoordde: “Luister Jan, ik kan geen halve ton of een ton aan guldens ophoesten voor die kentekens, dus ik moest hem wel vragen om het te financieren. Hij was onmiddellijk geïnteresseerd en zei dat hij niet meer kwaad op je was, omdat jij deze transactie mogelijk maakt.”

De drank maakte je kribbig. “Die Kale kan alleen jouw portie financieren, ik heb hem daarvoor niet nodig. Ik betaal mijn eigen aandeel wel, dus die Kale deelt met jou, niet met mij.”
“Goed, het is niet anders”, reageerde Dolf, “ik heb geen keus.”
“Als we vijftien miljoen verdienen, betaal ik jouw portie als een cadeautje. Die Kale zou zelf ook wel eens een risico kunnen nemen. Het is een bloedzuiger.”
Je besloot Dolf intussen wel in de gaten te gaan houden; controle was uiteindelijk geen wantrouwen. Iedere keer dat je een deal met hem had gehad, hing de schaduw van die Kale Joop als een zwaard van Damocles boven je hoofd.

Onderweg naar Parijs, de volgende morgen, voelde je je hoofdpijn langzaam zakken. Van mist was geen sprake meer. Na anderhalf uur zag je de borden van het Charles de Gaulle International Airport.
Je maakte Dolf wakker en reed een parkeertoren in die wel wat weg had van het Colosseum. Sinds je verblijf in de Koepel was je allergisch voor ronde gebouwen. Duizelig van het rondjes rijden vond je eindelijk eenlege plek. Je parkeerde de Mercedes en schreef de etage en de parkeersectie op.

“Waar doe je dat nou voor?” vroeg Dolf.
“Weet je wel hoe groot dat achterlijke vliegveld is? En jij hebt toch ook in de Koepel gezeten? Nooit verdwaald?”
“Schei uit, alsjeblieft”, kreunde Dolf.

Omdat jullie nog een uur moesten wachten op het vliegtuig uit Zurich, bestelden jullie een café au lait in het roestvrij stalen restaurant op het vliegveld.
“Wat een zootje hier”, zei Dolf.
“Ja, het is mijn favoriete vliegveld ook niet, maar de Fransen hebben toch altijd iets bijzonders. Het is trouwens mijn favoriete volk ook niet, en Franse obers moet je helemaal goed in de gaten houden”, zei je, terwijl je de ober die de koffie bracht wantrouwend oogbalde.
“Hoe dat zo?” vroeg Dolf.
“Dat verhaal vertel ik je nog wel, vandaag”, antwoordde je, met haat terugdenkend aan de ober die je had bestolen toen je met je eerste hoer, de Duitse Jackie, op huwelijksreis was in Parijs.

Toen het vliegtuig uit Zurich was geland, begaven jullie je naar de informatiedesk en vatten daar post. Een eeuwigheid later kwam er een man op je aflopen die je met de beste wil van de wereld niet herkende.
“Giovanni, non mi conosci più?”

Je antwoordde dat je even aan zijn uiterlijk moest wennen. Zo herinnerde je je Gianni niet. Hij leek wel een schoolmeester met die baard. ‘Dolf zal wel denken: nou, dat is een mooie crimineel’, dacht je ongemakkelijk.
“Ik moet me wel vermommen, Giovanni, want ik sta op de telex”, zei Gianni. Na jullie omarming had je je vertrouwde gevoel weer snel terug. Jullie liepen naar het restaurant terug en namen plaats om de zaken te bespreken. Je begon inmiddels wel nieuwsgierig te worden waar het nu eigenlijk allemaal om ging, en Gianni zou binnen het uur weer vertrekken.

Na de gebruikelijke beleefdheden uitgewisseld te hebben, opende Gianni een diplomatenkoffertje waarin een stuk of tien kranten zaten. Gianni zocht er één uit, vouwde die open en liet je een artikel lezen. Het was een artikel uit de Corriere della Sera van een jaar terug, en ging over een inbraak in een bank in Chiasso. De inbrekers waren via een riool bij de kluismuur van de bank gekomen, en hadden die professioneel met thermische lansen onder handen genomen. Eenmaal in de kluis hadden ze alle privé-safeloketten open geboord. De minimale buit zou nog altijd zo’n vijfentwintig miljoen gulden hebben bedragen, maar het kon ook makkelijk een veelvoud daarvan zijn geweest, omdat dergelijke kluisjes meestal vol lagen met zwart geld. Je vertaalde het artikel voor Dolf, die opeens een heel stuk vrolijker ging kijken.

“Een mooie klap, Gianni, maar ik zie ons nog niet in dat verhaal voorkomen. Dit zijn professionals en die hebben ons niet nodig om goud, diamanten of waardepapieren te verkopen”, zei jij.
“Dat is nu net waarin je hopelijk ongelijk hebt”, wierp Gianni tegen, en hij begon het een en ander uit te leggen.

“Toen de groep die de bank in Chiasso had gedaan de buit begon te sorteren, kwamen zij de inhoud van een privé-kluis tegen die aan een Bulgaarse diplomaat behoorde. Er lagen verschillende paspoorten en rijbewijzen van west- en oosteuropese landen in. Blijkbaar had die diplomaat zich om laten kopen, of hij had een functie bij het Bulgaarse Ministerie van Financiën, waar hij zijn vingers even in de trog had gestoken. De kluis zat volgepakt met leren tassen, die op hun beurt weer waren volgestouwd met Bulgaarse leva’s. De groep wil de leva’s niet in Italië of Zwitserland aanbieden, omdat de bank in Chiasso op de Zwitserse grens ligt en de valuta nogal zeldzaam is. Bovendien was het veel geld. Ze willen er niet mee leuren, maar het wel tegen een prijs ver onder de marktwaarde verkopen”.

Jij vertaalde het Bulgaarse verhaal voor Dolf. Die kreeg het nu echt naar zijn zin, want hij bood jullie een koffierondje aan. Gianni’s kwam nu met zijn aanbod: “Wanneer jij deze leva’s weet te verkopen, Giovanni, dan delen jij en ik de winst. Ik heb een partner waar ik mee deel en jij hebt Dolf.”
“Hoeveel van die leva’s zijn er in godsnaam, Gianni?” De Italiaan antwoordde: “Ze zijn een dag aan het tellen geweest, en gerekend met de officiële koers gaat het om een equivalent van zestig miljoen dollar. Ze hebben een dollar voor een leva gerekend, maar het is in feite tien procent meer, omdat negentig stotinski al gelijkstaat aan een dollar. Ze willen die tien procent als korting aanbieden. Op een bedrag van zestig miljoen dollar is dat dus zes miljoen dollar, maar ik denk dat we ze wel naar twaalf en een half procent kunnen drijven. Dat is dus zeveneneenhalf miljoen dollar, ofwel iets van vijftien miljoen gulden. Klopt dat?”

Jij rekende even en antwoordde: “Als je het zo uitrekent, klopt dat wel, maar zo werkt het helaas zelden”.
Gianni keek je verbaasd aan. Je legde uit: “Ik ben een paar jaar geleden in Bulgarije geweest om iconen te kopen. Terug in Nederland hadden we nog voor een paar ruggen van dat yoghurtgeld over. Wij wisselden die leva’s terug naar guldens, maar er was geen bank die ons meer dan dertig procent van de officiële waarde wilde geven. Dat was een verlies dat we moesten nemen, want terugrijden naar Bulgarije om te wisselen had natuurlijk weinig zin.”

“Hoe kan dat nou met een officiële koers?” vroeg Gianni zichtbaar ontdaan.
“Dat komt doordat ze op de zwarte markt in Bulgarije leva’s voor dollars verkopen, waarbij de koper zes keer meer leva’s krijgt dan bij de Bulgaarse banken. Het is een te groot risico voor de Europese banken. Je mag echt blij zijn - en zeker met zo’n groot bedrag - als je dertig procent vangt”, besloot jij. Je vertaalde het verhaal weer voor Dolf, die zijn opgewektheid prompt leek te verliezen.

“Dus wat denk je dat ik tegen mijn contactman kan zeggen?” vroeg Gianni.
“We moeten uitgaan van dertig procent van de officiële koers”, zei je. “Alles wat het meer of minder opbrengt verrekenen we evenredig. Ik ben geen bankier, maar ik denk dat wanneer ik voor twintig miljoen aan leva’s zou moeten kopen, dat ik - lees: de bank - daar een flinke kluif van zou willen hebben. Dat moet de genoemde tien procent worden, ofwel twee miljoen dollar. Van de twintig miljoen dollar die we hopen te vangen, willen we drieëndertig procent ofwel eenderde hebben. De bedragen zijn nu niet relevant, omdat we nog niet weten wat de bank zal willen geven. Maar wat die bank ook geeft, wij willen daar een derde van, met tien procent voor de bankdirecteur. Zo moet je het uitleggen, Gianni en als dat niet goed is, dan verkopen ze het zelf maar. Ik denk echter dat ze hun licht allang hebben opgestoken en het onderste uit de kan proberen te krijgen door een paar gekken te vinden die voor hen met leva’s gaan venten.”

Gianni hoefde niet lang na te denken: “Ik denk dat je gelijk hebt.”
“Ik weet dat ik gelijk heb. Je hebt niet toevallig een paar monsters van dat geld bij je, hè?”
Jij besprak het hele geval nog een keer met Dolf, maar die leek meer geïnteresseerd in zijn aandeel van anderhalf miljoen dan in de planning van het geheel. Je stelde Gianni voor: “Luister, ik heb hier nog een andere afspraak met een vriend van me die vanmiddag uit Rome komt. Jij bent dan al weer thuis en kunt je contact benaderen. Je legt hem uit wat wij besproken hebben, zodat hij dit aan zijn opdrachtgevers ter beslissing kan voorleggen. Wij overnachten dan vanavond in Parijs en ik bel je morgenochtend voor een antwoord. Wanneer het voorstel in principe wordt geaccepteerd, maken we met jou een afspraak om jouw contactman in Italië te ontmoeten. Ik meen begrepen te hebben dat dit monopoliegeld zich in Italië bevindt, nietwaar?”

Gianni bevestigde je veronderstelling, waarop je vervolgde:
“Wij rijden dan morgenochtend naar Italië om jouw contactman te ontmoeten. Deze neemt een paar honderd biljetten van verschillende denominaties mee. Hieruit haal ik, laten wij zeggen, tien biljetten en betaal hem. In vierentwintig uur heb je een antwoord betreffende de echtheid van de monsters en alle financiële gegevens. Wanneer dat allemaal goed verloopt dan bespreken wij de Operatie Zestig Miljoen Leva’s. Hoe klinkt dat in een roestvrijstalen restaurant in Parijs?”
“Perfetto”, antwoordde de Italiaan.
“Als laatste wil ik nu gelijk de precieze ontmoetingsplaats met je contactman vaststellen, omdat ik niet weet hoe goed jullie telefoons werken. De dag en tijd van ontmoeting worden door de telefoon altijd vierentwintig uur later afgesproken dan de werkelijke datum, okay?”

Jullie kwamen overeen dat de ontmoeting plaats zou vinden in een restaurant in Seregno waar veel meubelfabrikanten hun middagmaal kwamen nuttigen. Dat leek je een mooie en onopvallende plaats voor een samenkomst.

“Waarom heb je eigenlijk zoveel van die kranten meegenomen? Verzamel je ze soms?” vroeg je, terwijl Gianni de Corriere della Sera weer tussen de andere kranten in zijn koffertje stopte.
“Je denkt toch niet dat ik twee keer de Zwitserse douane passeer met een krant waar een levensgrote foto van een leeggeroofde Zwitsers - Italiaanse bankkluis op staat afgebeeld?”
Je glimlachte. “Domme vraag, inderdaad”.
Jullie brachten de resterende tijd door met fantaseren over wat je allemaal niet met de winst zou kunnen doen. Voor Gianni en Dolf leek de klus al achter de rug. ‘Zoals gewoonlijk ben jij weer pessimistischer’, zei Dolf, waarop Gianni knikte. ‘Realistischer’ noemde je het zelf.

Voor Gianni’s vertrek omarmden jullie elkaar weer. Dolf vond het wel een mooi romantisch gebaar en omarmde Gianni ook, waarna hij het nog eens dunnetjes met jou wilde overdoen. Zijn enthousiasme kende nauwelijks grenzen meer. Nadat jullie een halfuur zoet hadden gebracht met het terugzoeken van de Mercedes reden jullie naar het centrum van Parijs. Het zou nog bijna vier uur duren voordat Pino uit Rome zou arriveren. Het leek dus een goed idee om een restaurant op te gaan zoeken. Jullie kater van de vorige avond was door het pecuniaire perspectief totaal verdwenen.

Op de Boulevard de Magenta stopten jullie bij het eerste restaurant dat er behoorlijk uitzag. Jullie namen plaats op het terras en bekeken de menukaart.
“Wat neem jij?” vroeg Dolf.
“Ik denk Oeufs sur le plat met stokbrood, dat is altijd wel goed.” Je legde Dolf uit wat dat was. “Doe mij dat ook maar”, zei hij.
“Wil je er ook champagne bij?” vroeg je met een stalen gezicht.
“Ben jij wel goed bij je hoofd, gek dat je bent? Ik ben net hersteld van gisterenavond.”
Je deed je bestelling bij een ober, die er bijzonder weinig moeite voor wilde doen om je schoolfrans te verstaan.
“Die is goed voor een vette fooi, straks. Wat zijn het toch een bloedhonden, die obers hier.”
“Wat heb jij toch met Franse obers? Je schold er vanmorgen ook al op.” Je vertelde Dolf hoe je in 1963 door een Franse treinkelner piekaan was genomen en hoe Jackie daarop de hele weg liep te klagen dat je je op had laten lichten. “Het was toen net de overgang van oude naar nieuwe francs,” legde je uit. “De oude francs begreep ik wel, maar de nieuwe iets minder, en dat begreep die ober weer heel goed. Jackie en ik hebben voor zes meier broodjes gegeten, maar daar was de koffie wel bij dan.”

Dolf stikte zowat van het lachen en zei: “Dus als ik het goed begrijp is het beter dat ík hier betaal?”
“Daar houd ik je aan”, antwoordde je.
“Valuta’s zijn dus niet je sterkste kant, Jan? Ik zal dicht in je buurt blijven wanneer die leva’s loskomen. Het risico wordt anders een beetje groot wanneer jij honger zou krijgen.”

Honger! De ober kwam op het juiste moment en even later dipte jij een nog warm stuk stokbrood in de eieren en de boter.
“Dat smaakt best”, zei Dolf, terwijl jullie aan de tweede portie eieren begonnen. Zonder al teveel moeite brachten jullie twee uur op het terras door.

Een uur voor de aankomst van het vliegtuig uit Rome betaalde je de ober met afgepast geld, frankje voor frankje.
“Dat heb je aan je stelende collega’s hier te danken”, zei jij in het Nederlands.
“Pardon?” vroeg de ober.
“Nee, het is goed zo, houd de rest maar”, zei je gul, de Fransman verbluft achterlatend.

Op weg naar het vliegveld reed je de Boulevard Peripherique links in plaats van rechts op, zodat je genoodzaakt was de ronde van Parijs te doen. Toen jullie met drie kwartier vertraging eindelijk een parkeerplaats in het Colosseum Charles de Gaulle gevonden hadden, en je bij de informatiedesk vervoegden, bleek dat Pino daar al op jullie stond te wachten.

“Giuwa, come stai guaglio”, begroette Pino jou in zijn zuiverste Napolitaans.

Jullie omhelsden elkaar als de echte oude vrienden die jullie waren. “Don Giuseppe, siete diventate chiù giovane”, maakte jij Pino een complimentje met zijn jeugdige verschijning.
“Dag Dof, oe gaat et met jou”, vroeg Pino aan Dolf, terwijl hij aan zijn volgende omhelzing bezig was. Dolf en hij kenden elkaar van de keren dat jullie in zijn Amsterdamse restaurant gegeten hadden.
“Nou niet weer je tong in Pino’s mond steken, Dolf…”, waarschuwde je.
“Altijd die vies mannetje, Giovanni, altijd vies grapjes maken met Pinootje”, griezelde Pino lachend, “ar’owe andiamo compa?”

“Naar een hotel,” antwoordde je. Pino’s retourvlucht naar Rome stond voor de voor de volgende ochtend geboekt.

Jullie lieten je inschrijven in het Hotel Crillon op de Place de la Concorde. Drie luxe suites met ontbijt.
“Dat gaat wat kosten”, merkte Dolf op.
“Laten we het er nog maar even van nemen. Uiteindelijk gaan we een tikkie maken aan die valse autokentekens, nietwaar?”, zei je, hem er fijntjes aan herinnerend dat hij zonder jou niets zou verdienen.

Geschoren en gedoucht zaten jullie die avond als drie nieuwe guldens in het Hotel Crillon restaurant. Je wist dat Pino van luxe hield, en als je je geld aan één persoon wilde spenderen, was hij het wel. ‘Het gaat toch op de onkostenrekening’, dacht je. Pino en jij konden elkaar die avond nauwelijks loslaten. Elkaar kneepjes in de wang en schouderklopjes gevend, vertelden jullie elkaar hoe goed jullie er uitzagen, en hoe goed het was om elkaar weer te zien. Jullie hadden ook wel het één en ander meegemaakt, een paar jaar terug. Het was een genoegen om weer eens met Pino te kunnen praten, eten en wijn te drinken. Je genoot van ieder moment. Jij vroeg aan Dolf of hij weer eieren wilde, maar deze sloeg dat aanbod af.
“Ik zal evengoed wel met de ramen open moeten slapen vannacht,” klaagde hij.

Pino liet zich door een Italiaanssprekende ober voorlichten over de specialiteiten van de avond. Aan een ex-restauranthouder en gastronoom van het eerste uur konden jullie dat wel overlaten. Nadat jullie smaakpapillen verschillende orgasmen hadden beleefd, veegde Pino een halve slagroomtaart van zijn kin en vroeg: “Allora Giovanni, waar gaat het nu precies om?”
“Het is het beste dat Dolf het misschien even uitlegt, Pino.”

Dolf liet Pino een autokenteken zien en zei dat wanneer de prijs goed zou zijn, dat wij er wel honderd konden gebruiken.
“Met respect, Dof, maar honderd is een aantal dat voor een drukker niet zo interessant is. Je kunt er wel honderd kopen, maar die zijn dan net zo duur als duizend. Het is de prijs van de drukplaten die betaald moeten worden”, legde Pino uit.
“Het papier en het watermerk?” vroeg jij nu.
“Het papier is geen enkel probleem, en het watermerk wordt er aan twee kanten opgelegd, zodat het lijkt alsof het in het papier verwerkt zit. Het verschil is bijna niet te zien, Giovanni.”
“Wat zouden die duizend kenteken ons gaan kosten, Pino?” vroeg de boekhouder.

“Wij kunnen het op twee manieren gaan doen, Dof. De eerste is: jullie kopen er duizend van mij. Die laat ik drukken en die betaal ik. Voor het risico en de investering moet ik er een winst op berekenen, en dat maakt het duurder. Wat het nog duurder maakt, is het feit dat mijn vaste drukker gearresteerd is, en ik nu dus van een ander afhankelijk ben. Ik denk dat de prijs echter niet zo belangrijk is. Zelfs al kost een kenteken duizend gulden, dan brengt het met de juiste auto erbij dertig, veertig en vijftigduizend gulden op. Of dacht je dat Pino niet wist hoe dit spelletje werkt? Maar ik heb een beter voorstel, Dof: wat de kentekens ook gaan kosten, ik betaal en wij delen de schone winst met zijn drieën. Hoe klinkt dat?”
“Ik kan die Kale Joop nu niet miskleunen want hij weet waar ik voor weg ben”. Jij legde aan Pino uit wat het potentiële probleem betrof.
“Okay, nog beter: de winst wordt in tweeën gedeeld, en ik deel met Giovanni en Dof deelt met zijn vriend”, zei Pino.
“Het staat mij niet aan. Die Kale Knetterbol gaat mee op de vrije zoek, doet niets, riskeert niets en strijkt vijfentwintig procent winst op”, wierp jij tegen.

Je legde Pino het dilemma uit. Hij dacht even na zei: “Dof zegt dat de kentekens honderdduizend gulden gaan kosten, dus zijn vriend investeert vijftig en wij investeren zogenaamd vijftig. Vanaf de eerste winst kunnen wij meteen gaan delen, want wij hebben dus gelijke investeringen, alleen hebben wij drieën dan een mazzeltje van zestienduizend zeshonderd gulden”, lachte Pino.
“Die ik dan samen met negenduizend van mezelf aan die Kale moet gaan terugbetalen”, klaagde Dolf.
“Luister Dolf”, zei jij, “we praten hier over miljoenen winst wanneer de kentekens goed zijn, en jij jammert over negen ruggen? Je had kruidenier moeten worden. Jij wilt die Kale erbij hebben, dus je draagt daar zelf ook maar de lasten daarvan. Ik denk dat Pino een mooi voorstel heeft. Die zestien ruggen de man maken ons niet rijker of armer, maar het gaat om het principe. Ik heb nu het liefst dat je het niet accepteert, want dan is de deal over. Ik betaal Pino’s vliegticket en dan verdien jij niets, maar die Kale op zeker niet. Zeg het maar, Dolf, dan bel ik Johnny Pep en laat ik die de auto’s door hem stelen.”

Dolf gaf morrend toe, maar je kon zien dat hij je dit niet in dank afnam.

Er viel een onaangename stilte. Pino vroeg in strak Napolitaans: “Wat is het probleem, Jan? Wanneer je hem niet vertrouwt, geef ik jou de kentekens en dan verkoop je ze aan hen voor tienduizend gulden per stuk.” Jij antwoordde: “Laten wij het maar even aankijken, want we staan een hoop meer te verdienen wanneer wij het op de afgesproken manier doen. Als het me niet bevalt, doen wij het zelf en geef ik hen een vrijzetter. Het spijt me voor Dolf, maar ik heb er een hekel aan dat die Kale van onze poen grote plassen gaat zeiken.” Pino lachte. Dolf niet.

Ik moest hier de cassette verwisselen en maakte van de gelegenheid gebruik om je te vragen: “Jan, uit wat je vertelt krijg ik de indruk dat je Dolf niet zo mocht. Waarom heb je hem dan meegenomen? Het lijkt mij niks om je steeds aan iemand moet gaan zitten ergeren. Daarnaast lijkt hij dus goed bevriend met die Kale Joop, waar jij een uiteenzetting mee hebt gehad.”

Je glimlachte. “Er waren meerdere redenen om hem mee te vragen, waarvan ik er één nog even bewaar, omdat ik er op dit punt in mijn relaas nog niet zeker van was. Een reden die ik je wel kan geven, is dat ik de kentekens wel kon verzorgen, maar geen zin had om ’s nachts auto’s te moeten gaan stelen. Daar had ik Dolf voor nodig. Bovendien, de enige die een mogelijke val zou kunnen zetten voor die Kale Joop was Dolf. Daarom hield ik hem het liefst zo dicht mogelijk bij me en liet hem in de veronderstelling dat hij mee zou gaan delen in die leva deal. Maar, zoals gezegd, de belangrijkste reden komt straks aan de orde.”

De volgende morgen brachten jullie Pino naar het vliegveld. Je kocht daar meteen een zak munten voor de telefoon. Je had Gianni niet vanuit het hotel willen bellen, want je wist niet of zijn telefoon gecontroleerd werd. Als dat zo was, zou het gesprek getraced kunnen worden naar Hotel Crillon waar jullie namen waren geregistreerd. Je vroeg Pino een ogenblik te wachten totdat je gebeld had. Je draaide het nummer in Zwitserland en kreeg onmiddellijk Gianni aan de telefoon.
“Gianni, ik ben het.”
“Ciao, ik heb net mijn vriend gesproken. Hij heeft een paar keer heen en weer moeten bellen, maar het is voor elkaar. De afspraak is dat wanneer het meer of minder uitvalt, het aankoopbedrag dan verhoudingsgewijs mee fluctueert.”
“Ja, zo hadden wij het al afgesproken. Wanneer kunnen wij je vriend treffen?”

Gianni gaf je overmorgen (morgen dus) om twaalf uur op de afgesproken plaats.
“Hoe herken ik hem, Gianni?”
“Ik heb de eigenaar van het restaurant gebeld om de vergaderzaal te bespreken. Jij kent de eigenaar en die kent mijn vriend. Daar kunnen jullie rustig en ongestoord praten. Kan ik het bevestigen aan mijn vriend en de restauranthouder?”
“Absoluut, wij zullen er op tijd zijn”, zei je.

Pino had het gesprek gevolgd en keek je vragend aan. Je gaf hem een korte update en zei hem dat wanneer die zaak doorging je hem ook zou bedenken. “A’fascime fesse a’isse”, zei je in je beste Napolitaans, wat er op neerkwam dat je Pino het aandeel van Dolf zou geven.
“Regel deze zaak maar eerst, daarna zien we wel hoe de ballen rollen. Maar ik moet nu door de douane, anders mis ik mijn vliegtuig en moet ik met jullie mee naar Milaan”, antwoordde hij.
“Was anders best wel gezellig geweest”, zei jij.
Jullie namen afscheid van Pino, die je beloofd had je te zullen bellen wanneer de kentekens klaar waren.

Het was nu blazen geblazen, want jullie hadden voor de volgende dag twaalf uur een afspraak in Seregno, boven Milaan. Zelfs wanneer jullie over Basel in Zwitserland zouden gaan, was het nog bijna duizend kilometer, wat op zijn best acht uur rijden betekende. Dolf en jij reden om beurten. Dolf was een stuk opgewekter, want hij rekende nu al volop op die leva deal.
“Zou jij evengoed de auto’s erbij blijven doen als je een paar miljoen van die leva transactie mee kluift?” vroeg je, het antwoord al kennende.
“Iedere auto is vijftig ruggen winst, Jan. Twintig auto’s is dus ook een miljoen.”
“Twintig auto’s is de man tweehonderd vijftig ruggen,” rekende je hem voor, “en daar komt bij dat het risico per auto vier tot vijf keer zo groot is, dus reken dat maar uit bij twintig auto’s. Er moet volgens de wet der gemiddelden een verschutting vallen.”
“Hoe reken je dat nu uit”, vroeg Dolf, die wel altijd een gezonde dosis leergierigheid vertoonde, voorzover je dat tenminste ‘gezond’ kunt noemen. Buiten auto’s stelen kon hij eigenlijk niet veel. Ja, bemiddelen ging hem meestal wel goed af, omdat veel mensen hem graag mochten. Hij praatte netjes, ging altijd goed gekleed en was vriendelijk, dus hij kloof overal wel wat mee. Hij leerde van iedereen en leerde niemand iets.

“Fiftyfifty dat degene die de auto steelt gepakt wordt tijdens het stelen of wegrijden. Fiftyfifty dat er een verschutting valt bij degene die de nummers verandert. Fiftyfifty dat er tijdens het voortdurend moeten verplaatsen van twintig auto’s een auto tijdens het verplaatsen wordt aangehouden of dat de politie één bepaalde auto op de korrel houdt. Fiftyfifty dat er tijdens de verkoop van een auto iets misgaat.”

“Wanneer het risico zo groot is, waarom wil je er dan portie in houden?” vroeg Dolf nieuwsgierig.
“Mijn aandeel is het verzorgen en klaarmaken van ieder kenteken. Daar zit weinig risico aan. Jij neemt het grootste risico, Dolf.” Opeens begreep je de hele opzet, al betwijfelde je of Dolf hier iets van wist. Omdat Kale Joop niets van de leva’s afwist, was de transactie waar Dolf voor weg was die van de kentekens. Volgens Kale Joop zou het geld dus met de kentekens verdiend gaan worden. Dolf’s dilemma was dat hij die Kale niets van die leva’s zou kunnen vertellen, want anders moest hij afdelen. Er vanuit gaande dat de leva deal zou doorgaan, kon Dolf nu ook wel inzien dat het waanzin was om zoveel risico te gaan lopen, en dat nog afgezien van al het werk dat er gedaan moest worden met die autoringerij. Kale Joop zat aan de kassa waar het Dolf betrof en kon dus stoppen zodra hij voldoende winst had. En de Kale was niet zo dom om het noodlot te blijven tarten.

Het feit dat Dolf de hele rit uit moest zitten deerde jou niet, maar opeens wist je hoe de zaak zich zou gaan ontwikkelen. Dolf en Kale Joop waren beiden in principe nietskunners. Zij wisten niet hoe zij het kenteken moesten invullen, want dat werd door het Rijk met de computer gedaan. Ze konden maar niet uitwerken hoe ze het computerteken voor de nul (Ø) zonder computer in een serienummer moesten krijgen. Het was het makkelijkste wat er was, maar dat vertelde je Dolf niet. Dus zou het jouw taak worden om de kentekens in te vullen, temeer daar Dolf en Kale Joop ook wel konden begrijpen dat jij de kentekens zou beheren. Thuis zou je ze niet bewaren, dus er moest een ruimte worden gehuurd om de speciale schrijfmachine en de aanverwante spullen te bewaren en de kentekens te prepareren. Je voelt hem al aankomen: nadat er tien of vijftien auto’s zijn verkocht, doet de politie een inval terwijl jij net een kenteken aan het prepareren bent. Wie zou de schuld van al die gestolen en verkochte auto’s krijgen? Juist! Het zou geen zin hebben om Kale Joop en Dolf aan te wijzen, want die zouden beiden toch ontkennen. Twee tegen één, geen bewijzen tegen hen en alle bewijzen tegen jou. Perfecte opzet en perfecte wraak.

Je vroeg je af of Dolf hiervan wist. ‘Afijn, dat is voor de toekomst’, dacht je. ‘Die horde omzeil ik met mijn ogen dicht. Eén keer in de auto van de Kale vergaderen en hij krijgt twintig kentekens tussen zijn achterbank geschoven.’

“Wat ben je opeens stil, Jan”, zei Dolf vanachter het stuur. “Ik zat even in gedachten, Dolf. O ja, dat wilde ik je nog vragen. Die Baas Kloes vertelde me dat jij zo’n lekker meisje had, achttien jaar of zo?” 
“Ja, dat klopt, maar ik begin haar een beetje zat te worden,” deed Dolf onverschillig. “Het zou wel wat voor jou wezen om te laten werken.”

Jij had er op het moment geen scharreltje bij, want je was te druk met handel bezig geweest, en zo’n lekker jong ding leek je wel wat, temeer omdat Baas Kloes je had bezworen: “Jan, pak dat mokkel van die gek af, het is precies jouw type, een eerlijk nieze.”
“Waarom doe je haar dan niet over, Dolf?” vroeg je.
“Ik kan toch niet tegen haar zeggen: ‘Luister Mick, het is over tussen ons, maar Jan heeft wel trek in je’?”

“Nee natuurlijk Dolf, zo doe je dat ook niet. Maar als je er vanaf wilt, neem ik haar wel van je over. Hoe dat dan zou moeten, zien we dan wel.”

 

 

Primecrime
Primecrime
Microsoft
Marktplaats
Relatieplanet
Multicomms
Regenboogbrug
Google
Telegraaf
Informatique
Trouw
Zibb
Bizz
Bol
Amazon
HP
Samsung
Sony Ericsson
GSM Web
Nokia
RTL
Elsevier
Kro
Avro
Vpro
Vara
 
 Een unieke website voor een uniek boek
Klik om iets unieks te zien...
 Een unieke website voor een uniek boek