Jeugd kent geen deugd.
Vroeger was er ook een jeugd van tegenwoordig.
Ik moet eerlijk bekennen dat toen ik je verzoek ontving om een verslag van je levensloop te maken, ik daar niet bijzonder veel voor voelde. Wie is tegenwoordig nog geïnteresseerd in het leven van een pooier - een uitnemer die als enig ideaal heeft zoveel mogelijk geld te accumuleren om op zijn veertigste afscheid te kunnen nemen van de *scène* waarvan hij dan ruim twintig jaar deel heeft uitgemaakt?
Toen ik je dit per telefoon meedeelde, was je niet in het minst verontwaardigd. Je zei dat jij mijn gemengde gevoelens goed kon begrijpen. “In jouw plaats zou ik er waarschijnlijk precies zo over denken!” zei je. “Geef me echter een middag van je tijd en als je dan besluit dat mijn relaas aangemerkt moet worden als een weggooiverhaal, dan betaal ik je voor de verspilde tijd en trakteer je op een diner als pleister op de wonde!”
Jij wist donders goed dat het geld mij niet interesseerde, maar dat het vooruitzicht van een diner mij wel aantrok. Ik had de laatste maanden zo hard gewerkt, dat ik bijna vervreemd was van het uitgaansleven. Daarbij kwam ook nog dat ik van vroegere ervaringen geleerd had dat je een perfecte gastheer was. Ik heb altijd genoten van de etentjes en je excellente wijnkeus. Ik stemde dus toe, maar had het onbestemde gevoel dat ik nu eigenlijk precies gedaan had wat je van mij verwachtte.
Nu ik op de sessies terugblik moet ik toegeven, ook al zou niemand anders geïnteresseerd zijn in je relaas, dat ik ervan genoten heb. Met veel genoegen, maar vaak geschokt, heb ik je verhaal aangehoord en opgeschreven. Wij weten samen dat het geen epos is. Dit is het levensverhaal van een opportunist en non-conformist. Wel is waar, dat jij je morele grenzen, volgens de geldende normen, hebt verlegd. Mijn persoonlijke mening is, dat je toch een mens bent die ik graag als mijn vriend wil blijven beschouwen.
Het was onmiddellijk na de bevrijding van de Duitse bezetting, dat je het levenslicht aanschouwde. Meer dan een bevrijding was die dag voor je moeder een ware verlossing. Zij had net de hongerwinter achter de rug en was vel over been. Als baby zag je er niet uit, vertelde je mij. De dokter die hielp bij de bevalling gaf je moeder maar een zeer kleine kans dat je in leven gehouden zou kunnen worden. Je zag eruit als een opgerekt konijn, je woog nog geen vier pond en was een maand te vroeg - een gewoonte die je de rest van je leven niet meer kwijt zou raken: altijd haantje de voorste. Met veel moeite hebben je ouders je in leven kunnen houden. Er was aan alles gebrek, dus babyvoeding behoorde tot de zeldzame uitzonderingen, en nog vaker tot de onmogelijkheden.
Maar ze haalden je erdoor. Een kneus bleef je je leven lang. Platvoeten, een slecht gebit wegens kalkgebrek, veroorzaakt door het voedselgebrek gedurende de oorlog. Echter, toen je vier jaar oud was, begon je er toch wel bevallig uit te zien. Blonde krullen en lekker rond. Rijp voor de kleuterschool. Een dag die je altijd bij is gebleven - jouw ouders trouwens ook - want je stond te brullen als een wilde beer toen je aan de zorgen van de schooljuffrouw werd toevertrouwd. Op dit instituut werd jij je ervan bewust dat er wel degelijk een anatomisch verschil bestond tussen jongens en meisjes. Rokken waren om onder te kijken, een vorm van vermaak die je meteen al duur kwam te staan.
Tijdens het eeuwenoude spel van doktertje spelen in de bosjes met een van je klasgenootjes (die het omstreden piemeltje overigens bleek te missen) werd je betrapt door de schooljuf. Zij meende je te moeten straffen door je in je blote kont voor de hele klas te kijk te zetten. Vanaf die dag had je de reputatie dat je een viezerik was.
Was de kleuterschool al hobbelig voor je geweest, de lagere school was een kwelling voor je. Ondanks het feit dat je uitstekend kon leren, was je de mening toegedaan dat er een veel interessanter terrein onder de rokken braak lag. Je kon je maar slecht neerleggen bij discipline en autoriteit. Waren de onderwijzers goed over je leerprestaties te spreken, over je gedrag waren ze dat duidelijk minder. Tweeën voor gedrag en vlijt behoorden niet tot de uitzonderingen. Je doorliep de zes klassen echter moeiteloos, en deed toelatingsexamen voor de hbs. Je slaagde glansrijk. Was de lagere school een bezoeking voor je, de hbs leek op een paradijs. Hier deed je namelijk een tweede ontdekking. Het was niet alleen aangenaam toeven onder de rokken, maar als bonus waren er truitjes die vaak gevuld waren met tweelingsurprises die varieerden van klein, hard en puntig tot zacht, slap en monstrueus. Omringd door zoveel verlokkingen kon je je aandacht maar slecht tot de lessen beperken. Het resultaat was dan ook dat je cum laude de eerste klas over mocht doen. Om eerder genoemde redenen bleef je ook de tweede keer weer zitten, waarna het *appa* was en je van de hbs af moest. Dit was een bittere teleurstelling voor je vader, die zich kapot werkte om zijn zoon te laten studeren, maar het was niet anders.
Je werd op een christelijke lts geplaatst en je besloot om er nu eens echt wat van te gaan maken. Dit kon ook makkelijk, want op de ambachtsschool zaten er geen gleufjes in je klas die je aandacht afleidden en je wormvormig aanhangsel opleidden. Deze reis behoorden de negens en tienen niet tot de excepties. Je leerprestaties gingen opvallen, en wel zo dat je ouders werden uitgenodigd tot een gesprek met het hoofd van de school. Zij werden geadviseerd je een speciale cursus te laten volgen. Mocht je daarvoor slagen, dan kon je meteen toelatingsexamen doen voor de hbs, zodat je voor ingenieur kon gaan studeren.
Je gaf je ten volle over aan je studie, totdat je seksuele interesses je opnieuw parten begonnen te spelen. Om een beetje flinker te lijken, ging je condooms verkopen in de klas. Dit bleef natuurlijk niet onopgemerkt door de leraren. Je werd ter verantwoording geroepen bij het schoolhoofd, die je bekeek alsof je zojuist zijn vrouw een oneerbaar voorstel had gedaan. Heroïne verkopen in plaats van kapotjes – het had niet ernstiger kunnen zijn. Je bezwoer het schoolhoofd dat je nog nooit je handel had getest, maar het baatte je geen zier. Het resultaat was dat ‘de heiden’ van de christelijke school verwijderd werd. Toen was de maat wel vol voor vader Ter Haak. Hij raasde tegen je: “Luister eens, zoonlief, wanneer jij te beroerd bent om te leren, ga je maar werken net als ik!”
Dat je ook te lui was om te werken, wist je toen nog niet, dus voorlopig kon je je wel in die suggestie vinden. Afgezien van je passie voor kieren, billen en ballen, had je nog een hobby ook: je mocht graag knutselen met elektrische apparaten. Dit leek je kans om aan je trekken te komen. Dat gebeurde ook, echter niet in de vorm die jij je gedacht had.
Je solliciteerde en werd aangenomen bij een grote firma in elektromotoren. Je werk bestond uit het schoonkrabben van de collectoren van elektromotoren, met het vooruitzicht dat wanneer je dit zo’n dertig jaar naar beste kunnen had volbracht, je misschien ook nog wel eens een ankertje mocht wikkelen. Aan het einde van de eerste werkdag was je nog zwarter dan een neger in een kolenmijn, en je stonk als een Arabier uit zijn gulp. Dat alles voor de remuneratie van vijftien gulden in de week. Je had dus twee gulden tweeënzeventig verdiend, want je bleef precies een dag en nam eervol ontslag. Vader weer kwaad. Gelukkig was er een betrekking vacant bij een ander elektriciteitsbedrijf.
Je kon daar beginnen als bedradingmonteur. Dit was een baan die je wel beviel. Schoon werk, en niet zo geestdodend als collectoren krabben. Je hield dit dan ook een paar maanden vol totdat je door je gebrek aan discipline ook hier weer ontslagen werd.
Na de zoveelste ruzie thuis besloot je uit huis te gaan. Dat moest toch wel kunnen op vijftienjarige leeftijd, vond je. Je sloot je aan bij een nozembende die in de buurt van de Dam en de Nieuwendijk opereerde. Je sliep samen met een lotgenoot in een onbewoonbaar verklaarde woning bij het Waterlooplein. Hier kon je je pas echt goed aan je hobby wijden, en vertelde iedere nacht van huis weggelopen meisjes een verhaaltje op een oude stinkende matras. Het aanbod van dakloze meisjes was zo groot dat je van gleuf naar kier naar gat wipte. Je jongeheer werkte over zonder enige klacht. Ja, je was danig in je sas en in je nopjes met de knopjes.
Op een dag vroeg je vriend je mee om bij zijn moeder, die om de hoek woonde, wat te gaan eten en koffie te drinken. Daar aangekomen kregen jullie eerst op je falie omdat jullie van huis waren weggelopen, en daarna een abondantie van voedsel. Dat ging er goed in, want jullie hadden geen cent te makken. Armoe was constant troef. Tijdens het schransen ging plotseling de deur open en daar stapte een meisje van ongeveer vijftien jaar de kamer in; de zuster van je vriend. *Addenojeleine*, wat een knoert was dat, wat een schoonheid. Je was er helemaal aangeslagen van. Toen je vriend voorstelde om maar weer eens op te stappen, kon je hem wel voor zijn kop stompen. Op je vraag wie die megaster was, zei hij tegen je: “Dat is mijn zuster!, een trut eerste klas, niks voor jou.”
Jij vond dat het nou juist wel iets voor je was, en zeurde iedere dag zijn kop gek om koffie bij zijn moeder te gaan drinken. Zijn zuster heette Ria. ‘Ria, Ria, Ria’ gonsde het de hele dag door je hoofd. Zou je misschien verliefd zijn? Ria vond jou ook wel interessant, dus wat dat betrof zat het wel snor. Het enige probleem was dat ze verkering had met een jongen die op zee zat. Zij ging wel met je naar de bioscoop, maar je handen moest je in je zakken houden. Een zoen was er al helemaal niet bij. O, wat had je het moeilijk. Zwaar verliefd en geen enkele respons op je zuivere gevoelens voor haar. Toen kwam de dag dat de zeeman thuiskwam. Nu had eigenlijk je illusie over moeten zijn - als je geen Jan ter Haak geheten had. Hier moest iets geïmproviseerd worden, vond jij, want van opgeven wilde je niet weten. De zeeman was zeventien jaar oud. Meer een zeejongen nog eigenlijk.
Hij had een snoet als een zeehond. Waar is zij nou gek op?, vroeg je je verwonderd af. Je besloot om maar een beetje te gaan stoken in die innige relatie.
“Leuk meisje wel”, complimenteerde je de zeerob.
“Ja hè, vindt je ook niet?”
“Nou, zeker. En vlot ook.”
“Hoe bedoel je precies?”
“Ach, je weet wel, echt vlot, leuk om mee uit te gaan en tenminste niet zo preuts als al die andere trutten.”
“Wat bedoel je met 'niet preuts'?”
“Hé, ben jij nou een zeeman?”
“Je bedoelt toch niet dat terwijl ik op zee zat, zij met anderen...?”
“Ja, hoor eens even, wat verwacht jij van mij, ik ben geen verrader.”
“Nee, dat weet ik wel Jan, maar hoe kom ik daar nou achter?”
“Zal je haar moeten vragen, denk ik zo.”
“Kolere, hoe moet ik dat nou inkleden?”
“Nou, je zou haar kunnen zeggen dat voordat je met haar trouwt, je er zeker van wilt zijn dat zij nog maagd is. Dat wordt al eeuwen zo gedaan.”
“Juist, dat doe ik beslist!”
Dat deed de zeekoe dan ook. Jij stond in de tussenkamer het gesprek, dat al spoedig in een ruzie ontaardde, af te luisteren. Het einde van de verkering werd luidkeels door Ria geannonceerd. Zo, nu was het nog maar een kwestie van tijd. In elk geval had je alvast meer armslag. Gelukkig werd je geduld niet al te zeer op de proef gesteld. Op een dag, toen haar moeder naar haar werk was, werd je het al snel met Ria eens. Toe grote voldoening kon jij vaststellen dat zij inderdaad nog maagd was, al heb je dat nooit aan de zeeman verteld.
Je was zo verliefd en jaloers tegelijk dat je het huwelijk als enig middel zag om haar nooit meer kwijt te raken. Aangezien je al voor hetere vuren had gestaan waren de voorbereidende werkzaamheden, met behulp van je vleespieper, snel geklaard: Ria raakte zwanger.
Het behoeft geen betoog dat jullie ouders hier niet erg enthousiast over waren. Zij vonden dat jullie nog veel te jong waren en dat het leven nog zoveel te bieden had. Maar nood brak wet en aangezien jij pas zestien jaar was, moesten jullie trouwen met de toestemming van de koningin. Een maand na de bruiloft beviel je vrouw van een dochter.
Je stond zo trots naar die kleine hummel te kijken, alsof je haar met je eigen handen had gemaakt. Jullie woonden in bij je schoonmoeder. Dukaten waren er weinig en jullie leefden van de ene dag in de andere, tot het moment dat jij voor een koppelbaas in Duitsland kon gaan werken: je werd uitgezonden om als bedradingmonteur in een hijskranenfabriek in Butzbach, bij Frankfurt, aan de slag te gaan. Zondagnacht vertrok je met nog acht elektriciens in busje naar Butzbach. Jullie reden de hele nacht door om vervolgens om zeven uur ’s morgens meteen aan de arbeid te kunnen.
De arbeidsuren liepen van zeven tot zeven, en als je dan afgepeigerd aftaaide, ging je naar de barak om daar doodmoe in het nog warme bed te vallen van een collega die de nachtdienst draaide. Wat een ellende. Toen het zaterdagavond was geworden ontstond er enige onduidelijkheid in de barakken. In plaats dat iedereen zich uitkleedde voor de nacht, trok het hele garnizoen pak één aan. Op jouw vraag wat er te gebeuren stond, kreeg je als antwoord: “O, dat is niets voor jou. Krab jij eerst dat pukkeltje van je maar eens open!”
Toen jij die leuke collega had uitgelegd dat je pukkeltje al vanaf je dertiende jaar regelmatig werd uitbesteed, en dat allemaal zonder te hoeven krabben, en dat je al meer dozen had gezien dan dat je medewerkers frikadellen hadden gegeten, mocht je met ze mee. De enige voorwaarde die ze stelden, was dat je geen alcoholische drank zou gebruiken. Nou, dat was dan ook precies het enige wat je niet zou doen. Jullie kwamen in een bar terecht die niet door de autochtonen werd gefrequenteerd. Sterker nog, het etablissement werd gemeden door de dorpelingen, want de penetrante geur van betaalde liefde was alomtegenwoordig. De levende inboedel bestond uit een barmeisje en een dozijn animeermeisjes met daaraan vastgelijmde Amerikaanse militairen, die er in de buurt waren gestationeerd. Je maten probeerden af en toe zo'n kietelpoes naar zich toe te halen, maar dat bleef bij vruchteloze pogingen. Het werd duidelijk dat de dollars niet alleen harder waren, maar ook zwaarder wogen dan marken. Hierover gefrustreerd zetten je collega’s hun voor vluggertjes bestemde marken om in *jajem*. Ze dronken als tempeliers, terwijl jij op je hoekje van de bar niet echt van je 'Apfelsaft' zat te genieten. Je keek erbij met een gezicht alsof je met je achttiende jaar alles al had gezien.
Het meisje achter de bar leek de enige aanwezige vrouw te zijn die niet inging op de galante voorstellen van de *GI*'s. Zij was duidelijk nog minder geïnteresseerd in de steeds banalere invitaties van de elektrische clientèle.
Je had al gemerkt dat zij je een paar keer op had zitten nemen, maar je vond dat je het aan je imago was verplicht om haar te negeren, en deed dan ook alsof ze niet bestond. Blijkbaar raakte ze hierdoor geïntrigeerd, want na elkaar twee uur ontweken en niet en wel bekeken te hebben, kwam zij op een zeker ogenblik naar je toe. Een zwoel Duits stemmetje vroeg of je van haar iets wilde drinken. Je antwoordde dat je nooit iets van vrouwen aannam en dat zij maar iets van jou moest drinken. Tot je verbazing en voldoening nam zij geen sekt of een Tom Collins, maar een Coca Cola. Ze kwam naast je zitten en begon tegen je te praten. Zij stelde zich als ‘Jackie’ voor en vroeg wat je in Duitsland deed. Je legde haar uit dat je voor ingenieur studeerde en daarvoor stage moest lopen bij een grote Duitse fabriek. Alles wat je haar vertelde was *wunderbar*, en toen jij haar quasi onverschillig uitnodigde om te dansen, vond zij dat *fabelhaft*... Blijkbaar stond zij in de startblokken, want je had haar nauwelijks ten dans gevraagd of zij wiebelde al op de dansvloer. Daar kon ze wat beter bekeken worden en je kwam algauw tot de conclusie dat zij beslist ook ‘wunderbar en fabelhaft’ genoemd kon worden. Gadegeslagen door de niet begrijpende GI's en jaloerse, ondertussen straal bezopen maten, danste jij met Jackie of je leven er vanaf hing. Tegen sluitingstijd vroeg Jackie wat je erna wilde gaan doen.
Met een nog steeds vlakke en emotieloze stem zei je: “Ik ga in Giessen kijken of er nog een beetje knappe nachtclub open is.”
“Heb je er bezwaar tegen als ik met je mee kom?”, vroeg Jackie.
“Nee hoor, kom maar mee als je dat graag wilt.”
Je hart ging als een gek te keer, en je kon nauwelijks geloven wat er allemaal gebeurde. Je collega’s begrepen er nog minder van, want die vroegen uilachtig waar je naartoe ging.
“O, ik ga nog een beetje verderop kijken met dat *kalletje*.”
“Hij vertelt wat, ga je echt met haar mee?”
“Nee, zij gaat met mij mee, met het pukkeltje, weet je nog?”
“Neem haar straks mee naar de barak als je klaar bent.”
“Nou, ik dacht dat ik daar maar even mee moest wachten, vinden jullie ook niet zo?” antwoordde jij oncollegiaal.
Je verzocht Jackie, met een achteloosheid alsof je een ton te verteren had, of ze een taxi wilde bellen. In Giessen aangekomen zag je dat de taximeter op vijfenveertig mark stond, en dacht: Kolere, dat is negentig mark heen en terug. Dat gaat lekker vlot, nou nog een mutje vertering en je hebt een halve week voor *nada* gewerkt.
Hoe onredelijk ook, op dat moment kreeg je opeens een hekel aan die Jackie. Het leek echter wel of zij je gedachten kon lezen, want zij trok haar *platvink* en betaalde de chauffeur. Toen vond je haar plotseling wel weer lief. Ook in de armoedige en schaars bezochte nachtclub betaalde je *Mädchen* en het kostte je totaal geen moeite om haar steeds sympathieker te gaan vinden.
Bij het verlaten van de nachtclub vroeg Jackie naar je verdere plannen.
“Stel jij maar wat voor.”
“Mag ik het zeggen?” vroeg Jackie.
“Wat jij wilt, het is jouw nacht.”
Jackie sleurde je het eerste het beste hotel in en bestelde een tweepersoonskamer, die ze trouwens ook vlot schoof. ‘Nou kan er toch weinig meer stuk, wat een goudvink ben ik’, dacht je terwijl je achter Jackie aan hobbelde. In de kamer kleedde je je uit alsof je al twintig jaar met haar getrouwd was, en wachtte op de dingen die nu ongetwijfeld zouden komen. Jackie volgde je voorbeeld en kwam naast je liggen. Terwijl zij zich nog aan het uitkleden was, had je haar eens goed bekeken, en twijfelde er geen moment meer aan dat het aangenaam toeven het haar zou worden. Lang zwart haar, donkere amandelvormige ogen, een paar flinke longen en voor de rest een beetje *skinny*. Aangezien zij met het betalen zoveel initiatief had getoond, besloot jij haar het figuurlijke heft uit handen te nemen en tegelijkertijd het letterlijke heft in handen te geven, en ging in de aanval.
Je speelde een door jezelf gecomponeerde melodie die haar bijzonder goed beviel. Zij hield vooral van het refrein. Een staccato fortissimo, om beurten gespeeld in de 'tunnel of love' en daarna weer in de ‘bijkeuken’. Ja, je kon wel zeggen dat je flink van leer was getrokken, want toen je je kluit ging wassen, stond je te trillen op je benen. ‘Wel gezellig, maar vijf keer op een nacht is toch echt wel genoeg’, peinsde je in de douche. Zittend op de rand van het bed zat je nieuwe prinses je met stralende ogen te bekijken. Zij vertelde wat een echte kerel je was: ‘Niet zo één van naaien, omdraaien en slapen’. Daar kon je wel mee instemmen. Gelukkig was je die tijd nog naïef genoeg om alles van vrouwen te geloven. Maar je zou er snel genoeg achter komen dat wanneer een vrouw iets zegt of vaststelt, het omgekeerde eerder kwam.
De terugweg verliep zwijgend; hand in hand zaten jullie achter in de taxi verliefd te zijn. Jackie bracht je naar de barakken en ging zelf terug naar de bar waar ze werkte en woonde. Terwijl je uitstapte, vroeg ze je of je die avond ook zou komen en bij haar zou blijven slapen. Je zei dat je wel zou kijken wat je deed. In de barak werd je enthousiast onthaald door je maten en je moest vertellen hoe je gevaren was met die *uitgooier*. Dat was niet moeilijk, je vertelde het hele verhaal in geuren en kleuren. Uiteindelijk moest je ze toch even laten weten dat je geen dooie was. Natuurlijk ging je die avond weer naar die bar om Jackie te ontmoeten.
De avond ging om met dansen, kleine kusjes en een flinke portie gespeelde onverschilligheid van jouw kant. Op Jackies vraag of je die nacht bij haar bleef slapen, antwoordde je dat dit niet mogelijk was, omdat je de volgende ochtend om zeven uur weer aan de bak moest.
“Ach wat, dan betaal ik toch wat je daar verdient, dan kan je lekker de hele nacht bij me blijven.”
Jij vroeg haar hoe lang ze dat dacht vol te kunnen houden. Je gaf voor het gemak van tellen maar een dubbel weekloon op. Een ingenieur in wording zou toch zeker niet veel minder verdienen? Toen viel er een koekje uit de trommel: Jackie zei dat ze, als je bij haar bleef, voor je in een *Freudehaus* voor je zou gaan werken. Jij kon je oren niet geloven, en vroeg of ze dat even wilde herhalen, omdat je de Duitse taal niet volledig machtig was. ‘Zij zal toch geen bejaardentehuis bedoelen?’ vroeg je je paniekerig af. Maar nee, je had het wel goed begrepen en zag al een nieuwe wereld voor je opengaan. Je protesteerde hevig, voor de vorm, en zei dat je zo veel van haar hield, dat je er niet aan moest denken dat ze met andere mannen naar bed zou moeten. De vorige avond mocht je haar dan wel verteld hebben dat je nooit iets van vrouwen aannam, maar als het getij verloopt, moet je de bakens toch verzetten, nietwaar?
Zo lukte het Jackie moeiteloos om je ervan te overtuigen dat dit de beste oplossing was. Ze mocht zich eens bedenken. ‘Dat is lekker eten’, dacht je. Je kreeg al visioenen van sportwagens, dertig pakken in de kast en een gouden polshorloge. Wat jou betrof, mocht ze meteen beginnen. Jullie kwamen overeen dat zij aan het eind van de week met jou en je maten mee naar Holland zou rijden. Daar zou je dan woonruimte voor haar zoeken, en een plek waar ze kon werken. Met Duitsland had je opeens niet zoveel meer op.
Als je dan toch souteneur zou worden, dan maar liever dicht bij huis, dan konden je vrienden ook meteen even zien dat je het had gemaakt. Ook het feit dat je een vrouw en een dochter had, gooide flink wat gewicht in de schaal. Om die nu voor Jackie in de steek te moeten laten, zag je niet zo zitten. Wel hoopte je het met Ria op een akkoordje te kunnen gooien. Dat was nog eens een week met een fijn vooruitzicht. Je liet je maten op het werk 's morgens en 's avonds je prikkaart voor je afklokken, zodat je aan het eind van de week toch je loon zou vangen. Had je wel recht op, vond je. Het bedrijf was zo groot dat je toch niet gemist werd.
Vrijdagavond haalde je je salaris en Jackie op, en jullie vertrokken met de bus naar Nederland. Aangekomen in Amsterdam bracht je Jackie naar een hotel. Zelf ging je naar huis om Ria het heuglijke nieuws mee te delen. Dat pakte echter ietwat anders uit dan je gehoopt had; Ria stond bepaald niet te trappelen van vreugde. Integendeel, eerst begon ze te huilen en daarna veegde ze je de mantel uit: “Vuile vieze kankerpooier, als jij zo nodig met die teringslet moet zijn, dan kan je er wel bij gaan wonen ook.”
“Luister nou even, Ria...”
Maar Ria luisterde niet. Je kon praten als een landsadvocaat, het was kiezen of delen: Ria of Jackie.
Het was een flink dilemma voor je, maar dat loste Ria snel voor je op door te zeggen: “Als het zo moeilijk is om te kiezen, rot dan nou maar meteen naar die pestslet.”
Je vertrok om geen matschudding te maken, nadat je eerst op de trap nog een schop in je nek had moeten incasseren. Verwonderd over zoveel onbegrip liep je zwaar verongelijkt door de straten. Uiteindelijk had zij het er toch ook veel beter door kunnen krijgen. Maar ja, dacht je, als er over een paar maanden een nieuwe Chevrolet cabrio met mij aan het stuur haar straat in komt rijden, dan zal je je nog wel bedenken. Uit armoede liep je maar het hotel waar Jackie logeerde. Het leven ging door, en je moest toch ergens slapen. Jackie keek aangenaam verrast toen je de kamer binnenkwam.
“Moest jij niet thuis slapen?”
“Nee, toen ik thuis kwam was het eten niet klaar en ik kreeg daardoor ruzie met mijn vrouw. Ik besloot toen maar meteen om de knoop door te hakken, want ik ben eigenlijk liever bij jou, Jackie”, loog je.
"Houd je dan echt van mij, Jan?”
“Stomme vraag, vind je ook niet?” ontweek jij.
“*Ja Liebchen, da hast du Recht*.”
Die nacht componeerde je je liefdesstuk met minder elan dan de voorgaande keren. Het leek wel of je een stuk van jezelf bij Ria achtergelaten had. Het leven van een bikker ging bepaald niet over rozen, concludeerde je. Het leek of Jackie voelde dat er iets aan schortte: “*Denkst Du an deiner Frau*?”
“Nee, ik zit er alleen een beetje over in dat jij straks met andere mannen naar bed moet. Maar zoals je al zei, het zal wel wennen.”
De volgende morgen ging jij er met Jackie op uit om een stek te zoeken waar ze aan het werk kon. Aangezien je zo groen als gras was in de *bizzo*, kwam het niet in je hoofd op om haar gewoon achter een raam te planten. Je deed het op de moeilijkste manier door haar in het Centraal Station te laten *pieren*. Daar lummelden de meeste van je vroegere vrienden ook rond. Kon je meteen een oog op Jackie laten houden. Het bleek echter al spoedig dat Jackie wel een luie hoer was. Na haar eerste klant stond zij meer bij de krokettenautomaat dan op haar stek. Je vermoedde dat het voor haar voldoende was als ze haar eten en de hotelkosten verdiende. ‘Nou ja, dat werken wij nog wel bij’, dacht je. ‘Misschien moet ze nog even wennen. Maar dat moet toch echt niet te lang gaan duren, anders komt die Chevrolet er nooit.’ Zo gingen er vier dagen en nachten van louche hotels en kroketten voorbij.
Op een slechte dag kwamen er vier agenten het station in rennen. Ze pakten Jackie op en smeten haar in een politiebus. Je stond er naar te kijken alsof je water zag branden. Dag hoer, dag sportwagen!
Je vrienden vertelden je dat ze naar de vreemdelingenpolitie gebracht zou worden en daarna over de grens zou worden gezet. Je ging dus naar de vreemdelingenpolitie om te vragen waarom Jackie opgepakt was. De agent die voor je informeerde, vertelde je dat ze was opgepakt omdat ze geen vaste woon- of verblijfplaats had en niet over een verblijfsvergunning of middelen van bestaan beschikte. Daarom zou zij de volgende dag de grens over gezet worden. Jouw vraag of je haar nog even mocht spreken werd met een stellig 'nee' beantwoord. Wel mocht je een briefje met een contactadres voor je vlam achterlaten.
Gedesillusioneerd liep je het bureau uit. Wat moest je nu? Koets weg, paard weg en de koetsier ook nog pleite. Dag mooie toekomst. Er zat niets anders op om maar te wachten tot Jackie weer contact met je op zou nemen, zo zij dat ooit nog zou doen.
Je kon zolang bij een vriend intrekken. De lust om te gaan werken was je intussen vergaan, maar je moest wel aan geld zien te komen. Goede raad was duur, totdat je vriend tegen je zei: “Jan, doe toch net als ik, ga drie keer op een avond met een flikker mee. Dan heb je ook een daggeld verdiend.”
“Ik zou je lekker danken zeg, ik kan nog geen lucifer in mijn hol verdragen, laat staan de stok van een bruinwerker. Nee, dan ga ik nog liever inbreken.”
“Je lijkt wel gek, man, er is totaal niets aan. Je vraagt vooraf geld aan zo’n *poot*, dan doe je een kapotje om zijn stok, geeft er een slinger aan en klaar is Kees, of hoe hij dan ook heten mag. Het is schoner dan in een slagerij werken.”
Nu had je inbreken toch altijd al een beetje gênant gevonden; het gaf volgens jou geen pas om in andermans spullen te snuffelen en de gevangenis lokte je ook al niet erg aan. Dus liet je je overhalen om als *broodpoot* de straat op te gaan. Je liet je het verhaal nog een keer goed uitleggen en ging toen met je kleedje op stap. Op de hoek van de Singel en de Munt vatte je post en het duurde niet lang of je werd *aangekatst* door je eerste poot-entiële klant. De mie gaf je vijfentwintig gulden en jij bracht de theorie in praktijk.
‘Eigenlijk wel makkelijk verdiend’, dacht je toen de nicht zijn ogen sloot en begon te knorren. Maar toen hij je een zoen wilde geven, stompte jij hem voor zijn kop en maakte dat je wegkwam. Zo zal je een dag of vier *gepierd* hebben toen er tot je grote opluchting en blijdschap een brief van Jackie in de brievenbus lag. Je vingers trilden van opwinding en je scheurde de brief zowat in stukken.
Jackie schreef dat zij tijdelijk bij een vriendin in Frankfurt woonde; of je zo snel mogelijk naar haar toe wilde komen. Daar hoefde je niet lang over na te denken, en na nog een avond voor de reiskosten gepeesd te hebben, toog je op pad. Je had besloten om te gaan liften. Dat was wat avontuurlijker en bespaarde je nog geld ook. Uitgerekend de eerste auto die stopte, werd door een flikker bestuurd die vroeg je waar je heen moest.
“Naar Frankfurt”, zei je.
“Als je van een spelletje houdt, breng ik je tot aan de grens”, stelde de pederast voor.
Jij zei hem dat hij de tyfus kon krijgen. Je had meer dan genoeg lullen gezien, de laatste dagen, en aangezien je nu op vakantie was, wilde je je plezier niet door zaken laten vergallen. Ja, je was nog een hoer met klasse ook, hè?
Gelukkig kreeg je snel een andere lift tot Arnhem en van daar een vervolglift naar Oberhausen. Na twee uur gewacht te hebben op de afrit naar Keulen, kreeg jij vervolgens ook nog eens een lift naar Frankfurt, je bestemming. Je was danig in je nopjes. Na een tijdje in het centrum rond gesjokt en ontelbare keren de weg gevraagd te hebben besloot je maar een taxi te nemen. Een paar minuten later arriveerde je op het gezochte adres.
Je betaalde de chauffeur en liep met bonkend hart de trap op naar het appartement, waar de vriendin van Jackie woonde. Je belde aan en een oudere vrouw opende de deur: “*Wer sind Sie*?”
Jij zei dat je ‘Jan aus Holland’ was en dat je voor Jackie kwam. Je hoorde een brul achter in de gang en even later groeide er een Duitse vriendin uit je nek. Zo, je had je renpaard weer terug. Na de door haar vriendin gezette koffie te hebben genuttigd, verlieten jullie samen het appartement.
In een restaurant vertelde Jackie over haar ervaringen van de laatste dagen. De tweede dag na haar arrestatie was zij de grens over gezet. Haar was gezegd dat als ze weer in Holland opgepakt zou worden terwijl ze stond te pezen, ze gearresteerd zou worden voor *Landstreicherei*. Jackie zei dat zij liever niet meer naar Holland ging. Jij vond alles best, je was veel te blij dat de kostwinner weer terug was.
Toen jullie haar *Schweinebrat mit Sauerkraut* - rijkelijk besprenkeld met Liebfraumilch - verorberd hadden, vroeg jij Jackie wat zij dacht dat het beste was. Ze zei dat ze nog geen éénentwintig was en daarom dus niet in een *Puff* kon werken. Ze zou dus voorlopig *auf den Strich gehen*. “Als jij hier nu blijft wachten dan zoek ik een *Freier* op”, zei Jackie.
“Laat je mij niet zo lang *alleine*, schat?” vroeg jij, inwendig genietend toen zij vertrok.
Gedurende Jackies afwezigheid liet je je vorstelijk vollopen met Liebfaumilch. Melk van lieve vrouwen; hm, alle vrouwen waren lief.
Je was al aardig aangeschoten toen Jackie binnen kwam stuiven. Zij deelde je gejaagd mede dat jullie er zo snel mogelijk vandoor moesten. Je vroeg haar niets, maar pakte meteen je spullen terwijl Jackie, zoals gewoonlijk, betaalde.
“Ik heb een *hip*, die in slaap was gevallen, bestolen en ben toen *abgehauen*,” vertelde Jackie je buiten, “en ik heb driehonderd Mark.”
‘Leuke opsteek,’ dacht jij, ‘zij gaat zeker haar leven beteren.’
In de trein naar Darmstadt vertelden jullie elkaar hoezeer je elkaar had gemist. Jackie wist goed de weg in Darmstadt. Geen wonder; ze had hier vijf jaar gewoond. Zij troonde je mee naar een gezellig uitziend *Gasthof* waar jullie je lieten inschrijven. Na bijna een week van alleen maar toonladders geoefend te hebben met klanten van dezelfde kunne was het een verademing om met Jackie de vijfde symfonie van Beethoven weer eens door te nemen. Jij dirigeerde alsof je voor en volle zaal stond, en bij de finale gaf Jackie een kreunende ovatie. Een week vakantie in het Gasthof en toen waren de pecunia op, zodat Jackie weer aan de bak moest. Jij hield je in een *Bierstube* onledig met de plaatselijke schoonheden en je liet je vollopen met bier, terwijl mams de kost aan het verdienen was.
Het bleek dat je alleen grote plassen kon zeiken van bier en niet van Jackies verdiensten, want toen ze na drie uur ten tonele verscheen, had ze maar net genoeg geld om de vertering te betalen. Dat zij een nymfomane was en voor haar plezier lag te rammelen, kon je toen nog niet bevroeden.
Wist jij ook veel. Na nog een week in het hotel gelogeerd te hebben, maakte Jackie je duidelijk dat jullie maar beter met stille trom konden vertrekken. De hoteleigenaar had haar namelijk al een paar keer aangemaand om de rekening te betalen.
Jij was het ondertussen knap zat geworden om steeds in een bar op haar te wachten, zonder te weten of zij in de tussentijd wel wat verdiende. Je bracht haar aan het verstand dat wanneer er zich geen verbeteringen zouden voordoen, jij weer naar Holland terug zou gaan om verder te studeren. Jackie begon te huilen en beloofde beterschap
“Laten wij naar Düsseldorf gaan, Jan, daar zit veel meer geld en zal ik wel beter verdienen”, stelde zij voor.
Nu moesten jullie alleen nog even ongezien het hotel uit zien te komen. Geld om de rekening te betalen hadden jullie niet, en het leek alsof de eigenaar al zoiets vermoedde. Hij bekeek jullie namelijk met argusogen, iedere keer dat jullie het hotel verlieten. Het was onmogelijk om zonder te betalen met jullie bagage van wiek te gaan. Je vond het een *verschutting* om tegen die dikke mof te zeggen dat jullie geen geld hadden. Je vond het echter nog bezwaarlijker om je kleren achter te laten, dus je vroeg aan Jackie: “Hoe komen wij hier in godsnaam weg met onze koffers? 's Nachts gaat het niet, want er zit een elektrisch slot op de buitendeur. Die vette lap bedient dat slot vanuit zijn slaapkamer om de eventuele late gasten binnen te laten.”
Jackie wist wel een oplossing: “Wanneer jij nu vanavond in je kamer blijft, dan ga ik nog wat werken. Ik bel dan vannacht om twee uur aan en zeg in de intercom dat het Fraulein Schweizer is. Jij zorgt dan dat je intussen met je koffers beneden staat. Wanneer de dikke baas op zijn knopje drukt, loop jij naar buiten in plaats van dat ik naar binnen loop. *Einfach, nicht*?”
Dat was zeker eenvoudig. Jij begon zo langzamerhand je bedenkingen te krijgen tegen dit meisje. Ze was iets te vlot naar je zin met oplossingen. Het leek erop alsof zij nooit anders had gedaan tot haar twintigste. Maar vooralsnog had je andere zorgen aan je hoofd.
‘Als dat maar goed gaat’, dacht je, terwijl tante groot toilet stond te maken om die avond toch nog met wat oortjes thuis te komen. De avond kroop om, terwijl jij op bed lag te wachten tot iedereen in diepe rust zou zijn. Uitgerekend bleek er die avond een feest in het hotel te zijn, en toen Jackie om twee uur een steentje tegen de ruit gooide, was het feest nog in volle gang. Je maakte haar duidelijk dat ze om vier uur terug moest komen om het nog eens te proberen.
Tegen half vier was het rustig in het hotel en je wachtte ongeduldig op Jackie. Die kwam echter pas om vijf uur aan kakken. Daar ging je dan. Je deed heel voorzichtig de kamerdeur open en pakte de koffers om daarna de gang op te stappen.
Je had het gevoel dat je het lawaai van een dolle olifant maakte. Alles kraakte en piepte, de deuren, de traptreden, de handvaten van je koffers en je trillende knieën.
Bij de glazen buitendeur aangekomen, zweette je als een otter en je kon je niet herinneren dat je ooit eerder zo bang was geweest. Insluipen lag je niet, maar uitsluipen nog veel minder. Jackie stond voor de deur. Op jouw teken drukte zij op de bel van de intercom.
“*Wer ist da*?” klonk het naast je. Je schrok zo hevig dat je zowat door de glazen deur naar buiten viel. Toen realiseerde je je dat het geluid uit de intercom kwam. Jackie zei iets in de intercom en iemand begon in het Duits te vloeken. Na een eeuw kwam de verlossende klik van het deurslot.
Je begon te rennen met de koffers totdat je ingehaald werd door Jackie. Zij vertelde dat er een vriend van haar met zijn auto op de hoek stond te wachten om jullie naar de autobahn te brengen. “Waarom heb jij me godverdomme zo lang laten wachten, Duitse etterbak?” schold je tegen haar. Jackie verontschuldigde zich en zei dat ze met haar vriend had zitten praten en niet op de tijd had gelet.
“Je zal wel hebben liggen kofferen met die fijne vriend van je. Had je toevallig nog iets verdiend ook?” raasde je.
“*Nur zwanzig Mark*”.
“Pak die dan even aan voor de mazzel”, ontplofte jij en gaf haar een penalty in haar maag. “Ga jij in het vervolg in je eigen tijd liggen kledderen”, schreeuwde je.
De Duitse vriend die alles gezien en gehoord had, deed er wijselijk het zwijgen toe en hield de deur van een oude Ford Taunus open. Hij had zeker al begrepen dat er met Hollandse *bikkers* niet te spotten viel. Hij reed jullie naar een aftands chauffeursrestaurant op de autobahn en rotte toen gelukkig op. De twintig mark waren net genoeg voor vier porties *Bockwurst mit Kartoffelsalat* en vier glazen Alt. Hier zakte je slechte bui een beetje. Je bekeek Jackie niet en deed alsof je nog steeds razend op haar was. Onderwijl dacht je: ‘Als het in Düsseldorf nou even meezit dan spaar ik tien ruggen bij elkaar en geef dan dat koekblik een vrijzetter.’ Jackie zat je de hele tijd met die grote bruine, zaadvragende ogen aan te kijken, en omdat je haar maar bleef negeren, bedelde zij: “*Sei doch nicht mehr böse auf mich, mein Liebchen*... *Wass habe Ich dann so falsch gemacht*?”
“Alles,” gromde jij, “ik ga naar Holland terug en jij bekijkt het maar, vuile noppeshoer.” Ze begon te huilen en beloofde je dat alles van nu af veel beter zou gaan; als jullie maar eerst in Düsseldorf waren. Het zou trouwens nog een hele bevalling worden daar te komen, want jullie bezaten nog precies veertig pfennig, zodat liften een ‘must’ was.
Gelukkig leverde het indertijd niet veel problemen op om met zijn tweeën een lift te krijgen. Jullie kwamen 's middags om een uur of twee in Düsseldorf aan. Daar bleven jullie rondslenteren tot het avond was en Jackie zich weer in de strijd kon gooien. Jij bleef met de koffers in het *Hauptbahnof* wachten tot het peesbeest terug zou komen met wat *besjoete* voor een hotel, en wat te eten.
Je werd keer op keer aangesproken door heren die hun interesse kenbaar maakten voor oefeningen met moeilijke Duitse namen. Je ging echter niet op hun avances in. Je was gepromoveerd van schandknaap tot onbezoldigd souteneur, dus dat zou geen pas geven, al kon je tien keer zoveel verdienen als je *Freudemädchen*. Een uur later kwam Jackie terug met honderd mark in haar knip. Nu konden jullie tenminste een hotel nemen, want slapen was er de vorige nacht niet van gekomen. Je weet niet meer in wat voor stal jullie terecht zijn gekomen, maar het voer was goed en het stro was zacht. Na een klein fluitdeuntje vielen jullie in slaap tot de volgende morgen tien uur. Het ontbijt was grote klasse in dat Duitse *Spiese*. Dat mocht ook wel, want de rekening was tachtig mark voor twee personen, zodat je kapitaal weer tot twintig mark en veertig pfennig was gereduceerd.
Jullie besloten naar de *Puff hinten der Bahndam* te gaan om te zien of Jackie daar kon werken. Je zei tegen haar dat ze er echt wel uitzag als éénentwintig. Jackie antwoordde dat zij wel een naam op zou geven van een vriendin die drieëntwintig was. Weer zo'n oplossing van Jackie.
Maar ze werd onmiddellijk geloofd en aangenomen. Nou was de zaak dus rond en kon je eindelijk gaan sparen. Jackie kon dezelfde avond nog beginnen, nadat ze zich bij de Polizei had laten inschrijven en een *Gwerbeschein* ontvangen had.
Zo liep zij 's avonds weer op straat te pieren, terwijl jij rondlummelde in de stationshal, allerlei charmante aanbiedingen negerend. Toen Jackie (die om zeven uur 's avonds was begonnen) om twaalf uur nog niet terug was, begon het bij je te branden. Tegen één uur werd je wanhopig, rond twee uur radeloos, en om drie uur werd je door de spoorwegpolitie gelast jezelf je uit de stationshal te verwijderen. Tot vier uur heb je nog voor de deuren staan wachten, maar wie er kwam, geen Jackie.
Dat was voor haar maar beter ook, want je had haar toen al de complete inhoud van een medische encyclopedie toegewenst. Je besloot de pleitvaart te nemen en naar Holland terug te gaan.
“Laat ze sterven, dat klere kreng”, vloekte je, terwijl je de dertien kilometer lange voettocht naar de Autobahn aanving. Scheldend en tierend liep je 's nachts door Düsseldorf, Jackie verwensend dat ze niet met een paar centen teruggekomen was, zodat je in ieder geval je koffer en je jas uit het hotel had kunnen halen. Nu liep je erbij als een bedelaar, vernikkelend van de kou. Het kwam niet in je op dat haar misschien iets overkomen was; je had het te druk met jezelf te beklagen. Trouwens, ik denk dat het je niet veel had kunnen schelen als ze haar *peiger* hadden gemaakt, toen je zo door Düsseldorf liep te dalven.
Een paar uur later stond je moederziel alleen en in het stikdonker te liften op de Autobahn. Je drift was gezakt en je voelde je nu knap zielig. Er moet haar iets overkomen zijn, besloot je. Je kreeg angstvisioenen van een gewurgde Jackie, afgewisseld door beelden van een steekpartij, en terwijl de auto's je voorbij raasden begon je te *planjeren*. Je droogde snel je tranen toen er eindelijk een vrachtwagen stopte. De chauffeur zei dat je tot de grens kon meerijden. Door de lange wandeling en het gebrek aan nachtrust viel je als een blok op de bijrijderstoel in slaap. Bij de grens aangekomen stapte je nog half slapend uit. Je had niet eens het benul om de vriendelijke man te bedanken.
Een paar uur later was je terug in Amsterdam, vele ervaringen en een desillusie rijker. Ik denk dat als je nu je eigen vrouw had opgezocht om te proberen het bij te leggen en een baan te zoeken, dat jouw leven heel anders zou zijn gelopen. Je verdomde het echter om te gaan werken voor een hongerloontje, dus je besloot om het beroep van betaalde pielepoot maar weer op te pakken. Je hoopte intussen voortdurend dat je iets van Jackie zou horen, opdat zij het bedrijf een financiële injectie zou kunnen toedienen. Je maakte jezelf wijs dat je ontzettend veel van haar hield en dat jij nooit meer een andere vrouw zou nemen of het moest een kostwinner zijn. Al je gedachten waren vervuld van Jackie, zij was de mooiste, liefste en meest loyale vrouw die er bestond. Alle narigheden waren tot trivialiteiten gereduceerd en je wilde je slechts de mooie ervaringen herinneren. Ja, het verlangen naar iets is altijd groter als je het moet missen dan wanneer je het bezit.
Twee martelende weken van onzekerheid gingen voorbij voor je eindelijk een bericht van haar kreeg. Ze schreef je dat ze die bewuste nacht was opgepakt door de zedenpolitie. Omdat ze niet in het bezit was van het vereiste *Gwerbeschein* moest ze voor zes weken de gevangenis in.
Verder schreef ze dat ze nog altijd veel van je hield en dat zij je op zou komen zoeken zodra zij weer op vrije voeten was. Je was uitgelaten van blijdschap. Er was dus niets met haar gebeurd en zij was er ook niet vandoor gegaan.
Zoveel loyaliteit moest beloond worden, en je besloot haar op te zoeken in de vrouwengevangenis in Neuss, bij Düsseldorf. Nog steeds was het armoede troef, en je moest dus weer gaan liften. In tegenstelling tot voorgaande reizen, die over het algemeen vrij vlot verlopen waren, heb jij die keer twintig uur staan liften om een afstand van tweehonderd vijftig kilometer te overbruggen. Je kwam om vier uur 's nachts in Neuss aan. Niet wetend wat te doen met de resterende tijd tot het bezoekuur zocht je een park op om daar op een bank te gaan slapen, nadat je een deken in de vorm van een paar oude kranten uit een prullenbak had gehaald. Ja, je had je zaakjes aardig voor elkaar op je achttiende. Verkleumd van de kou ontwaakte je een paar uur later en er was een half uur marcheren voor nodig om je lichaamstemperatuur weer een beetje op peil te krijgen. Maar wie rijk wil worden, moet afzien.
Jackie had je geschreven dat je eerst naar de *Staatsanwalt* moest om een bezoekpasje te gaan halen. Je vroeg aan enkele vroege voorbijgangers waar je moest zijn en toog erheen. Eenmaal ter plekke bleek het kantoor echter nog gesloten; blijkbaar het was het nog te vroeg voor de justitiegoeroe. Je zocht een koffiehuis op en bestelde een paar broodjes om je honger te stillen en de tijd te doden. Daarna ging je terug en liet je door de portier de weg wijzen naar het bureau van de Staatsanwalt. Op je klop op zijn deur werd er *Komm rein*! gebruld en voor het eerst van je leven stond je oog in oog met een officier van justitie. De tweede keer zou niet zo erg lang op zich laten wachten, maar dat kon je toen nog niet vermoeden. Je legde die brulboei in je beste Duits uit dat jij je vriendin wilde bezoeken, die gedetineerd was in de vrouwengevangenis te Neuss. De officier vroeg je of jij wist waarvoor zij daar zat. Een groot licht was jij toen zeker nog niet, maar je kon wel op je vingers natellen dat als je zou zeggen dat je daarvan op de hoogte was, de officier op zijn minst een paar onaangename vragen zou kunnen gaan stellen.
“*Keine Ahnung, Herr Staatsanwalt*.”
“Dan is het ook niet aan mij om u daarvan op de hoogte te stellen. Ik sta u een bezoek van een halfuur toe.”
Opgelucht verliet je met je bezoekbriefje het gebouw en begaf je op weg naar de gevangenis. Je weet je nog vaag te herinneren dat die gevangenis er uitzag als een oud schoolgebouw. In het betegelde bezoekkamertje, dat wel wat weg had van een badkamer, stond Jackie je op te wachten. Ze verkeerde in het gezelschap van een vrouwelijke cipier en zag er slecht uit. Ze vloog je om je nek. Tegelijkertijd voelde je haar hand in je jaszak woelen. Wist je veel wat zij daar zocht. De gedachte aan sigaretten kwam pas in je op toen je weer buiten liep. Je voelde je toen knap lullig. Het was een irreële conversatie in het bijzijn van die bewaakster. Veel is je er niet van bijgebleven. Wel bezorgde je Jackie een aardige verrassing: “Je zult naar de dokter moeten, Jackie, want ik heb wat van je opgelopen”.
Dat kon *doch gahr* niet waar zijn en was *völlig* onmogelijk, maar feit bleef het dat het lichaamsdeel in kwestie tikte als grootvaders klok. Voor alle zekerheid zou ze toch wel naar de dokter gaan. Het halve uur was snel over en jij stond dus weer buiten voor je er erg in had.
Fluitend aanvaardde je de terugweg. Alles was weer in orde en het was slechts een kwestie van een maand wachten voor Jackie weer bij je zou zijn. De dagen gingen voorbij met lanterfanten en af en toe een pikklus doen voor de broodnodige centen. Ongeduldig keek je uit naar het moment dat je ‘uitkering’ weer voor de deur zou staan. In de heilige overtuiging dat alles van nu af aan beter zou worden, haalde je haar van de trein. Jij had haar zo geïdealiseerd, dat je volkomen blind was geworden voor de werkelijkheid. Dat zou je nog duur komen te staan, want uiteindelijk zat er nu eenmaal geen mazzel aan dat *nieze*.
“Had ik maar in mijn broek gescheten toen ik die stronthoer ontmoette”, zei jij lachend tegen mij. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen.
Jackie ging in Amsterdam de straat op en bestal haar eerste klant voor duizend gulden, waarna zij het geld aan jou gaf. Kijk, dat was nog eens een gezellig begin van de hereniging. Jij voelde je zo rijk als Croesus en liet haar gelijk stoppen met werken. Een rug als handgift: dat moest gevierd worden. Jij kocht voor Jackie een paar laarzen en voor jezelf een Ronson aansteker, en jullie vertrokken naar Parijs voor een welverdiende vakantie.
Ongeveer een uur voor Parijs kwam er een ober in de trein die broodjes en koffie verkocht. Je bestelde wat bij hem en wilde het gelag betalen. Dat deed je op een manier die niemand je daarna ooit meer zou verbeteren. Je Frans was goed genoeg, maar die ober veinsde je niet te verstaan. Hij vertelde je in een nauwelijks verstaanbaar koeterwaals dat er nu nieuwe en oude franken bestonden en plukte daarom zelf maar vast wat bankbiljetten uit je hand. Jij wist wel wat van dat verschil in het Franse geld af, maar kon er alleen nog even niet mee omgaan. Jij liet hem dus zijn gang maar gaan, niet vermoedend dat hij erop uit zou zijn om klanten te bestelen. Dat bleek hij ondertussen wel te zijn geweest, want toen je even later de weinige overgebleven bankbiljetten natelde, moest je vaststellen dat die smeerdeken je voor ruim zeshonderd gulden had bestolen.
Zo’n duur broodje hadden jullie nog nergens gegeten, stelde Jackie tot jouw ongenoegen vast. ‘Er zit blijkbaar toch geen zegen aan gestolen geld’, dacht jij en concludeerde dat stelen pas onaangenaam was als je er zelf het slachtoffer van werd. Door jouw vlijmscherpe beheer van de kas hadden jullie nog precies genoeg geld voor twee nachten hotel met ontbijt en dan was het op een paar centimes na wel op. Tot overmaat van ramp had je indertijd ook nog nooit van een retourtje gehoord, zodat de terugreis weer eens liftend afgelegd zou moeten worden. Jackie liep voortdurend te klepzeiken over die gestolen centen, en beweerde dat het haar nooit had kunnen gebeuren. Dat geloofde je onmiddellijk.
Zij zou hoogstwaarschijnlijk de ober bestolen hebben, daar stelen tot nog toe haar enige vaardigheid was gebleken. Haar klachten waren niet bepaald bevorderlijk voor je gekwetste trots, en daardoor nogal schadelijk voor je humeur. Een ferme tik op haar oog deed dan wonderen en liet haar zwijgen voor een paar uur. In bed werd het later weer bijgelegd.
De twee dagen Parijs gingen voorbij met wandelen in die achterlijke grote stad vol stelende obers. Ja, je kunt wel zeggen dat in die tijd je aversie tegen Fransen is geboren. Moe gewandeld konden jullie op de tweede dag weer aan een nieuwe wandeling naar de periferie beginnen, alwaar jullie een lift terug hoopten te krijgen.
Die spansering heeft je nog lang geheugd. Niet lang na jouw degout van Franse obers werd dan ook je hekel aan lopen geboren. Uren hebben jullie gelopen en vergeefs de duimen opgehouden. Het was om wanhopig van te worden. Zij jatten niet alleen je laatste centen, maar ze zijn nog asociaal ook hier.
‘Dat fraternité en égalité kunnen ze wat mij betreft ook wel uit hun wapen schrappen’, dacht je teleurgesteld. Eindelijk kregen jullie dan een lift van een lelijke oude man in een nog oudere lelijke eend. Het bleek een leraar te zijn. Je deelde het van jullie laatste centimes gekochte stokbrood en de goedkope wijn met de chauffeur. De man besloot jullie toen naar de grens te brengen. Toch wel aardige mensen, die Fransen, dacht je prompt. Tot diep in de nacht stonden jullie vervolgens te kleumen bij de grensovergang Valenciennes. Weliswaar was het jouw schuld dat jullie nu zonder geld of vervoer zaten, maar voor het gemak gaf je Jackie ook daar de schuld maar van. Er zat gewoon geen enkele zegen aan die geit, en je nam je eens te meer voor haar bij de eerste de beste gelegenheid een vrijzetter te geven. Nog altijd stonden jullie op een wonder te wachten, in de vorm van een lift, toen er een truck uit Frankfurt het parkeerterrein opreed. Jackie liep naar de vrachtwagen en sprak even met de chauffeur. Blijkbaar vroeg zij hem of jullie met hem konden meerijden.
“Jan, we kunnen mee tot Breda, maar de chauffeur moet eerst zijn goederen inklaren, en dat kan hij niet eerder dan morgenvroeg doen. Maar we mogen vannacht wel in de vrachtwagen slapen”, zei Jackie.
De chauffeur nodigde jullie uit voor een paar flessen bier in het chauffeursrestaurant. ‘Ook wel beste mensen, die Duitsers’, oordeelde jij tevreden. Na een uur waarin jullie vier flessen bier hadden gekregen, stelde de Duitser voor om maar te gaan slapen. Jackie kreeg het bovenste bed in de cabine toegewezen, de chauffeur kroop in het onderste bed en jij mocht op de stoel slapen.
Je gevoel zei je wakker te blijven en opletten, want het ging allemaal weer iets te vlot naar je zin. Meerijden, gratis bier en slapen in de vrachtwagen. Waar zat de joker? Die liet niet zo lang op zich wachten. Jij maakte het je gemakkelijk op de stoel, en na een paar minuten diep en regelmatig ademhalen liet je die geluiden overgaan in het gesnurk van iemand die geacht werd in diepe slaap te zijn. Je vermoeden bleek juist te zijn geweest.
Na ongeveer een kwartier hoorde je die chauffeur zachtjes vragen: “*Schlaffst du, Jackie*?”
“*Nein, wieso*?”
De chauffeur maakte haar duidelijk dat het in zijn bed aangenaam toeven was, en dat die domme Hollander toch sliep.
En ja hoor, na voor de vorm een paar tegenwerpingen gemaakt te hebben, liet die geitenkut zich voorzichtig bij haar landgenoot in de sponde glijden.
Had jij het even naar je zin ineens. Het bloed schoot naar je hoofd en je vergat even te snurken. Toen jij Jackie tegen de chauffeur hoorde mompelen: “*Kalte Händen hast Du*”, kreeg je de poppies en sprong de vrachtauto uit.
“Wat een smerige perfide pleurisbak,” vloekte je, terwijl je de grens overliep. “Laat zich even fijn opkrikken waar ik nota bene zowat naast lig, en weer een keer voor noppes ook. Laat zij nou even gauw een explosie in haar kop krijgen... Vader gaat naar huis.”
Je liep de autoweg op in de hoop een lift te krijgen. Na nog geen honderd meter zag je het belachelijke van die actie in. Straks sta ik hier te liften en dan komt die Jezabel warm en comfortabel voorbijrijden met een natte broek. ‘Ik ga fijn terug en zal haar snoet eens even verbouwen’, nam je je voor. Je snelde naar de vrachtwagen terug, rukte de deur open en sprong naar binnen. Je zag dat zij nog niet aan uitkleden toegekomen waren, en zei: “*Langweilst du dich, Jackie*?”
Terwijl zij met grote angstogen uit de kooi kroop, greep jij haar bij haar coiffure en sleurde haar de vrachtwagen uit. Ze krijste als een mager varken tot je een knie in haar gezicht zette, waarop zij met haar hoofd tegen het wiel van de vrachtwagen viel. Je hoorde die Mof in de vrachtwagen schreeuwen, en riep: “Ik kom zo bij jou, Heinrich Hampelmann. Jij bent zo aan de beurt.”
Hierop sloot de Duitser onmiddellijk zijn cabine af. Je trok Jackie weer aan de haren overeind en begon haar systematisch stuk te slaan. Eerst sloeg je haar lucht weg, zodat zij niet meer kon schreeuwen. Daarna bewerkte je haar lever en milt. Een paar hengsten op haar nieren en toen Jackie in elkaar zakte, gaf je haar voor de mazzel nog een paar schoppen tegen haar ribben. Toen jij je hartje gelucht had en je ergste woede was gezakt, zag Jackie eruit of zij onder een vrachtwagen gelegen had, in plaats van onder de chauffeur.
‘Typische mensen toch die Duitsers’, dacht jij toen de chauffeur angstig van achter zijn gordijntje naar buiten zag loeren. Je vertelde mij later dat dit de meest achterlijke streek was die je ooit had uitgehaald.
Je had geen piek in je zak, en voor twee treinkaartjes naar Breda, acht flessen bier en slapen had je toch gauw honderd gulden kwijt geweest. Het was niet erg dat Jackie voor een gele brief met een hoerenbink meeging, dus je had haar gewoon haar gang moeten laten gaan en haar dat ‘mutje in natura’ moeten laten verdienen. Jij had dan in het onderste bed kunnen slapen.
Maar nee, jij gaf dan weliswaar niets meer om haar, en had besloten van haar af te gaan, maar op jouw manier was je nog jaloers ook. Nu kon je weer liften. Dat was slim hè? Na Jackie ten afscheid nog een trap in haar ribbenkast gegeven te hebben, toog je op pad. Je had nu toch echt je buik vol van die nepprinses. ‘Het eerste wat ik doe als ik in Holland ben, is Ria opzoeken en proberen het weer bij te leggen. Uiteindelijk is het toch beter ten halve gekeerd dan ten volle gedwaald te zijn’, besloot jij. Ja, je voornemen was goed genoeg, maar het noodlot zou je nog parten gaan spelen.
Toen jij omkeek, zag jij Jackie als een kreupele hond achter je aan strompelen. “Wat moet jij nu nog, drollenhoer?,” schreeuwde je. “laat mij met rust, anders trap ik je die greppel daar in.”
“Doe maar wat je wilt, het is mijn eigen schuld. Ik weet ook niet waarom ik dat gedaan heb, maar ik wil je niet *verlieren*.”
“Ach, mafdaaier, wat praat jij nou? Jouw verstand zit in je kut, rot op alsjeblieft.”
Jackie veegde het bloed van haar mond en zei: “Ik geef je mijn paspoort, dan kan je het in stukken scheuren wanneer ik vanaf nu niet beter mijn best doe. Van mijn part sla je me dan dood, maar ik wil liever bij je blijven”.
“Geef op die pas”, zei je, terwijl je haar tas uit haar hand trok. “Die krijg je terug voor tienduizend gulden, en als je nog een keer een schijnbeweging maakt, verbrand ik die pas en jou erbij. Versta je me?” schreeuwde je, en gaf haar nog een klets op haar wang.
Jackie zei dat zij het allemaal begrepen had en vroeg of jij dan niet meer kwaad op haar wilde zijn. Terwijl jullie met veel moeite een paar liften kregen naar Amsterdam, negeerde jij haar volkomen. Geen woord heb jij meer met haar gesproken, je een paar keer afvragend wat die vrouw nou toch eigenlijk bezielde.
‘Eerst wil ze vreemd gaan, om zich daarna in elkaar te laten hengsten, en vervolgens smeekt ze of ik haar niet in de steek laat’, dacht je verwonderd. ‘Vreemd; ze is toch niet afhankelijk van me, want ze heeft haar gereedschap bij zich. “Schiet mij maar dood”… Ik snap er niks van, maar ik probeer die tien ruggen *piekaan* te nemen en dan verdwijn ik. Dat zal trouwens ook nog een hele strijd worden’, dacht je, met de *Nur zwanzig Mark*, nog kakelvers in je geheugen.
Ik had met stijgende woede naar je zitten luisteren. Ik dacht je te kennen, maar nu was ik daar niet zo zeker meer van. Een ding was wel zeker, ik was niet van zins om hier je verhalen van vrouwenmishandeling aan te gaan horen. Ik voelde me misselijk en kreeg opeens een afkeer van je. Toen ik tegen je gezegd had wat ik van je dacht, vermoedde ik dat dat wel wederzijds zou zijn, want ik gaf je mijn kritiek ongezouten: “Wat was jij voor een arrogant, lui en gewelddadig pestventje, dat je die Jackie zo moest slaan? Dat is niet normaal, Jan, je bent een psychopaat, je moet je na laten kijken”, besloot ik.
“Suzanne, ik begrijp je reactie en afkeer”, regaeerde je. “Ik kan en ga mij voor mijn gedrag van toen niet rechtvaardigen of zelfs maar een poging wagen me te excuseren. Ik was achttien en ik was gewoon een imbeciel. Ik heb echter in mijn voorwoord gesteld, dat ik al mijn emoties zou verwoorden. Welnu, Suzanne, ik was jaloers omdat ik toch wel op ingesneden op die Jackie was, en werd woest omdat zij gewoon vreemd dacht te kunnen gaan waar ik nota bene bij lag. Bovenal had mijn trots een opdonder gekregen. Liefde, jaloezie en woede zijn allemaal emoties. Had ik dit dan moeten verzwijgen? Had ik er een mooi leugenverhaal van moeten maken? Nee, het was walgelijk, maar het was de waarheid. Dit was mijn leven toen ik achttien was.”
Je staat op en loopt naar de keuken, mij met mijn gedachten achterlatend. Even later kom je terug met twee bekers koffie, waarvan je er één aan mij geeft. Je handen trillen en ik zie dat je gehuild hebt.
Terwijl je af en toe een slok van je koffie neemt, zeg je: “Ik heb je verteld dat er momenten zouden komen die je zouden emotioneren. Je was gewaarschuwd, ik heb niet over vroeger gelogen en ik heb niet tegen jou gelogen.
Als je hiermee wilt stoppen, dan begrijp ik dat. Ik snap ook hoe je nu over mij denkt, maar ik moet je vragen om me een kans te geven door mijn hele verhaal eerst aan te horen. Ik denk dat je je mening over mij dan wel zult bijstellen. Wanneer het enige troost voor je is, Suzanne, zie dan hoe snel het kwaad zichzelf straft, want een paar weken later word ik zelf halfdood geslagen. Oordeel alsjeblieft niet te snel, Suzanne.”
Ik doe een nieuwe cassette in de recorder en zeg: “Het spijt mee, Jan. Je had me inderdaad gewaarschuwd, maar ik zag het drama zich voor mijn ogen afspelen, en verloor het even en flipte. Neem het me maar niet kwalijk en ga verder met je verhaal.”
In Amsterdam ging Jackie voor de zoveelste keer proberen om wat te verdienen en kijk eens aan, daar komt ze zowaar met vierhonderd gulden aanzetten. ‘Zeker lekker opgefrist na dat pak rammel’, dacht je. Jullie namen je intrek in een goedkoop hotelletje en vielen gelijk in slaap tot er hard op de deur gebonkt werd.
“POLITIE! OPENMAKEN!” klonk het op de gang. Slaapdronken schuifelde je naar de deur en deed die opend. Vier rechercheurs drongen de kamer binnen. “Aankleden! Jullie gaan mee naar het bureau.”
Op je vraag wat er allemaal aan de hand was, kreeg je ten antwoord: “Dat hoor je op het bureau wel, schiet nou maar op…”
Eenmaal aangekleed liepen jullie met de rechercheurs mee naar een gereedstaande rechercheauto. De rit ging naar het oude politiebureau in de Marnixstraat. Daar werden de riem uit je broek en de veters uit je schoenen gehaald. Daarna werd je in een cel gedonderd. ‘Het is toch echt niet te filmen met die *niegesbak*, niks dan narigheid’, dacht je, terwijl je je dood zat te vervelen in een kleine smerige cel. Anderhalve dag liet de recherche je darren voordat ze je kwamen halen voor verhoor. Tot het moment dat je de tenlastelegging hoorde, was je je er niet van bewust wat je nou eigenlijk misdaan had.
“Jij weet zeker wel waarom je gearresteerd bent?” hoorde je, een standaardzin die je bij iedere volgende arrestatie te horen zou krijgen. Naar waarheid kon je toen nog verklaren dat je er geen flauw benul van had. Er werd je verteld dat je verdacht werd van de heling van duizend gulden die je vriendin van een klant gestolen zou hebben. Je wist niet dat die duizend gulden gestolen waren. Je dacht dat je vriendin dat had verdiend met werken als *temeier*, vertelde jij de rechercheurs. Je zag er namelijk geen kwaad in om te vertellen dat jij geld van een prostituee aannam. ‘Dat staat wel scherp’, dacht je, maar de heling loochende je. Die bleef je hardnekkig ontkennen. Bekennen heeft je trouwens nooit gelegen en je zou er een gewoonte van gaan maken om altijd te ontkennen nadat je weer eens gearresteerd was. Een besluit dat je overigens zat rendement zou gaan opleveren, maar dat kon je toen nog niet weten. De rechercheurs bleven maar dooremmeren over die heling en probeerden je met strikvragen te vangen. Jij bleef echter verklaren dat je niet geweten had dat die duizend gulden van diefstal afkomstig waren.
Vier dagen na je aanhouding moest je voor de officier van justitie verschijnen. Deze stuurde je door naar de rechter-commissaris, die je gevangenhouding met zes dagen verlengde en je doorstuurde naar het huis van bewaring op de Amstelveenseweg. Daar zat je dan in de gevangenis, achttien lentes jong. Nou, als jij geen spekkoper was, dan weet ik het niet meer.
Inmiddels had jij ontdekt dat je deze keer platjes had opgelopen bij Jackie, dus je gaf je op voor de dokter. Deze gaf je een mengsel van petroleum en DDT. Hij wilde je tegelijkertijd bloed afnemen, wat je weigerde. Je kreeg al de *wabber* als je maar aan een naald dacht. De beloning voor je weigering was een mooi rood kruis op je celdeur, met alle beperkingen die dat met zich meebracht. Omdat er namelijk niet vastgesteld kon worden of je soms besmettelijke ziektes had, werd je verteld dat je een potentieel gevaar voor de gevangenisgemeenschap vormde en om er die reden niet mee in contact mocht komen. Je mocht alleen luchten in een kooi, mocht niet naar recreatie en evenmin naar de werkzaal. Zoals gezegd, je mocht niet in de gemeenschap. In de toekomst zou dat trouwens een gewoonte worden.
's Morgens om half zeven knalde het volle licht aan, en dan moest je het bed opmaken en vervolgens opklappen. Op bed liggen was er dus niet bij. Afgezien van het dagelijkse halve uur luchten zat je vierentwintig uur per dag achter de deur. Eén keer kwam de werkmeester de cel in met vier jutezakken met onderdelen voor wasknijpers. Je werd geacht deze knijpers te assembleren. Jij vertelde de man dat het jouw gewoonte was om buiten niet te werken, en dat je zeker niet van plan was daar binnen verandering in te brengen. Je bracht de dagen dus door met op je stoel te zitten en te tuchten. Je zat erbij als De denker van Rodin. Na een week van ongelooflijke verveling in het huis van bewaring ging je celdeur open, waarop een bewaarder je vertelde dat de kapper er voor je was. Je antwoordde dat je helemaal niet van plan was om je haar te laten knippen. “Doe het nou maar, want morgen ga je naar huis. Je hebt een lopend vonnis gekregen”, zei de bewaarder.
Aangezien je je scheef *tuchtte*, geloofde je die man onmiddellijk. Hij stuurde je naar de kapper die in veertig seconden klaar met je was. Hij knipte je iets minder dan kaal, maar dat kon je toen niet meer deren. Als dat de prijs voor de vrijheid was, dan betaalde je die graag. De volgende dag zal je daarom ook nimmer vergeten. Bij iedere voetstap die je op de ring hoorde en elke sleutel die je hoorde rammelen, dacht je dat het moment van vrijheid aangebroken was. Dat moment zou echter nog drie maanden op zich laten wachten. Jij begreep later dat die levensvergaller je in de maling genomen had om je zover te krijgen dat je naar de kapper ging. Misschien krijgt die hufter wel provisie van die kutkapper, veronderstelde je. Je haatte die bewaarder tot in het diepst van je wezen en zat dagen te wachten tot die pauper weer eens jouw celdeur zou opendoen, waarna je hem dan van huis uit een hengst voor zijn kop zou verkopen. Het zat je echter allemaal niet mee, want die bewaarder was die bewuste dag ingevallen voor een collega. Hij werkte normaal op een andere ring.
Om de verveling te breken vroeg je aan de bibliothecaris of die je niet een Wetboek van Strafrecht kon bezorgen. Dat bleek gelukkig tot de mogelijkheden te behoren en hier nam je studie weer een aanvang. Lezen was altijd al een passie van je geweest. Wanneer er geen druk achter stond, dan verslond je boeken en zoog de kennis op als een spons. Je legde hier nu de fundering voor je toekomst.
Gedurende dezelfde tijd schreef je je vrouw dat je spijt had van wat je had gedaan, en dat je het graag allemaal goed wilde maken. Ria was echter nog harder dan een spijker, want zij schreef je dat ze er niet de minste behoefte aan had om je terug te nemen. Je moest het maar bekijken. Zij had eigenlijk nog gelijk ook, vond je. Uiteindelijk had je haar toch mooi met een kotertje laten zitten.
Nu je haar niet meer kon zien, werd het je duidelijk hoeveel je eigenlijk om haar gaf. Je werd gekweld door spijt, verdriet, woede en vooral jaloezie. ‘Wat zou Ria nu aan het doen zijn?’ dacht je de hele dag door. Tijdens de weekeinden kreeg je angstvisioenen dat zij zich met een ander aan het vermaken zou zijn. Dan zat je uren te huilen. Het was het laatste wat je je kon en wilde voorstellen, maar toch moest je er steeds aan denken. Dit werd een obsessie voor je. Je tuchtte jezelf en werd in zes weken twintig kilo lichter. Wanneer je 's morgens ontwaakte, na gedroomd te hebben dat jij weer bij Ria was, bleef je de hele dag versjteerd.
Je had toen nog geen vrienden die iets voor je konden regelen. Daarom zat je je in je eentje suf te piekeren over een manier om te ontsnappen, zodat je je weer bij je geliefde Ria zou kunnen voegen. Indien je ook maar enig gevoel voor de realiteit bezat, was je die nu toch echt snel aan het verliezen, zoals weldra zal blijken. Het was je duidelijk dat je het tijdens een vervoer moest proberen, want bij het transport van en naar de rechter-commissaris was je iets opgevallen.
Je schreef een brief aan de rechter-commissaris waarin jij verzocht een nadere verklaring te mogen afleggen. Twee weken na je verzoek werd je opgehaald door een parketwacht, die je in het inmiddels vertrouwde arrestantenbusje naar de magistraat bracht. Het moment waarop je uitstapte nam je alles goed in je op en berekende je kansen. Je besloot dat het tijdens het instappen moest gebeuren.
De rechter-commissaris hoorde je verklaring aan, waarin je nog eens benadrukte dat je onschuldig was aan heling, en gaf toen opdracht je weer terug te brengen naar het huis van bewaring. De buitendeur van het kantoor van de rechter-commissaris kwam uit op een steegje achter het Leidseplein. Wanneer de parketbus in het steegje stond, blokkeerde het geopende portier de smalle doorgang naar de vrijheid. Twee parketwachters stonden dan tegenover het portier en versperden weg nummer twee naar de vrijheid. Jij moest dus door een virtueel tunneltje lopen, waarvan de muren werden gevormd door twee parketwachters en een autodeur, om in te kunnen stappen.
Je alles verterende verlangen en je dodelijke ongerustheid - lees: je jaloezie - betreffende Ria zorgden ervoor dat je de knoop doorhakte. De ongeveer dertig centimeter hoge opening onder de autodeur lonkte uitdagend en leek te willen zeggen: “Kom dan Jan, als jij naar Ria wilt, is dit je kans”
Toen je Ria hoorde smeken: “Doe het voor mij, Jan”, dook je onder de deur door. Je werkte je snel op je buik naar voren en kwam omhoog om een sprint te trekken. De bonk van de deur tegen je kont vertelde je dat je te vlug omhoog was gekomen. Toen regende het klappen en trappen tegen je hoofd en lichaam. Vaag hoorde je in de verte schreeuwen: “Wou je ontvluchten, vuile teringlijer, we zullen je even helpen.”
Je voelde de schoppen tegen je hoofd dreunen, totdat de lamp uitging. Toen je even later weer bij je positieven kwam, werd je opgepakt en in de bus gesmeten. Terwijl je het bloeden in je gezicht probeerde te stoppen, kwam er een parketwacht tegenover je zitten. Hij raasde in één of ander achterlijk dialect: “Zo, stuk geteisem, wou jij ons ongelukkig maken? Probeer het nog eens, dan schiet ik je kapot, hoor je me? Hóór je me, hoor je me?!” Schreeuwend trok hij een gummiknuppel en sloeg je onophoudelijk op je hoofd en schouders tot je onderuit ging.
“Zo is het wel goed, houd nu maar op”, klonk het onduidelijk vanuit de bestuurderscabine, terwijl de bus zich in beweging zette.
Je was hels, maar niet om dat pak slaag. Je wist van te voren dat dit het risico was, maar je was buiten jezelf van woede dat je te snel omhoog gekomen was, en dat daardoor je ontsnapping was mislukt. De parketwacht bleef je tergen en zat met zijn gummistok op de bank naast zich te slaan: klap, klap, klappeklap… “Doe dan wat, probeer het nog eens, stuk geboefte”. Klap! Toen er een stem vanuit de cabine klonk die “Stoppen nou, Hein!” schreeuwde, draaide je maag zich om en trok er een waas voor je ogen. Je projecteerde nu je venijn en frustratie op je folteraar. Je wist ineens hoe je het doen moest. ‘Ik grijp hem zo gauw de bus een scherpe bocht maakt en bijt hem zijn strot door. Alles is nu toch verloren’, besloot je totaal gedemoraliseerd. De parketwacht leek dit spel echter vaker gespeeld te hebben, en wist precies wat je dacht. Uit het niets toverde hij een pistool te voorschijn en zette de loop op je voorhoofd.
“Ja, alsjeblieft, ik wacht er op. Doe het maar”.
Met gierende remmen kwam de bus tot stilstand. De bestuurder trok de deur van het arrestantencompartiment open en schreeuwde: “Eruit Hein!, jij gaat nu rijden!”
Hein en jij bekeken elkaar met een blik van intense haat en Hein hield het pistool op je gericht tot hij uitgestapt was.
“Het spijt me niet dat we je zo geslagen hebben. Als het je gelukt was om te ontsnappen, hadden wij de grootste narigheid gehad. We hebben allebei een gezin om voor te zorgen”, zei de eerste chauffeur.
“Ik neem u dat ook niet kwalijk, maar die debiel daar wist niet van ophouden, hij bleef mij maar door sarren”, lispelde je, terwijl je een tand uit je mond peuterde.
“Je kunt een klacht indienen bij de officier, dat heb ik liever dan dat wij geschorst waren geworden.”
“Ik dien geen klacht in, maar houd die boerenhufter een beetje in toom, alsjeblieft, die vent is gestoord volgens mij.”
“Dat vind ik sportief van je,” zei de parketwacht, “wil je een misschien een sjekkie draaien?”
“Graag”, lispelde je door het gat in je mond.
“Over dan?” vroeg de parketwacht, terwijl hij zijn hand uitstak.
“Over”, sliste jij en schudde hem de hand.
De parketwacht rolde een sigaret voor je, want je handen trilden en zaten onder het bloed. Ze moesten je ondersteunen terwijl je het huis van bewaring inliep. Je was volkomen vierkant getrapt.
Ik denk dat dit voorval je leven veranderd heeft. Om totaal in elkaar geslagen een gevangenis in gesleept te moeten worden, was een vernedering die ik hier niet voor je kan verwoorden. Jij kon er later ook maar moeilijk met me over praten.
Je haat tegen justitie en alles wat daar mee samenhangt, dateert duidelijk van die dag. Jij nam je voor om agenten, officieren van Justitie, bewaarders en rechters terug te pakken, en dat op zo’n manier dat zij je er niet voor konden veroordelen of in elkaar hengsten. Jij zou ze confronteren met hun domme, uitzichtloze en gefrustreerde existentie. Je wist toen nog niet hoe je dat zou moeten doen, maar doen zou je het.
In deze tijd is tegelijk ook het idee geboren om hersenschuddingen te fingeren. Omdat je tijdens die detentie in 1963 overdag niet op je bed mocht liggen, moest dat pak slaag nuttig worden aangewend. Zodra je in je cel was aanbeland, belde je een bewaarder en vroeg om een dokter. Je zei dat je misselijk was en steeds moest overgeven. Een blik op je vernielde uiterlijk zorgde ervoor dat de bewaarder niet aan je woorden twijfelde; hij stuurde je naar de ziekenbroeder. Deze gaf je wat aspirine en de mededeling dat je de volgende dag door een dokter onderzocht zou worden. De dag daarop werd je onderzocht door twee artsen.
Zij drongen erop aan dat je hen zou vertellen wat er was gebeurd. Je zei dat je bij de rechter-commissaris van de trap gevallen was. Je dacht dat James Cagney dat ook wel gezegd zou hebben. Je gehavende facie vertelde echter een heel ander verhaal. De medici schreven je medicijnen en verplichte bedrust voor. Nou, dat was heel wat. Nu kon je in ieder geval lekker in je bed liggen lezen, wat een stuk comfortabeler was dan zitten op een harde stoel.
Na zes weken gelegen te hebben, ontving je een dagvaarding waarin stond dat je voor de politierechter moest verschijnen. Je werd van opzet tot schuldheling en souteneurschap verdacht. Gedurende de spaarzame gesprekken met andere gedetineerden werd je uitgelegd dat de politierechter je geen langere gevangenisstraf op kon leggen dan zes maanden. Of je dat nu als een lichtpunt op moest vatten, wist je niet. Je zat pas zes weken en je kon je al niet meer voorstellen hoe het buiten zou zijn. Al was zes maanden volgens andere gevangenen een laag vonnis, in jouw ogen echter was het een eeuwigheid. Je lag er nachten van wakker. Vlak voor de rechtszitting kwam de jou toegewezen advocaat je bezoeken.
Hij bevestigde dat de politierechter je inderdaad geen langere gevangenisstraf kon opleggen dan de genoemde zes maanden. Zo er al sprake was van enige opluchting bij je, werd daar door de advocaat echter snel een domper op gezet. De politierechter bleek namelijk tevens bevoegd om je als opvoedende bijkomstigheid tot drie jaar rijkswerkinrichting te veroordelen. Dit laatste plus twaalf dagen hechtenis, was de geldende straf voor het souteneurschap dat jij zo nodig had moeten bekennen omdat het je wel strak geleken had. Tot dat moment was je voortdurend in de heilige veronderstelling geweest, dat twaalf dagen hechtenis de maximum straf was voor bewezen souteneurschap.
Deze onheilstijding deed al je hoop als sneeuw voor de zon verdwijnen. Jij kon jezelf al drie jaar uit de omloop zien. ‘En waarvoor eigenlijk?’ beklaagde je jezelf. Overbodig te vermelden dat toen je een brief van Jackie ontving, vol met nieuwe schone beloften, en dat je deze razend verscheurde.
De veertien dagen tot de rechtszitting kropen om, en je viel nog vijf kilo af. Het enig positieve in deze periode was dat je een brief van Ria ontving, die je schreef dat ze je wilde komen bezoeken. Je hart maakte een luchtsprong. Dit was voor jou een teken dat het wel weer goed zou komen. Je voorbarige vreugde werd echter snel getemperd door de vrees dat je misschien toch wel een lange tijd vast zou blijven zitten. ‘Als ik een paar jaar krijg, gaat Ria misschien wel vreemd’, vreesde je. Die gedachte zou een kwelling worden voor de rest van de tijd dat je gevangen zat. ‘Misschien is ze nu al vreemdgegaan’, dacht je, en je wist je van ellende geen raad. Al tuchtend reeg je de seconden tot minuten, uren en dagen.
Dit is ongetwijfeld de moeilijkste periode in je leven geweest. Maar ja, wie niet wit wil worden, moet uit de korenmolen blijven.
De onzekerheid was martelend tot je dan eindelijk voor de rechter stond. Deze gebeurtenis is echter totaal aan je voorbijgegaan. Je weet je er niets meer van te herinneren. Je zenuwen en angst zorgden ervoor dat je helemaal niet begreep wat de jou opgelegde straf nu eigenlijk inhield. Later moest je van een bewaarder horen dat je voor die heling een straf had gekregen van vijf maanden. Twee maanden daarvan bleven voorwaardelijk. Ten aanzien van je souteneurschap had je een voorwaardelijke straf van tien maanden rijkswerkinrichting plus twaalf dagen hechtenis opgelegd gekregen. Dat alles met een proeftijd van twee jaar.
Je had dus nog vier weken te gaan. Je stond te dansen in je cel van opluchting. Eindelijk weer een beetje mazzel. Je nam je voor om nooit meer voor zo iets achterlijks de gevangenis in te gaan. Bovendien, mocht je ooit nog eens voor schut gaan, dan zou je er in ieder geval voor zorgen dat de banden met thuis hecht waren.
Nu ik je verhaal zit te schrijven, moet ik toegeven dat je dit voornemen ook consequent ten uitvoer hebt gebracht. Je hele leven is een stroomversnelling van gebeurtenissen geworden, en op je vijfendertigste had je al meer meegemaakt dan een normaal mens in vijf levens. Dat was dan ook de reden dat jij jezelf maar op je achtendertigste gepensioneerd hebt. Je wilde zeker niet op de staat blijven wachten!
In de vier weken die je nog moest zitten, maakte je plannen die de basis moesten vormen voor je verdere leven. Ook al duurde die tijd in jouw ogen eindeloos, op een dag kwam het moment waarop je je dekens en linnengoed naar de badmeester terug kon brengen. Je eigen spullen werden in een bruin stuk pakpapier gewikkeld, en een kwartier later stond je buiten, terwijl de gevangenisdeur achter je dichtgeslagen werd.
Zonder nog om te kijken spuugde je op straat en liep de waterige herfstzon tegemoet.
|