Hij die anderen controleert kan machtig zijn, maar hij die zichzelf kan controleren is machtiger.
‘Hierbij bent u aangehouden...’
Ik lig onder een paar ranzige dekens op een stuk schuimrubber dat als matras fungeert, en overpeins de laatste twintig jaar die zijn verlopen tussen mijn eerste en huidige arrestatie; een tijd waarin ik totaal acht keer gearresteerd ben. Alleen de eerste keer werd ik, door gebrek aan ervaring, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.
De derde keer heb ik drie maanden in voorarrest gezeten waarna ik wegens gebrek aan bewijs weer in vrijheid werd gesteld. Nu, de achtste keer, ben ik me er terdege van bewust dat ik op zijn minst de volle honderd en twee dagen van het voorarrest zal moeten uitzitten - vooropgesteld dat de zaak niet aangehouden zal worden. Dit omdat ik van justitie het predikaat ‘niet meewerkende, leugenachtige en hardnekkig ontkennende verdachte’ opgelegd heb gekregen. Een etiket dat op de lange termijn in mijn voordeel uit zal pakken, maar tijdens mijn voorarrest alleen maar nadelen oplevert.
‘Kolere, hoe moet de tijd weer omkomen?’ denk ik, terwijl ik de zure zeikstank van de dekens probeer te negeren. De afgelopen zes uur van aanhouding leken al zes dagen te duren! Meteen realiseer ik mij dat ik verval in de klassieke fout om op de toekomst te anticiperen. Een karakteristiek waar ik mij de komende maanden ongetwijfeld nog vaak op zal betrappen wanneer ik de dag 's morgens beschouw, in plaats van ‘s avonds. Het werkt positiever te denken ‘gelukkig weer een dag om’, dan ‘bah, weer een dag’. Ik schakel daarom over en laat de gebeurtenissen van gisteren de revue passeren.
Gisteren.
Ik rijd mijn Porsche de garage uit om me op weg naar een ontmoeting in Amsterdam te begeven. De garage uitrijdend zie ik echter dat het verkeer in de rijrichting geblokkeerd staat. “Dus dan maar tegen het verkeer in”, mor ik. Bij de eerstvolgende kruising aangekomen, zie ik dat er een vrachtwagen gelost wordt in de straat waar ik in wilde rijden. ‘Wat één keer werkt, lukt de tweede keer ook wel’, denk ik. De daad bij deze gedachte voegend, rijd ik een pleintje op.
Niets echter schetst mijn verbazing en ongenoegen te bemerken dat ook hier het verkeer volkomen vastzit. Om krankzinnig van te worden.
Mijn weg vervolgend zie ik dat er uit een grote bestelwagen twee mannen kazen staan te lossen. Hoewel er voldoende parkeerruimte is, staat de bestelwagen midden op straat, waardoor er zelfs geen ‘dinkytoy’ meer door zou kunnen. Ik stop voor de parkeerruimte, zodat de chauffeur zijn bestelwagen daar gemakkelijk in kan manoeuvreren. Blijkbaar ben ik naïef, want er komt een oudere man op mij af, die zegt: “Je kunt beter achteruit terugrijden. We hebben hier nog wel een halfuur werk.”
“Je kunt die vrachtwagen toch wel even parkeren? Alles zit hier in de buurt vast en er is hier parkeerruimte zat.”
De neringdoende verwaardigt zich niet om me te antwoorden. Hij loopt naar de bestelwagen terug en gaat door met zijn werkzaamheden. Na vijf minuten gewacht te hebben, ben ik het zo ongeveer wel zat. Ik stap uit en loop naar de chauffeur, die mij echter volkomen negeert.
“Hé jochie, wil jij nou niet even die auto parkeren? Er is ruimte genoeg voor je. Ik ben onderweg naar een afspraak en ik ben nu al te laat.”
Ik krijg opnieuw geen antwoord. Gekweld door zoveel onwil vraag ik: “Ben je behalve lui nog doof ook, kwijl?”
Vanuit de vrachtwagen krijg ik ten antwoord: “Ik weet niet tegen wie jij het hebt.”
“Kijk eens aan: lui, doof en nog achterlijk ook. Staan er behalve jou dan nog meer mafkezen in dat hobbelpaard?”
“Wie denk je wel dat je bent om mij te kunnen commanderen?” vraagt die mesthoop mij.
“Dat zal ik je laten zien als je even uitstapt, dan kan ik je kin wegstompen, galnek dat je bent.”
“Dan moet je wel een groter mes hebben dan ik!” merkt de kaaskop op.
“Maak jij je over mij nou maar niet bezorgd met die kaasschaaf van je. Kom nou maar uit die laadbak zodat ik smeerkaas van je kan maken.”
Maar hij komt niet en ik ben er ook niet echt van gecharmeerd om in die bestelwagen te klimmen, om vervolgens een schoen in mijn snoet te krijgen. Een impasse dus.
Ik loop terug naar mijn wagen en blijf daar ongeduldig wachten tot de vrachtwagen wegrijdt. Nadat dat eindelijk is gebeurd, blijkt hij dezelfde route te willen volgen als ik. Gehaast en geïrriteerd probeer ik hem bij de eerste de beste gelegenheid te passeren. Weer heb ik buiten de waard gerekend, want de hork is duidelijk van plan om me zoveel mogelijk te hinderen: twee keer snijdt hij me van rechts, waardoor ik eerst ternauwernood een vluchtheuvel kan ontwijken, om vervolgens zowat tegen een brugleuning aan te klappen. Nou, dat was het dan wel zo ongeveer voor mij. Ik sla op tilt. ‘Jij kunt lachen met me, je bent dadelijk aan de beurt’, denk ik. Ik blijf achter hem aan rijden tot we de snelweg bereiken. Ik accelereer nu en blijf ter hoogte van de bumper naast de vrachtwagen rijden. Ik scan de snelweg voor en achter me totdat er geen ander voertuig meer in mijn blikveld te bekennen valt. Intussen open ik een vak in mijn portier.
Ik pak mijn Ruger 357 Snub Nose Magnum, die geladen is met JSP's, en laat mijn elektrisch bediende rechterzijraam zakken. Dan begin ik in te halen. Ter hoogte van de achterwielen van de vrachtwagen span ik de haan van het wapen. ‘Je gaat verschut, Jan’, flitst het nog even door mijn hoofd.
Ik druk af, en bang…!!’ Ik ben halfdoof van de explosie en stoned van de kick. 'Nou die is in ieder geval goed voor een ruggie schade aan zijn plaatwerk. Dan heeft hij ook wat voor zijn vrijdag. ‘Nu even snel het veld ruimen en zorgen dat we niet verschut gaan', denk ik tevreden. Ik ruk de Porsche terug naar zijn tweede versnelling en blaas dan naar de tweehonderd en vijftig kilometer door. ‘Beter nou maar even opschieten, ome Bram’. Ik gier een afrit op en raas met een bloedgang door Badhoevedorp, het centrum van Amsterdam tegemoet.
Na mij ervan overtuigd te hebben dat de twee vrienden met wie ik een afspraak heb op de afgesproken plek aanwezig zijn, parkeer ik de 928S twee straten verderop.
Ik ontdoe de revolver van kogels en de lege huls en veeg mijn vingerafdrukken er vanaf. Dan steek ik het nu in een zakdoek verpakte wapen in mijn broekriem achter mijn rug. Ik sluit mijn wagen af en laat de kogels en de lege huls in een rioolput verdwijnen. Vervolgens ontmoet ik mijn vrienden op de plaats van afspraak.
Ik roep Bullie apart en vertel hem wat er voorgevallen is. “Wat denk je dat de kit me maken kan, Bul?” vraag ik hem.
“Oh, niet veel,” sneert de Bul. “Een luttele aanklacht van poging tot moord. Dat is alles, denk ik.”
“Maar ze hebben toch niks anders dan het woord van die bijgoochem, die kan wel zoveel verklaren.”
“Die kogel is zeker door de fabriek in die vrachtwagen ingebouwd. Wie denk je dat de granderik eerst gelooft, een handwerkende chauffeur of een bikker met een criminele verificatiestaat?” weerlegt mijn vriend.
“Nou ja, ik zie wel waar het schip strandt! Wil jij die blaffer dumpen voor mij? Ik moet nog wat sporen verwijderen en ik kan slecht van me af praten als ze dat apparaat op mij vinden als ik aangehouden zou worden.”
Bullie stemt onmiddellijk toe en lost zich met het corpus delicti op in dunne lucht. Ik loop naar mijn sidekick en boezemvriend Robbie, die natuurlijk al begrepen had dat er iets krom zit, en mij dan ook nieuwsgierig aankijkt. Hij vraagt echter niets.
“Ik vul je straks wel in, Rob, breng jij die Porsche even naar de dealer en laat dat ding van binnen en buiten grondig reinigen. Geef ze maar een meier en als ze zeggen dat die auto helemaal niet smerig is, vertel je ze maar dat jij gisteravond een visverkoopster in dat ding hebt liggen wippen en dat het mormel nog ongesteld was ook! Neem op mijn kosten maar een taxi terug. Ik zie je dan hier weer over een uur.”
We lopen naar mijn auto en ik geef Robbie de sleutels, waarna hij instapt en wegrijdt. Ik houd een taxi aan en vraag de chauffeur naar een straat te willen rijden in de buurt van een pand waar ik onder een andere naam een appartement heb gehuurd. Ik loop een supermarkt in, schaf een fles bleekwater en een borstel aan en loop verder naar mijn appartement. In dit liefdesnest, dat tevens als ‘stash’ dient, heb ik een complete garderobe hangen.
Nadat ik mij ervan overtuigd heb dat er tijdens mijn afwezigheid niemand binnen is geweest, open ik de deur en stap naar binnen. Ik pak een schaar en knip mijn nagels zo kort mogelijk. Ik kleed me uit en stop mijn kleren in een vuilniszak, waarna ik mijn handen en armen begin te schrobben in een emmer met gloeiend heet water en Glorix. Wanneer deze ledematen vuurrood en behoorlijk pijnlijk zijn geworden, neem ik een riante douche. Ik kleed mij in een combinatie van kleren, die qua kleur zoveel mogelijk overeenkomt met de combinatie die ik zojuist in de vuilniszak heb gestopt. Behalve vierhonderd vijftig gulden steek ik mijn rijbewijs en slaappillen in mijn zak, nadat ik alle andere papieren, mijn sleutels en het overige geld heb opgeborgen.
Ik verlaat het appartement en besluit om lopend terug te gaan, want het zal nog wel even duren voor Robbie terug is. Wanneer ik op het vertrekpunt aangekomen ben, is echter nog geen van mijn vrienden te bekennen. 'Als ze die Robbie nou maar niet van de weg gerukt hebben, want dan zit die stumper ook nog zes uur vast voor de kat zijn viool', peins ik terwijl ik naar een telefooncel slenter. Ik wil mijn vrouw bellen om te vernemen of er nog boodschappen voor mij zijn.
“Hallo?”
"Ja met mij. Is er nog gebeld voor me, Mick?"
"Nee, maar er is wel politie voor je aan de deur geweest."
"O... En weet je wat ze wilden?"
"Ja, jou."
"Hoe dat zo, lief?"
"Nou, ze vroegen of de Porsche HT-24-YD mijn eigendom was. Toen ik antwoordde dat dit juist was, vroegen zij mij of het ook klopte dat er ene Jan ter Haak in die auto reed."
"En wat heb je gezegd?"
"Ik zei dat ze zich daar ook niet in vergisten, maar toen ze vroegen waar mijnheer Ter H. dan wel uit kon hangen, antwoordde ik dat ik ze het antwoord daarop schuldig moest blijven. Ze keken me toen een beetje vals aan en vroegen: ‘U haalt toch vooral geen geintjes met ons uit hè, mevrouwtje?'"
"En verder, Mick?"
"Ik antwoordde dat het een verspilling van het zuiverste water zou zijn om humor aan agenten te spenderen. Die roepen altijd de hulp van de Mobiele Eenheid in als je een grapje tegen ze maakt. ‘O, maar voor uw man hebben wij de ME echt niet nodig hoor, mevrouwtje’, zei die agent, waarop ik antwoordde: “Dat is logisch, want mijn man vindt humor aan politiewezens maar verspilde energie."
"Dus je hebt je best gedaan! Was er verder nog iets?"
"Ze vertrokken nadat een van de twee nog tegen me zei dat hij jou wel kende."
"Okay schat, ik denk dat ik me nu even moet verwijderen, dus maak je maar niet bezorgd als ik vanavond niet thuis kom."
"Het is toch niets ernstigs, Jan?", vraagt Mick bezorgd.
"Niets waar geen oplossing voor komt. Ik houd van je."
"Ik van jou, kijk je wel uit Jantje?"
"Doe ik."
Ik hang op en loop terug naar het ontmoetingspunt. Robbie staat er nu gelukkig te wachten.
“Hoe is het gabber, stond je er al lang?"
"Nee, ik ben er ook net. Ik heb net zo lang bij die dealer gewacht tot zij eindelijk aan je auto begonnen. Ik dacht dat je dat wel zou willen."
"Luister Rob, ik heb wat problemen en de kit zoekt me blijkbaar. Wil jij mij naar het politiebureau in Haarlem rijden?"
"Tuurlijk vriend, ik hoop alleen dat ik je niet moet gaan missen."
"Drie maanden altijd wel, Rob. Ik wil je echter liever niets vertellen om je niet met de wetenschap van iets te belasten, waardoor jij ook in moeilijkheden zou kunnen komen. Wil je nog iets voor mij doen?”
"Wat je wilt”, zegt Robbie.
"Goed, blijf dan even recht voor je uitkijken terwijl ik naast je loop en vertel me dan wat voor kleren ik nu draag."
"Een grijsblauw nappa Versace jack, spijkerbroek, blauwe laarzen, lichtblauw Lacoste shirt en een blauwgrijze trui,” antwoordt hij zonder aarzelen. "Hoe dat zo?"
"Als je gehoord mocht worden door de prinsemarij, vertel ze dan rustig alles wat er is voorgevallen is - behalve dan natuurlijk dat ik je net vroeg wat voor kleren ik draag. Maar onthoud het wel, en vertel dat aan de granders wanneer ze je ernaar vragen. Dat kan voor mij namelijk erg belangrijk zijn."
We zijn inmiddels bij Robbies Porsche aangekomen en stappen in. De rit naar Haarlem verloopt zonder enige conversatie. Robbie is ook een gevoelsmens, en ik kan zien dat hij het moeilijk heeft. We hebben de laatste tijd samen dan ook niet te weinig meegemaakt.
Ik laat mijn vriend een eindje voorbij het politiebureau stoppen. Voordat ik uitstap vraag ik: “Wil je de lopende zaken blijven behartigen en tevens opletten dat een of andere afkoker Mick niet lastig valt terwijl ik verhaft ben?”
“Jan, ik ben er wanneer je me nodig hebt, en ook als je me niet nodig hebt! Ik wens je sterkte en hoop je snel weer te zien. Je kunt op me blijven rekenen.”
We schudden elkaar de hand en omhelzen elkaar. Ik zie dat hij tranen in zijn ogen heeft. Ik slik ook zelf een brok weg en loop zonder omkijken naar het kithuis. "Wat ben ik ook een klote-imbeciel met mijn verrotte pestprincipes en misplaatste trots", vloek ik. Dan loop ik Dantes hel binnen.
Met een toch wel bonkend hart loop ik de hal door en vraag de portier, na mij gelegitimeerd te hebben, waarom ik gezocht word. Cerberus verzoekt mij op een bank plaats te nemen, opdat hij in alle rust ergens aan een telefoon kan draaien. Na veertig minuten gewacht te hebben komt de brave borst weer aangeklost. Hij deelt mij mede dat hij ervan op de hoogte is dat er politie bij mij aan de deur is geweest, maar de reden hiervoor kan hij mij niet vertellen. Wat hem betreft kan ik wel weer vertrekken; een verzoek dat ik maar al te graag opvolg.
“Zeker een misverstand met die kolere kit aan de deur. Maar ja, beter zo dan het spinhuis in”, praat ik mezelf moed in. Thuisgekomen vind ik een briefje van Mick waarop staat dat zij boodschappen is gaan doen. Ik pak de telefoon en bel de garage waar mijn auto staat. Ik word onmiddellijk doorverbonden met A.J., de directeur, die me zegt: “Jan, je kunt beter niet komen, er staat hier een arrestatieteam op je te wachten. Je wagen mogen we al niet meer aanraken.”
"Was die auto al schoongemaakt toen de sheriff arriveerde, A.J.?”, vraag ik ongerust.
"Ik geloof dat alleen de buitenkant gewassen is.”
"A.J. vraag de kitmannen niet weg te gaan, omdat ik onderweg naar jullie toe ben! Staan die cowboys binnen of buiten?”
“Binnen en buiten! Jan, je maakt toch geen matschudding hier in de zaak?”
"Dat kun je beter aan de kit vragen.”
"Ja, maar ik heb klanten in de zaak.”
"Dat is mooi en moet je echt zo zien te houden, dan verdien je nog wat. Nu is er nóg een klant onderweg naar je, A.J.”, besluit ik en leg de hoorn op. 'Pestpleuris', denk ik, 'dus toch verschut. Zal ik me maandag maar gaan melden, dan ben ik in ieder geval het weekend nog vrij?' Ik besluit uiteindelijk toch maar te gaan, dan weet ik meteen hoe laat het is. Ik bel een taxi, die ik mij naar Amstelveen laat rijden.
Op mijn verzoek stopt de chauffeur een paar straten voor de garage, zodat de kit niet later aan hem kan vragen van welk adres hij mij heeft afgehaald. Wandelend naar de garage, nog even van mijn vrijheid genietend, besluit ik door de magazijndeur aan de achterkant van het pand naar binnen te gaan. Na het doodschieten van een politieagent door een krankzinnige Engelsman, een paar maanden geleden in Amsterdam, ben ik een beetje ‘pages’ geworden voor agenten die bang, ‘triggercrazy’ of beide zijn. Mijn voorgevoel blijkt accuraat; aangekomen in het kantoor van A.J. word ik onmiddellijk ingekapseld door vijf rechercheurs, waarvan er twee kogelvrije vesten dragen.
De geharnaste rechercheurs die van de groep Bijzondere Opdrachten zullen zijn, hebben hun handen onder hun bonkertje. 'Zij zullen niet van plan zijn om mij een sigaret aan te bieden', denk ik teleurgesteld. “Bent u Jan ter Haak?”, vraagt de oudste rechercheur mij.
"Jawel, edelachtbare.”
"Kunt u zich legitimeren, mijnheer Haak?”
"Ik heb enkel mijn rijbewijs bij me, maar haalt u dat maar uit mijn binnenzak.”
Ik ben niet van plan om ook maar een beweging te maken die zij kunnen (lees: willen) interpreteren als ‘verzet tegen mijn arrestatie’, wat ze een reden zou geven om me systematisch in en uit elkaar te kloppen.
“Ik bemerk dat u het klappen van de zweep al kent”, zegt de oude rechercheur zichtbaar teleurgesteld.
"O, ik kijk graag naar politiefilms op de tv, dus laten we het maar een beetje in stijl blijven doen.”
De meerderheid van het arrestatieteam blijkt intussen uit correcte en redelijk vriendelijke ambtenaren te bestaan. Nadat de rechercheur mijn zakken heeft geleegd en mijn rijbewijs bekeken heeft, zegt hij: “We hebben de opdracht u aan te houden, mijnheer Haak.”
"Waaraan ontleent u dat recht, als ik u vragen mag?”
"Aan dit arrestatiebevel”, antwoordt hij, een officieel ogend document uit zijn zak halend. “Ik kan u echter niet zeggen waarom u aangehouden moet worden. Het geschiedt op een getelext verzoek van de politie te Haarlemmerliede.”
"Waar ligt dat in vredesnaam?”
|