Loading..., wait please...
 
 

De kleine blauwe knopjes rechts vormen het het navigatiemenu wanneer u deze balk heeft weggeklikt.

Klik het ronde knopje bovenaan om naar de top van de pagina te gaan.

Klik het ronde knopje onderaan om naar de onderkant van de pagina te gaan.

Ga op het middelste, ovale knopje staan om het verhalen menu te gebruiken. Enjoy!

 

 
Dit is het hoe het in het leven altijd maar weer opnieuw gaat zonder dat iemand er erg in heeft
Wanneer u moet stoppen met lezen en u wilt de volgende keer doorlezen waar u de laatste keer gestopt bent, kunt u de boekenlegger zetten door deze knop aan te klikken.

De boekenlegger brengt u dan exact naar de regel waar u zijn wilt, zonder dat u moet zoeken.

LET OP! Zet niet tussentijds de boekenlegger af in een ander verhaal, want dan is de opgeslagen positie verdwenen.

Menu
Klik op X om boekenlegger te sluiten. Later kunt u deze op het menu weer zetten
X
 
DE VERHALEN
 Christa Sanders zei: "I love it".
 Davonne zei: 'Jah, vet goed, Jan'
 Wat zegt een man van mijn stories
 Hoe werken die verhalen, precies?
 De verhalen.., of het boek lezen?
 En wat ga ik nu dan schrijven?...
 Badoo de Riff Raff en RipOff site
 Leven op Contact- en Datingsites.
 Hoe houdt de vrouw de controle..?
 
Klik om ons allemaal in beweging te zien...
Klik voor de Homepage.... Klik om uw commentaar te geven... Klik voor het laatste nieuws....... Klik om mij te mailen...
   
  Goof and the Gunfoof
 
  Awday ah ken mair an mair aboot awthin…
Aneday soon ah ken jist nihing aboot fuckall!
 
 

Op dating- of chatsites wordt niet snel het Bargoens of ‘Glaswegian ............... vernacular’ gebruikt. Het meest vers in mijn geheugen lag echter nog het Glasgow slang.

Davonne zou er dan ook rap voor zorgen dat mijn geheugen snel opgefrist werd.

Wanneer men dit gezegde op vrouwen zou toepassen, dan zou men kunnen stellen dat er stond: Iedere dag leer ik meer en meer over alle vrouwen, maar één dezer dagen leer ik, dat ik geen fuck weet over fuckall. Ik begrijp dus niets van een vrouw!

“Jij begrijpt niets van een vrouw?” vraagt de lezer mij nu verbaasd, “Ik begrijp er niets meer van! Ik heb mij door al die shitstories van je gevochten..., en nu vertel je mij even doodleuk, dat je niets van een vrouw begrijpt?! Wat is dat voor een raar verhaal, is dat een vrouw..., zoals in alle vrouwen..., of één bepaalde de vrouw?”

Een bepaalde vrouw. Fuck, ik heb in mijn leven met veel vrouwen geleefd, ik heb in mijn leven veel met vrouwen beleefd, ik heb de laatste twee jaar met meer dan driehonderd vrouwen gecommuniceerd, maar dit had ik echt nog nooit meegemaakt. Lees, wat mij gebeurde.

Na het verhaal met Vanny the Trophy Fanny had ik ingezien dat datingsites niet langer meer zaligmakend waren, omdat deze sites steeds meer concurrentie ondervonden van sites zoals Badoo en Tagged. Ik was echter nog steeds van mening dat als ik groenten wilde eten, dat ik die bij de groenteman moest kopen, en niet uit de vuilnisbak moest vreten.

Aangezien de meeste van mijn vriendinnen echter op die fucking dyslectische sms-steno sites vertoefden, besloot ik het nog maar eens te proberen. Nou, het was een mengelmoes van een braderie, ‘carboot sale’, of rommelmarkt voor muffs. Muffs? Mutsen! Mutsen? Fucking labia majora pudendi-capuchons zaten erbij. Mijn god, wat een zootje ongeordend. Zeker, er waren wel een paar die serieus naar een partner zochten, maar het leeuwendeel van de milfs zocht een vent die even een paar euro wilde sms’en, zodat zij hun vunzige vleermuis op de webcam konden laten zien.

Gore, oude, met zee-algen overwoekerde kerels die op jonge meiden peesden en die hun armzalige ‘chat-up lines’ hadden overgenomen van hun twintigjarige, met testosteron exploderende seksegenoten: ‘Hey, lekker ding, ff sjatte. Hep je EMMESSEN?

Gediscrimineerd werd er niet op Badoo. De ‘chat-up-lines’ van de Tunekanen en Kurten varieerden van: ‘Jei leker meesje’, ‘Iek maak mooje lof met jou’, ‘Jij spreke lekker zeks met die Ali op die wepkam’?’

Er waren milfs en gilfs. Tatoeages hadden ze allemaal, want geen één winkeldochter wilde hier voor een muurbloem onder doen. Al zou geen vent het ooit zien, ze moesten een keurmerk hebben. Vaker nog hadden zij ook een hele ijzerwinkel studs en piercings, van lip tot lip -met alle, al lang niet meer zo erogene accessoires daar tussenin- in hun, door drugs uitgemergelde lichamen hangen. Die konden nimmer op Schiphol een veiligheids metaaldetector passeren, zonder dertig sirenes af te laten gaan. Maar dat was ‘cool’, ze gingen toch al nergens heen. Voorlopig zaten ze nog even op Badoo op hun vakantieprins en het geldschip te wachten. Bent u bekend met het gezegde van de gedesillusioneerde botox- en silliconenkippen: “De volgende vent die ik neem moet oud en rijk zijn.” Dream on! Goed voornemen, maar het gaat never gebeuren, niet op Badoo. Daar waren de kerels wel oud..., maar arm. De rijken konden het zich veroorloven door de twintigers te wroeten. Op Ibiza!

Alle zes de variëteiten van het BDSM gebeuren and fetisjisten ‘fucking bigtime’. Tranny’s, shemales en ladyboys, alle twaalf de sekses waren rijk vertegenwoordigd. De gewone normale, nette homo moest zich hier wel zwaar ondergewaardeerd voelen.

Moeder de 0900 pornoganzen, penthouse prostituees, cam-madammen, moneygrabbers, avonturiersters, cockteasers, thrillseekers en fortuinjaagsters. Senegalese en Liberiaanse zwartwipsters, die een paspoortechtgenoot zochten. Poolse cum dumpsters. Russische dataminers, het hield niet op. Het leek wel een virtuele Lagonia markt in Mexcico City  van scammers, fakers, sex, fanny en arse-venters..., alleen de muziek van de Mexicaanse gitaren en trompetten, ontbrak.

Iedere dag had ik wel een uiteenzetting met iemand van dat afgestompte rif-raf, die het even nodig vond om een hatelijke opmerking naar mij toe te plaatsten. De afloop was altijd hetzelfde. Rif-raf min één. Ik schreef die dumbfucks -die het woord ‘want’ met ‘dt’ spelden- aan literaire splinters. Ik had door mijn verleden al een vuile, hatelijk bek aan me gegroeid, nu kon ik het zo op schrift zetten, dat zij na het lezen gelijk een klinische depressie indoken.

Natuurlijk zaten er ook normale, lieve mensen op dat Badoe ongebeuren. Mannen, zowel als vrouwen, en het was met hen dat ik een geweldige, vaak zeer interessante communicatie kon voeren. Maar uiteindelijk zat ik ook hier weer met een missie. De promotie van mijn boek, en anders dan op de ‘datingsites’, kon ik hier een fase overslaan. De fase waarin ik een faker was. Al was het dan maar voor twee emails, en heb ik er nagenoeg nooit kritiek erover gehad, het heeft mij nimmer aangestaan. Dus Badoo..., ‘here I fucking am’

Ik had de laatste keer al een foto van mijzelf in dit schilderij ‘De Dulle Griet van Pieter Bruegel de Oude’ geplaatst, want in het land der blinde is éénoog nog steeds koning, en ik had alle twee mijn ogen nog. Mooie ogen. Rode ogen. In dit land der literaire blinden zag ik er werkelijk uit, alsof er een beloning op mijn hoofd stond..., maar vrouwen zijn nieuwsgierig en sommige vroegen mij dan ook zonder omwegen: ‘Waarom de rode ogen’?

Ik stuurde dan een sjabloon terug, die las:

Ik heb die foto met opzet bewerkt, zodoende de rode oogjes. Mensen zijn nieuwsgierig en komen dan op mijn profiel kijken, dat nogal apart geschreven is.

Zo lok ik ze dan weer naar mijn website, waar ik mijn autobiografie en datingverhalen promoot;-)

Als ik doe wat de rest hier doet, pist er echt geen hond tegen mij aan;-)

“Hahaha, slim wel,” zeiden de meeste vrouwen en velen bezochten dan ook mijn websites, en daar ging het mij uiteindelijk om. Wat mij onmiddellijk al opviel, was dat jonge vrouwen, vaak meisjes, veel vriendelijker, beleefder, enthousiaster en geïnteresseerder waren dan hun vaak verbitterde, veertigjarige seksegenoten.

Het was een waar genoegen om met hen van gedachten te kunnen wisselen. Ik schrijf nimmer goor naar de dertigers, dus ik haal al helemaal al niets in mijn hoofd met jonge vrouwen, of meisjes. Vaak zocht ik hun gezelschap, nadat ik het gejank, gezeik of gemekker van de knuffelbuffels, huppeltrutten, milfs en gilfs zat was. De jeugd bleek toch een verademing. Maar de jeugd is niet gek en vaak is voor hen een blik op een foto al genoeg, om niet eens de chat te lezen, laat staan te antwoorden op de gore tat van de seksueel gefrustreerde no-hopers.

Ik had dus weer een ‘chat-up line’ bedacht, die een antwoord provoceerde. Ik wist dat de nieuwsgierigheid naar mijn foto, de vrouwen er toe dreef om de tekst te lezen. Was het goor, dan reageerden zij niet eens. Wanneer ik gezien had dat er een meisje, of jonge vrouw op mijn profiel was geweest, dan schreef ik hen aan:

Nosy, nosy, nosy, of moet ik je bedanken voor je interesse? Vrouwen zijn eigenlijk nooit nieuwsgierig, nietwaar?;-))

Waarom kijk je zo verdrietig, dat zie ik nu pas.

De antwoorden waren bijna nagenoeg identiek:

‘Wel, ik moet toegeven dat het nieuwsgierigheid was.

Ik verdrietig? Dat wist ik niet. Echt waar?’

Nou dan had ik natuurlijk een opening. Opvallend was dat de jonge vrouwen nooit over de rode ogen begonnen, ondanks dat zij nieuwsgierig waren. Ik legde hen dan uit dat het treurig kijken maar een lokkertje was, om een antwoord te provoceren.

Ze namen het allemaal goed op en vaak ontspon zich een leuke communicatie. De kunst was om te stoppen met de chat, voordat zij aangaven dat ‘ze nu dringend iets moesten doen’, want dat was het moment dat hun aandacht verslapte, en zij verderop wilden. Ik zag ze dan ook niet meer terug, terwijl als ik als eerste stopte, dan kwamen zij geregeld even langs. Ik genoot van deze virtuele gesprekken. Ondanks de dertigers die ik nog steeds de verkering inschreef, had ik teveel in het gezelschap van oude kakzakken vertoefd.

Voor een euro kon men zijn, of haar foto in de Spotlight laten zetten, zodat die foto op hetzelfde moment voor miljoenen te zien was. De kunst was om bij die foto een pakkende tekst te zetten, zodat half Europa op je profiel dook, door op je foto te klikken. Ik deed dit geregeld, en één van mijn teksten was, dat ‘ik een miljoen euro met een echte vrouw wilde spenderen’, ‘MAN, als jij denkt een vrouw te zijn, lees de bijsluiter dan.’ Vergeleken met: ‘Ik ben Jaap’, ‘Hallo’, ‘Lekker weertje he’, ‘Ik heb zin in ... met een vrouw’, ‘wie zoekt mij op’, ‘XXXX’, ‘061 234 567’, ‘chatte’, deed ik het echt niet zo gek. De ogen en de tekst, joegen de vrouwen bij mij naar binnen. Helaas was de helft oude gebakkies, die ver voorbij hun ‘sell by date' waren. 'So, never mind a fucking date’.

Davonne. Zij v................erscheen in de Spotlight en zij was geen oud ‘gebakkie’. Zij was..., zij  was..., zij was net als Mickey uit mijn verhaal Chancer and the Dancereen superchick, een megamuff. Een schoonheid.

Davonne had geen loktekst nodig, en die had zij dan ook niet geplaatst.

‘Hey ;-)’, stond er in haar slogan. That was all.

Ik pulk niet aan minderjarigen, maar mooi is mooi en naar mooi kijk ik graag. Ik vind een lammetje in de wei ook mooi, maar ik vreet het niet op. Davonne was zo mooi dat ik op haar profiel klikte, waar mij een paar verassingen wachtten.

Zij had zo’n dertig foto’s van zichzelf geplaatst. Sommige waren gewoon mooi, andere dramatisch, enkele romantisch, vele dynamisch en sommige foto’s reflecteerden een latente erotiek. Davonne had net als Mirkie in mijn verhaal ‘Taker and the Heartbreaker, duizend gezichten en daarnaast was zij megafotogeniek. Zij straalde een dynamiek uit waar ik niet aan voorbij kon gaan. Zij was ‘awesome, cosmic and fucking fabulous’. Ik wilde meer van haar weten. Aangezien dit geen ‘ten a penny’ jonge, suffe cyberchick was, besloot ik tot een wat ongewonere tactiek. Ik zou haar pakken op haar Spotlight tekst: ‘Hey ;-)’

Ik opende haar chatbox, en schreef:

Davonne, grandioos, die Spotlighttekst. Heb je die helemaal zelf bedacht, of hebben mensen je daarbij geholpen?

Als ik haar verkeerd had ingeschat, dan zou haar antwoord zijn geweest:

‘Zeg waar bemoei jij je eigenlijk mee, mafkees? Ik mag dan geen tekst hebben, maar die heb ik ook niet nodig. Jij hebt, en je bent geen gezicht. Doe daar maar eerst wat aan, voordat je kritiek gaat leveren op anderen.’

Nee, ik had het goed gezien. Davonne antwoordde mij simpelweg:

“Ik wist eigenlijk niet wat ik schrijven moest”

Gewoon zo, vriendelijk, de waarheid ‘as a matter of fact’.

Ik voelde mij gelijk schuldig over mijn sarcastische commentaar en ging in ‘turboherstel mode’, om die fout goed te maken.

Davonne, ik ga je geen complimentjes maken, want die krijg je hier al genoeg van die ranzige gekken. Ik ga niet schrijven dat je foto’s fenomenaal zijn, want dat weet je al. Wat ik je wel wil schrijven, is dat je profiel in onbalans is.

Je hebt de mooiste en meest dynamische foto’s... daar hoort een vlijmscherpe tekst bij, die je profiel in evenwicht brengt en al die smeerkezen bij je weghoudt door de arrogantie, die in die tekst ligt. Mannen wagen zich daar niet gauw aan, omdat de meesten hier amper hun eigen naam kunnen schrijven.”

Davonne antwoordde: “Ik weet niet goed hoe ik zoiets doen moet.”

“Luister, ik schrijf een tekst voor je. Als je hem goed vindt, dan plaats je die. Zo niet, rot je hem weg. Wat denk je?”

Zo rustig als zij op mijn kritiek had gereageerd, zo sceptisch reageerde zij op mijn aanbod. Ik kon haar haast horen denken: ‘Ik vraag mij af wat die nu weer van mij moet’ of ‘Benieuwd wanneer deze gek met zijn sekstrash begint’.

Ik schreef een arrogante profieltekst voor Davonne. Ik vond het zelf ook leuk, want alhoewel ik een criminele pooier ben geweest, schaam ik mij voor de manier waarop bepaalde mannen zich naar vrouwen kunnen gedragen. Ik durf wel te stellen dat ik een pooier met klasse ben geweest, een klassepooier dus en geen ‘fucking loverboy’.

De asociale kerel met zijn gore taal voelt zich echter toch beter dan mij. Hij vergeet echter dat ik aan kakzakken zoals hen mijn brood verdiende, en geloof me, nu –met de komst van het internet- doen ze flink en goor vanachter hun honderd euro kostende, tweedehands pc’tje, maar in een hoerenkast hoorde je die krengen vroeger niet.

Ik stelde dus de profieltekst samen voor Davonne, om die gore secreten bij haar weg te houden. Dus:

Vind je mijn foto’s...? Ja? Wel, ik ben beter. Ik ben de apotheose, want ik ben Davonne.  Ik ben geïnteresseerd te communiceren met interessante mensen. Mij is verteld dat er hier nog twee of drie moeten rond-slingeren.

Ik heb tijd noch de animo om het ranzige geslobber aan te horen van beschimmelde roquefort mannetjes, die met hun wepkammetje en/of zichzelf willen spelen. Noch gaat mijn belangstelling uit naar de jonge, geobsedeerde, macho konijnen inseminators, wiens hele vocabulaire bestaat uit: ‘hey lekker ding’

Wat ook een non-starter is, is een date waarbij men mij uit mijn lingerie denkt te kunnen pellen. Voor de literair gewonde lezer, stel ik het als volgt: ik ben op Badoo..., niet voor Bah-doe! Okay?

Ik verwacht eigenlijk... iemand die net zo speciaal is als ik..., dat moet toch kunnen lukken? Ik ben er toch ook?

Een half uur nadat Davonne mijn tekst geplaatst had, begon mijn chatbox te pingelen. Davonne.

“Jan, het werkt echt! Ik krijg zoveel reacties en ze doen het allemaal rustig aan. Geen één noemt mij ‘lekker ding meer’. Ik weet niet of ik daar nu blij mee moet zijn, of niet;-)) Nee, het is ongelooflijk.”

De daaropvolgende dagen kwam Davonne trouw aanwippen en ik begon echt plezier in de onderneming te krijgen. Ik wilde haar wel beter leren kennen, want ze was een vriendelijk persoon en beslist niet achterlijk. Ik was ook benieuwd hoe mensen van negentien leven en de wereld zien. Ik ben zo druk geweest met het leven van mijn eigen leven, dat ik daar eigenlijk nooit bij stil heb gestaan. Wat deed ik toen ik negentien was?

Ik zat in de fucking gevangenis, dat is wat ik fucking deed. Ik was bezig tijd te doen omdat ik pooier was van een Duitse hoer, die haar klant had bestolen..., en het geld aan mij had gegeven. En wat er allemaal op volgde, wel daar heb ik met recht een boek over kunnen schrijven. Tweeduizend fucking pagina’s met misdaad. En ik zat te denken hoe ik ‘Davonne’ beter kon leren kennen.

Zoals gezegd, ik zou me schamen om aan iets anders te denken dan een vriendschappelijke relatie. Jonge mensen houden je jong, maar ‘how the fuck was I going to do that?’ Met de dertigers was het gemakkelijk, die schreef ik de verkering in, wanneer ik hun leuk vond. Dat kon ik met Davonne nooit maken. Ik zou mijzelf a) een stakkerd voelen om het zelfs maar te proberen, en b) ik respecteerde haar te veel.

Ik was het gemelk van de oude biggen zat voor een tijdje en op dat Badoo zat nu niet echt iets in de dertig dat ik zocht, of die mij zochten. Op een ‘datingsite’ was het makkelijk; ik schreef vanachter een fake profiel; na een paar emails had mijn ‘verloofde in oprichting’ al zoveel romantiek rond de virtualiteit gecreëerd, dat het meestal al niet meer uitmaakte dat ik niet de hunk op de foto van mijn profiel was. Maar daar kon ik schrijven, dat is met die ‘fucking shitshatsite’ nagenoeg onmogelijk. Ik communiceer slecht in ‘hyperguff’ of ‘cyberwaffle’.

Het leek erop dat mijn inventiviteit mij dit keer in de steek zou laten. Jan de ideeënman, zat zonder ideeën dan. Nou dat was een leuk rijmend verhaal. Verhaal? Natuurlijk een verhaal!

Ik klikte Davonne’s chatbox open, en schreef:

“Mooi monster, zou ik je om een gunst mogen verzoeken?”

“Ja, natuurlijk. Wat is het?”

Ik had Davonne bij een eerdere gelegenheid al geschreven dat ik op mijn weblog ‘datingverhalen’ schreef, ter promotie van mijn boek. Ik had haar een paar linken gestuurd en zij had al eens een tijdje op mijn websites gekeken.

Ik legde haar nu uit hoe die verhalen werkten en vroeg haar of ik een verhaal over haar mocht schrijven.

“Ik schrijf niet goor en voordat ik het publiceer, laat ik je het lezen. Ik heb een paar foto’s van je nodig.”

“En wat moet ik daarvoor doen?”

“Niets, een beetje e-mailen en af en toe bellen, zodat ik je een beetje leer kennen.”

“Jah, doe maar. Lijkt mij wel leuk.”

Zo, dat was dat geregeld en het had geen eens pijn gedaan. Ik zou nu een wat geregelder contact krijgen met een persoon, die ik beter wilde leren kennen. Het feit dat ik een verhaal moest schrijven was een bonus, want ik houd van schrijven. En Davonne vond het ook leuk. Was ik goed of was ik fucking goed? Als ik van fucking chocolade was gemaakt, zou ik mijzelf opvreten.

Gedurende de volgende weken onderhielden wij een geregeld email- en chat- en telefooncontact, terwijl ik ’s overdag op Lexa zat te scoren. Ik was blij met het contact met mijn ‘jeugdvriendin’ want op Lexa zat ik nu echt over de bodem van een leeg vat te schrapen.

Intussen had Davonne mijn boek en mijn verhalen gelezen, ze was aarzelend begonnen, maar naarmate ze haar verhaal zag vorderen, kreeg ze steeds meer interesse in mijn verleden. Naast dat ik haar nu geregeld schreef en sprak, zag ik ook haar naam steeds in het beeld komen, wanneer zij weer een verhaal van mij zat te lezen. Ik was trots op mijzelf; dat de dertigers en de veertigers mijn verhalen goed vonden, dat wist ik nu wel, maar dat een tiener er zo in op kon gaan als Davonne, streelde mijn trots niet een klein beetje.

“Jan,” zei Davonne na een paar weken, “ik heb nu wel al je verhalen gelezen, maar één ding valt mij op. Je hebt mij nog nooit uitgenodigd om bij je te komen eten; al die andere vrouwen hebben bij je gegeten en God zal weten wat nog meer gedaan. Ik heb nu alles van je gelezen, je zit nu over mij te schrijven en mij heb je nog nooit uitgenodigd.”

Ik wist niet wat ik hoorde, en voor de weinige keren in mijn leven, was ik even sprakeloos. Toen zei ik: “Monster, je bent negentien jaar, en je weet hoe oud ik ben. Ik ben bang dat dit een ‘non-starter’ is.”

“Ik ben al een tijdje van de fles af, Jan, dus die hoef je mij dan niet te geven. Ik eet nu met de grote mensen mee, dus je doet mij gewoon een slabbetje om en dan wil ik ook die pasta met zalm wel eens een keer eten.”

“Maar...”

“Wacht even, want ik heb meer goed nieuws. Ik mag nu ook wijn drinken, dus je hoeft geen Yogi drink voor mij in huis te halen. Ik ben bijna een echte vrouw nu. Mag ik ook komen eten nu?”

“Hoe had je gedacht te komen?”

“Met de trein natuurlijk, dan kun jij mij op komen halen, net zoals je voor die andere vrouwen deed.”

“Sommigen kwamen met hun eigen auto.”

“Ja, maar als ik dat ook zou doen, dan vind jij een excuus om mij om acht uur naar huis te sturen en ik zou niet kunnen drinken, omdat ik nog rijden moet. Nee, ik kom wel met de trein. Veel leuker, nietwaar?”

Dit ging me te snel, en niet naar mijn zin, want ze praatte nu als een volwassen vrouw..

“Ho, ho, wacht eens even jij. Jij blijft hier niet slapen. Je kunt komen eten als je mij de toestemming van je ouders e-mailt. Ik zeg eten, ik zeg drinken..., met mate..., en in zeg beslist niet fucking blijven slapen. ‘Wat the fuck’ denk je dat ik ben? Een fucking kinderrover?”

“Okay, mijn ouders vinden het goed, maar dat zal ik je laten mailen. Ik kom dan wel vroeg, zodat ik niet gelijk weer op de trein terug moet. Is dat goed dan?”

Zaterdag stond ik om tien uur bij het station toen mijn mobiel overging.

“Jan, met Davonne. Sorry dat ik zo laat bel, maar ik kom een ietsje later. Ik leg je straks wel uit waarom en wat er gebeurd is.”

Zes uur later kwam Davonne het station uitlopen en stapte bij mij in de auto. Ik had zwaar de pest in, want ik had al gezien dat wanneer wij klaar met eten en drinken waren en een paar uur gepraat hadden, dat zij niet meer met de trein terug kon. Ze moest dus wel blijven slapen.

“Hoi, hoi, hier ben ik,” zei Davonne, mij ondeugend aankijkend, “Wat vind je van me?”

“Wat moet ik van je vinden? Je lijkt op je foto, dus dat klopt wel. Nou, wat was zo belangrijk dat je zes uur later komt aankakken, griezel?”

Davonne pakte een fles wijn uit haar tas. Het was de Chardonay, die ik graag dronk.

“Ik was de wijn vergeten, dus ik moest eerst nog even die twee flessen Chardonay ophalen.”

“En dat duurde zes uur? Ik heb wijn thuis, en dat wist je als je alles zo goed gelezen hebt. Jij hebt dit in elkaar gezet, zodat je wel moet blijven slapen. Ik denk dat ik je maar gewoon terug naar huis rijd.”

“Ik had trek in wijn,” pruilde zij.

Ik keek haar aan, kreeg medelijden met haar en dacht: ‘Hoe was ik toen ik negentien was’.

“Okay, nou ja, je bent hier, dus we zullen er maar het beste van maken, mag ik jouw mobieltje even lenen, want mijn batterij is leeg.”

Zij gaf mij de telefoon en ik bladerde snel door de telefoonlijst. Pappie. Ik drukte in en wachtte tot ik hoorde: “Hallo Davonne, ben je goed aangekomen?”

Ik antwoordde: “Mijnheer van O., mijn naam is Jan ter Haak en uw dochter zit naast mij in de auto.”

“O, hallo Jan. Er is toch niets gebeurd, dat je met mijn dochters telefoon belt?”

“Nee, maar ik moest uw dochter even te slim af zijn, want dat is ze mij namelijk ook geweest. We hadden afgesproken dat ze zou komen voor een etentje en een gezellige avond. Ze heeft het echter zo gemanoeuvreerd, dat ze moet blijven overnachten. Ik ben daar niet blij mee.”

“Dat is Davonne,” zuchtte haar vader, “Netjes dat je belt, Jan. Jij bent een grote vent dus ik kan mij voorstellen wat kan gebeuren. Daar ben ik dan weer niet blij mee, maar ik ben realist. Ik vraag je dus te willen beseffen dat ik maar één dochter heb. Ik vraag mij trouwens af wat jij hebt, dat mijn dochter zo besloten was om de nacht te willen blijven.”

“Zo mooi ben je nu ook weer niet,” dolde haar vader.

Ik lachte en zei: “Ik wil dit voorstellen: “We eten, drinken, praten, lachen en Davonne gedraagt zich. Zo zij handtastelijk wordt, bel ik u en wij rijden elkaar tegemoet. U kunt uw dochter dan weer mee naar huis nemen. Ik heb veel verkeerd in mijn leven gedaan, maar ik ben geen fucking wieggedief.”

“Dat is sportief van je,” zei Davonne’s vader, “Ja, prima idee. Ik denk niet dat het nodig zal blijken, dus ik wens jullie een prettige avond. Doe mijn dochter de groeten.”

“De groeten van je vader,” zei ik, Davonne de telefoon teruggevend.

“Dat was een smerige, lage truc met mijn telefoon,” zei Davonne, “Je dacht toch niet dat ik met je naar bed wilde? Ik wilde gewoon een gezellig weekend met je hebben.”

“Ja, dat is prima, maar voor het geval dat wij verschillende opvattingen over het woord ‘gezellig’ hebben, dacht ik maar beter op zeker te spelen.”

“Pfff, wat een verbeelding. Je zou de oudste man zijn, waar ik ooit mee naar bed zou zijn gegaan.”

“Ja, en jij zou dan niet de jongste zijn, maar wel de lelijkste,” kaatste ik het compliment terug. Het begon al goed..., met ruzie.

“Ik ben niet lelijk,” bitste ze.

Toen wij aan het eten zaten, was ik blij met de beslissing die Davonne genomen had. Een paar uur met haar, zou inderdaad veel te kort geweest zijn. Ze genoot van het eten en ging verantwoordelijk met de wijn om. De avond vloog voorbij en voor de verandering luisterde ik nu. Met dertig en veertigjarigen moest ik wel vaak het woord nemen, om niet de hele avond ex-echtgenoten of andere rugzakartikelen over mij uitgestort te krijgen. Met een slok op werden de meeste vrouwen eerst melancholiek, en daarna begon de oestrogeen te gieren en dan moest ik besluiten of ik wel of niet uit de jampot wilde snoepen.

Davonne was gelukkig een spontane tiener en ze had niet veel aanmoediging nodig om te babbelen. Om drie uur ’s nachts voelde ik mijzelf weer negentien, want ik had een jeugdupdate ondergaan. Er waren weinig dingen in het leven van een negentienjarige minivrouw waar ik nu niet van op de hoogte was. Ik had genoten, het was een heerlijke avond geweest. We waren wel beiden aangeschoten geraakt, dus ik stelde voor om het gevecht met de nacht maar aan te gaan.

Mijn slaapkamer had een tweepersoonsbed met gescheiden matrassen. Voor een moment dacht ik erover om een deur uit zijn scharnieren te tillen, en die in de gleuf tussen de matrassen te steken.

“Davonne, jij gaat eerst naar de badkamer, frist je zelf op en trekt je wollen pyjama aan. Als je in bed ligt, geef je mij een schreeuw en dan ga ik naar de badkamer. Denk erom, geen kunst en vliegwerk, want anders knoop ik dat dekbed om je nek vast. Afgesproken?”

“Deal!”

Toen ik mij opgefrist, en mijn tanden gepoetst had, trok ik een schoon T-shirt en een frisse pendek aan. Daarover deed ik mijn ochtendjas, liep de slaapkamer in en stapte in bed. Davonne lag mij geïnteresseerd aan te kijken.

“Heb je het koud, dat je je ochtendjas aanhoudt?” vroeg ze.

“Nee trut, ik ben verlegen! Ik ga nu die ochtendjas uittrekken.”

Ik wenste haar welterusten en draaide mij om.

“Krijg ik geen nachtzoen? Dat doet mijn vader ook altijd.”

“Ik ben je vader niet. Pak die teddybeer maar van de kast.”

Een kwartier later merkte ik aan Davonne’s ademhaling, dat zij nog niet sliep. Ik wilde net vragen of zij niet slapen kon, toen zij zei: “Gezellig zo hè, Jan?”

Ik schoot in de lach en vroeg: “Kun je niet slapen?”

“Ja hoor, maar ik lag ergens aan te denken.”

“Wat het ook is, ik wil het niet weten. Je weet wat ik gezegd heb.”

“Nee, daar dacht ik niet aan. Ik vroeg mij af wanneer ik mij gedraag, of ik dan vaker mag komen?”

“Ik heb meestal dates,” probeerde ik haar te ontmoedigen, terwijl het idee mij echt wel aanstond. Ik begon op haar gesteld te raken, ze maakte dat ik mij weer jong voelde, ook zonder doktertje te moeten spelen.

“Ja, dat weet ik, Jan, maar ik vroeg mij af of ik met je mee kon komen.”

“Meekomen, waar naar toe?”

“Je gaat over twee weken naar Italië, en nu dat wij samen geslapen hebben, moet dat toch wel kunnen?”

Ik was verbijsterd. Ze had mij gewoon in de val gelokt. Ze had al die tijd al geweten wat, en hoe ze het zou gaan doen.

“Geen sprake van. Als ik iemand meeneem naar Italië dan neem ik een echte vrouw mee. Het is geen fucking schoolreisje.”

Davonne draaide zich beledigd om, en ik haatte mijzelf.

“Sorry lieverd, je bent een echte vrouw. Een beetje teveel zelfs voor je leeftijd. Echt, je bent een mooie vrouw, maar ik ben ook maar een mens. Die verleiding zou te groot worden. Nu zie ik je als een negentienjarige. Als wij een paar weken op reis zouden zijn, dan vervagen die grenzen.”

“Man, wat maak jij toch alles gecompliceerd. Je zit je al over iets druk te maken dat voorlopig nog in het verschiet ligt. Ik gedraag me heus wel. Ik beloof het. Neem je mij mee, Jan? Toe, ik wil het hartstikke graag, ik wil ook je vrienden leren kennen. Please...?”

“Ik zal er over denken. Ga nu slapen.”

Vijf minuten later hoorde ik haar snurken als een tevreden, halfdronken tiener. ‘Wat is het toch allemaal eenvoudig, als je jong bent,’ dacht ik nog, voordat ook ik in slaap viel.

ITALIË - Twee weken later passeerde mijn Audi de Zwitsers/Italiaanse grens bij Chiasso. De zon brandde gaten in het asfalt, Davonne zat naast mij weer mooi te zijn en ik had het helemaal niet naar mijn zin.

Ik had besloten om de rit naar Italië in twee dagen te doen, uiteindelijk had ik ‘een kind’ in de wagen. Overal waar wij waren gestopt om te eten of benzine te tanken, hadden de mannen mij jaloers aangekeken, de vrouwen keken jaloers naar Davonne en afkeurend naar mij. In een wegrestaurant had de ober mij gevraagd: ‘was meine Enkeltochter (kleindochter) zu essen möchtest’ Kort na het verlaten van het wegrestaurant werden wij op de Autobahn aangehouden door de Polizei.

Davonne moest even uit de auto stappen; ze werd naar haar leeftijd gevraagd en of zij zeker wist dat alles in orde was. “Zij was toch niet tegen haar wil meegenomen?” vroeg de Politie. Toen zij dit ontkende en zei dat ik haar vriend was, krabde één agent onder zijn pet, en de andere beambte noemde mij een ‘dreckige alte kerl’.

In mijn favoriete hotel in Weill am Rein, waar ik al dertig jaar lang overnachtte, werd ik als vanouds begroet door Herr Ott, de eigenaar, die mij vroeg of ‘mijn vrouw’ en ik de bruidssuite wilden. Ik dacht dat ik gek werd, maar Davonne had het ook verstaan, en ze zei: “Ja Jan, de bruiddsuite, dat heb ik nog nooit gedaan.”

“Het zou ook wel een fucking schandaal zijn, wanneer je dat wel had gedaan op jouw leeftijd. Niks bruidssuite, we nemen twee aparte kamers. Wat denk je wel.”

“Ik ben bang om alleen in een vreemd land te slapen. Als je twee aparte kamers bestelt, ga ik huilen hier.”

Herr Ott stond geduldig te wachten, deed of hij er niets van verstond en boekte ons in de bruidssuite.

Ik was ziedend en zei tegen Davonne: “Morgen zet ik je in Bazel op het vliegtuig naar huis. Ik loop verschut met jou.”

“Is het niet eerder andersom?” kaatste zij lachend terug.

Ik schoot in de lach en mijn boze bui zakte een beetje. Later in het restaurant voelde ik mij echt man en vrouw met Davonne. Wij kregen de VIP behandeling, want het eten werd zoals gewoonlijk weer opgediend door de eigenaar, net zoals dat de wijn door hem persoonlijk werd aanbevolen, ontkurkt en gedecanteerd. Het eten was goddelijk en de wijn was duivels. We zaten te genieten alsof wij echt een bruidspaar waren. De afkeurende blikken van het autochtone Herrenvolk met hun overjarige Mädchen en Freudenmädchen konden mij niet langer meer deren. Ik was euforisch en ook Davonne leek het geweldig naar haar zin te hebben.

“Kom je hier met al je vrouwen?” vroeg zij.

“Je bent mijn vrouw niet, dwaas.”

“Ik ben je vriendin.”

“Je bent mijn vriendin niet, je bent..., je bent mijn..”

“Verloofde,” zei Davonne trots.

Ik zei: “Ga zo nog even door en in de bruidssuite ga je in het kinderbedje.”

“Er zijn geen kinderbedjes in een bruidssuite, kinderen worden daar juist gemaakt,” antwoordde ze, nu duidelijk aangeschoten.

Ik zuchtte..., mogelijk in zalige onwetendheid.

Davonne was opgetogen toen wij later de bruidssuite inkwamen. Ze ging gelijk op het hemelbed liggen en vroeg: “Hoe zie ik er uit als bruid?”

“Niet slecht,” gaf ik aarzelend toe, “Een beetje als Susanna”.

“Wie is Susanna,  een van je vriendinnen?”

“Nee, Susanna was de aanstaande bruid van Figaro,” lachte ik.

“Wie was Fig..,., maar goed dan dat ik wat sexy nachtgoed heb meegenomen, hè?” pestte zij me terug.

“Waaat? Als jij denkt, dat jij en ik... Ik ga naar beneden een andere kamer voor mij bestellen.”

“Nee gek, ik dol je maar. Wees toch niet zo paranoïde, Jan. Mijn moeder heeft mij een kuisheidsgordel omgedaan, maar ik heb het sleuteltje meegepikt, hahaha!”

Toen wij de badkamer routine hadden doorlopen en in bed lagen, wenste ik haar welterusten en draaide mij om, om te gaan slapen. Nog geen drie minuten later voelde ik een arm om mij heen en een Davonne die tegen mij aan kwam liggen. Ik dacht dat ik een hartstilstand kreeg en ik wilde uit bed springen, maar Davonne hield mij tegen.

“Jan, ik heb het koud.”

“In de zomer? Dan zal ik de centrale verwarming aandoen voor je.”

“Nee,” zei Davonne koppig en hield mij vast. Ik was wel zo wijs om mij niet los te worstelen, want dat zou ontaarden in een stoeipartij, waarvan het einde niet te overzien was.

“Waarom doe je dit? Ik ben niet van steen. We hebben dit duidelijk afgesproken, voordat we vertrokken. Ik heb je ouders beloofd...”

“Dat jij je als een heer zou gedragen, nou dat doe je toch? Laat mij zo liggen en je hebt geen kind meer aan me. Ik slaap thuis ook met een grote, dikke, ouwe teddybeer. Ik beloof je dat ik mij gedraag.”

“Je blijft zo liggen. Je houdt je handen waar ze nu zijn. Als ik een hand onder, of boven mijn navel voel, zet ik je morgen op het vliegtuig. Afgesproken?”

“Deal,” beloofde Davonne.

Ik haat mijzelf voor wat ik nu schrijf, maar het was prettig om haar tegen mij aan te voelen. Ze gaf een warmte af die ongelooflijk was, het voelde eerlijk en het voelde goed. Ondanks dat er twee strandballen in mijn rug drukten, slaagde ik erin om alle ondeugende gedachten uit mijn hoofd te bannen. Ik voelde mij gelukkig en trots.

“Jan?”

“Wat is er nu weer?”

“Niets. Gezellig zo, hè?”

’s Nachts ontworstelde ik mij aan Davonne’s greep, want ik moest mij omdraaien.

“Wat is er,” vroeg zij slaperig.

“Schuif even een stukje op, monster, ik moet mij omdraaien.”

“Kom jij dan nu tegen mij aanliggen.”

“Neeeee slimmerik, dat doe ik helemaal niet. Zo gek krijg zelfs jij me niet. Kom op, schuif op, draai je om en ga slapen.”

De volgende morgen, aan het ontbijt, zat Davonne mij op te nemen.

“Wat is er, monster?”

“Vond je het rot om zo te liggen, want dan doe ik het niet meer. Ik wil niet dat je een hekel aan mij krijgt.”

“Ik krijg geen hekel aan je, en nee, ik vond het zelfs prettig, maar verder dan zo, ga ik niet. Ik moet namelijk verder leven met mijzelf. Je bent supermooi, maar je bent te jong Davonne. Niet voor iemand van je eigen leeftijd, maar voor mij ben je te jong. Het is een mooi compliment voor mij, maar het is niet goed. Laten we afspreken dat het hierbij blijft en het er verder niet meer over hebben. Okay?”

“Deal,” antwoordde ze en propte een stuk chocoladetaart in haar mond.

Dat was gisterenavond en vannacht geweest en nu reden wij op de hoogte van Milaan. Wij stopten voor de Tangenziale (ringweg) bij een bar voor een espresso. Een gewoonte die ik al veertig jaar volgde, en niet van plan was te veranderen voor een mooie, jonge wipkip.

“Fuck, Jan, die espresso is sterk. Er zit haast niets in het kopje. Het had wel in een vingerhoed gekund,” merkte Davonne op.

“Welkom in Italië, dit is de espresso zoals het gedronken dient te worden. Maak maar een aantekening in je studievakantie-schrift, piccolina.”

Davonne gaf mij de vingers op een manier, dat het een belediging in Italië vormde, die alleen door moord gewroken kon worden. Dat beloofde nog wat te worden met mijn protégeetje.

Anderhalf uur later reden wij de bergweg op naar de villa van mijn vermoorde vriend, Franco. Na honderd meter over de bergweg gereden te hebben, moesten wij stoppen voor een dwars over de weg geplaatste vrachtwagen. Vanachter de vrachtwagen kwamen zes man met 4.6mm Heckler & Koch MP7 A1 machinepistolen. Terwijl vijf man de wagen omringden, kwam de ‘capo del gruppo’ naar mijn zijraam, dat ik had laten zakken.

“Targa Olandese (Hollands kenteken), Signor Gianni?” vroeg hij mij.

“Si capo, is het weer zover met die fucking Roemenen?”

De capo drukte een knop op zijn ‘comms set’ in, en zei: “Rino, ik denk dat Signor Gianni, met een jongedame is gearriveerd. De wagen is een zwarte Audi. Ik laat hem over precies één minuut door.”

De capo wendde zich weer tot mij en zei: “We verwachten weer een aanslag, maar nu doen de Bulgaren ook mee. Op mijn teken kunt u gaan rijden. Rijdt u niet harder, of zachter, dan dertig kilometer per uur, want er liggen radargestuurde mijnen in de weg.”

“Jesus fuck,” vloekte ik.

“De vrachtwagen maakte ruimte en wij konden doorrijden.”

Ik had Davonne zo min mogelijk over de moord op Franco verteld, want ik wilde haar niet ongerust maken. Ik hoopte eigenlijk ook dat de druk nu wel van de ketel zou zijn. Ik zag niet hoe ik het haar nu niet vertellen kon. Als dit heavy zou worden, moest ik haar naar Holland terugsturen. Shit.

We reden met een snelheid van precies dertig kilometer tot wij aan de oprijlaan van de villa kwamen. Bij de poort stonden vier gewapende mannen. Één legde zijn HK MP7 A1 neer en kwam met geopende armen op ons aflopen. Ik herkende de man als Rino, de Capo Regime van arme Franco, met wie wij zoveel hadden meegemaakt.

Ik stapte uit en omhelsde Rino. Wij hielden elkaar omarmd als de vrienden, die wij indertijd waren geworden. Rino had tranen in zijn ogen, toen hij vroeg: “Hoe gaat het, Gian? Hoe is het oude vriend?”

Ik veegde wat muggen uit mijn ogen, en zei: “Sto bene caro, het is allemaal goed, Rino. Ik heb je gemist mijn dierbare, trouwe vriend. Is alles goed met jou, en je gezin?”

“Si Gian, alles is goed, maar hier gaat het niet goed. Je moet hier even blijven, Gian. Stefano heeft je nodig. Kom, ga hem opzoeken, hij weet al dat je bent aangekomen. We omhelsden elkaar weer. Toen ik weer instapte, opende Rino de poort.

Davonne had al die tijd niets gezegd, maar zij was een vrouw en vrouwen voelen dingen. Ze vroeg me: “Is er iets niet goed, Jan?”

“Ik leg je vanavond in bed het hele verhaal uit. Probeer je nieuwsgierigheid even te bedwingen, want ik weet ook nog niet alles. Ik beloof je dat ik je alles vertel, ik moet wel, want als het te gevaarlijk wordt, dan moet ik je helaas terugsturen naar Holland. Ik heb het je vader beloofd.”

“Zo erg kan het toch niet worden, Jan?”

“Het kan erger worden, en tot nu toe is dat nog steeds het geval geweest. Stefano is mijn peetzoon, en ik ben zijn vermoorde vader nog iets schuldig, dus breng mij niet in een onmogelijke situatie. Begrijp je dat, monster?”

“Ja natuurlijk, Jan. Jij begrijpt natuurlijk ook dat ik niet alleen naar Holland terug ga, hè? Dat snap jij natuurlijk wel.”

Het dispuut dat zich zou gaan ontwikkelen, werd nog even uitgesteld, want wij waren bij de villa aangekomen. Er stonden acht blauwe Kawasaki choppers voor het huis. De oplopende buddyseats hadden niet de gebruikelijke omgekeerde U beugel, maar een meterlange dikke pijp met de Italiaanse vlag in top. Ik wist ‘Jack-shit’ van motoren, dus ik brak mijn hoofd er maar niet over..

In het huis werden wij zoals altijd door Franco’s vrouw Margherita en Donatella, de vrouw van Stefano verwelkomd. Niets was hier te merken van een crisis, het was als immer. Ik werd omhelsd door beide vrouwen en ook Davonne werd verwelkomd, alsof zij al twintig jaar over de vloer kwam.

“Ik laat je koffers wel naar jullie kamers brengen,” zei Margherita, “Of...”

“Wij slapen wel bij elkaar, maar wij hebben absoluut niets, Margherita. Echt waar, maar niemand gelooft mij blijkbaar.”

“Ik geloof je, Jan. ik vond Davonne al een beetje oud voor je.” grapte Stefano’s vrouw, Donatella, “Gaan jullie maar naar de gym, want mijn man is aan het trainen.”

Toen Davonne en ik de gym in liepen, zag ik dat Stefano, Renato en Flavio net in een trainingssessie verkeerden.

Stefano was omringd door vijf man. Twee hadden een pistool en de overige drie hadden houten messen in hun handen. Terwijl Stefano, die in een afwachtende Aikidopositie stond, onder schot werd gehouden, vielen de drie messenvechters tegelijk aan.

“Let goed op, want dit gaat razend snel,” zei ik tegen Davonne, die begeesterd stond te kijken.

Doordat er drie man tegelijk aanvielen, moest Stefano de cirkelvormige bewegingen uit het Tai Chi en Kung Fu maken. Zijn armen leken wel molenwieken. Terwijl zijn armen de meshanden van twee messenvechters wegdraaide, sloot hij hun armen onder zijn oksels. Hij draaide zich nu rond, de twee messenvechters meetrekkend. Hierdoor stak de derde messenvechter zijn kameraad in zijn rug.

Op het moment dat de twee schutters hun inktpatronen afvuurden, rolde Stefano met de twee messenvechter achterover, liet hun armen los en sloeg hen allebei op hun keel, met een shuto, die normaal dodelijk zou zijn geweest. Terwijl de schutters nog steeds vuurden en misten, rolde Stefano door, tot hij weer stond. Voor een fractie van een seconde. Toen gebruikte hij de draaisprongen en overslagen uit het Batay Kréol om bij de schutters te komen. Tijd om te richten kregen die niet meer, want Stefano had al de arm van één schutter al onder zijn oksel geklemd en gebruikte nu zijn twee handen om met het pistool van die schutter, de tweede schutter een inktpatroon in zijn gezicht te schieten. Het feit dat er rode inkt gebruikt werd, maakte het tafereel nagenoeg realiteit. De eerste schutter ontving een Uraken op zijn kin.

Op dit moment kwamen Renato en Flavio in actie. De beide Napolitaanse gangsters waren mes en ruimtevechters. Met houten dolken gewapend, maakte Flavio salto’s voorwaarts om Stefano’s keel gedurende een luchtsprong door te snijden. Tegelijkertijd was Renato vertrokken met de vloerbewegingen van een ‘Hiphop Breakdancer’ om Stefano’s Achillespezen door te snijden. De aanval verliep volkomen synchroon, en synchroon was Stefano’s verdediging. Een fractie voordat het mes van Flavio zijn keel, en het mes van Renato, zijn hielen zouden bereiken, sprong Stefano op, en trok zijn knieën tegen zijn borst. Een malende hand pakte de pols van Flavio. De chi was zo groot in Stefano’s cirkelende hand, dat Flavio drie meter verder op de grond terechtkwam, tegelijkertijd met de voeten van Stefano. Één voet kwam op de hand, en de andere op de keel van Renato terecht. Het gevecht had negen seconden geduurd.

“Niet te geloven,” zuchtte Davonne, “Wat een man is dat. Daar zou ik het best wel op kunnen.”

Ik schoot in de lach en zei: “Houd je gore muil, joh. Stefano is getrouwd.”

Terwijl de andere vijf lijfwachten zich gingen douchen, kwamen Stefano, Renato en Flavio naar ons toe. Ik stelde eerst Davonne en mijn drie vrienden aan elkaar voor, daarna werd ik om beurten door hen omhelsd. Het voelde als thuiskomen, het voelde fucking briljant.

Stefano was ouder geworden in zijn gezicht. De moord op zijn vader had duidelijke sporen achtergelaten. Ik zag ook iets aan hem dat ik nimmer gezien had. De ogen van de knappe Bresciaanse gangster straalden haat en fanatisme uit.

“Mijn vader heeft nooit een kans gehad, Zio,” zei hij, terwijl zijn ogen begonnen te glanzen, “Hij werd klemgereden door twee trucks. De A6 was zwaar gepantserd, dus kogels en zelfs een granaat hadden hem niet kunnen doden. De Roemenen hadden echter twee LASM raket lanceerbuizen. Zij dreigden een raket in de A6 te schieten, als mijn vader er niet uit stapte. Die raketten gaan door een tank heen, dus de A6 bood mijn vader geen verdere bescherming

Mijn vader besloot uit te stappen en zoveel mogelijk Roemenen met hem mee te nemen. Vurend uit een HK MP5K submachinepistool en een Sig Sauer P226 X-five Bianchi nam hij acht Roemenen met zich mee. De overmacht van dertig Roemenen was echter te groot. Mijn vader is aan stukken geschoten, maar acht van die laffe kankerhonden heeft hij met zich meegenomen. Renato, Flavio en ik hebben de rest gedaan. Meer dan honderd Roemenen hebben wij vermoord. Tweeëntwintig van de overblijvende moordenaars heb ik hun keel eruit gerukt en/of doorgebeten. Maar het is niet genoeg, Zio (oom), ik ga er meer halen. Mijn vader was meer waard dan honderd fucking Roemenen.

Ik zag Franco nu sterven en de tranen rollen over mijn wangen. Davonne pakte mijn hand, maar zei gelukkig niets. Renato en Flavio omhelsden mij weer.

“Ja, je vader was veel meer waard dan dat, Stefano. Ik blijf hier nu en we ruimen net zoveel van dat geteisem op totdat ik je vader hoor zeggen: ‘Nu is het genoeg, Jan’”

“Anyway, u bent hier nu, en u bent in schitterend gezelschap. You’re a beautiful young lady, miss Davonne,” zei Stefano in het Engels, mij de kans gevend mijn tranen te drogen.

“Weeh, weeh,” betuigden de twee jonge, knappe Camorristi hun instemming en Davonne slaagde er zowaar nog in om te blozen ook.

Plotseling werd de deur opengegooid en... Pam rende naar binnen en vloog om mijn nek, mij met kussen smorend. Renato keek trots lachend toe.

“Jan, Jan, hoe is het met je? Wat ben ik blij je te zien”

“Pam, hoe is het, jij rooie boskat? Je wordt steeds mooier. Is Renato nog steeds goed voor je, of heeft hij al een maîtresse, zoals alle Napolitaanse gangsters?” vroeg ik dollend, in het Italiaans. We knuffelden elkaar als de geliefden, die wij eens waren geweest.

Stefano’s moeder en vrouw waren achter Pam de gym binnengekomen. Donatella zei: “Pam wilde dat het een verassing was, Jan.”

“Nou, een grotere en leukere verassing was niet mogelijk geweest. Davonne, dit is Pam, de enige roodharige Nederlandse die in Napels woont, en die twee gangsters met haar blote handen vermoord heeft. Pam, dit is Davonne, de vrouw met duizend gezichten.”

“Ciao Davonne, je bent een mooie vrouw.”

“Dag Pam, jij bent echt prachtig, wat een mooi haar heb je.”

De vrouwen wisten al iets wat wij niet wisten. Ze hadden besloten te gaan winkelen in Milaan, en Davonne mee te nemen. Stefano’s moeder en vrouw hadden alleen zoons, dus het was logisch dat zij stapelgek met Davonne waren. Het gaf ons een goede gelegenheid om alle zaken door te spreken.

“Davonne, heb je zin om met Pam en Stefano’s moeder en vrouw mee te gaan winkelen in Milaan. Het is een mooie stad met prachtige winkels?”

“Ja leuk, ga jij ook mee?”

“Nee monster, we moeten wat zaken bespreken hier.”

Stefano pakte de telefoon en toetste een nummer in.

“Pronto, Rino? De vrouwen gaan winkelen in Milaan. Neem de A6 voor hen en twee dummy A6’en. Één vóór en één achter de wagen met de vrouwen. Tien lijfwachten in de auto’s en een motor volg- en verkennerescorte. In Sabbio Chiese stappen de vrouwen over in de Mercedes die met een volgmercedes met vijf lijfwachten dan naar Milaan vertrekken.

Wanneer de vrouwen klaar zijn, dan belt mijn moeder op de hoogte van Brescia en de omgekeerde procedure vindt dan plaats.”

Renato die het gesprek gevolgd had, kwam naar mij toe en vroeg mij iets. Ik knikte en vroeg aan Stefano: “Stefano, ik zou er geruster op zijn als in de wagen met de vrouwen, iemand van ons of tenminste Rino zat als chauffeur en speciale lijfwacht.”

Stefano dacht even na en vroeg: “Wie had u in gedachten, Zio?”

“Flavio,” vroeg ik, “Mag ik je om een gunst verzoeken?”

“Ja natuurlijk, Zio. Het zal mij een voorrecht zijn.”

“Dat is het geregeld dan, drie lijfwachten voor mijn moeder en vrouw. Twee lijfwachten en Flavio voor Pam en Davonne. Mamma, Donatella, Pam, Flavio heeft de leiding, als hij gevaar denkt te zien, beslist hij. Geen tegenspraak, afgesproken?”

De vrouwen gaven te kennen dat ze het begrepen hadden.

Ik zei tegen Davonne, die niets van het Italiaans begrepen had: “Jullie krijgen een lijfwacht mee. Flavio hier heeft de leiding. Wanneer hij iets zegt dan volgt iedereen zijn orders op. Begrijp je lieverd?”

Toen de vrouwen vertrokken waren, bespraken Stefano, Renato en ik de zaken in Franco’s kantoot. Aan de muur hing zijn portret, dat mij weer tot tranen roerde.

“Zio, we verwachten binnenkort weer een aanval. Ik weet dat want we hebben nu een paar Roemeens sprekende Albanezen in het kamp van de Roemenen. We krijgen nu mondjesmaat informatie binnen.”

“Zijn die Albanezen te vertrouwen,” vroeg ik.

“Ze haten de Roemenen en de Bulgaren. U heeft dat nog kunnen zien tijdens die strijd in de Dolomieten” (Trash and the Honeygash)

Renato sprak nu: “Zio, we moeten er een paar honderd zo beestachtig afslachten dat de lust tot wraak hen voorgoed vergaat. Het stopt anders nimmer meer.”

Ik keek hem aan. De jonge, griezelig knappe Santista van de Camorra, was een briljant denker en ik had veel respect voor hem. Renato, keek Stefano aan, die knikte, en begon te spreken.

Het oppercommando van de Roemenen zetelt in een immigrantenopvangkamp even buiten Rome. Vandaar krijgen de Roemeense gangsters hun instructies. Dat was al zo toen de aanval hier met de helikopters plaatsvond. De opdracht tot de aanval in de Dolomieten kwam uit Rome. Het contract op Stefano’s vader is in het Romeinse opvangkamp geplaatst. De opdracht tot de aanval die wij nu verwachten, komt ook daar vandaan. De leiders voelen zich veilig want ze zitten daar omringd door een paar duizend Roemenen met hun vrouwen en kinderen.

“Wat is je plan,” vroeg ik met een naar voorgevoel.

Stefano, Flavio, Rino, u en ik gaan in dat kamp. Wij voeren vijf eskaders Albanezen aan, graven de leiders, onderbazen en gangsters uit en vermoorden een paar honderd Roemenen met fosforbommen.

“Jezus Christus Renato, die Roemenen verschuilen zich achter hun vrouwen en kinderen. Die komen nooit uit die barakken. Ik heb geen problemen met het vermoorden van een zootje van dat Roemeense tuig, maar ik ben geen vrouw, of kindermoordenaar. Kom Stefano, dat kunnen we niet doen, zelfs je vader had dat niet...”

“Zio,” viel Renato mij in de rede, “Met respect, wij zijn ook geen vrouwen en kindermoordenaars, ik begrijp uw reactie, want Stefano reageerde net als u.

Wat ik voorstel is het volgende: Vijf eskaders gaan het kamp in van verschillende kanten. Waar de Roemenen niet op onzen bevelen naar buiten komen, weten we dat het de leiders of gangfucks zijn die in die barakken of caravans schuilen. We gooien een ‘Flash-bang’ traangas granaat naar binnen en halen de mannen eruit. Die verzamelen wij en sluiten die op in een paar barakken. Daarna schieten wij daar een paar fosforgranaten in. Dat is het hele verhaal.”

“Hoe is het met de locale wet?” vroeg ik.

“Mijn vader kan het regelen met de plaatselijke carabinieri,” zei Renato.

“We moeten alleen opletten dat het niet ontaardt in een politiek schandaal. De Roemeense regering zal ongetwijfeld een klacht indienen bij de Europese Commissie, op grond van racisme.”

“Niet als we een paar doodgeschoten Bulgaren achter laten,” zei Renato lachend, “Ze zullen denken dat het een gangoorlog was.”

“Je bent goed, Renato. Hoe is het eigenlijk met je vader en Umberto?”

“Goed. Ze bellen u vanavond, Zio.”

We brachten de rest van de middag door met het bespreken van de details voor de operatie VENDETTA (Wraak) en met het ophalen van oude herinneringen. Voordat wij het wisten, hoorde ik de opgetogen stem van Davonne roepen: “Jan, Jan, kijk dan wat ik allemaal gekregen heb van Pam.”

Zij maakte een pirouette om haar nieuwe kleren te laten zien. Pam had haar helemaal in het nieuw gestoken. Oude Giorgio, de Armani man, was weer een paar duizend euro rijker geworden, die middag en ik keek nu naar een vrouw, in plaats van een meisje. Het leven werd er niet makkelijker door voor me.

“Ik heb ook allemaal mooie lingerie gekregen, wil je het even zien,” vroeg Davonne, die net deed of zij haar kleren uit wilde trekken.

“Als je niet maakt dat je wegkomt...”

Toen wij ’s avonds na een late maaltijd in bed lagen, zei Davonne: “Flavio bleef de hele tijd vlak bij mij in de buurt. Hij is wel knap hè Jan? Ik vind hem leuk. Zou hij mij ook leuk vinden?”

“Ongetwijfeld, maar zet het maar uit je hoofd, monster. Het gaat niet gebeuren.”

“Ben je jaloers, Jan?” vroeg Davonne met een glimlach.

“Echt niet, maar als Flavio buiten zijn boekje zou gaan, dan zou hij echt problemen krijgen.”

“Maar waarom?”

Ik besloot haar te vertellen dat Renato door zijn eigen vader doodgeschoten zou zijn, wanneer hij Pam, die hij bewaken moest, zou hebben aangeraakt.

“Het was het respect, Davonne. Pam werd gedacht mijn vrouw te zijn en dat was heilig. Als Renato Pam had aangeraakt, zou hij mij en zijn vader hebben niet gerespecteerd hebben. Zo werkt het hier in bepaalde organisaties.”

“Niet te geloven, maar ik ben toch je vrouw niet, Jan?”

“Nee, maar je bent met mij gekomen. Dat wordt beschouwd als hetzelfde. Ik weet dat het af en toe overdreven lijkt, maar beter zo dan geen respect.”

“Pam is wel een prachtige vrouw, Jan en alle vrouwen hier zijn hartstikke lief voor me. Heeft zij echt twee gangsters met haar blote handen vermoord?”

“Het is een heel lang verhaal, Davonne. Het startte een oorlog die nu nog gaande is. Mijn vriend Franco is daar het slachtoffer van geworden.”

“Vertel het me, ik wil het graag weten. Ik zou graag zoals Pam willen zijn. Wil je het mij vertellen?”

Ik zuchtte en zei: “Okay dan, maar het is heavy.”

“Ja, dat had ik al begrepen. Mag ik in je arm liggen, terwijl je vertelt?”

Ik keek haar aan, maar ze was nu weer net een kind. Ze was onbevangen en serieus.

“Het is een lang verhaal en het is een heavy verhaal. Kom in mijn arm liggen, maar geen ‘monkey business’, want anders ga ik in de kamer hiernaast slapen.”

“Waar slaapt Flavio?” pestte Davonne me.

Davonne nestelde zich in mijn arm en ik begon te vertellen.

Ik begon te vertellen hoe Pam (Pam, a Redheaded Slam) en ik elkaar ontmoet hadden en hoe Pam mij had verteld dat haar man was vermoord door haar werkgever. Davonne vernam hoe Pam wraak wilde nemen door haar werkgever te vermoorden. Ik legde Davonne uit hoe wij ontdekt hadden dat die werkgever een ‘money-laundering’ organisatie runde, die voor één of meerdere justitiële opsporingorganisaties werkte. Toen ik het gedeelte verhaalde hoe Pam het ziekenhuis was ingetrapt door een gangster, die voor haar werkgever het vuile werk opknapte, begon Davonne te huilen.

Ik wachtte tot zij weer gekalmeerd was en vertelde hoe wij onze wraak in deze villa, waar wij nu verbleven, gepland hadden en hoe wij de Hollandse gangsters naar Italië gelokt hadden.

Toen ik de overval op de villa beschreef, hing Davonne letterlijk aan mijn lippen.

Ik kwam overeind en richte de Sig op mr. Fucking Monopoly Man en zei: “Laat dat pistool vallen, want ik perforeer je, kankerhond!”

Finale - Pam! Ze beval Erik aan tafel te gaan zitten. Daarna liep ze naar hem toe en zei: “Weet je nog hoe Peter zich bezeek, voordat je hem dat nekschot gaf?”

Erik begon te kotsen, toen Pam de Glock op zijn verpletterde hand sloeg. Franco en Stefano stelden zich in de in de linker- en rechter oosthoeken van de kamer op. Franco lachte, en Stefano riep: “Dai Pam, farlo vedere (Toe Pam, laat het hem eens zien)”

Pam aaide de kotsende Erik over zijn hoofd en legde de Glock op tafel voor hem, en zei: “Hier is je kans, dat is meer dan je mijn man gegeven hebt. Pak die kans, want je sterft binnen twee minuten.”

Erik kon zijn ogen niet geloven en greep de Glock met zijn linkerhand. Op dat moment spreidde Pam haar armen en sloeg toen haar handen in elkaar. In elkaar..., met het hoofd van Erik ertussen. De messen drongen de oren binnen en Erik schreeuwde alle duivels uit de hel.

Pam opende haar armen en sloeg haar handen in elkaar rond Erik’s nek, waarna zij haar handen naar zich toetrok. In een ruk sneed zij zijn halsslagaders door. “Dai Pam, dai, dai,” riep Stefano, lachend. Erik viel stuiptrekkend uit zijn stoel, en rolde op de grond. Ik ponste vier schoten door zijn armen en benen.

Monopoly Man had het hele schouwspel aangezien alsof hij er niet bij hoorde, maar nu begreep hij, dat het zijn beurt was. Hij zei stamelend: “Pam. Pam, ik heb altijd van je gehouden. Alsjeblieft, Pam. Laat mij leven!”

Pam ging achter hem staan en wreef hem over zijn hoofd, en zei: “Ik laat je leven, Ruud, maar ik wil dat je iets begrijpt. Ik hield van Peter! Begrijp je dat?”

Ruud knikte driftig, en stotterde: “Ja.., Pam, ja, ja ik…”

“Waarom zie je dat dan niet, Ruud?”

“Ik zie het, Pam, ik zie het nu!”

”Nee, Ruud. Je hebt het nooit gezien, en nu ook niet,” zei Pam, en zij sloeg haar handen voor Monopoly Man’s ogen. Toen zij haar handen wegtrok, had Ruud geen ogen meer.

“Hoor je me Ruud?” schreeuwde Pam, hysterisch.

“Ja,” kermde Ruud.

“No, you fucking don’t! Not anymore,” zei Pam nu kalm, en sloeg haar handen op Monopoly Man’s oren. De messen doorboorden zijn trommelvliezen en sneden door zijn hersenvlies.

“Pam, stop nu. Stop voor jezelf. Je vermoordt jezelf nu,” schreeuwde ik.

“Naaah, ik vermoord dit stuk vuil hier,” zei Pam en sloeg haar gezonde hand op Monopoly Man’s schedel. Het mesje drong door het cranium in de hersens van de huizenmagnaat. Het reeds dode lichaam ging in convulsies, en Pam ging ‘apeshit’ Zij hakte op het lichaam in, totdat Stefano een serie 5.56 door zijn schedel blies.

Game - Over! Status – Finished!

Ik vuurde twee schoten door de stuiptrekkende Erik’s hoofd, en zei: “Het is over, Pam. Je hebt Peter nu gewroken, lieverd! Er is niets meer te doen.”

De adrenaline stopte vloeien en Pam dreigde in elkaar te zakken. Stefano ving haar op en koesterde haar. “Pam, Pammie, gioia, sei stata cosi brava. Calmati ora! (Pam, lieverd, je bent zo dapper geweest. Kalmeer nu, het is over)” Pam zeeg in elkaar in Stefano’s armen als een roodharig hoopje ellende. Stefano pakte haar liefdevol op en bracht haar naar bed, in één van de slaapkamers. Franco en ik omhelden, en kusten elkaar. Veertig jaar fucking strijd, en we hadden geen er geen één verloren.

“Ongelooflijk,” zuchtte Davonne naast mij, “Wat een vrouw, die Pam. Was dat het einde van het verhaal?”

“Nee, eigenlijk het begin. Ik had Pam naar haar broer in Canada gestuurd, voor het geval er nog represailles en/of onderzoeken van die opsporingsorganisatie CATCH of van de justitie zou volgen.

Op een gegeven moment merkte ik dat de justitie een vrouwelijke agente op mij geplant hadden. Ik belde Pam en beval haar naar Libië te vertrekken, waar zij opgehaald zou worden door mijn vrienden van La Sistema.”

“Wat is La Sistema?”

“De Napolitaanse Camorra.”

“Mijn vrienden zouden haar ophalen en bescherming geven. Renato was haar aangewezen als persoonlijke lijfwacht. Ze werden verliefd op elkaar, maar Renato is een man van eer en hij heeft Pam nimmer aangeraakt, totdat ik zijn vader verzekerde dat Pam kon doen wat zij wilde. Toen zijn zij later getrouwd.”

“Wat romantisch,” zei Davonne, die nu haar been over mijn benen sloeg, “Kun je dat voor mij en Flavio ook niet regelen, Jan?”

“Niet, als je niet onmiddellijk je been weghaalt. Je gaat me nu een beetje te ver jongedame.”

“Ik vind het alleen gezellig zo.”

“Ja, dat zeg je mij iedere keer, maar daar hoef je toch niet half over mij voor komen te liggen en die longen tegen mij aan te persen. Kom schuif eens even op, joh, want ik ga slapen. Het is morgen weer vroeg dag.”

Ik voelde niet eens meer hoe Davonne weer tegen mijn rug aan kwam liggen, want ik sliep al.

 

“Jan, hebben jullie zin om mee te gaan?” vroeg Stefano de volgende morgen aan het ontbijt, “Ik wilde vandaag het graf van mijn vader bezoeken.”

“Ja, dat wil ik zeker graag, waar ligt je vader begraven?”

“Brescia, we nemen de A6. Renato gaat met ons mee.”

Bij het uitrijden van de poort, groetten wij Rino en zijn mannen. Voor en achter ons, reden twee van de typische Kawasaki motoren. Even verderop was de vrachtwagen, die normaal de weg versperde, al achteruit gereden. Renato, die de A6 reed, zei: “Ik heb geen goed gevoel, Stefano.”

“Ik ook niet, guaglio,” zei Stefano, die zijn oortelefoontje in zijn oor drukte en in zijn keelmicrofoon tegen de motorrijders sprak: “Gruppo Uno, op de SP79 driehonderd meter voor ons blijven rijden en op hinderlagen letten. Gruppo Due, driehonderd meter achter ons blijven. Snel inhalend verkeer, vooral vrachtwagens met kentekens uit Zuid- of Midden-Italie onmiddellijk volgen. Potentieel gevaar melden.”

Toen wij eenmaal door Vobarno heen waren, zei Renato: “Jan, als je de HK MP5K HK AG-C-GLM granaat lanceer machinepistool rugbekleding van de voorstoelen openklapt, dan vindt je een HK MP5K submachinepistool rechts, en een   HK AG-C-GLM granaat lanceer machinepistool links.

Buig over de achterbank heen en pak vier kogelvrije vesten uit de kofferbak. Geef ons er twee en doen jullie er ook eentje aan. Houd je Sig Sauer zo, dat je er nog bij kunt. Ik voel dat er wat aan zit te komen. Wet der gemiddelden en we hebben een patroon ontwikkeld, door je vader’s graf steeds op vrijdag te bezoeken, Stefano.”

Ik gaf Stefano twee vesten en hielp Davonne met het aantrekken van haar vest. Ze moest de grootste maat aandoen, want er zat wat hout in de weg. Ik vertelde haar dat wij mogelijk aangevallen zou worden, maar vreemd genoeg leek ze niet erg onder de indruk te zijn.

Tijdens het aantrekken van het kogelvrije vest had Stefano de ‘comms’ op luidspreker gezet. Even voor Sabbio Chiese kwam er een melding door: “Stefano, dit is groep 1. Waarschijnlijke hinderlaag op de kruising van Odolo. Ik herhaal: waarschijnlijke hinderlaag op de kruising van Odolo. Twee vrachtwagens staan voor de kruising te wachten, klaar om de weg op te rijden. Achter iedere vrachtwagen staan twee personenwagens. Er komt geen verkeer, maar de wagens draaien stationair. Bevestig!”

“Gruppo Uno. Bevestig, alles begrepen. Kom terug op mijn signaal, als het een hinderlaag blijkt, schakel de personenwagens uit wanneer wij voorbij de vrachtwagens zijn. Herhaal.., de personenwagens. Bevestig.”

“Bevestig. De personenwagens..., jullie voorbij de vrachtwagens.”

Vijf seconden later kwam er weer een melding: “Stefano, Gruppo Due. Een vrachtwagen uit Rome begint hard te versnellen. Herhaal: Een vrachtwagen uit Rome begint hard te versnellen. Instructies, alsjeblieft.”

“Gruppo Due, questo è Stefano. Gruppo Due, vrachtwagen inhalen, hard versnellen en honderd meter achter ons blijven. Wij gaan op mijn teken naar 180km per uur. Verwacht hinderlaag van twee vrachtwagens op kruising van Odolo. Vrachtwagens uitschakelen wanneer zij de weg oprijden. Alleen vrachtwagens. Bevestig.”

“Alleen vrachtwagens uitschakelen, begrepen.”

“Wij gaan nu naar 180km. Hard versnellen. NU!”

De A6 schoot vooruit en Renato bracht het voertuig naar 180km. We raasden door de vallei.

“Davonne, ga op de grond tussen de banken liggen,” zei ik, “Het gaat gebeuren.”

“Ik ga helemaal niet op de grond liggen. Ik heb toch een kogelvrij vest aan, ik wil zien wat er gebeurt, dit maak ik nooit meer mee.”

“Als het krom zit zeker niet, nee,” wilde ik zeggen, maar ik zag de vrachtwagens op de kruising, die zich nu in beweging zetten. Stefano schreeuwde: “Gruppo Due, vrachtwagens uitschakelen. NU!”

Een eeuwigheid leek er niets te gebeuren... maar toen we het snerpend gieren van de twee raketten hoorden, waren die ons al met 720km per uur voorbij geschoten. De vrachtwagens bevonden zich reeds op een derde van de kruising en wij waren hen op ongeveer 300 meter genaderd. Anderhalve seconde later sloegen de raketten in een hittebron...., de motoren van de vrachtwagens. Twee vuurballen, zo groot dat zij één leken, en een seconde later twee ontploffingen die aanzwol tot één explosie. Tussen de flarden van de cabines van de tot stilstand gebrachte vrachtwagens, konden wij door de vlammen een opening van ongeveer drie meter ontwaren.

“Renato, door de opening. Als er te groot, of teveel debris lijkt te liggen, honderdtachtig graden slip en onmiddellijk van de weg af, achter ons komt een vrachtwagen aanrazen.

We raasden op de vlammenzee af en we leken wel op een leverworst die door het oog van een naald geperst moest worden. Ik keek door het achterruit en zag de Kawasaki’s. De bijrijders hadden een M72A4 raketlanceerbuis over de schouders van de bestuurders liggen.

‘Dus daar waren die gekke pijpen achterop de motoren voor,’ dacht ik nog, terwijl wij de vlammenzee indoken.

“YES!!!” gilde Davonne opgewonden.

“Cazzo di Putana (hoerenlul),” schreeuwde Renato, die de A6 door de vlammenzee perste. We waren erdoor. Ik trok de achterbekleding van de voorstoelen open en gaf Davonne het HK MP5K submachinepistool en nam zelf het granaat lanceermachinepistool.

“In de wagen blijven. Denk erom dat je er niet uitkomt,” schreeuwde ik tegen Davonne.

Renato bracht de A6 in een 180 graden slip..., en tot stilstand. Ik kon de twee motorrijders hun raketlanceerbuis zien richten op de twee personenauto’s achter de brandende linkervrachtwagen, zodat wij nog slechts van de rechterflank aangevallen konden worden. Weer twee vuurballen en de personenwagens waren vertrokken met inzittenden naar de eeuwige Roemeense autosloop.

Stefano en Renato waren ook al uit de A6 en renden met een wijde boog naar de twee overgebleven personenwagens.

Op dit moment boorde de achtervolgende vrachtwagen zich in het gat tussen de twee nog steeds brandende vrachtwagens. De twee wrakken werden opzij gegooid, maar de vrachtwagen werd sterk afgeremd door de impact. Ik trok de Sig Sauer en vuurde een lang salvo door het voorruit van de vrachtwagen, die nog steeds op mij afreed.

In het ontstane gat van het vooruit schoot ik nu snel twee granaten uit de HK AG-C-GLM. De cabine barstte uit elkaar, maar de chauffeur en de bijrijder waren er in geslaagd om tijdig uit de cabine te springen. Terwijl zij hun wapens trokken, renden zij op mij af. Ik zou niet op tijd zijn om een nieuwe magazijnclip in de Sig te duwen.

“Hier, pak aan,” zei Davonne achter mij, en gaf mij het HK MP5K submachinepistool. Terwijl ik haar met mijn draaiende schouder op de grond gooide en tegelijkertijd de veiligheidspal op automatisch vuur drukte, haalde ik de trekker over. Te laat!

Twee kogels boorden zich in mijn kogelvrije vest, sloegen mijn lucht weg en wierpen mij tegen de grond. In het moment dat ik nodig had om mijn lucht terug te krijgen, zouden wij aan flarden geschoten worden.

Vaag voelde ik hoe Davonne tegen mij aankroop. Wij lagen toch niet weer in bed..., nee, zij zocht dekking achter mij. Terwijl nog drie kogels in mijn Kevlar sloegen, voelde ik hoe de Heckler uit mijn handen getrokken werd. Vaag hoorde ik vier drieschot's salvo’s uit het machinepistool.

Toen ik weer bij mijn volle positieven was, zag ik twee dode Roemenen, en Davonne, die als Lara Croft met een submachinepistool in haar handen stond.

“Waar heb jij in godsnaam leren schieten, monster?” vroeg ik haar, “Je hebt ons beiden het leven gered, foofie.”

“Ik kijk veel naar films. Het ding schoot al, ik hoefde alleen maar te richten en de trekker over te halen. Dat kan een kind nog wel.”

“Dat is gebleken,” zei ik, terwijl ik haar op haar wang zoende, “Dank je wel, je bent een gigant.”

Stefano, Renato en de vier Kawasaki rijders van Groep Twee, hielden de passagiers van de laatste twee personenauto’s onder schot.

“Ze kunnen er niet van beschuldigd worden dat ze supersnel zijn,” zei Stefano minachtend.

“Anders dan Davonne,” zei ik en vertelde wat er gebeurd was. Stefano en Renato keken haar vol bewondering aan.

Acht man in de twee personenauto’s en ik wist al wat er gebeuren ging. Ik waarschuwde: “Stefano, niet doen. De carabinieri kunnen ieder moment hier zijn. We moeten weg, die explosies zijn gehoord.”

“Je bent toch nog niet vergeten voor wie de Carabinieri hier werken?” vroeg Renato lachend.

Stefano liet de acht Roemenen uitstappen en in een groepje op het gras gaan zitten. “Wie spreekt er Italiaans van jullie,” vroeg hij.

Twee Roemenen staken hun hand op.

“Ik heb maar één van jullie nodig. Wie meldt zich vrijwillig?”

Geen van de Roemenen stak zijn hand op.

“Jij,” zei Stefano, “Jij bent de vrijwilliger. Kom hier.”

De Roemeen liep aarzelend naar Stefano toe.

“Ik heb jou nodig om een boodschap door te geven aan je leider. Ik heb je dus nodig om te praten..., kun je dat?”

De Roemeen knikte opgelucht.

“Goed zo, luister goed. Mijn vader is door jullie vermoord. Weet je daarvan?”

De Roemeen knikte aarzelend.

“Waarom moest hij uit zijn auto komen, terwijl jullie net zo makkelijk een raket in zijn auto hadden kunnen schieten.”

Ik vertaalde voor Davonne, die aandachtig stond te kijken.

“De leiding in Rome had besloten dat je vader zo veel mogelijk moest lijden, in de korte tijd die ons ter beschikking stond. De raket zou hem onmiddellijk gedood hebben.”

“Een wijs besluit,” gaf Stefano kalm toe. Ik herkende de toon in zijn stem en zei Davonne naar de A6 te gaan.

“Dit wil je niet zien lieverd.”

“Dit wil ik juist wel zien, en ik moet ook op je passen.”

Stefano sprak verder tegen de Roemeen: “Ik daarentegen, heb iets meer tijd tot mijn beschikking, dus ik ga deze mannen wat meer laten lijden. Klinkt dat logisch?”

De Roemeen knikte aarzelend.

“Goed ik wil dat je alles wat ik je gezegd heb, plus hetgeen je gaat zien, aan je bazen verteld. Ik laat jou dus leven, is dat goed begrepen?”

De Roemeen knikte weer, waarop Stefano zei: “Je weet nu alles, want dat heb je net gehoord. Je hebt je mond om te vertellen, maar je oren heb je niet langer nodig. En meer Roemeens tuig willen wij niet, dus..., bij deze dan...,”

Stefano liet zich op zijn hurken vallen, trok twee messen uit hun rugschedes en draaide zich als een kunstschaatsenrijder omhoog. Toen hij stond, was de Roemeen gecastreerd en miste beide oren.

“Cool,” zei Davonne.

Stefano vroeg de andere Italiaans sprekende Roemeen: “Vraag of je mannen of zij door een kogel, of het mes gedood willen worden.”

De Roemenen dreigden in paniek te raken, toen hen de vraag gesteld werd door hun landgenoot, maar zij wisten dat dit voor hen het eind van de rit was. Zij kozen voor de kogel.

Renato zei tegen de tolk dat zij zich allemaal naakt uit moesten kleden. Toen dezen aarzelden, stak Renato razend snel twee Roemenen een oog uit, die onmiddellijk Vlad, en alle andere draculaduivels uit de Transylvaanse hel gilden. Even later stonden de zeven Roemenen spiernaakt opgelijnd in het gras langs de weg. Ze stonden tegen een tachtig centimeter dikke, in onbruik geraakte brandstofpijp.

Renato boeide hun handen en voeten met plasticuff’s. Daarna boog hij hen één voor één voorover over de brandstofpijp, en trok toen een plasticuff door de hand- en voetboeien, zodat de Roemenen over de oliepijp gebonden waren.

Renato en Stefano pakten allebei een granaat lanceermachinepistool en duwden de lopen in de anus van de Roemenen. Daarna haalden zij de trekker over. Twee bij twee. Drie keer en één voor de mazzel. Zeven granaten explodeerden en de ingewanden van de Roemenen spoten door de zijkanten van hun opengerukte borstkassen en kelen naar buiten.

Stefano bleef kijken hoe de Roemenen crepeerden. Toen keek hij naar de hemel en riep: “Ecco Papa (alsjeblieft pappa), en er zijn nog een paar honderd onderweg.” Daarna begon hij te huilen.

In een flashback zag ik Franco. Franco was altijd beter dan ik geweest. Stefano is beter dan Franco en ik samen ooit waren. Stefano is de zoon Franco. Stefano is de man!

Nadat wij onze wapens hadden verzameld en wegliepen, zei Stefano tegen de Roemeen zonder oren: “Laat ook eigenlijk maar zitten, die boodschap. Ik denk dat het evengoed wel duidelijk is. Sorry van je oren en je pik”.

Hij trok een HK USP Expert en schoot de Roemeen door zijn hoofd.

Later in de A6 op weg naar Brescia, zei Stefano: “Sorry, signorina Davonne. Het spijt mij dat u dit mee heeft moeten maken, maar ik ben u eeuwig dankbaar voor het redden van mijn oom. Mijn vader en mijn oom, dat had ik nimmer kunnen verdragen.”

“Weeh, weeh,” zei Renato zachtjes.

“Ze hadden allemaal wel vies ondergoed aan,” zei Davonne, die Stefano, Renato en mij beurtelings omhelsde. Toen de vier motorrijders van het escorte de M72A4 raketlanceerbuizen weer in de daarvoor bestemde pijpen gestoken hadden, togen wij op weg naar Brescia. Op de Via Milano parkeerde Renatio de A6. Terwijl het motorescorte achterbleef om de auto te beschermen tegen het plaatsen van kleefbommen, liepen wij de begraafplaats CIMITERO VANTINIANO op.

Toen wij het grafmonument bereikten, keek de foto van mijn vermoorde vriend mij aan. Het wurgkoord om mijn nek werd aangedraaid, tot ik bijna stikte. Davonne pakte mijn hand en terwijl Stefano en Renato de bloemen op het graf rangschikten en het onkruid uit het gras trokken, begon ik tegen mijn dode vriend te praten.

“Franco, Franco, wat heb ik gedaan? Veertig jaar hebben wij strijd gevoerd en geen gevecht hebben wij verloren. Die ene keer dat ik er had moeten zijn voor je, was ik er niet. Ik wilde maar dat ik bij je in die auto had gezeten, dan was ik nu bij je geweest. We hadden tenminste twaalf Roemenen met ons meegenomen, want ik kon nooit zo goed schieten als jij. Mijn arme trouwe vriend, wat moet ik nu nog zonder jou?”

Ik sluit mijn ogen, waar nu de tranen uitdruppelen. Ik overdenk de veertig jaar van onze vriendschap. Het begon met het verkopen van honderd gestolen identiteitskaarten en het eindigde met een complete veldslag in de Dolomieten. Beelden van veertig jaar flitsen aan mijn geestesoog voorbij..., dan vertragen de impressies, de beelden versmelten... alles beweegt nu heel langzaam en er vindt een ‘morphing’ van indrukken plaats, tot ik in het gezicht van mijn vermoorde vriend kijk, die zegt: “Gian, Gian fratello mio (mijn broer), ik houd van je en ik mis je, zoals ik mijn familie mis, maar ik ben goed nu. Huil niet om mij, mijn oude vriend. Snel vechten wij weer zij aan zij. Gian, ik wil dat je Stefano kalmeert. Praat met hem, ik wil niet dat hij een verbitterd massamoordenaar wordt. Daarom had ik ook in mijn testament laten zetten dat ik niet wilde dat jij met Stefano zou gaan jagen, wanneer ik door de Roemenen vermoord zou worden. De combinatie van jullie twee was duivels geweest, en Stefano had alle geloofwaardigheid en kredit bij de autoriteiten verloren. Nu is het bloedwraak, met jou erbij hadden ze er genocide van gemaakt.

Breng mijn verzoek over aan Lucio en Umberto van de Camorra. Beleggen jullie een vergadering en praat met Stefano. Als hij twijfelt aan mijn verzoek, zeg hem dan dat ik nooit echt kwaad ben geweest dat hij op negenjarige leeftijd mijn pistool afvuurde in de tuin in Lummezzane. Het was een Beretta 7.65 Niemand anders weet dit, Gian. Hij zal naar je luisteren. Groet mijn familie van mij, Gian. Hoor je me, Gian? Gian, hoor je...”

“Gian, Gian, hoor je me,” hoorde ik Stefano vragen. Ik sloeg mijn ogen op en merkte dat ik op het graf van Franco in elkaar was gezakt. Ik lag met mijn hoofd in Davonne’s schoot. Renato kwam aanrennen met een zakflacon met Grappa. De druivenjenever brandde in mijn maag, maar ik kwam nu snel tot mijn positieven.

“Stefano, figlio mio (mijn zoon),” zei ik zachtjes, “Ik heb een boodschap van je vader voor je. Hij groet jou en iedereen, hij is goed nu en hij heeft geen pijn meer. Hij wil dat jij, Lucio en Umberto een vergadering beleggen. Gedurende die vergadering zal ik je zijn boodschap meedelen.”

Stefano keek mij verbijsterd aan en vroeg: “Waarom heeft hij die boodschap niet direct aan mij gericht, Zio?”

“Omdat hij wist dat je misschien niet zou willen luisteren. Om je twijfels weg te nemen, laat hij je weten dat hij nimmer kwaad op je is geweest toen jij zijn Beretta afschoot in de tuin in Lumezzane. Je was toen negen jaar.”

“Hij heeft mij toen gezworen dat niemand er ooit van zou horen, nadat ik hem bezworen had, dat ik nimmer meer zoiets zou doen,” fluisterde Stefano ontzet, “U heeft echt een boodschap van mijn vader gehad dan, Zio”

“Ja, hij wil een vergadering van de vaders van Renato en Flavio en ons. Ik zal je dan zijn verzoek meedelen. Wij ouderen zullen er zijn om je te adviseren.”

“Kunt u het zo niet zeggen, Zio? U weet dat ik zijn wens zal eerbiedigen.”

“Ik moet aan zijn verzoek gehoor geven, Steffie. Jij zult daarna in een positie zijn om je vaders wens te eerbiedigen.”

“Ik zal mijn vader en oom bellen dat zij naar Brescia vliegen nu,” sprak Renato, die zijn telefoon pakte. Ik nam afscheid van mijn gestorven vriend door zijn foto te kussen. Voor een moment leek het alsof hij naar mij knipoogde.

Op de terugweg naar het Gardameer zat ik volkomen aangeslagen achterin de A6. Davonne zat met haar arm om mij heen en streelde mijn hand. Ik voelde dat het rouwproces nu bij mij begon plaats te vinden en tegelijkertijd voelde ik mijn haat groeien. Haat tegen het schorem dat mij van mijn beste vriend beroofd had. Ik wilde deelnemen in de ultieme wraakactie tegen de Roemenen en ik besefte nu dat Franco mij bewust voor een dilemma had geplaatst.

De adrenalinedip na de hinderlaag en het vreemde voorval op het kerkhof, zorgde ervoor dat de sfeer tijdens het avondeten bedrukt was. Ik denk dat iedereen blij was, toen Stefano’s mobiel rinkelde.

“Jullie vaders zijn gearriveerd,” zei Stefano, terwijl hij zijn mobiel dichtklapte, “Ze zijn bij de eerste versperring. Mamma, Donatella, kunnen jullie Umberto en Lucio naar mijn kantoor sturen en misschien kunnen Pam en Davonne vanavond bij jullie zitten? Ik heb een vergadering. Had mijn vader iets gezegd over Renato en Flavio?”

“Nee, maar ik ben zeker dat zij aanwezig moeten zijn. Ik heb vertrouwen genoeg in hun  oordeel en het betreft hen eigenlijk net zo veel,” antwoordde ik.

Even later zaten Lucio, ....................Umberto, Renato, Flavio, Stefano en ik rond de vergadertafel in het kantoor van Stefano. Na de begroeting had ik mijn oude Napolitaanse vrienden bedankt voor hun snelle komst naar Brescia.

De twee oude Santisti van de Camorra zeiden mij dat het niets te betekenen had. Toen Donatella ons van espresso en Grappa had voorzien, vroeg Stefano of ik iedereen van het voorval op de hoogte wilde stellen.

Ik vertelde hen dat ik op het graf van Franco in elkaar was gezakt en ik maakte hen deelgenoot van het verzoek dat ik had ontvangen van onze vermoorde vriend. De twee oude gangsters sloegen een kruis.

“Het was geen visioen, Zio Umberto en Zio Lucio, mijn vader deelde Zio Gian iets mee dat alleen mijn vader en ik konden weten. Ik weet nog niet wat de boodschap was, maar ik weet dat het een boodschap van mijn vader was.”

“Franco wilde dat ik een verzoek aan Stefano richtte, maar omdat hij dacht dat wanneer Lucio, Umberto en ik zijn verzoek zouden ondersteunen met redelijk advies –uiteindelijk zijn wij ouder- dat Stefano meer voor zijn vaders verzoek open zou staan.”

Ik keek naar mijn vrienden, die knikten, en begon te praten: “Franco wilde dat Stefano van verdere wraak afzag, omdat hij niet wilde dat zijn zoon in een massamoordenaar zou veranderen. Ik persoonlijk ben van mening dat er twee kanten aan deze zaak zitten.

Franco’s verzoek is volkomen juist en terecht. Meer dan honderd Roemenen zijn nu vermoord als wraak, en dat zou normaal genoeg moeten zijn. Het is echter ook zo dat Stefano bepaalt hoeveel Roemenen zijn vader waard was. Dat is één, en dit zou afgewogen kunnen worden tegen zijn vaders juiste verzoek. Mogelijk zou hier een compromis gevonden kunnen worden.

Twee, is echter belangrijker. Als wij de Roemenen nu geen dodelijke slag toedienen, dan stopt het geweld nooit meer. Het volgende slachtoffer kan Stefano’s moeder, vrouw en/of zoontje zijn, of wie dan ook van ons,” beëindigde ik.

Lucio stond op en zei: “Daarnaast is het ook zo, dat wanneer die Roemenen hier succesvol zouden zijn, dat zij hun aandacht naar Napels richten. Als Stefano het er mee eens is, dan zeg ik: ‘afmaken dat verhaal’. Krachten bundelen.”

Lucio ging weer zitten en Flavio’s vader, Umberto, stond op en nam het woord: “Alles wat hier gezegd is, is waar. De logica gebiedt om deze geschiedenis voor eens en altijd te beëindigen. Aan de andere kant kunnen wij niet de wens van een gestorven vriend negeren. Ik moet toegeven dat ik voor een dilemma sta.”

“Stefano,” vroeg ik, terwijl Umberto weer ging zitten, “Wat is jouw gevoel?”

“Mijn gevoel zegt: ‘Slachten die handel’, maar ik kan ook niet aan mijn vaders wens voorbij gaan. Als zijn wensen zo weinig voor mij betekenden, dan had ik ook geen honderd Roemenen hoeven te vermoorden. Ik leg mij neer bij welke beslissing dan ook.”

Nu was het Renato’s beurt, die mij aankeek. Ik knikte hem goedkeurend toe, en zei: “Toe maar weer, ik weet dat wij beide dezelfde oplossing hebben. Het was eenvoudig, nietwaar?”

Renato zei respectvol: “Het is uw plaats om met de oplossing te komen, Zio.”

“Flavio?” vroeg ik.

“Ik denk dat ik de oplossing ook weet, maar zoals mijn neef zegt: ‘Het is uw plaats en daarnaast was het ook uw allerbeste vriend. Het feit dat Stefano uw petekind is, draagt daar ook mogelijk toe bij’”

“Goed ik wil dat Renato en Flavio zich verstaan. Als hun oplossing dezelfde is, betekent dat wij alle drie hetzelfde denken.”

Flavio fluisterde iets in het oor van Renato, die geestdriftig knikte, en zei: “Wij zijn het eens, Zio.”

“Vrienden, we kunnen het strategische belang laten prevaleren, terwijl wij Franco’s wens eerbiedigen. Stefano neemt geen deel aan operatie VENDETTA. Wij voeren die onder ons uit.”

“Porco cane!” zei Umberto.

“Managgia!” vloekte Lucio.

Hoewel de twee oude Camorrabazen het een schitterende oplossing vonden, zei Stefano niets. Ik kon hem zien denken. Stefano zou zich bij deze beslissing neerleggen, want hij was een man van eer. Stefano was de zoon Franco.

“Renato,” zei ik, “Wij hebben vaak dezelfde gedachten. Ik maak mijzelf geen compliment, maar je bent een briljant strateeg. Had Flavio ook dezelfde oplossing voor Stefano’s rol in het geheel?”

“Si Zio,” antwoordde Renato.

“Flavio, wat is Stefano’s rol.”

“Mag ik disrespectvol zijn, Zio? Alleen om even te lachen, want ik ben zeker dat Don Franco deze ernst niet gewild had.”

“Flavio...,” waarschuwde zijn vader.

“Laat hem spreken, Umberto, je zoon heeft zijn sporen al verdiend,” zei ik, “Er is niets dat hij nog fout kan doen bij mij.”

Ik richtte het woord naar Flavio: “Parla guaglio. (Spreek op, jongen)”

“Wel, ik dacht dat Stefano door niet mee te vechten, zijn vaders wens eerbiedigt, maar wij blijven met een probleem zitten. Zio Gian zou nu dood geweest zijn, als zijn ‘compagna’ Davonne, een meisje van negentien jaar, zijn leven niet had gered. Ik stel voor, ook omdat wij Zio Gian nog niet kwijt willen, dat Stefano meegaat, als zijn persoonlijke lijfwacht en hem beschermt. Hij eerbiedigt dan nog steeds zijn vaders wens. Ergo, hij beschermt de beste vriend van zijn vader.”

“SI!” schreeuwde Stefano.

“Ecco,” zei ik, “Umberto, je zoon is gearriveerd. Je kunt trots op hem zijn, hij leert veel van Renato’s duivels denken en hij heeft ook veel van Stefano geleerd. Je boy is compleet.”

Ik liep naar Flavio en omhelsde hem, en fluisterde: “Moest je dat nu echte zeggen van Davonne? Zal ik eens wat anders over Davonne tegen je vader zeggen?”

Flavio dook weg alsof ik hem een klap wilde geven. Hij kreeg een hoofd zo rood als een biet. Ik zei: “Ik dacht een beetje aan je vrolijkheid toe te voegen, Flavio.”

De enige die begreep waar het over ging was Renato.

Lucio vroeg: “Heeft een vrouw echt je leven gered, Jan? Wat is er gebeurd?”

Ik vertelde het hele verhaal van de hinderlaag. De twee oude Santisti smulden van het  verhaal, maar op het punt dat er vijf kogels in mijn kevlar vest geploft werden, keken zij iets minder vrolijk.

“Dus je leven is door een vrouw gered, Gian?”

“Wel meer een meisje eigenlijk. Nog nooit van haar leven een HK MP5K gezien, laat staan, vastgehouden.”

“Wat een vrouw, zuchtte Umberto, “Is ze hier, Gian? Mag ik haar mijn respect betuigen?”

Ik keek naar Stefano, die zijn vrouw belde.

Een moment later kwam Davonne de kamer binnen. Het was opvallend onopvallend hoe zij en Flavio elkaar’s blikken ontweken. Stefano, Renato en ik lachten. Flavio was zo stil als een muis en de twee oude gangsters vielen zowat uit hun stoel, toen zij Davonne zagen.

“Donatella zei dat je me even wilde zien?”

“Ja monster, de vader van Renato en de vader van Flavio, wilden je persoonlijk ...............bedanken voor het redden van mijn leven.”

“Ach, dat was toch niets, Jan. Ik doe het morgen weer,” lachte Davonne.

Italiaans respect. In Holland zou iedere kerel even een doorslag genomen hebben door Davonne even een paar zoenen te geven, en zich tegen haar tieten aan te drukken. Niet hier.

De twee oude Camorristi namen één voor één haar hand en kusten die, terwijl zij voor haar bogen. Het was nu Davonne’s beurt voor een rood hoofd, maar ik zag dat de attentie en het respect haar bevielen.

“Gian,” zei Umberto, “Wij spreken helaas geen Nederlands, maar vertel je compagna, dat zij vrienden in Napels heeft. Wanneer zij zich ooit in moeilijkheden zou bevinden, dan kan zij een beroep op ons doen. Ik had het liever zelf gezegd, maar dat kan ik niet dus ik moet je vragen te vertalen.”

Hier kwam mijn kans.

“Davonne, je aanstaande schoonvader zegt dat als je ooit problemen hebt, dat je vrienden in Napels hebt. Belangrijke vrienden,” voegde ik toe.

Davonne was sprakeloos, maar toch vroeg ze: “Heb je wat gezegd?”

“Nee, maar dat ga ik nu doen,” lachte ik.

Davonne rende de kamer uit. Voor een moment dacht ik dat Flavio achter haar aan zou hollen, maar blijkbaar bedacht hij zich.

“Hebben wij Davonne van streek gemaakt?” vroeg Lucio.

“Nee, maar ze was verlegen om haar schoonvader te onmoeten.”

Flavio keek mij aan, alsof ik hem zojuist een mes in zijn rug had gestoken en vroeg: “Zio, Zio, che cazzo fa? (Oom, oom, wat de tering doe je met me?)”

Umberto was dan wel van mijn leeftijd, maar hij zou nimmer zo hoog in de Camorra gestegen zijn als hij dit niet begrepen had. Hij was net zo snel als Lucio.

Hij riep zijn zoon bij zich en er ontspon zich een discussie in het Napolitaans, die Stefano en ik niet konden volgen. Ik kon Umberto rood van woede zien worden en Flavio rood van schaamte. Dit zou ik even snel stoppen.

“Lucio, kalmeer je broer, onmiddellijk, want hij doet een groot onrecht aan zijn zoon. Ik laat Davonne komen.”

Voor de tweede keer kwam Davonne binnen. Dit keer schoorvoetend en in het gezelschap van Margherita, Donatella en Pam. Flavio dorst haar niet aan te kijken. Lucio was erin geslaagd Flavio aan de woordenstroom van Umberto te onttrekken.

“Flavio,” vroeg ik, “Vind je Davonne leuk?”

“È bellissima Lei, Davonne è meravigliosa (Ik vind haar een schoonheid, Davonne is prachtig),” fluisterde de mooie Napolitaanse gangster.

“Davonne, wat vind je van Flavio?”

“Het is een mooie man. Ik vind hem erg leuk.”

“Nou, dan zal jij het hem moeten laten merken, want Umberto slaat zijn zoon dood, wanneer die ook maar een vinger naar je uitsteekt. Geef hem een zoen. Ik zeg een zoen, geen kus en niet je tong in zijn bek steken, smeerkees.”

Davonne liep naar Flavio en legde haar armen om zijn nek en keek hem even aan. De Camorrista, die met Renato en mij in Nederland, zonder blikken of blozen zo’n twaalf Canadese gangsters had vermoord, stond nu stokstijf..., alsof hij versteend was. Hij keek mij aan voor hulp, maar ik was onverbiddelijk.

De vrouwen begonnen te klappen en Pam riep: “Toe Davonne, laat hem eens voelen hoe het voelt.”

Langzaam zoende zij Flavio op zijn mond en hield haar mond daar meer dan een halve minuut. Net toen Flavio er over dacht om zijn armen om Davonne te slaan, riep zijn vader: “FLAVIO!”

Davonne stapte naar achter. Alhoewel Flavio nu op een verlegen schooljongen leek, zag ik in Davonne nu de vrouw. Prachtig!

“Umberto, kijk naar je zoon,” zei ik, “Kijk maar Davonne. Kun je je een mooier stel voorstellen? Heb je ooit iets mooiers gezien?”

“Ze is met jou, Gian,” gromde de oude Napolitaan.

“Ze is alleen met mij in Italië. Ze vinden elkaar leuk, ik verklaar hen geliefden. Als Davonne weer in Holland is, dan nodig ik je zoon uit. Ik heb haar vader beloofd om op haar te passen, en jullie mentaliteit kennende, wordt het toch niets nu, maar bereid je maar vast voor op een Hollandse schoondochter.”

“Net als Pam,” zei Umberto tevreden.

“Net als Pam,” bevestigde ik, “Twee mooie mensen. Ik had een fucking huwelijksmakelaar moeten worden.”

“Dus ik word misschien Pam’s schoonzuster?” vroeg Davonne mij later in bed.

“Ja, dat kan goed zijn, monster. Vind je het leuk?”

“Oh, ja Jan. Ik vind alles leuk. Ik geniet van de spanning. Stefano en zijn familie zijn fantastisch voor me. Pam en Renato zijn zo vriendelijk, en zo mooi”, en ja, ik vind Flavio ook erg leuk.”

“Nou, dat is geregeld dan,” zei ik, “Dan kun je nu dat been van mijn benen afhalen en die proppen uit mijn borst. Je bent nu bijna verloofd.”

“Bijna,” sprak Davonne, “Had Pam ook niet een verhouding met jou, voordat ze Renato ontmoette.”

“Laat dat ‘ook’ maar weg, wij hebben geen verhouding, Davonne.”

“Wij hebben wat ik zeg dat wij fucking hebben. Als ik er niet was geweest, dan had je aan stukken geschoten in de goot gelegen,” zei Davonne, op een toon die ik nog nimmer eerder van haar had gehoord.

“Maar wat wil je dan, monster?” vroeg ik, “Ik respecteer je, ik...”

“Ik wil dat je mij als een vrouw behandelt, en niet als een kind.”

“Maar ik... ‘for fuck sake’, Davonne, wat wil je dat ik doe?”

“Ik wil worden, zoals Pam. Ik wil dat je mij alles leert. Niet noodzakelijk van seks, want ik weet heus wel hoe dat werkt, maar ik wil een vrouw worden. Net als Pam.”

“Pam was een vrouw, Davonne, toen ik haar ontmoette.”

Ik zag dat Davonne niet kon verwoorden wat zij zou willen zeggen. Fuck, ze had mijn leven gered. Ze was gelukkig nu met het prospect van Flavio. Ze wilde bevestiging, en ze had het verdiend.

“Kom in mijn arm liggen, foofie. Sla je been over mij heen en geef mij je warmte, want waar ik zonder jou nu was geweest, zou het fucking koud geweest zijn. Je hebt mijn leven gered. Mag ik je bedanken?”

“Jan, ik heb nog nooit...”

“Ik weet het..., ik wilde je vragen of ik je een kus mocht geven. Om je te bedanken voor alles. Ik houd mijn handen in mijn zakken.”

“Daar was ik als bang voor,” zuchtte Davonne, “Als je mij kust, kus mij dan net alsof je een vrouw zou kussen, en niet een appel.”

Ik schaamde mij. Wat was mijn probleem? Ik had haar vader beloofd haar te respecteren, maar aan alles komt een eind. Vond ik haar mooi? Ja! Vond ik haar lief? Ja! Vond ik haar bijzonder? Ja! ‘So what was the fucking problem with me?’ Ze was geen maagd meer, dus ik beroofde haar niet van haar kostbaarste gift.

Ik dacht na en moest tot de conclusie komen dat het te makkelijk was. Ze vertrouwde mij en keek tegen mij op. Moest ik dat beschamen door mij te gedragen als een bronstige leeuw? ‘No fucking way.’ Ze zou mij er later dankbaar voor zijn, want ik heb de reputatie vrouwen te bederven. Ik naai met mijn kop. Seksueel verpest ik ze, ze willen nooit meer een normale kerel, zo die er al zijn. Kiss, that’s it, end of the fucking story.

“Davonne?”

"Ja?"

“Wil je mij kussen, dan weet ik tenminste hoe je het wilt.”

“Ja, ben je er klaar voor?”

“Leef je maar uit, foof, maar zorg dat ik niet stik in je tong.”

Ik wist het. Ik had het al die tijd geweten. Davonne was warm. Ze voelde goed. Ze voelde vertrouwd en oprecht. Ze probeerde het, maar ze was nog een meisje. Ze kuste als een meisje. Ik schaamde me, maar ze voelde goed. Ik denk dat wij kussend in slaap zijn gevallen. Ik werd gekust door een meisje dat het leven van een oude pooier had gered.

 

’s Morgens werd ik wakker van de zon die door de openstaande luiken in mijn gezicht scheen en Davonne, die in mijn gezicht lag te blazen.

“Hé, monster, stop daarmee. Kun je niet meer slapen?”

“Ik heb geen zin meer om te slapen, het is acht uur,” zei ze, terwijl ze een kus op mijn wang drukte, “Jan, moet ik mij nu schuldig voelen?”

“Schuldig? Waarover? Voor dat kussen gisteren avond?” vroeg ik nog slaperig.

“Nee, voor vannacht.”

“Hoezo vannacht? Ben je naar Flavio zijn kamer gegaan, terwijl ik sliep, jij wipkip?”

“Nee, ik heb iets anders gedaan, terwijl je sliep. Heb je er echt niets van gemerkt?”

“Waarvan gem..., NEE HÈ?!! Kom Davonne, dat heb je niet gedaan! Je dolt me. Zeg dat het niet zo is,” riep ik, terwijl ik gelijk rechtop ging zitten en met mijn hand de kompasnaald controleerde. Alles leek normaal op koers te zijn.

Davonne lag te stikken van het lachen, en zei proestend: “Dat maakte je snel wakker, hè Jan?”

De gedachte alleen, aan het door Davonne verklaarde, had mij in een regelrechte staat van paniek gezonden. Nu voelde ik mij echter knap stom en met recht voor lul gezet. Ik gooide de deken van ons af en zei, quasi boos: “O, is dat zo, bijdehandje? Dan zullen we nu die vleermuis van jou eens uit die slip vandaan pulken. Kijken hoe leuk je dat vindt.”

Ik pretendeerde dat ik voor goud ging en Davonne sprong gillend en lachend tegelijk uit het bed. Ik ging haar achter na en terwijl ik achter haar aan rende, sprong zij weer op het bed. Ik was besloten om haar er deze keer niet zo gemakkelijk van af te laten komen en haar eens flink te pesten. Ik stond nu aan het voeteneind van het bed en Davonne stond gillend op het bed.

“Die slip gaat uit nu, ik zal je dat dollen voor eens en altijd afleren,” zei ik, en wilde op het bed springen. Het vloerkleedje waar ik opgestaan had, was echter geen goede springplank. Het kleedje schoot onder mijn voeten weg en ik lag half op de grond en half op het bed, in een niet erg elegante positie.

Nu kwam zij helemaal niet meer bij van het lachen, en hikte: “Mijn God, ik wist niet dat het zo leuk was in Italië, ik amuseer mij kostelijk.”

Het feit dat ze alleen in een slipje gekleed op het bed stond, scheen haar niet te deren. Vanuit mijn belachelijke positie keek ik naar haar en zei: “Het is zoals Flavio zei gisteren. ‘Je bent mooi Davonne, je bent prachtig’. Trek nu echter iets aan, want het doet pijn aan mijn ogen. Ik zal je missen, wanneer ik een paar dagen naar Rome ben.”

“Naar Rome? En waar ben ik dan, dat je mij mist?”

“Hier, bij Pam en de andere vrouwen. We moeten allemaal een paar dagen weg. Stefano, Renato, Flavio, Lucio, Umberto, Rino, ik nog wat mannen van Stefano.”

“En het is gevaarlijk?”

“Wel, een beetje misschien,” ontweek ik.

“Nou, als het maar een beetje gevaarlijk is, dan kan ik ook mee en als het heel gevaarlijk is dan ga ik zeker mee.”

“Je kunt niet mee, Davonne. Het is echt veel te gevaarlijk.”

“Luister Jan, jij gaat en Flavio gaat. Twee personen waar ik zeer gesteld op ben. Als er wat gebeurt, wil ik bij jullie zijn. Al was Flavio niet gegaan, dan was ik nog met je meegegaan.”

Davonne was niet te vermurwen. Ik dreigde, bad, smeekte, beloofde en vloekte een hele ‘urban fucking dictionary’ bij elkaar. Het hielp niet.

“Kijk nog even goed naar me,” sneerde ze, terwijl ze haar handen in haar nek legde, “Dan denk je tenminste aan wat leuks wanneer je doodgeschoten wordt.”

“We hebben een probleem,” zei ik, ’s morgens aan de ontbijttafel, “Davonne heeft het in haar hoofd gezet om mee naar Rome te gaan. Pam, praat jij met haar, als je wilt, want ik kom niet verder meer.”

“Davonne,” vroeg Pam, “Wil je echt mee naar Rome gaan?”

“Ja Pam,” zei ze besloten.

“Dat is goed dan, want dat had ik ook al besloten.”

“Mai (nooit),” zei Renato, “Nooit van zijn fucking leven.”

“Denk er niet eens over,” zei Stefano tegen Donatella, “We hebben een zoon.”

“Precies,” zei Margherita, Stefano’s moeder, “Ik heb ook een zoon. Ik had ook een man. Mijn man ben ik verloren. Wat als ik mijn zoon nu ook verlies?”

“Zie je wat je doet,” zei ik tegen Davonne, nadat ik haar uitgelegd had wat er zich nu afspeelde, “Je veroorzaakt een hele familieruzie.”

“Zet mij maar op de trein naar Holland,” zei ze schuldbewust, maar koppig.

“Juist,” zei Pam, “En neem voor mij ook een kaartje, want ik ga met haar mee naar Holland. We leven zowat in fucking 2010 en het was tijd dat we een stem in het kapittel kregen. Zelfs in het ‘bandietje’ spelen. Ik ben al een keer een echtgenoot verloren. Nu zijn wij Franco verloren, en het is fucking over. Jullie zien of van die missie af, of we gaan mee. Wen er maar aan! Vertalen Jan!”

“Ik vertaalde voor alle aanwezigen, die geen Hollands begrepen.”

“Mannagia,” vloekte Lucio weer, “Ik ben blij dat mijn vrouw hier niet bij is.”

“Porco cane,” schold Umberto lachend, “Nou niemand kan zeggen dat mijn aanstaande schoondochter geen ballen heeft.”

Renato, Stefano en ik keken elkaar aan, alsof we elkaar wilden vragen: “En nu, wat?”

Ik zette mijn hersens in turbomode en deed wat ‘powerthinking’, waarna ik sprak: “Amici cari, aangezien ik mij verantwoordelijk voel voor hetgeen er nu voorvalt, wil ik met een compromis komen. Ik voel mij verantwoordelijk, omdat Davonne met het idee kwam, maar hey..., ze heeft recht van spreken, want ze heeft mijn leven gered. Als ze niet zo snel en besloten was geweest, dan zaten jullie nu een begrafenis voor te bereiden, in plaats van een actie tegen de Roemenen. Kan ik met een voorstel komen?”

Iedereen knikte opgelucht en Umberto zat te grijnzen als een dikke Cheshire kat.

“Margheri e Donni,” sprak ik tegen Stefano’s moeder en zijn vrouw, “Jullie zijn de familie. Franco heeft jullie altijd om raad gevraagd, maar nimmer in een actie betrokken. Ik denk niet dat hij het zou goedkeuren wanneer ik zijn vrouw en moeder van zijn kleinkind in een operatie als deze zou betrekken. Ik sta het daarom niet toe.”

Stefano slaakte een zucht van opluchting, en keek mij dankbaar aan.

“Pam heeft al eerder actie gezien en Stefano heeft haar leren schieten. Davonne heeft getoond dat zij haar hoofd koel kan houden in een noodsituatie en ik vermoed dat ze een vaste hand heeft, uiteindelijk kan zij ook goed fotograferen. Als Renato de verantwoording neemt voor Pam, dan neem ik die voor Davonne. Op één voorwaarde.

We zijn toch nog wel een paar dagen bezig met de planning van de operatie en in die paar dagen wil ik dat Pam en Davonne schietlessen en wat essentiële lessen in zelfverdediging krijgen. Daarnaast wil ik dat Lucio zijn vrienden bij de Romeinse carabinieri verzoekt om de beide vrouwen uit het strijdperk te halen en uit de processen te houden, wanneer de hele operatie ‘arse-up’ is gegaan.”

“Ik veronderstel dat ik de vrouwen dan zal moeten trainen, aangezien ik niet aan VENDETTA deelneem,” veronderstelde Stefano.

“Nee, ik heb jou en Ranato nodig als mijn raadgevers. Laat Flavio de vrouwen maar trainen. Hij is goed genoeg. Va bene Flavio?”

“Si Zio, het zal me een genoegen zijn.”

“Afgesproken. Schietlessen, zelfverdediging met stun-guns, messen en ‘close combat’ om te doden. Ook het trainen gebeurt in kevlar vesten, beenplaten en helmen. Ik weet het: het ziet er uit als shit, maar een dode vrouw ziet er nog minder uit en het is uiteindelijk geen fucking Roemeense fucking modeshow waar we heen gaan.”

Pam vertaalde alles voor Davonne, die op slag een stuk vrolijker ging kijken.

“Wanneer beginnen we,” vroeg Flavio.

“Nu als je wilt,” zei Stefano, “Gebruik de Glock 28 als vuurwapen voor de vrouwen, leer ze zichzelf verdedigen met de ‘Spiked Warrior Messen’ en de Stun Master 775000. Ik ben een groot gelover in voortekenen, en ik zou je daarom ook willen vragen om Pam en Davonne ook te willen trainen met de HK MP5K met dertig-kogel clips, op drie schots actie. Het heeft Jan zijn leven gered, beter ermee verlegen dan erom verlegen.”

Ik riep Davonne apart en zei tegen haar: “Ik geloof niet dat ik het je hoef te zeggen, maar leid Flavio niet af. Jullie vinden elkaar leuk, en jullie zullen elkaar ontmoeten. Nu is het business, want het gaat om jullie levens. Hij zal niets met je aanhalen, uit respect voor zijn vader en mij, dus probeer hem ook niet te verleiden.

Jullie tijd komt, maar als je denkt nu een beetje verliefd te zijn, wacht dan tot de training over is en je zult hem zien als een god. Hij is één van de beste allround vechters, die ik ooit gezien heb. Hij respecteert jou, dus respecteer hem, zijn vader en mij door hem niet in moeilijkheden te brengen. Okay foofie?”

“Nee, natuurlijk doe ik dat niet, Jan. Het lijkt mij allemaal hartstikke leuk en ik vind het geweldig dat Pam ook meegaat. Ik wil die dingen allemaal leren. Zoiets maak je maar één keer in je leven mee, nietwaar?”

“Ja, maar als het krom zit, dan is het gelijk ook het eind van je leven,” probeerde ik haar nog te ontmoedigen.

Terwijl Flavio en de twee vrouwen de wapens uit het arsenaal gingen halen, om daarna de bergen in te trekken, zetten wij ons allemaal om de vergadertafel.

Lucio die met Umberto de Carabinieri in Rome controleerde, opende de vergadering: “Als we het Roemeense kamp willen aanvallen, dan is nu de tijd. We hebben de sympathie van de Italiaanse bevolking. Eerder deze week moesten complete barakkenkampen met Roemenen geëvacueerd worden, nadat een Roemeense vrouw had geprobeerd een Italiaanse baby te kidnappen. De plaatselijke Italiaanse bevolking werd krankzinnig en stuurden ’s nachts vigilante groepen de kampen in met Molotov cocktails, om de hutten en barakken plat te branden.

Eerder dit jaar is er weer een Italiaans meisje verkracht in het Caffarella park in Rome. Dit was het laatste slachtoffertje in een hele serie van verkrachtingen, uitgevoerd door Roemenen. Het aantal van Roemenen die voor verkrachting gearresteerd zijn geworden, is gerezen in vijf jaar van 170 tot nagenoeg 500. Zij worden gevolgd door de Marokkanen met 330 verkrachtingen per jaar.”

Het barakkenkamp waar wij over praten, wordt Campo Medusa genoemd en het verschil tussen zigeuners en Roemenen is niet meer te onderscheiden. Het droevige is, dat er ook een hoop eerlijke Roemenen in die kampen verblijven. Die werken normaal bij Italiaanse bedrijven en worden vaak nog afgeperst door hun criminele landgenoten tot het betalen van een ‘kampbelasting’. Mijn advies is: laat de Albanezen komen en laten we alle Roemeense gangsters en hun leiders in Campo Medusa, zo snel mogelijk opruimen, want er wordt al druk uitgeoefend door de regering in Roemenie op het Europarlement.

“Wie controleert de Albanezen,” vroeg ik, “Stefano of de Camorra”.

“De Albanezen in Zuid Italië zijn beter bekend ter plaatste,” zei Umberto, “Maar ik heb meer vertrouwen in de Gruppo Kozovari, die door Stefano gecontroleerd wordt. We hebben ze zien vechten in de Dolomieten en ze zijn veel meer gedisciplineerd. Ik zie liever de Dolomieten groep. Is dat te verwezenlijken, Stefano?”

“Dat is geen probleem. We besluiten op hun aantal gedurende de volgende dagen, maar ik licht de leiders pas in, op het moment dat wij vertrekken. Dit om het uitlekken van de geplande aanval te voorkomen.”

De eerste dag brachten wij door met het bespreken van alle algemeenheden. Besloten werd dat er twintig man van Stefano, onder leiding van Rino met ons mee zou komen. Lucio en Umberto zouden daar veertig man aan toevoegen. Omdat wij nu door de aanwezigheid van de vrouwen veel voorzichtiger en minutieuzer te werk moesten gaan, hadden Umberto en Lucio besloten om de ploegen van hun zoons te steunen. Ik verdacht hen ervan, dat zij dit evengoed wel gedaan zouden hebben voor hun oude vriend Franco.

“Jan, ik ben kapot,” zei Davonne ’s avonds in bed tegen mij, “Als die Flavio in het dagelijks leven ook zo is, dan hoef ik hem echt niet, al wordt hij aangeboden in feestverpakking. Wat een slavendrijver. Pam en ik konden nauwelijks nog lopen, toen wij naar de Toyota 4x4 teruggingen.”

“Was het zwaar, monster?”

“Het schieten is wel leuk, en ik geloof ook dat ik het wel aardig doe, want op het eind van de dag schoot ik zevens en achten.”

“Dat is hartstikke goed, Davonne.”

“Ja, maar hij is echt fanatiek met close combat. Niets was goed wat wij deden. We waren te langzaam, we letten niet op, we waren wel vier keer dood geweest en het lijkt er wel op dat hij ons niet eens ziet. Zijn ogen worden zwart. Hij lijkt wel een machine, maar hij is wel vreselijk snel; hij is net een rubber bal. Hij stuitert op van de grond en voordat je het weet, staat hij achter je met een mes op je keel. Ik vond dat nou niet echt gezellig, moet ik zeggen.”

“Let toch maar goed op, en luister naar hem. Het kan jou of je medestrijders het leven redden, of je moet af willen haken?”

“Helemaal niet. Als ik nu al toegeef, wat moet dat dan worden als wij ooit zouden trouwen.”

“Davonne, Napolitanen zijn anders dan Nederlanders en in het bijzonder Napolitaanse gangsters. Toch zou ik je willen aanraden dat wanneer hij je iets leert, of vertelt waar je niets van weet, om naar hem te luisteren. Je kunt veel van hem leren, want hij heeft alles van zijn vader en Stefano geleerd. Toen jij nog met poppen speelde, vermoordde hij een volwassen man die zijn zusje beledigd had. Denk erom, Flavio is een bijzonder mens, net zoals jij trouwens.”

Nou ja, we zien het wel. Het was leuk, maar ik ben doodmoe. Mag ik in je arm slapen?

Drie minuten later hoorde ik haar tevreden snurken, maar ik kon niet slapen. Ik voelde mij bezwaard en ik was bang. Ik was bang dat er iets met haar zou gebeuren. Hoe zou ik dat ooit aan haar ouders moeten verklaren? Ik kon de slaap niet vinden en besloot op te staan en haar vader te bellen. Ik draaide mij voorzichtig uit Davonne’s houdgreep en stapte uit bed.

“Is er wat, Jan?” vroeg zij in haar slaap.

“Sssstttt, even naar het toilet”

Ik liep naar Stefano’s kantoor en vond daar Renato, die blijkbaar ook niet slapen kon.

“Pam?” raadde ik.

“Davonne?” vroeg Renato.

“Gian, ik ken Pam. Als ik haar niet mee laat komen, dan gaat ze weg. Als ik haar wel mee laat komen, dan verlies ik haar misschien ook. Wat ik moet ik doen, Gian? Ik wil niet verder leven zonder Pam.”

“Renato, lieve vriend, soms moeten wij keuzes maken, maar geloof mij: Pam gaat nimmer bij je weg. Ja, voor een paar weken om haar punt te bewijzen, maar dan is ze weer vlot terug. Het is een jonge vrouw en ze wil leven. Soms doet de confrontatie met de dood je beseffen dat je intenser leven wilt. Pam is in die fase. Ik denk dat het tijd is dat jullie over een kind gaan denken. Haar hele leven is nu gefocusseerd op jou, want ze is idolaat van je. Geef haar nog iets waar ze haar liefde op reflecteren kan. Denk erover.”

“Si Gian, ik zie je punt helemaal, maar ik maak mij zorgen om haar.”

“Er zijn momenten dat wij degene waarvan wij houden, los moeten kunnen laten, Renato. Je weet Flavio doet zijn uiterste best en wij kunnen hem met zijn taak vertrouwen. Je vader zal erbij zijn om op Pam te letten. Wanneer het over is, dan zullen jullie hechter zijn dan ooit tevoren. Herinner je hoe jij vocht om haar te verdedigen, geef haar de kans om hetzelfde voor jou te doen. Ze heeft strijdervaring.”

Renato dacht na en knikte toen.

“En u oom?”

“Ik heb een ander probleem, guaglione. Ik heb haar vader beloofd om goed op haar te letten. Nou, een fijne fucking job maak ik ervan, door haar mee te laten vechten. Ik ben ziek van bezorgdheid.”

“Bel haar vader.”

“Ja, dat wilde ik net gaan doen en toen vond ik jou.”

Renato stond op, klopte mij op mijn schouder en liet mij alleen.

“Dag mijnheer O.,” zei ik even later in mijn mobiel, “Sorry dat ik u nog zo laat lastig val, maar ik heb een probleem.”

“Dat spijt mij te horen. Is het mijn dochter, kan zij haar handen niet thuishouden?”

Ik lachte en antwoordde: “Nee, dat is het niet en ze is echt heel goed geweest. Iedereen is gek met haar, maar ze heeft mij min of meer in een hoek gemanoeuvreerd. Ik zal u een korte uitleg geven.”

Ik vertelde Davonne’s vader in het kort over de moord op Franco, de aanslag waarin Davonne mijn leven gered had en de ophanden zijnde wraakactie.

“Was dat een bloederige aanslag, waarin zij jouw leven redde?”

“Zeer!”

“En hoe was ze daaronder, en vooral daarna?”

“Ze vond het de gewoonste zaak van de wereld, maar nu is ze besloten om mijn leven te blijven redden. Het erge is dat de vrouwen hier allemaal haar zijde hebben gekozen en ruzie met hun echtgenoten daarover riskeren.”

“Jan, het klinkt mij niet als muziek in mijn oren, maar het feit dat je mij belt, maakt mij duidelijk hoe verantwoordelijk je bent. Hoeveel procent kans is er dat mijn dochter iets overkomt?”

“Ik kan niet zeggen, nul procent, maar ze is iedere dag in de bergen aan het trainen. Een vriend van mij is haar aan het opleiden. Ze leert met allerlei wapens omgaan. Ze was zo moe vanavond dat ze in drie minuten sliep.”

“Heeft ze het naar haar zin?”

“U moest haar eens kunnen zien. Ze pest me de hele dag en nu heeft ze het in haar hoofd gezet dat ze verliefd op een jonge Napolitaan is geworden. Hij traint haar en zijn schoonzuster overdag in de bergen. Als het een beetje tegenzit, krijgt u nog een Napolitaanse gangster als schoonzoon ook. Nee, ik dol. Hij verafgoodt haar.”

“Jan, als ze het echt zo naar haar zin heeft, laat haar meegaan. Ze heeft jouw leven gered, ik verwacht dat haar leven nimmer in echt gevaar zal zijn.”

“Mijheer O., ze heeft de beste lijfwacht ter wereld. Het is de zoon van mijn vermoorde vriend, waar alles nu om gaat. Stefano is mijn lijfwacht, maar ik draag hem over aan Davonne.”

“Jan, ik wens jullie veel geluk en ik hoop dat alles gaat zoals jullie willen. Hoeveel man neemt aan die actie deel als ik vragen mag?”

“Een paar honderd.”

“Dat is nogal wat. Jan, wil je mijn dochter zo even vragen mij te bellen. Ik ga haar niet proberen te beïnvloeden, maar ik wil horen hoe ze klinkt. Okay?”

“Afgesproken, en vriendelijk bedankt.”

“Succes Jan.”

Toen ik muisstil de slaapkamer weer insloop, zat Davonne rechtop in bed te wachten. Haar ogen schoten vuur. Ze zei: “ik werd net wakken van een nachtmerrie, ik droomde dat jij mijn vader aan het bellen was, maar dromen zijn bedrog, nietwaar Jan?”

“Soms zijn dromen geen bedrog, maar zo je droom al waar was, was het zeker geen nachtmerrie. Integendeel, en ja..., ik heb je vader gebeld. Hij zou graag willen, dat je hem even belde.”

“Ik ga niet terug, ook niet als mijn vader dat zegt. Ik ben meerderjarig en ik kan doen wat ik wil. En als jij mij terugstuurt, dan...”

“Davonne..., stop even met klepzeiken. Bel je vader, en als je dan nog wat te zeggen hebt, dan hoor ik het wel. Okay?”

Ik keek naar haar gezicht, toen zij met haar vader sprak, of liever gezegd naar hem luisterde. De uitdrukking veranderde van koppigheid en kwaadheid naar verbazing.

“Nee pappa, echt, ik heb het geweldig naar mijn zin hier. Iedereen is hartstikke lief voor me, en ik heb de meest spannende dingen meegemaakt, ik...”

“Ja, dat is waar, pappa, maar ik krijg training iedere dag in de bergen, en Jan is bij me..”

Voor een tijdje luisterde zij naar haar vader en zei toen: “Ja ik begrijp het pappa, ja, ik beloof het, echt waar. Ik zeg het gelijk, nu meteen. Doei, doei.”

Ze keek mij schuldbewust aan en zei tegen mij: “Ik bied mijn excuses aan. Mijn vader vertelde dat je er zo over in zat, dat je er niet van slapen kon en dat je uit verantwoording en je belofte aan hem, besloot te bellen. Hij zei ook dat ik Stefano als lijfwacht zou krijgen, is dat zo?”

 

“Ja, je krijgt Stefano, want beter is er niet.”

“Het spijt me, echt waar. Ik had beter na moeten denken. Wat moest jij tegen mijn vader vertellen wanneer er met mij iets zou gebeuren? Het feit dat ik er zo graag bij wilde zijn, maakte dat ik alles er omheen vergat. Nogmaals, het spijt me.”

Ik stapte in bed en wilde gaan slapen.

“Jan...?”

“Yesssss?”

“Mag ik in je arm liggen?”

“Davonne?” vroeg ik even later.

“Ja?”

”Gezellig zo, hè?” vroeg ik stikkend van het lachen.

 

De derde dag van de training van Pam en Davonne, was de dag voordat de Albanezen zouden komen. Stefano, Renato, de twee oude Santisti en ik besloten om de bergen in te gaan om naar de vorderingen te kijken, die de vrouwen hopelijk gemaakt hadden.

We besloten de Toyota Landcruiser achter te laten vóór het oefenterrein, om de vrouwen ongemerkt gade te slaan. Ik dacht dat ik krankzinnig werd van wat ik zag. Nu begreep ik waarom Davonne helemaal niets meer verteld had over het trainen. Ik dacht dat ze misschien afgeknapt was, maar mij dat niet wilde zeggen.

Op een muur lagen twintig watermeloenen. Vijftien meter daarvoor stond Pam licht gebogen met haar handen op haar knieën. Davonne kwam zigzaggend op Pam aanrennen. Ik dacht dat ze een boksprong zou maken, maar drie meter voor Pam, maakte ze een voorwaartse salto. Terwijl ze over Pam buitelde, trok zij de Glock 28 uit haar borstholster. Ze kwam op haar voeten terecht en zakte onmiddellijk op één knie. Ze sloeg haar linkerhand om haar pistoolhand om het wapen meer stabiliteit te geven, en begon te schieten.

Ik telde twintig schoten. Twintig schoten uit een negentien schots magazijn? Achttien van de watermeloenen spatten uit elkaar. Nu kwam Flavio op haar afrennen. Toen hij bij Davonne was om haar tegen haar hoofd te trappen, had Davonne de Glock al laten vallen, het ‘Spiked Warrior Knife’ uit haar armschede getrokken, waarmee ze nu uithaalde om Flavio zijn kuit open te leggen. Flavio maakte een achterwaarste salto..., anders had zijn kuit tot op het bot opengelegen. Dit was ongelooflijk. Davonne had een gemiddelde van negen geschoten vanuit een rennende positie, om van de salto en de actie met het mes nog maar te zwijgen. Ik knapte zowat uit mijn zomen en kreeg tranen in mijn ogen..., zo trots was ik op haar, maar vroeg: “Hoe kon ze twintig schoten afvuren uit een negentien kogel magazijn?”

Stefano zei: “Het is niet erg strijdpraktisch, maar om te trainen wel goed. Ze had één kogel in de kamer en daarna een vol magazijn ingeklikt.”

“Hebben jullie haar gezien,” vroeg ik trots, maar overbodig.

“Had je anders van mijn zoon verwacht,” vroeg Umberto, even trots.

De vrouwen en Flavio vervingen de meloenen. Het was nu Pam’s beurt.

Gewapend met het HK submachine pistool liep zij weg, totdat Flavio haar een teken gaf te stoppen en zette Davonne gebogen, op twintig meter afstond voor de muur. Achter de muur stonden vijf oefenpoppen met een watermeloen als hoofd.

Op Flavio’s teken kwam Pam nu zigzaggend aanrennen, maar in plaats van een salto te maken, slingerde zij zich zijwaarts over Davonne en kwam rollend op de grond terecht. Zij bleef doorrollen en schoot het submachinepistool boven haar hoofd af zonder te kunnen richten. Zeven keer rolde zij en in zeven salvo’s van drie, waren er vijftien van de meloenen verdwenen.

Pam liet de HK MP5 nu vallen en trok de Glock uit haar borstholster. Zij richtte het wapen met twee handen en vanuit liggende positie loste zij tien salvo’s, van twee schoten elk. Zoals het hoorde. De vijf meloenen op de muur en die op de oefenpoppen, waren nu ook verdwenen.

Flavio kwam nu op haar toe rennen om met twee voeten op haar hoofd te springen. Pam rolde achterover naar hem toe en trapte met twee voeten in zijn kruis. Als Flavio niet onmiddellijk een achterwaartse salto had gemaakt, dan had Davonne in de toekomst niet veel meer aan hem gehad.

“Fuck, die Flavio is net een rubber bal,” zei ik.

“Hebben jullie dat gezien,” gilde Renato uitzinnig, “Dat is mijn Pam, ik wist nooit dat ze zo lenig was. Wat een vrouw heb ik.”

We besloten nu naar de vrouwen toe te lopen, maar niet te laten merken wat wij gezien hadden. We werden pas opgemerkt, toen wij zowat achter hen stonden.

“Wat hebben jullie stomme helmen op, jullie zien er echt niet uit. We lopen zwaar verschut met jullie zo,” zei ik dollend.

“Jan,” zei Davonne, “Ik schiet negens.

“Wat denkt u, Zio?” vroeg Flavio, die ons natuurlijk allang opgemerkt had.

“Ik denk dat je het onmogelijke hebt gedaan, Flavio. We hebben genoten. Je hebt een wonder verricht. Ik voel mijzelf nu een stuk geruster, en ik denk Renato ook.”

“Ik begin er zelfs naar uit te kijken. Pam, als dit verhaal over is dan nemen we een kind.”

“Dan moet jij eerst een paar dagen in de leer bij Flavio,” zei Pam oneerbiedig.

“Jan,” zei Davonne weer, die het Italiaans niet verstaan had, “Ik schiet negens.

“Ik heb alles gezien, monster. Je weet niet half hoe trots ik op je ben. Ik heb je salto gezien en je mesaanval. Je was grandioos. Begrijp je nu waarom Flavio zo hard en meedogenloos was met jullie in het begin? Je had nimmer zover gekomen in een paar dagen.”

Die avond genoten wij voorlopig de laatste avondmaaltijd bij Stefano, want de volgende dag zouden de Albanezen komen en wij zouden tegelijk met hen naar Rome vertrekken. De stemming was goed. Pam en Davonne waren hyper en spraken al, alsof zij samen een Roemenenkamp zouden gaan opschonen.

 

Operatie VENDETTA – Tweeëntwintig mannen en twee vrouwen keken naar een Google Map op het grote LCD muurpaneel in de gymzaal van Stefano. In het midden was het Roemenenkamp Medusa, duidelijk zichtbaar.

Een uur eerder die morgen waren de tien Albanese groepsleiders gearriveerd. Aan hun gezichten zag ik dat het allemaal harde krengen waren. Ze leken wel een Albanese tienling. Ze droegen allemaal spijkerbroeken, coltruien en leren jacks. Zonder uitzondering hadden zij een High Power Browning in een borstholster. Iedere Albanese groepsleider voerde het bevel over een ploeg van tien landgenoten, maar de leider was Perparim. Perparim, de reus die indertijd het bevel had gevoerd over de Albanezen die ons hadden geholpen om Anouk te redden. (Oddball and the Killa Gal)

Zij stonden naast Stefano’s Capo Regime, Rino, met zijn vijf onderbazen. Iedere sotto-capo zou een groep van vier man aanvoeren.

Naast Stefano, die de computer bediende die de OHP (Overhead Projector) aanstuurde, stonden Renato, Flavio, Lucio, Umberto, Pam, Davonne en ik.

“Het plan is eenvoudig,” zei Stefano, terwijl hij met de muis vijf ‘pointers’ op de map klikte, “Zoals jullie zien, ligt het kamp, dat vijf ontsnappingroutes biedt, in een dal. Ik wil dat Afrim, Illy, Bashkim, Dardan, Fatmir en hun groepen die uitgangen bewaken. Vrouwen en kinderen die vluchten, worden doorgelaten. Mannen worden gestopt, gefouilleerd en geboeid. Dat zoeken we later wel uit. Ik wil geen slachtoffers onder de vrouwen en kinderen, is dat begrepen?”

De vijf aangesproken Albanezen knikten.

“Vijf groepen onder leiding van zio Gian, Renato, Flavio, Rino en Paolo gaan het kamp in vergezeld van vijf groepen onder leiding van Skender, Besnik, Gjergj, Konstandin, Gjon. Perparim voert het bevel over de Albansese ploegen.

Lucio en Uberto verzorgen ons vier groepen van tien man. Deze groepen komen uit Napels en ontmoeten ons in Rome voordat wij het kamp ingaan. Zij zijn belast met het patrouilleren van het hele kamp, om te voorkomen dat er leiders en Roemeense gangsters overlopen van barak naar barak, om aan aanhouding te ontkomen. Ook zijn deze groepen belast om Roemeense sluipschutters en aanvalsgroepen tijdig te ontdekken, te onderscheppen en uit te schakelen.

Iedere groep van onze Albanese vrienden geeft constant cirkeldekking aan de groepen van zio Gian, Renato, Flavio, Rino en Paolo, die de Roemenen uit hun barakken halen. Wanneer de Roemenen niet vrijwillig naar buiten komen, dan gooien wij een Flash-bang traangasgranaat in de barak, waar vrijwel zeker de leiders en/of de gangsters zitten. Daarna halen wij de mannen eruit. Gelijk boeien met plasticuffs en bij de barak achterlaten, onder bewaking van een Albanese strijdgenoot. Het is duidelijk dat naarmate de groep van gevangen Roemenen groeit, dat de Albanese groepen krimpen.

Ook hier worden de vrouwen en kinderen met rust gelaten. Ze worden echter wel gefouilleerd door de overige tien man van Rino. Vrouwen en kinderen worden gefouilleerd. Niet van afwijken, want deze vrouwen en kinderen verbergen de wapens van hun echtgenoten en vaders.”

Van alle groepen staat de leider met speciale ‘comms sets’ in verbinding met zio Gian, die de operatie coördineert en in constante verbinding staat met Perparim en alle andere groepsleiders. Hij neemt hier van mij over,” zei Stefano.

Ik begon: “Roemenen die tegenstand bieden, worden onmiddellijk hun kelen doorgesneden. Geen kogels aan verknoeien. Een doorgesneden keel heeft een veel groter psychologisch effect.”

“Po shkëlqyer (Ja schitterend),” galmden tien Albanezen, enthousiast in koor.

“Wanneer wij tweehonderd Roemenen verzameld hebben, hier in deze barakken,” zei ik, terwijl ik met de muis een cirkel om twintig barakken trok, “sluiten wij hen op en we schieten de barakken vol met fosforgranaten, tenzij onze Albanese vrienden hier, een beter idee hebben.”

Kakofonie, want de tien Albanese gangsters gingen in druk conclaaf over allerlei leuke dingetjes die ze wel met de Roemenen wilden doen, totdat Perparim, de commandant, tot stilte maande en tegen mij zei, dat de fosforgranaten de beste en snelste oplossing waren.

“Wij hebben twee vrouwen bij ons,” zei ik tegen de Albanezen en Rino en zijn mannen, “Hun veiligheid prevaleert boven alles en iedereen. Kan ik daar op rekenen?”

Één van de Albanezen zei: “I bukur gratë (prachtige vrouwen)”

Het ging te snel voor het oog, want het volgende moment had Perparim zijn HP Browning in zijn hand en schoot zijn landgenoot, die de opmerking had gemaakt, door zijn hoofd.

“Mosrespektim (Geen respect),” zei Perparim, “Het was altijd al een idioot.”

“Zorg dat hij vervangen wordt,” zei hij tegen zijn negen groepsleiders. Tegen Stefano zei hij: “Ik vraag vergeving voor het afschieten van een wapen in je huis, maar Franco was mijn beste vriend. Ik tolereer geen disrespect in zijn huis..., jouw huis.”

“Wat is er gebeurd?” vroeg Davonne mij.

“De dode maakte een opmerking over jullie. Ik geloof dat hij ‘mooie vrouwen ’ zei, of zoiets.”

“En daarom is hij nu dood?”

“Daar lijkt het wel op.”

“Vraag die baas eens of hij een uurtje met mij op Badoo komt zitten, dan mag hij wel een machinegeweer meenemen,” zei ze.

Ik schoot in de lach. Het lijk was al verwijderd door de Albanezen, die nu bezig waren het bloed, schedelresten en niet al te veel hersens te verwijderen.

Die nacht bevonden wij ons in gesloten formatie op de Raccordo Annulare, de snelweg die rond Rome voert. De vrachtwagens met wapens en munitie waren al eerder op de dag vertrokken, in het gezelschap van verkenners op motoren. Deze verkenners reden kilometers voor de vrachtwagens uit en waarschuwden de chauffeurs van de vrachtwagens voor wegversperringen van de Guardia di Finanza (Fiscale Politie).

Om één uur die nacht troffen wij ons op de Via Ardeatina met de ondersteuningstroepen; veertig Camorristi van Lucio en Umberto. Om kwart voor twee hadden wij het Roemenenkamp Medusa finaal afgesloten. Wij waren klaar om de operatie VENDETTA te beginnen.

Ik kreeg van Perparim door dat zijn vijf groepen Albanezen de in- en uitgangen van het kamp controleerden en dat de andere vijf groepen klaar waren om het kamp binnen te gaan. Ik checkte met alle Italiaanse groepsleiders, dat ook zij gereed waren en gaf het bevel om het kamp binnen te vallen. Als eersten vielen de vijf groepen van acht Camorristi het kamp binnen en zwermden uit om alle strategische plaatsen te bezetten.

Hierna vielen van vijf verschillende locaties de groepen van Renato, Flavio, Rino en mijzelf het kamp binnen. Iedere groep van ons was omringd door tien zwaar bewapende Albanezen, die ons cirkeldekking verschaften. Twee man in ieder van onze groepen droegen helmen en maskers die de drager beschermden tegen de ‘flash’ en de explosie en het traangas van de Flash-bang traangasgranaten. Stefano volgde Davonne als een schaduw. Ik vroeg mij af hoe zij en Pam zich nu voelen moesten.

De meeste barakken waren gehuld in duisternis en het was hier dat wij ook weinig tegenstand ontmoetten. Een Albanees trapte de deur eruit en beval de bewoners naar buiten te komen. De onthutste Roemenen gaven zonder protest gevolg en kwamen slaapdronken uit hun barakken, waar zij ter plaatste geboeid werden. Dit waren de meest arme Roemenen en zeker niet degenen waar wij naar op zoek waren. Nadat wij zo’n tien brakken gedaan hadden, begonnen er langzaam aan lichten in het kamp branden en werden er enkele schoten gehoord, die onmiddellijk overstemd werden door de zware MP5K machinepistolen van de Albanezen of de Diemaco C8 karabijnen met granaatlanceerders van de Camorristi.

Naarmate wij het midden van het kamp naderden, begonnen wij tegenstand te ondervinden. De Albanezen zorgen voor een perfecte cirkel dekking, waar wij alleen uitkwamen om de weerspannige bewoners uit hun barakken te pulken. Nadat er een Flash-bang in de barak was gegooid, gingen onze twee gemaskerde experts naar binnen om de bewoners eruit te drijven. In andere gevallen werden er een paar traangaspatronen uit een Remmington 870 in de barak geschoten. Dan hoefden wij alleen te wachten tot de bewoners de barak huilend verlieten. In al deze gevallen werden er wapens en munitie op de eigenaars en/of in de barak gevonden. Dit waren de Roemeense gangsters.

Tot zover was de operatie als klokwerk verlopen en dat werd mij ook gemeld door mijn vier co-commandanten, totdat ik ineens het doffe geratel van een machinegeweer hoorde. Tegelijkertijd hoorde ik de stem van Perparim in mijn telefoontje: “Mayday, mayday, groep drie ligt onder machinegeweervuur. Twee gewonden. Instructies!”

Ik pakte mijn keelmicrofoon en zei: “Geen verdere levens riskeren. Laat groep 1 op honderdtachtig graden assistentie verlenen. HK G36 gebruiken en een paar 40mm granaten naar binnen schieten, Daarna onmiddellijk een fosforbom naar binnen luppen. Do you read?”

“Roger,” bevestigde Perparim.

Even later hoorde ik een paar zware explosies en het machinegeweer zweeg. Het kamp werd ineens fel opgelicht.

“Gewonden?” vroeg Stefano.

“Twee,” bevestigde ik, “We ondervinden meer tegenstand al naar gelang wij het centrum van het kamp naderen. Machinegeweren is slecht nieuws.”

Terwijl onze ploeg nog een barak leegde, de Roemeense mannen geboeid en de vrouwen en kinderen gefouilleerd werden door Rino’s mannen, riep ik Renato op.

“Si Zio?”

“Als wij meer machinegeweervuur krijgen, wil ik dat Pam en Davonne uit de vuurlijn gehaald worden. Ze kunnen ingezet worden bij de bewaking van de gevangen in de buitenste ring. Te gevaarlijk hier.”

Ik legde Davonne uit dat er gewonden waren gevallen door machinegeweervuur en als dat zich herhaalde dat ik haar uit de vuurlijn wilde hebben. Het antwoord werd mij bespaard, want net toen twee mannen van onze ploeg een paar traangaskogels in een barak wilde schieten, werd ik door Stefano tegen de grond gegooid.

Vier Roemenen kwam schreeuwend en schietend uit de barak. Stefano kreeg drie hits en werd tegen de grond gegooid. Terwijl ik mij op een knie oprichtte, en ik mijn Sig Sauer richtte, hoorde ik vier salvo’s HK MP5 vuur naast me. Ik zag hoe Roemeens ondergoed ineens mazelen kon ontwikkelen. Dodelijke, bloedende mazelen.

“Wat zei jij nu net, Jan?” vroeg Davonne, terwijl zij de loop van haar HK MP5 afkoelde door ertegen te blazen.

“Cool cat,” zei ik, “Als we dit overleven, wil ik een week in jouw arm slapen.”

“Dat zou je dan echt niet overleven, Jan”

Ik keek naar Stefano, die weer opkrabbelde omdat zijn Kevlar vest hem gered had. De vierde man van onze groep was echter niet zo gelukkig geweest. Hij was twee keer door zijn hoofd geschoten.

“Mijn God,” zei Stefano, “Eerst Rino’s broer een paar maanden geleden door de Roemenen vermoord, en nu zijn enige neef. Vader en zoon dood. Hij gaat ‘apeshit’, Jan.”

De Albanezen hadden dit niet kunnen voorkomen, daar wij steeds in rechte vuurlijn met de deur van de barak hadden gestaan. Daar wij nu snel naar het midden van het kamp werkten, besloot ik van strategie te veranderen. Ik wilde niet meer doden of gewonden onder onze mannen riskeren.

“Perparim,” riep ik hem op.

“Si Gian?”

“Wij krijgen nu hoofdzakelijk frontaal vuur, ik wilde je vragen je mannen de betrokken barakken van de zij- en achterkanten te doorzeven met Minimi Para machinegeweren. Hoog richten om de bewoners uit te drijven. De Italiaanse ploegen vangen hen op. Zo hebben wij twee man per ploeg meer tot onze beschikking. Do you read?.

“Roger Gian.”

Ik stelde de andere vier Italiaanse ploegen op de hoogte, zodat wij acht man meer effectieve vuurkracht hadden.

Een uur of zo later, hadden wij het hele kamp uitgegraven. Ongeveer driehonderd Roemenen, zaten gebonden in een grote cirkel in het midden van het kamp. De vrouwen en kinderen waren verteld het kamp te verlaten. Langzaam aan verzamelden al onze strijders zich in een cirkel rond de gevangen Roemenen. Het is vreemd om te zien hoe bepaalde patronen zich in het leven kunnen blijven ontwikkelen, want het was duidelijk dat de kopstukken in het midden van de groep mannen zaten. Alsof de mannen om hen heen, hen nog steeds bescherming konden verschaffen.

Het kamp was spookachtig verlicht door de nu dovende vlammen van de brandende barakken.

Renato, Flavio Rino en Paolo waren naast mij komen staan en wij wisselden wederwaardigheden uit. Op een gegeven moment vroeg Rino: “Waar is Tito, Stefano?”

Stefano keek Rino verdrietig aan.

“Tito was een van de drie slachtoffers? Mijn neefje is nu ook dood, is dat wat je mij niet zegt, Stefano?”

Stefano zei niets. Ik zag hoe hij de tranen terugvocht. Ik zag hoe Rino naar Perparim, de leider van de Albanezen liep en hem condoleerde met het verlies van zijn twee mannen. Ik zag dat Perparim Rino omhelsde. Ik zag dat Perparim een klein zakmesje aan Rino gaf en ik zag Rino huilen. Ik zag het allemaal en ik wist wat ik zou gaan zien.

Rino liep naar de groep Roemenen en gooide het zakmesje precies in het midden van de groep. Hij sprak: “Tien van jullie kunnen zich lossnijden. Tien. De elfde schiet ik dood.”

Tien van de leiders vochten om het zakmesje om zich los te snijden. Het was de laatste fout die zij maakten. Rino vroeg hen uit de cirkel te komen, en zich in een kleinere cirkel op te stellen. Een groepje van tien Roemenen, dat onmiddellijk omringd werd door de zwaar bewapende Albanezen, zodat de Roemen geen kant meer op konden.

Ik had Rino zien vechten; ondanks dat hij al wat ouder was, waren er weinig die zich aan hem konden meten. Renato en Flavio wonnen van hem, maar met moeite.

VENDETTA REALE – De oudCobra Spiked Warrior Knifeere gangster kleedde zicht uit tot op zijn boxershorts. Één van de Albanezen kwam aangelopen met een bus machinegeweerolie, die hij over Rino   uitgoot, en toen uitsmeerde.

Rino liep naar mij en Davonne, en trok onze ‘Spiked Warrior’ messen uit onze borstschedes. Ik kuste het mes dat Rino voor mij hield en zei Davonne hetzelfde te doen. De bijna naakte man liep naar de cirkel van Albanezen, die zich langzaam voor hem opende.

Rino vouwde zijn handen in een kort gebed. Toen hij klaar was, deed hij de boksbeugelmessen om zijn handen, keek omhoog en schreeuwde: “Salavatore, Tito en Don Franco, questi sono per voi. (Dezen zijn voor jullie)!”

Met een demonische schreeuw sprong Rino tussen de tien Roemenen die hem gelijk probeerden vast te pakken. Onmogelijk! Rino liet zich op zijn hurken vallen en sneed twee paar achillespezen en drie paar kniebanden door. Vijf Roemenen vielen op de grond en zouden niet meer vechten. Omhoog komend gaf Rino één Roemeen een kopstoot terwijl hij twee Roemenen een Warrior mes tussen hun benen stak. De messen penetreerden twee prostaatklieren en werden toen gekanteld door Rino, zodat zij de anus en endeldarm opensneden. De schreeuw van Rino was demonisch geweest..., deze twee schreeuwen klonken prehistorisch.

De twee overgebleven Roemenen konden geen grip op Rino krijgen door de olie, totdat één Roemeen Rino in zijn haar greep. Met één mes sneed Rino zijn polsspieren door en met het andere de keel van de Roemeen.

De laatste Roemeen werd krankzinnig van angst en probeerde door de cirkel te breken. Rino bleef kalm wachten en toen de Roemeen besefte dat hij zijn lot niet meer ontlopen kon, gooide Rino hem een ‘Warrior’ mes toe. De Roemeen pakte het mes van de grond, cirkelde om Rino, die met hem meedraaide..., en stak. Rino ving het lemmet van het mes van zijn tegenstander op tussen de stalen pennen van de boksbeugel, draaide zijn pols en het lemmet van de Roemeen brak. In een laatste wanhopige poging probeerde de Roemeen Rino de stalen pennen van de boksbeugel in zijn gezicht te slaan. Met zijn linkerhand ving Rino de messenhand en draaide het gebroken mes met de pennen weg. Met zijn rechterhand stak hij de Roemeen onder zijn rechteroksel, en sneed hem een slagader door.

Negen van de tien Roemenen waren nog in leven, totdat Rino hen één voor één onthoofde. Besmeurd met een mengsel van bloed en olie leek Rino wel een gelatineman, toen hij uit de cirkel stapte en naar Perparim liep. Hij wisselde twee woorden met de grote Albanees, die begrijpend knikte en zijn arm om de bebloede Rino sloeg.

Daarna liep Rino naar Stefano, en zei: “Steffie, alles wat ik had en liefhad, ben ik in de laatste maanden verloren. Mijn broer, toen je vader en nu mijn neefje. Wij hebben goed gevochten, Stefano, maar ik moet je verlaten. Ik die zo van het leven hield..., ik ben de dood geworden. Ik moet doden, dus ik ga nu met Perparim en zijn mannen mee om hun strijd te vechten. Ik moet doden. Ik hoop dat je mij begrijpt oude vriend, ik heb van je gehouden sinds je een baby was. Het ga je goed, Stefano.”

Stefano knikte, omhelsde Rino en zei: “Ik begrijp je mijn trouwe vriend, ik begrijp je volkomen en ik wens je dan ook het allerbeste toe. Ik zal zorgen dat Tito naast zijn vader komt te liggen. Wanneer je ooit de wens voelt om terug te komen, mijn huis zal altijd het jouwe zijn.”

Rino groette Renato, Pam, Flavio, Lucio, Umberto, Davonne, mij en zijn eigen mannen. Iedereen huilde. Toen pakte Rino zijn kleren, draaide zich om en liep weg. De Albanezen klapten langzaam uit respect. Klap......, Klap......, Klap......

Stefano viel huilend op zijn knieën en brulde: “Rino! Ti amo.”

Ik knielde naast mijn vriend en hield zijn hoofd in mijn armen. Terwijl ik hem wiegde, vroeg ik zachtjes: “Begrijp je nu waarom je vader wilde, dat jij je niet verder zou wreken?”

We moesten snel zijn nu. De adrenaline was aan het uitzakken. De emoties waren te gemengd. Haat, liefde, verdriet en kwaadheid, maar niet noodzakelijk in die volgorde.

We waren gekomen om een taak uit te voeren; gedeeltelijk uit wraak, maar vooral om meer bloedvergieten in de toekomst te voorkomen. Wij konden het ons niet veroorloven om nu zwak te worden, realiseerde ik mij, maar we moesten snel zijn. De Roemenen zouden verdriet als zwakheid herkennen en dat zien, als een aanmoediging om door te gaan.

Lucio’s mobiel rinkelde. Hij luisterde even en ik hoorde hem zeggen: “Grazie mille, Maresciallo.”

“Gian, we moeten snel zijn. De Carabinieri kan niet meer langer afhouden. Met een uur zijn ze hier. De Direttore Generale della Publica Sicurezza heeft opdracht tot onderzoek gegeven.”

“Het wordt tijd dat we het afronden,” zei ik tegen mijn co-commandanten. De ‘madame’ (politie) is onderweg. Ik vroeg Perparim om snel een vier extra wapens te laten brengen door zijn mannen die de uitgangen bewaakten.

Ik had de waanzin ingezien van het originele plan om de Roemeense gangsters eerst uit hun brakken te sleuren en ze daarna er weer in te proppen. Ik vroeg Perparim om twintig van zijn mannen, gewapend met HK G36’s, de groep van Roemenen te omsingelen op twintig meter afstand.

De vier Albanezen van de uitgangbewaking kwamen aanrennen met een M202A1 FLASH op M202A1 FLASH Fosforgranaat Lanceerder hun schouders. Toen zij op dertig meter genaderd waren, gaf ik Perparim een teken die onmiddellijk zijn twintig man het bevel gaf, om 40mm granaten in de ploeg zittende Roemenen te pompen.

De explosies waren oorverdovend, net als het geschreeuw van de Roemenen. De vier nu gearriveerde Roemenen richtten nu hun M202A1 FLASH brandbom raket lanceerinrichtingen en schoten achter elkaar de 66mm raketten in de groep exploderende Roemenen. Het was niet prettig om te zien, of zelfs maar te horen. Het moest echter gebeuren.

Met vier minuten was alles over en alles wat wij achterlieten was een grote hoop verkoolde ledematen, die mij herinnerde aan de stapels vee, die tijdens de mond- en klauwzeer epidemieën verbrand werden. Het was goor en grotesk om dit te moeten aanschouwen. Gelukkig waren Stefano en de vrouwen al vertrokken. Davonne was dan wel een goed fotografe, maar ik betwijfel of zij hier een zwart/wit foto voor het familiealbum van had willen maken.

Nadat wij afscheid van de Camorristi, Lucio en Umberto hadden genomen, namen wij ook afscheid van de Albanezen. Perparim vroeg mij: “Gian, we hebben nu twee missies uitgevoerd, wie ben je eigenlijk?”

Stefano wilde antwoorden, maar deze keer luisterde Perparim niet naar hem. Ik zei: “Perparim, ik ben een suffe Hollander die wat Italiaans en nog wat talen spreekt. Franco was meer dan een broer voor mij, Stefano is meer dan een zoon voor mij. Ik had mijn leven graag voor Franco gegeven, maar ik was er niet voor hem. Ik geef het voor Stefano, ieder moment van de dag, en dan heb ik nog wat. Ik heb honderd capabele en dappere mensen leren kennen. Ik spreek jullie taal helaas niet, maar het lijkt mij, dat wij elkaar begrepen hebben.”

De grote Albanees trok zijn zwarte bivakmuts van zijn hoofd en met zijn andere hand trok hij zijn mes. Ik strekte mijn hand uit, terwijl Perparim zijn eigen hand opensneed. Nadat hij met mijn hand hetzelfde had gedaan, grepen wij elkaar’s hand en gaven het bloed de kans om zich te vermengen. Daarna omhelsden wij elkaar.

“Perparim.”
“Gian.”

De sirenes van de Carabinieri waren nu hoorbaar, dus wij wensten elkaar geluk met de reis naar het noorden van Italie. De verkenners op de motoren zorgden ervoor dat wij uit de handen van de Guardia di Finanza bleven, maar van die reis hebben wij, behalve de chauffeurs die elkaar steeds afwisselden, weinig meegekregen. De adrenalinefles was leeg, en wij lagen doodmoe te slapen.

Het avondeten stond al opgediend –mobiele telefoons zijn makkelijk- toen wij aankwamen bij Franco’s villa. Wij hadden de veldslag gewonnen, maar de oorlog verloren. Wij waren Tito en Rino kwijt. Rino, die mijn, en Stefano’s leven meer dan eens gered had.

De vrouwen gingen goed, vrouwen zijn beter met gevoel en emotie. Wij waren verrot slecht. Stefano was het lot van Rino bespaard gebleven, maar wat het met ons zou gaan doen, viel alsnog niet te voorspellen. We misten Rino. Stefano, Renato, Flavio en ik zaten elkaar aan te kijken alsof wij zeggen wilden: “Wat hebben wij gedaan?”

Maar dan..., ik heb dat mijn hele leven al gedacht.

’s Nachts werd ik schreeuwend wakker. Nu dat ik weer uit de stress begon te komen, de stress van operatie VENDETTA en het verdriet om Franco, werd ik weer overvallen door dezelfde droom. Dezelfde nachtmerrie die mij nu al dertig jaar lang in mijn slaap overviel.

“Mijn God!” riep Lino, “de vrouw heeft zichzelf met de vrachtwagen opgeblazen…”

Lino en jij renden naar Donato, die bewegingloos in het zand lag. Hij was door zijn hals geschoten, maar leefde nog. Uit de mouw van zijn jack stak een vreemd glimmend voorwerp. Luigi lag een eindje verder dood in het zand. Donato had zijn keel doorgesneden, nadat hij hem onderuitgetrokken had.

“Wij moeten een dokter voor hem zien te halen, Jan!” schreeuwde Lino.

Donato opende zijn oog en vroeg zwak: “Nanda?”

“Ze heeft zich met de truck opgeblazen, Donato,” zei jij.

Je stem brak.

“Huil niet, mijn vriend… Nanda is gestorven zoals ze geleefd heeft, en dat… Het is goed zo. Zij was de zuster van mijn aanstaande vrouw. Haar man was… degene die samen met mijn verloofde en mijn ongeboren kind in Rome… doodgeschoten zijn. Straks zullen we weer samen zijn, allemaal...”

Donato probeerde nog iets te zeggen, maar zijn stem was bijna niet meer te horen. Je boog je voorover en hield je oor bij zijn lippen: “Laat mij niet hier op het strand achter voor het politievuil. Begraaf mij op zee… Alsjeblieft, mijn Hollandse vriend…”

Met een verstikte stem vroeg je: “Waarom, Donato…? Je moet dit geweten hebben, waarom…?”

Een zwakke glimlach trok over zijn gezicht. Hij hijgde: “Mijn binnenzak, vergeet...”

Zijn stem ging over in gereutel, en een ogenblik daarna staarde je in het gebroken oog van een gestorven vriend. Je vriend voor het leven. Toen je met betraande ogen om je heen keek, zag je Lino terug komen lopen van de geëxplodeerde truck. Je zag ook dat Umberto en Andrea een man vasthielden.

“Nanda heeft zich voor niets opgeofferd, Jan,” vloekte Lino. “De Don is ontkomen!”

   Jan, Jan, wordt wakker, wat is er, lieverd? Heb je een nachtmerrie?   

Ik schrok wakker van mijn geschreeuw en van Davonne, die zachtjes aan mij schudde. Ik merkte dat de tranen uit mijn ogen liepen. Ik had dus weer over de dood van Donato gedroomd.

Davonne omarmde mij, kuste mijn tranen weg en vroeg: “Was het zo angstig, Jan?”

“Het is iets uit mijn verleden van dertig jaar geleden. Wanneer ik uit de stress kom, dan krijg ik migraine-aanvallen en steeds dezelfde nachtmerrie.”

“Wil je erover praten?”

“Het is in mijn boek, en dat koste mij al genoeg moeite om het bewust weer te herleven. Nee, liever niet, Davonne.”

Ik begon nu te rillen van de kou, die de nachtmerrie altijd opvolgde. Davonne hield mij de hele nacht omarmd. Voor de allereerste keer in de afgelopen weken, had ik nu mijn arm ook om haar heen.

De volgende dagen stonden de kranten bol van de aanval op het Roemenenkamp. Vragen werden gesteld in het Europarlement. De speculatie was niet van de lucht, maar Perparim was slimmer geweest, dan wij allemaal. Hij had zijn twee dode mannen achtergelaten. De kranten kwamen al snel tot de conclusie dat het een gangstervete was geweest tussen de Albanezen uit Zuid Italie en de Roemenen. Over de Gruppo Kosovari van Perparim en Stefano werd niet gerept.

Davonne. Davonne, en dat is wat ik bedoelde aan het begin van dit verhaal. Wie leert ooit de vrouwen kennen? Van ogenschijnlijk domme Badoo tickchick had zij zich een vrouw betoond; maar een vrouw waar menige kakzak van een vent een voorbeeld aan kon nemen. Ze had mij, en ze had mij en Stefano het leven gered. Ze had gezien wat niemand ooit zou willen zien en ze was nog steeds dezelfde Davonne. Een trutje of een heldin, wie zal het ooit weten? Flavio!

“Moet jij Davonne niet nog een paar leuke dingen leren,” vroeg ik hem.

“Zio, ze is zo goed, tenzij wij in MMA gaan en scherpschutters cursussen gaan volgen, is er niet veel dat ik haar eigenlijk nog leren kan. Het is een fantastische vrouw en ik zie er naar uit, dat ik naar Holland komen mag.”

“Mag? mag? Het zijn alleen haar ouders die iets te zeggen hebben.”

“Zio, kent u haar ouders? Kunt u niet een goed woordje voor mij doen?”

“Ja, ik ken ze. Maak je niet bezorgd. Je bent de beste schoonzoon die zij zich kunnen wensen, zolang je die boomslak van je maar in je broek houdt.”

“Zio!”

Renato schaterde van het lachen, en zei: “Een veertienvoudig moordenaar die verlegen is, wat is er met de wereld gebeurd?”

Flavio vroeg mij aarzelend: “Als Davonne en ik een kind zouden..., Zio? Dat kind zou eigenlijk best wel goed zijn, hè?”

Renato en ik keken elkaar hoofdschuddend aan.

In de week dat wij nog bij Stefano en mijn vrienden bleven, viel het mij op dat de haat uit Stefano’s ogen was verdwenen. Ik zag nu het verdriet. Eindelijk kon hij met het rouwproces beginnen. Franco was gewroken en wij hadden de Roemenen een slag toegediend, waar zij niet licht van zouden herstellen, maar aan alles komt een einde. Ook aan de werkvakantie van Davonne en mij.

“Zio, Gian” zei Stefano op de ochtend van ons vertrek, “Ik weet niet hoe ik je bedanken moet. Ik had de operatie natuurlijk kunnen runnen, maar dan was ik er nu net zo aan toe geweest als arme Rino. God zal weten hoe hij zich voelt. Voelen. Ik begin weer te voelen, Gian. Ik hoor de vogels en de marmotten weer, zie de herten en de adelaars. Ik voel de zon weer in mijn gezicht.”

“Dat is goed, figlio (zoon). Dat is goed. Laten wij nog even langs het graf van je vader rijden om hem te groeten. Davonne en ik nemen dan later in Brescia de autostrada naar Milaan.”

Wij kusten Margherita, Donatella, Pam, Renato en Flavio ten afscheid. Tranen. Veel tranen. De enige die niet huilde was Stefano. Hij keek blij en trots. Er keek nog iemand blij en trots. Flavio, nadat Davonne hem omhelsd, en op zijn mond gekust had.

“Maar goed dat je vader er niet bij is, Flavio,” zei Renato gillend van het lachen, zijn leven riskerend.

“Je bent goed Davonne,” zei Pam.
“Jij ook Pam, je bent werkelijk een fantastische vrouw.”

De lijfwachten aan de poort feliciteerden ons en wensten ons een goede reis terug. De vrachtwagen op die de bergweg versperde, reed achteruit toen de motorrijders, Stefano’s A6, mijn Audi en de rest van het konvooi passeerden. De vrachtwagen toeterde bij wijze van groet en de mafiosi klapten, toen wij passeerden.

“Waarom moeten we nu evengoed nog in konvooi rijden, Jan,” vroeg Davonne, “Alles is nu toch over?”

“Het is pas over als het over is, foofie. Stefano en Franco hadden vele vijanden. God weet waarom, maar er is zoiets dat jaloezie heet. Maar ik denk dat we wel hebben bijgedragen aan een reductie van riff raff.”

Stefano en Davonne bleven even apart staan, toen ik later ik bij het graf van mijn arme vriend Franco stond. Ik sloot mijn ogen om te zien of ik weer contact kon krijgen. Het werkte natuurlijk niet. Ik zei wat ik voelde dat ik zeggen moest en kuste Franco’s foto ten afscheid. Ik zei: “Ik hoop dat je tevreden bent, oude vriend. Het duurt nu niet zo lang meer en we zullen weer samen vechten.”

Met tranen in mijn ogen, liep ik naar Stefano en Davonne.

“Je blijft een sentimentele mafkees, Gian, maar ik wil je voorlopig nog niet hier hebben. Stefano heeft je nog nodig.” hoorde ik achter mij.

Ik keek om, maar zag niemand. Ik vroeg: “Hoorden jullie dat ook?”

“Hoorden wij..., wat?” vroeg Stefano verbaasd.

Davonne schudde haar hoofd.

Wij namen nu afscheid van Stefano, die nog even bij zijn vader wilde blijven. Ik vroeg mij af hoe vaak wij elkaar in het leven al begroet, en afscheid genomen hadden..., en hoe vaak wij dat nog mochten doen.

Davonne kuste Stefano vol op zijn mond, en zei: “Bedankt voor alles Stefano, je bent een mooi mens en Donatella is een gelukkige vrouw. Ik hoop jullie snel weer te zien.”

Stefano veegde wat woestijnzand uit zijn ogen, zei: “Niet tegen Donatella vertellen”, en kuste Davonne.

Later op de autostrada vroeg Davonne mij: “Zou Donatella het erg vinden dat ik Stefano gekust heb? Het is een mooie en goede man.”

“Voor Donatella is het een compliment dat haar man nog in de smaak valt bij negentienjarigen. Ik denk dat je je meer zorgen om Flavio moet maken.”

“Stefano zal dat toch niet zeggen?”

“Wel, je hebt gezien hoe die drie elkaar voortdurend lopen te dollen. Flavio is de jongste, dus die moet het meestal ontgelden.”

“Nou ja, het is niet zo erg als hij een beetje jaloers is. Dan weet hij dat ik nog wel wat anders ook kan krijgen,” zei Davonne pedant.

“Nemen wij weer de bruissuite, Jan?” vroeg Davonne, toen wij de Duitse grens naderden.

“Ik zat nu echt aan twee kamers te denken, Davonne. Uiteindelijk ben je bijna verloofd en mijn nachtmerries zijn zo goed als over,” testte ik haar.

“Doe niet zo rot, ik vond het hartstikke gezellig steeds.”

“Ja, dat heb je ook vaak genoeg gezegd,” pestte ik haar.

 

“Zwei Einzelzimmer?” vroeg de hoteleigenaar, Herr Ott, knipogend, in het hotel Weil am Rhein.

Davonne keek mij aan, alsof ze zeggen wilde: “Waag het niet, Jan!”

“Nee, doet u de bruidssuite maar, Herr Ott.”

Wat Davonne niet wist, was dat ik de hoteleigenaar, die ik al dertig jaren kende, de avond voor ons vertrek had opgebeld, met de boodschap dat ik het restaurant voor mij alleen wilde. Ik had hem een klein vermogen beloofd, wanneer hijzelf ons zijn culinaire meesterstukken zou laten proeven. Dat de Louis Latour 1955 driehonderd euro per fles zou gaan kosten, was een vanzelfsprekendheid. Wilde Herr Ter Haak ook levende muziek, een orkestje of zo? Daar ik vermoedde dat het wat problemen zou opleveren, in een klein Duits dorp, om een Rap, Hiphop groep of Armin van Buuren op korte termijn te engageren voor Davonne, stemde ik toe. ‘Fuck, ze heeft twee keer mijn leven gered, laat het maar wat kosten ook,’ dacht ik.

“Wij zijn zeker de enige eters hier,” zei Davonne, toen zij tegenover mij, aan een twee meter lange tafel, zat, “en wat zit ik een eind bij je vandaan. Dat bevalt mij helemaal niet. De vorige keer was veel intiemer, ik kom bij jou zitten.”

De daad bij het woord voegend, pakte zij haar stoel op en begon daarmee te slepen. De chefkelner schoot haar te hulp en zette haar stoel naast mij, aan de zijkant van de tafel. Daarna pakte hij de borden en het bestek en zette dat voor haar neer. Davonne schoof haar arm door de mijne, en zei: “Gezellig zo, hè?”

Nadat wij de excellente Louis Latour geproefd hadden en de hors d’oeuvre geserveerd was, begonnen we te bijten.

“Mmmm,” zoemde Davonne, “Dat smaakt bij...”

Op dat moment werd de restaurantdeur wijd opengegooid en het orkest kwam binnen. In paniek dook ik weg en ik wilde mijn Sig Sauer van mijn rug trekken, maar die had ik in de hotelkamer laten liggen.

Het orkest omsingelde ons en begon te spelen. Het was een Roemeens zigeunerorkest, dat Herr Ott voor ons gecharterd had.

“Pfff,” dacht ik, mijn voorhoofd afvegend, “Als Perparim hier had gezeten, dan hadden er zes dode muziekanten op de vloer gelegen.

Dat was dan eigenlijk de enige dissonant die avond. Toen ik aan Davonne had verteld, dat ik er een speciale avond van wilde maken, omdat het onze laatste was, kwam ze om mijn nek hangen en begon mij te zoenen. Prompt begonnen de violen hun klagende liefdesdeuntjes te kreunen en Herr Ott en het voltallige personeel begonnen te klappen.

Toen de Roemeense zigeuners ‘Im weißen Rößl’ wilden gaan spelen, besloot ik dat het mooi geweest was en dat het tijd was om te gaan slapen. Uiteindelijk moesten we de volgende dag toch ook weer achthonderd kilometer rijden.

“Het was gezellig, Jan,” zei Davonne, toen zij later in mijn arm lag.

“Ja,” zei ik, “We hebben een leuke werkvakantie gehad, nietwaar?”

Ik kreeg geen antwoord, want Davonne snurkte al.

‘Maar goed dat we niets hebben, anders had ik hier toch echt voor paal gelegen,’ dacht ik glimlachend, voordat ook ik in slaap viel.

Die nacht droomde ik dat ik met Vanny (Vanny the Trophy Fanny) in bed lag en dat wij elkaar lagen te knuffelen. Het was niet voor niets dat Vanny ‘the Trophy Fanny (de prijsdoos)’ werd genoemd, want ze voelde altijd prettig, warm en vochtig aan. Het was dat toen ik Vanny hoorde zeggen: ‘kom’, dat ik mij in mijn slaap realiseerde, dat ik moest dromen, want Vanny was een maagd toen ik haar ontmoette en ik had daar nauwelijks verandering in gebracht. Ik opende slaperig mijn ogen en zag dat Davonne naast het bed stond.

“Wat is er,” vroeg ik slaperig.

“Niets, ga maar weer slapen, Jan. Je droomde denk ik.”

“Wat was dat nu allemaal vannacht? Had ik weer een nachtmerrie, of zo?” vroeg ik de volgende morgen.

Davonne keek mij onderzoekend aan en zei: “Ik denk dat je droomde, Jan, want je noemde mij Vanny.”

“Ik herinner mij dat ik gedroomd heb, maar ik herinner mij niet meer wat. Vanny, zei je? Hmmm, ik heb een tijd niets meer van haar gehoord.”

“Dat moet wel,” zei Davonne, “Want je lag mij aan te halen en je noemde mij Vanny.”

“Ja hoor,” zei ik, “Het is goed. Net zoals de laatste keer, zeker. Je vangt mij niet meer, wipkip.”

“Jan, leg je hand even op mijn heup,” zei Davonne.

Aarzelend, en met een voorgevoel van onheil, legde ik mijn hand op haar heup..., om te bemerken dat zij haar Snoopy onderbroekje niet aan had.

“Je hebt geen box aan, Davonne,” zei ik onthutst.

“Nee, die ligt hier op de grond. Kijk maar.”

Ik boog mij over haar heen. Op de grond naast het bed lag een Snoopy onderbroekje. Het bloed schoot naar mijn hoofd en ik stamelde: “Je gaat mij toch niet vertellen dat ik met je... Dus daarom stond je naast het bed, om je..., mijn god. Dat is toch niet echt waar?”

“Zo, of het waar was. Het erge was dat je ophield met spelen, net toen de violen zouden gaan spelen. Geloof je mij nu?”

Ik wist niet waar ik kijken moest, en vroeg: “En je bent niet kwaad dat ik... en dat ik je Vanny noemde?”

“Nee hoor. Ik dacht dat het Flavio’s hand was.”

“Jij bent echt gek. Waarom maakte je mij niet wakker?”

“Ik lag ook te slapen, en toen ik wakker werd, vond ik het eigenlijk wel gezellig. Je deed het in je slaap, dus ik kon het je niet kwalijk nemen. Die Vanny zal wel blij met je geweest zijn, wel..., als je wakker was tenminste.”

“Het is maar goed dat je vanavond weer thuis bent. Ik schaam mij dood.”

Thuis. En dan waren wij thuis. Ik voelde mij een beetje nostalgisch toen ik bij Davonne’s huis uitstapte. Fuck, ik had eigenlijk best wel een leuke tijd met haar gehad, maar ja, zoals gezegd... dus dit was het eind.

“En hebben jullie een leuke tijd gehad, Davonne?” vroeg haar moeder.

Davonne praatte honderduit. Ik had haar de hele vakantie niet zoveel horen praten, al had ik haar wel gewaarschuwd om niet over de vermoorde Roemenen te praten.

“Ik heb ook een beetje verkering, mam. Flavio heet hij en hij is hartstikke knap. Hij is ook goed met zijn vingers...”

Ik dacht dat ik stierf.

“Hoe bedoel je hij is goed met zijn vingers?” vroeg de moeder.

Voordat Davonne mij weer een hartstuip kon bezorgen, antwoordde ik: “Flavio is eigenlijk goed met alles, hij is een krijgskunst artiest en hij heeft Davonne ook wat zelfverdediging geleerd, nietwaar foof?”

“Jah,” bevestigde Davonne trots.

Voordat ze mij weer een kunstje kon flikken, besloot ik dat het tijd was om op te stappen. Ik zei de moeder gedag en liep naar mijn auto. Davonne liep met mij mee. Ik besloot dat het nu mijn beurt was. Ze had mij zo ongeveer wel genoeg gepest.

“Mag ik volgende keer weer mee, wanneer je naar Italië gaat, Jan?” vroeg Davonne.

“Ja natuurlijk, je hebt geen nare lekkere foof, foof.”

“Wat is dat toch steeds met dat foofding? Je noemt mij steeds zo.”

“Foof is urban slang voor ‘doos’”

“Dus je noemt mij een..., hoe weet jij dat ik een lekkere foof heb. Je sliep, dus dat kun je nooit... Je sliep niet! Sliep je?”

“Sliep jij, toen je je Snoopy uittrok?”

“Dus je hebt liggen kloten, toen ik sliep?” vroeg Davonne.

“Ja,” zei ik lachend.

Klets! Ik had het kunnen weten. Mijn oor suisde ervan. Nou, mijn grap was op een mislukking uitgedraaid. 'The joke was on fucking me!'

Ik wreef mijn oor en stapte in mijn auto, en zei: “Dag Davonne.”

Ze antwoordde niet, maar toen ik de deur dichttrok en de motor startte, tikte ze op mijn raam. Voorzichtig liet ik mijn raam zakken, om niet weer een hengst te krijgen.

“Ja?” vroeg ik.

“Het was wel gezellig hè, Jan? Weet je wat?”

“Nee?” zei ik.

“ik sliep helemaal niet. Dag Jan, ik hoop je snel weer te zien,” zei ze, terwijl ze voorover boog en een kus op mijn wang drukte.

‘Vrouwen,’ dacht ik op de A28 naar Utrecht, ‘Wie begrijpt ze? Zelfs de kleintjes zijn niet te volgen.’

Ik zette de CD speler aan en begon mee te zingen met Massimo Ranieri’s Guapparia: ‘scetateve guaglione e mala vita, ca e ntussecosa assai sta serenata......’

Ik sliep onrustig die nacht, want in mijn dromen bleef ik de gezichten van Margherita, Donatella, Pam, Stefano, Renato, Flavio, Lucio, Umberto, Rino, Tito en Perparim zien. Toen ik wakker schrok en mij tegen Davonne aan wilde draaien, merkte ik dat ik weer thuis was.

“Jammer,” dacht ik, “Het was eigenlijk best wel gezellig”

 

Het gaat wel vervolgd worden...

Dedicatie...

Deze pagina is opgedragen aan Djuvera van Opijnen,  een fantastische en fantastisch mooie, vriendelijke, jonge vrouw, die ik eigenlijk nimmer gekend heb, en waarschijnlijk nimmer zal kennen.

Naast de genoemde inspiratie, die Djuvera mij voortdurend verschafte, heeft zij mij grootmoedig het gebruik van haar eigen zeer bijzondere foto’s toegestaan.

Djuvera, ‘here’s to you’! Ik kan je nooit genoeg bedanken, mooi monster!

Respect, Jan ter Haak

Amsterdam, 24 september 2009

 
 

 

Dit wil je echt niet weten...
 
Geloof me, je wilt het niet weten...
 
Deze store is als mijn stories. FUCKING COSMIC!
 
Voor de grootste collectie TRUE CRIME books...
 
WILBRO Boekhandel - De best gesorteerde boekhandel in Nederland...
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Bestel nu en stel uw korting veilig...